Das Heilige
In seinem Hauptwerk (Das Heilige, 1917) setzt sich Rudolf Otto mit der Erfahrung des Heiligen auseinander. Diese schließt seiner Auffassung nach insofern irrationale Momente ein, als damit verbundene Gefühle sich der rationalen begrifflichen Fassung entziehen und nur durch hinweisende Ideogramme bzw. Deute-Begriffe aufgezeigt werden können. Die irreduziblen Momente dieser Erfahrung bezeichnet er als mysterium tremendum und mysterium fascinans.
Im erstgenannten Gefühl offenbart sich Gott als eine überwältigende Macht, vor der die Kreatur erschauert und die als das ganz Andere die menschliche Vernunft transzendiert. Das Heilige wird allerdings nicht als das absolut Unheimliche empfunden, denn untrennbar von diesem Aspekt existiert die faszinierende, beglückende Erfahrung des Göttlichen. Die Irreduzibilität der Momente des Schauderns und des Vertrauens kennzeichnet Otto, indem er das Heilige als Numinoses (er übersetzt lat. 'numen' mit "übernatürliches Wesen ohne genauere Vorstellung") bestimmt.
Nach Otto erinnert die numinose Erfahrung an Begriffe und Prinzipien wie Liebe, Übermacht und Güte, so dass das Numinose zwar nicht beschrieben, jedoch mit dem Denken und Handeln verbunden ist. Als Folge dieser Schematisierung entsteht das Heilige als komplexe a priori Wertkategorie.
Das Unheimliche
Der Theologe Rudolf Otto betrachtet das Unheimliche als rohe, noch unreflektierte Form des beängstigenden Gefühls (mysterium tremendum), das neben der Faszination, die vom Heiligen ausgeht, einen irreduziblen Teil der Erfahrung des Göttlichen ausmacht.
Das Numinose
Numen ist ein von Rudolf Otto (1869-1937) aus dem Lateinischen entlehnter Begriff, der das Letztendliche / Göttliche / Wunder des Seins beschreiben soll, losgelöst von allen Assoziationen die von Wörtern der "natürlichen" Sprache ausgehen.
Für ihn steht das Numen außerhalb unserer Realität und kann deshalb weder bewiesen noch widerlegt werden. Es lässt sich nur durch dessen Erkenntnis erfahren und zwar entweder als mysterium tremendum (Furcht, Entsetzen) oder mysterium fascinans (Anziehung). - Die Wahl dieser beiden Begriffe erfolgte analog zu Numen.
Unter numinos versteht man heute im Allgemeinen das ambivalente Gefühl des Menschen aus Angst und Faszination bei einer Konfrontation mit etwas Göttlichem oder überhaupt Übernatürlichem.
In der (volkskundlichen) Erzählforschung findet der Begriff vorzugsweise Verwendung im Zusammenhang mit Sagen.
Over Heidegger en Otto gesproken...
In 1927 viert de universiteit van Marburg haar vierhonderdjarig jubileum. Rudolf Otto prijst in zijn Rede zur 400 jährigen Jubelfeier der Philippina zu Marburg het ‘streven van de vrijgemaakte geest naar onafhankelijke waarheidsvinding’.
De feestrede werd uitgesproken in de protestantse kerk. ‘Men zag Heidegger met een grimmige uitdrukking op zijn gezicht in een merkwaardig jacquet echter de katholieke kerk binnenstappen.’
Met de komst van Heidegger, ambitieus, tactisch en met een jezuïtische vooropleiding, veranderde de gemoedelijke sfeer.
Rudolf Otto en zijn historisch godsdienstonderzoek werd meegesleurd in deze Prinzipienstreit. Hij heeft het onderspit gedolven omdat het hem aan geestelijke en lichamelijke kracht ontbrak. Voor zo’n theologenstrijd heb je stevige ellebogen nodig, een permanente bereidheid om je te verzetten en het vermogen om op een grove kwast een scherpe beitel te zetten.
De diplomatieke en hoogsensitieve Otto kwam in de knel.
De innerlijke band tussen Heideggers denken en zijn politieke sympathieën is van filosofisch belang. Kleeft er aan zijn leer van het zijn, dat ons een tijdelijke lichtplek toebedeelt, geen inherente onverschilligheid voor de vragen van recht en onrecht? Door de nadruk op de lokale waarheid van het zijn en de verworteling van het denken in het eigene, de Heimat, heeft Heidegger in elk geval geen affiniteit met het westerse liberalisme. Zijn filosofie is verwant aan het conservatief nationalisme in de politiek.
Hannah Arendt en Karl Jaspers zijn het na 1945 erover eens dat Heidegger kennelijk iemand is wiens morele gevoeligheid niet was opgewassen tegen de hartstocht van zijn denken. Arendt, die volgens Heidegger ‘mij als geen ander doorgrondt’, schrijft aan Jaspers: Wat jij onzuiverheid noemt, zou ik een gebrek aan karakter noemen, maar in de letterlijke zin dat hij er geen heeft en zeker ook geen bijzonder slechte. Tegelijk leeft hij met een diepgang en een hartstocht die je niet licht vergeet.
In het voorjaar van 1933 wordt Otto’s vriend Jacobsohn op de jüdischer Friedhof in Lüneburg begraven. Heidegger wordt lid van de NDSP en beëindigt zijn vriendschap met Jaspers. Frau Heidegger rijdt de rector van de Universität Freiburg dagelijks naar zijn werk.
In juni wordt Hannah door de Gestapo gearresteerd in Berlijn. In de herfst begint Otto aan zijn laatste, eenzame tocht naar de spookachtige ruïnes van de burcht Staufenberg.
‘He must have foreseen clearly the inevitable catastrophe that loomed ahead, and caught the sound of Niagara thundering beyond the upper rapids.’
Heideggers Sein und Zeit is een poging om de filosofische grondbegrippen opnieuw te ijken. Rudolf Otto heeft het religieuze kernbegrip het heilige van een ijkmaat voorzien. Zijn reflecterende methode levert wellicht een dieper en scherper wijsgerig inzicht op en een sleutel tot de diepere vragen op dit gebied. Als docent Ethiek is hij geen koele waarnemer en onderzoeker, maar een denker die bij zichzelf te rade durft te gaan.
Heideggers gemankeerde reflectievermogen is een filosofisch probleem.
Het morele zelfonderzoek – acht de denker op het toneel van de zijnsgeschiedenis zich daarvoor te goed? Misschien is het een erfenis van zijn katholieke komaf: de protestantse gewetenswroeging blijft hem vreemd. Om zijn denken te kunnen vasthouden, scheidt hij dit van het persoonlijke. Onverschillig observeert hij de wrede consequenties van de beweging die hem zo fascineert: we herinneren ons het lot van Hannah Arendt, Edmund Husserl of de door Otto zo betreurde Hermann Jacobsohn.
In zijn laatste levensjaar spreekt Rudolf Otto vooral over ethiek.
De confrontatie met het heilige, het volstrekt andere, is levensbepalend. Wat eerst nog onrecht werd genoemd wordt nu godvergeten, gewetenloos, misdadig en onheilbrengend. Een misstap wordt onrecht doen. De normen van het geweten worden universele normen. Door de ervaring van het heilige als hoogste waarde wordt de ethiek met de kwaliteit van het heilige doordrenkt, gesanctioneerd. Sommige waarden treden sterker op de voorgrond, andere treden terug. Alles verschijnt in een nieuw licht. – Dit is het wezenlijke verschil tussen religieuze ethiek en de profane of filosofische. De religieuze mens hanteert geen andere normen dan de ongelovige, beiden volgen hun geweten en beroepen zich op waarden en rechten. Maar tegenover het heilige worden de normen serieus en verkrijgen hun echte diepte. Een uiteindelijke existentiële rechtvaardigheid verlicht het geweten.