Een Sneker “Flapkan” uit een stinswier in Warns
In februari en maart 2021 werd er door het RAAP, ondersteund door leden van het Archeologisch Steunpunt Sneek, in opdracht van de gemeente Súdwest-Fryslân een archeologisch onderzoek uitgevoerd in verband met de aanleg van een rondweg om Warns. Hierbij werd gezocht naar een vermoedelijke stinswier, aan de rand van Warns. Een stinswier bestond uit een verdedigbare vierkante (woon)toren op een heuvel welke was omgeven door een gracht. Ze diende tevens als status symbool voor de eigenaar. Op oude kaarten wordt deze locatie als de “wier bij Sytsma” aangegeven. Dit past bij opmerkingen in oude kronieken dat een Ats Bonninga en Jelmer Ottes Sytsma, van Schieringse partij, op een stins in het dorp Warns woonden. Stinsen speelden een belangrijke rol in de strijd tussen de Schieringers en de Vetkopers om de “Friese Vrijheid”. Het laatste decennia van de 15e eeuw was een zeer onrustige periode, met veel ongeregeldheden rond deze partijstrijd. Bocke Harinxma van Sneek was toen een van de laatste verdedigers van de “Friese Vrijheid” geworden. In 1498 haalde Bocke en de Schieringers, hertog Albrecht van Saksen de stadhouder van Holland naar Friesland om met zijn hulp een einde te maken aan de partijstrijd. Dit leidde op 13 augustus 1498 tot het verdrag van Sneek, waarbij de hertog werd benoemd tot heer van Westergo, Hiermee kwam er een einde aan de strijd, maar ook de Friese Vrijheid.
Binnen deze strijd komt een verhaal naar boven drijven, welke een klassieker werd in de 19e eeuw, toen de Friezen op zoek waren naar de wortels van hun Friese identiteit. Arent van Halmael van het Fries Genootschap schreef in 1830 hierover een treurspel. We hebben het dan over de moedige strijd van Ats Bonniga. Het verhaal begint in 1492 wanner de Vetkopers in Warns een stins bouwen. Bij de hierop volgende strijd werd Douwe Galema, de zoon van de Vetkoperse hoofdeling gedood. Hierop werd uit wraak de stins van Sytsma belegerd. Op dat moment was Jelmer Sytsma in Sneek, bij zijn aangetrouwde oom Bocke Harinxma, en stond Ats Bonninga er alleen voor. Bocke en Jelmer trokken met een legertje naar het nabij gelegen blokhuis in Hemelum. Op 15 september 1494 komt het tot een treffen, waarbij Jelmer Sytsma gewond raakt en gevangen wordt genomen. Douwe Galama eist de onvoorwaardelijk overgave van de stins door Ats. Maar ze ging hier niet op en verdedigde de stins, om zo tijd te rekken voor onderhandelingen. Na deze onderhandelingen werd er een akkoord bereikt, Ats zou de stins over dragen in ruil voor haar man. Waarna het echtpaar verbannen werd, en de Schieringers de stins met de grond gelijk maakten.
Tijdens het archeologisch onderzoek bleek dat er in de grond, inderdaad de resten van een stinswier te vinden zijn. De toren was ongeveer 10 bij 10 meter met 70 centimeter dikke muren, en het geheel was omgeven door een gracht van ruim 12 meter breed. Sporen van de schermutselingen werden ook gevonden in de vorm van loden kogels voor haakbussen. Maar de meest spectaculaire vondst waren drie haakbussen, welke op de bodem van de gracht lagen. In diezelfde gracht werden ook twee tinnen kannen gevonden. Waarschijnlijk zijn deze spullen door de bewoners bewust in de gracht gegooid, om ze uit handen van de vijand te houden.
In de 15e en 16e eeuw was tin een algemeen gebruikt materiaal voor eet- en drinkservice, en kwam in elk huishouden voor. De gevonden tinnen kannen zijn drinkkannen met een klapdeksel. Ze zijn, op de duimrust in de vorm van twee eikels na, onversierd. In het “Snitser Recesboeken 1490-1517” komen we in 1509 de Oudfriese benaming voor dit soort kannen tegen een “flapkan” we lezen namelijk “Item een flapkan, item een mengelens tinnen kan, item ½ mengelen, die wegen ix½ pond. Item en grote tynnen plateel, die wecht viii pond dat pond tinwerck van plateel set op vii buttigen ende d’kannen iii stuvers, Symon set” (SRB-3661).
Een van de gevonden kannen is gemerkt met het keur van de stad Sneek maar ook een makers merk. Gemerkt tingoed is zeldzaam en zeker die van Sneek, er zijn maar een paar stukken bekend. Laten we kijken of we iets te weten kunnen komen over deze kannenmaker. Een hele belangrijke bron over Sneek en haar bewoners zijn de Recesboeken. Hierin komen we een aantal kannengieters tegen;
Frerick frerick zoen kannemaker, hij is voor december 1516 overleden
Foppa Dirks zoen kannemaker, deze komen we vanaf 1492 tot 1509 meerdere keren tegen, hij was ook raadslid
Jacob Huge zoen kannemaker werd in 1504 burger
Jan kannemaker hij is voor december 1506 overleden
Luuttien Jan sin Kannemaker een melding uit 1516
Saekela kannemaker een melding uit 1508
Symon kannemaker, hij werd in 1490 als inwoner van Sneek vermeld, en nog eens in 1509
Kijken we nu weer naar het makers merk dan kunnen we hier mogelijk drie afkortingen herkennen HJs, JHs of FDs. Dan komen twee namen in aanmerking; Jacob Huge zoen en Foppa Dirks zoen kannemakers. Welke van de twee valt (nog) niet met zekerheid te zeggen. Als we ervan uit gaan dat we met de stins van Ats Bonninga te maken hebben dan kunnen de vondsten niet jonger zijn dan 1494/95, wanneer de stins gesloopt werd. Dan valt Jacob Huge zoen af, want deze werd in 1504 burger, Alleen als burger mocht je je aansluiten bij een gilde en een ambacht uitvoeren in de stad.
De Sneker kannengieter Jan Kannemaker (Kanneken) speelde voor Sneek en Bocke Harinxma in 1497 een belangrijke rol. Door de kroniek schrijvers uit de tijd is het verhaal opgetekend. Wanneer Bocke Harinxma in 1497 wordt gevangengezet in Groningen, besluit Jan Kanneken in actie te komen. Deze Jan was koopman, wijnkoper en kannengieter en had door zijn werk contacten in Groningen. Hier ging hij werken als tinnegieter, en bestudeerde in het geheim de sloten in de gevangenis waar Bocke gevangen werd gehouden. Nadat hij zich liet insluiten, met gereedschap, wist hij in de nacht Bocke te bevrijden. Waarna ze de stad uitvluchten en terugkeerden naar Sneek. Jan Kannemaker is voor 5 december 1506 overleden, dit blijkt uit een melding waarin zijn twee opvolgers voor de raad zweren goed werk te leveren welke gemerkt wordt met de stads keuren. “ffrerick ffrerick zoen ende Jacop hwge zoen kannemakers voer den Raedt ten heiligen gesworen koer ende fyn werck toe wareken als olde zalige Jan kannemaker plach toe maken Ende sie sullen Jn alle kannen daer sye maken een pegel in sette Alsoe diep als die yserties holden die die stat daer op heefft laten maken” (SRB-2936). Tenslotte nog iets over de tweede kan, deze is ook gemerkt maar dan met het stadskeur van Workum.