Gesnoeid en geknipt
Metaaldetector zoekers komen ze wel eens tegen halve of zelfs kwart munten, vooral uit de 13e en 14e eeuw, de zogenaamde geknipte munten (afbeelding 1C en D). In een muntschat welke we een aantal jaren gelden hebben gevonden (zie “De Waag” 2014-4) en inmiddels uit 64 munten bestaat, was zelfs 51% van de munten geknipt. Binnen deze muntschat was nog een fenomeen zichtbaar, iets wat we bij veel middeleeuwse zien, het snoeien van munten (afbeelding 1B). In de muntschat was 37% van de munten gesnoeid. Vandaar dit artikeltje over deze verschijnselen binnen de munthistorie.
Vroeger werd de waarde van munten bepaald door hun waarde in edelmetaal, de zogenaamde intrinsieke waarde. Het wegen van (edel)metalen ging toen via het systeem van de Trooise mark. Deze mark was in Nederland gelijk aan 246,084 gram. Het gehalte van gouden munten werd uitgedrukt in karaten waarbij zuiver goud 24 karaten is, elke karaat is onderverdeeld in 12 greinen (24 karaat=288 greinen). Het gehalte van zilveren munten werd uitgedrukt in penningen waarbij zuiver zilver 12 penningen is, een penning is onderverdeeld in 24 greinen. (12 penningen=288 greinen) In heel Europa werden gouden en zilveren munten geproduceerd welke onderling erg verschilden in vorm, gewicht en gehalte. Deze munten werden geaccepteerd op “face value”, hiermee wordt bedoeld dat de munt een afgesproken intrinsieke waarde moest hebben. Deze munt werd de standaard munt genoemd. Verder werd er afgesproken wat de verhouding was tussen de rekeneenheid en standaard munt. Er werden vervolgens vaste aanduidingen gebruikt voor bepaalde aantallen binnen de rekeneenheden. De rekeneenheid was meestal een penning. bijvoorbeeld de schelling (rekeneenheid) was gekoppeld aan de Vlaamse groot (standaard munt), die geacht werd ca. 1,4g zilver te bevatten (intrinsieke waarde). Als rekeneenheden zien we dan 1 schelling = 12 penningen, 1 mark = 10 schelling = 120 penningen en 1 pond = 20 schellingen = 240 penningen.
Het wegen van het geld
Munten hadden voortdurende te leiden onder waardevermindering. Welke het gevolg was van de natuurlijk slijtage, maar ook door het snoeien van de munten. Munten moesten daarom vaak gewogen en gekeurd worden. Het waren dan ook goede tijden voor geldwisselaars (voorlopers van de banken), welke rondreisden langs jaarmarkten en andere plaatsen waar veel gehandeld werd. Hierbij maakte zij gebruik van een zogenaamd muntbalans. Dit was een klein handweegschaaltje welke samen met muntgewichtjes werd gebruikt. Het gewicht van deze muntgewichtjes kwam overeen met het officiële gewicht van de meest gebruikte muntsoorten binnen de Republiek (in een volgend artikel meer hierover). Bij een te groot ondergewicht werd de munt als betaalmiddel geweigerd en ingenomen, tegen betaling van de intrinsieke waarde, om vervolgens vernietiging te worden.
Maar nu terug naar de munten zelf. De hier genoemde voorbeelden zijn allemaal afkomstig uit de muntschat. Het mooie hierbij is dat deze ook nog allemaal voorkomen binnen een en dezelfde munttype, de zogenaamde 2/3 Ruitergroot van Margaretha II van Constantinopel (1244-1280), Gravin van Vlaanderen en Henegouwen geslagen in Valencienes. Op de munt zien we op de voorzijde een ridder te paard met getrokken zwaard; omschrift; + MONETA VALENCENENSIS. Op de keerzijde een kort kruis, met in de kwartieren een wassende maan; omschrift; +MARGARETA COMTISSA en +SIGNVM CRVSIS.
Gesnoeide munten
Met snoeien van gouden en zilveren munten wordt bedoeld dat oplichters stukjes van een munt afknipt of vijlt. Op deze manier konden ze een leuk bedrag aan zilver en/of goud verzamelen. Munten werden toen nog met de hand geslagen, waardoor deze niet altijd rond waren, en de afbeeldingen niet altijd keurig in het midden stonden. Als een munt dan geknipt of gevijld was viel dat niet direct op, en kon de gesnoeide munt gewoon gebruikt worden voor de volle waarde. Het was natuurlijk strafbaar, waar dan ook hoge straffen, zelfs de doodstraf, op stond. Dat dit ondanks de straffen toch erg populair was bij oplichters, blijkt wel uit de grote hoeveelheid gesnoeide middeleeuwse munten die we tegenwoordig nog tegen komen. Er werd van alles bedacht om het snoeien te voorkomen. Zo werden munten voorzien van een randschrift en een parelrand (zie afbeelding 2), zodat het snoeien moeilijker werd en je makkelijk kon zien of een munt gesnoeid was. Daarom werden vanaf 1749 alle zilveren en gouden munten, later ook alle andere munten, voorzien van een kartelrand. Bij het voobeeld van de 2/3 Ruitergroot (afbeelding 1A en B) zien we een duidelijk gesnoeide munt. We krijgen dan de volgende verhoudingen; de hele munt weegt ca.2.3 gram terwijl het gesnoeide exemplaar nog maar ca.2gr.woog.
Geknipte munten
Het knippen van munten heeft niets te maken met misbruik, maar ontstond door een gebrek aan kleingeld. Binnen de muntschat gaat het hierbij om 16% van de munten. Gezien de intrinsieke waarde kon een erkende munt in maximaal vier delen geknipt worden. Om zo betrouwbaar klein geld te krijgen, met de halve of kwart waarde van de originele munt. Toch was dit niet altijd even betrouwbaar we zien namelijk dat gesnoeide munten ook werden geknipt, waardoor deze lichter waren dan bedoeld. Op de meest gangbare munten van die tijd stond op een zijde een kruis afgebeeld. Deze lijkt ook wel op een kompasroos, met zijn vier oorden (N-O-Z-W). Als een munt werd geknipt, in twee of vier stukken gebeurde dit langs de armen van het kruis (zie afbeelding 3),.Hierdoor werd een kwart fragment van een munt dan ook een oord genoemd. In de 16e eeuw werd de term oord de benaming van een muntje met de waarde van ¼ stuiver. Met het ontstaan van een centraal muntstelsel in de 15e eeuw, waarbinnen voldoende kleingeld aanwezig was, kwam er een einde aan het knippen van munten. Bij het voobeeld van de 2/3 Ruitergroot (afbeelding 1A, C en D) zien we deze verdeling duidelijk, we krijgen dan de volgende verhoudingen; de hele munt woog ca.2.3 gram, half 1,2gr en een kwart 0,5gr.Kunnen dit groot aantal geknipte en gesnoeide munten binnen de muntschat nog iets zegen over de muntschat zelf? Mogelijk is deze afkomstig van een geld wisselaar welke de gesnoeide en geknipte munten achter hield om deze later te vernietigen.