Een stier uit Schettens (Holpenningen)

Tijdens het zoeken met een metaaldetector wordt van alles gevonden. Maar niet altijd wordt een vondst herkend, en beland dan in de rommelbak. Dit gebeurde ook bijna met het hier besproken muntje. Toen deze gevonden werd, een klein aangekoekt hol voorwerpje, werd door mij eerst gedacht aan een knoopje of beslag onderdeel. Maar de vinder besloot deze toch maar eens te reiningen, en wat bleek het ging hierbij om een zogenaamde Bracteaat, ook wel holpenning braamse, braemsche, grootken of hohlringheller genoemd. Een enkelzijdig geslagen zilveren penning. Deze muntjes worden tegenwoordig steeds vaker herkend, maar er zullen zich nog heel wat in de rommelbakken van zoekers bevinden. Dit exemplaar werd gevonden in de grond, afkomstig uit de kerk van Schettens, en is 16mm groot en weegt ongeveer 0,35 gram. De gestileerde afbeelding stelt een gekroonde stierenkop binnen een stralenkrans voor. Dit type holpenning werd in de periode 1350-1500 in Meckelenburg geslagen. Van Gelder (1986, blz.82) beschrijft deze penningen als volgt; “een kleine eenzijdig geslagen pasmunten van zilverhoudend koper met een koers van ¼ plak of 1/64 stuiver”. Holpenningen moesten dus doorgaan voor zilveren munten. Maar het zilver gehalte was meestal zo laag dat het geen zilver meer genoemd mocht worden, dan werd een munt biljoen verklaard. In de Nederlandse holpeningen werd het koper gehalte steeds hoger, todat de zelfs volledig in koper werden uitgevoerd. Nederlandse holpenningen, uit ca.1460 tot 1570, vormde de laagste denominatie in de geldstelsels van onder andere de Oost-Nederlandse steden. Maar in andere landen, vooral het Rooms-Duitse Rijk, kwamen ze al in de 12e eeuw voor. De Nederlandse holpenningen zijn meestal wat lichter en kleiner dan de Duitse exemplaren. Het gewicht van de Nederlandse exemplaren ligt gemiddeld op ongeveer 0,30 gram, in Duitsland is dit 0,40 gram. De diameter in Nederland is ongeveer 15 mm, tegenover 16mm in Duitsland. Deze pasmuntjes werden lokaal geproduceerd. Dit werd meestal gegund aan de kerkmeester ven de lokale (moeder)kerk. Zodat deze de volledige of gedeeltelijke opbrengst (sleischat), voor onderhoud en herstel van de kerk, uit deze muntslag ontving. Het munten zelf werd door een lokale ambachtsman, een zilver- of goudsmid, uitgevoerd. Deze sloeg of goot de  penningen. Een mooi voorbeeld hiervan is te vinden in het stadsboek van Leeuwarden (1513-1537, art 153 en 154). Hier lezen we onder het kopje “van der begangnissen (begrafenissen)” iets over het uitgeven van penningen. “Des, soe sullen die erffgenamen ende vrunden daertoe verbonden ende mede belastet wesen dat offergelt ouer den doden menschen inder kercken toe bystellen”  “Ende, soe die gemeente in ellick waskeers ouer den doden nyet meer schuldich is dan een penning te offeren, de welcke hier nyet zint toe bekomen, waerdoer de gemeente grootlijcken  geinteresseert wort, biddende die van Leeuwarden, dat mijn Heeren willen een goltsmit ordineren, die cleyn gelt munt”. Deze “cleyn gelt munt” zijn (nog) niet gevonden, of ze zijn niet herkend als penningen van Leeuwarden. Er zijn wel exemplaren uit Arnhem, Batenburg, Deventer, Dokkum (mogelijk), Elburg, Groningen, Kampen, Nijmegen en Zutphen bekend. Holpenningen hadden dus vooral een lokaal kerkelijk gebruiksdoel. Ze werden vooral gebruikt als (offer)geld, voor in het offerblok en bij collectes in de kerk. Meestal waren er meerder (gilden)altaars met offerblokken aanwezig, hiervoor was dus veel kleingeld nodig. Het is dan ook niet vreemd dat de meeste van deze holpenningen in een kerkelijk context worden gevonden.