Een Suyderzeese Bakenlood
Op een van de laatste bijeenkomsten van het ASP-Sneek kwam R. Amsterdam met een bakenlood welke hij had gevonden in de buurt van Molkwerum. Bakenloodjes, welke regelmatig door metaal detector zoekers worden aangetroffen, is een verzamelnaam voor baken-, vuur- en tonnenloodjes. En hadden dus te maken met de scheepvaart. Vroeger was vooral West- en Noord Nederland een waterrijk gebied, bestaande uit rivieren, moerassen en meren. Waar het makkelijker en veiliger was om je te verplaatsen over dit water, dan over land. De ontwikkeling van veel regio’s en steden werden dan ook bepaald door de aanwezigheid van water. Hierdoor konden steden welk zelfs ver landinwaarts lagen, maar via het water goed bereikbaar waren, zich ontwikkelen tot handelscentra. Dit zien we dan ook voor Sneek, net zoals de andere Friese steden. Door deze groeiende handel en scheepvaart werd een vlot en veilig scheepvaartverkeer steeds belangrijker. De “veilige” vaarroutes in zeegaten, reviermondingen, rivieren en waterlopen veranderden onder invloed van het water steeds weer.
Het was dan ook nodig om deze vaarroutes zichtbaar te maken met van o.a. vuurtorens, betonning en kustverlichting. Aan het gebruik en onderhoud van deze installaties waren kosten verbonden, daarom werd hiervoor een belasting van de schippers gevraagd in de vorm van o.a. vuur- en bakkengeld. De oudste melding van bakkengeld komen we tegen in een Schepenbrief van 18 mei 1337 uit Steenbergen. Als je de belasting voor de betreffende vaarroute had betaald dan ontving je een betaalbewijs, deze was dan een jaar geldig. Schippers van zeeschepen kregen meestal een papieren kwitantie. Maar voor de kleine scheepvaart, vooral op en rond de Zuiderzee, bleek een watervast loodje een beter betaalbewijs. Een ander voordeel was dat deze goedkoop te maken, en eenvoudig te bewerken, waren. Ook binnen deze loodjes was een onderscheid zichtbaar, zo kregen de grote schepen een groter loodje dan kleine scheppen. Ook was het mogelijk dat een schipper een korting op het bedrag kreeg, dan werd er een stuk van het loodje afgeknipt. Om de belasting te ontduiken leende de schippers het loodje van een andere schipper. Om dit tegen te gaan werden de loodjes voorzien van de ingeslagen initialen van de betalende schipper. Bij de aanschaf van een nieuw loodje moest het oude bakenlood worden ingeleverd. De meeste loodjes die gevonden worden hebben betrekking op scheepvaart op en rond de voormalige Zuiderzee. Uit Friesland zijn uit Harlingen bakenloodjes bekend. Harlingen was dan ook medeverantwoordelijk voor de betonning van het Amelander zeegat en het Coggediep, de Friese- en een Groningse kaap op Schiermonnikoog. Maar ook met de betonning van het gebied rond de Jetting, Kromme Balg, Abt, de Friese wadden tot het Groningse diep en het Kornwerderzand.
Terugkomend op het gevonden bakenlood, deze was bedoeld voor de Zuiderzee. We lezen dan ook de volgende tekst op het loodje; *SUYDER . ZEESEVUURBAKENS met een afbeelding van de bakens, en op de keerzijde staat de Hollandse leeuw met de tekst (*IN HOLL EN) 1746 WEST (VL). Dit bakenlood is uitgegeven in Amsterdam, wat is te herkennen aan een nog net zichtbaar stukje, wapenschild van Amsterdam boven de leeuw..Naast de leeuw zien we de ingeslagen initialen van de schipper, in dit geval I.H. De diameter is ca.26mm, waarmee het waarschijnlijk om een klein lood gaat. Langs de Zuiderzee werden in 1702 drie vuurtorens gebouwd, deze werden de Suyderzeese Vuurbakens genoemd. Op 3-12-1790 publiceert de Staten van Holland en West Friesland de nieuwe tarieven voor deze bakens. Hierin staat dat schepen met 12 lasten (1=2 ton) en meer ƒ4,10, en schepen onder de 12 lasten ƒ2,50 per jaar moeten betalen. Met uitzondering van de Waterschepen van Pampus, Loots- en Vissersboten, als zijn deze boven de 12 lasten, deze betalen 32 stuivers. Als dit niet werd betaald, of er werd fraude gepleegd, dan kreeg je een boete van 25 gulden. Wat betreft de vindplaats Molkwerum, deze was in de 16e en 17e eeuw een belangrijke vissersplaats met een eigen sluis en zeehaven in de Zuiderzee. Schipper I.H. voer in 1746 met zijn schip onder de 12 lasten, minder dan 24 ton, o.a. op de Zuiderzee. Hij heeft zeer waarschijnlijk op een van zijn reizen in de buurt van Molkwerum dit loodje verloren, waar deze 270 jaar later op de voormalige zeebodem is opgepiept
(Bron: Kussendrager, A. Bakenloodjes nader bekeken, Detector Magazine nr. 130-131-132)