Er wordt wel verondersteld dat de Romeinen de vingerhoed al kenden, maar archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat dit niet het geval was. In Europa zien we pas in de 9e eeuw voor het eerst bronzen naairingen voorkomen, en wel in het byzantijnse gedeelte van Korinthe. De oudste vingerhoeden met een gesloten top zijn in Spanje gevonden, waar in Cordoba vanaf de 10e eeuw vingerhoeden werden geproduceerd. Deze vingerhoeden waren gemaakt in de Moorse stijl, en werden meestal uit een stuk in brons gegoten. Er zijn twee typen te herkennen; een puntig model welke werd gebruikt bij het maken van harnassen, schoenen en zadels. En een afgerond model welke door kleermakers werd gebruikt. In West-Europa worden vanaf het begin van de 13e eeuw vingerhoeden en naairingen gemaakt, deze leken sterk op de Spaans-Moorse voorgangers maar dan kleiner en lichter. Zo weten we uit bronnen dat in 1260 in Parijs door leden van het slotenmakers gilde en de knopenmakers gilde messing mannen- en vrouwenvingerhoeden werden gemaakt. Tussen 1350 en 1450 zien we in Engeland dat er messing en roodkoperen vingerhoeden werden gegoten welke hellemaal zijn geput, het zogenaamde bijenkorf model, deze worden ook in Nederland gevonden. We zien dan ook dat messing het brons verdringt. Messing is een legering van koper met 40% zink, en was makkelijker te smelten, gieten, en te walsen. De grondstoffen waren ook goedkoper waardoor productie kosten lager waren. Daar komt bij dat de gele kleur, wat op goud leek, meer werd gewaardeerd dan de bruine kleur van de bronzen exemplaren.
Vingerhoeden uit de tweede helft 14e eeuw werden meestal uit een plaatje gehamerd, waarna er een losse top op werd gesoldeerd. De putjes werden in verticale rijen aangebracht. Vanaf 1530 werden ze vooral geperst. Hierbij werd het gewalste plaatje vervolgens in steeds diepere mallen geslagen totdat de vingerhoed zijn vorm kreeg. Hierna werden de putjes, meestal in een spiraal, met de hand ingeslagen of met een rad stempel ingedrukt. Veel vingerhoeden uit de late 15e en vroege 16e eeuw hebben aan de onderkant een manchet/boord. Deze is soms glad maar meestal versierd met een of twee groeven of ringen. In de 14e eeuw ontstond er in Neurenberg een grote vingerhoed industrie, welke in de 16e eeuw de belangrijkste en grootste van de wereld werd. Hierdoor zien we dan ook dat alle in Nederland gevonden messing vingerhoeden van voor 1600 geïmporteerd zijn. In Nederland werden toen alleen door zilversmeden vingerhoeden gemaakt. Deze werden uit een rond gebogen plaatje zilver gemaakt, met een gesoldeerde top.
De Nederlandse vingerhoeden industrie ontstond pas na 1580, mogelijk gemaakt door de meegebrachte kennis en kapitaal van protestantse vluchtelingen. Belangrijk hierbij was ook een uitvinding, begin17e eeuw, van de Amsterdammer Gerart van Slangenborch. Deze bedacht een manier om het putten te mechaniseren, waardoor de productiekosten en eindprijzen veel lager waren dan de vingerhoeden uit Neurenberg. Hij voorzag met behulp van een wielstempel een plaatje messing volledig van putjes, waarna deze tot een vingerhoed werd gebogen. De top kon hierbij niet geput worden deze werd apart met een rad stempel geput (putjes in rechte lijnen) en later toegevoegd. Kort daarna werd door een andere Amsterdammer een bolstempel ontwikkeld. Hierbij werd de vingergoed op een mal geplaats en met een slag van putjes op de top voorzien (putjes in een cirkel). Deze fabrieken werkten meestal op waterkracht, en werden dan ook vingerhoedmolens genoemd. Naast Amsterdam ontstonden in de tweede kwart van de 17e eeuw nog een aantal Nederlandse productieplaatsen voor messing vingerhoeden, de belangrijksten waren; Vianen, Utrecht, en de Bilt. In Haarlem, Schoonhoven, ’s-Hertogenbosch en Rotterdam werden voor een korte tijd ook koperen vingerhoeden gemaakt. Opvallend is de Nederlandse vingerhoeden allemaal sterk op elkaar lijken, ze worden ook wel “Monopoly” vingerhoeden genoemd. Hierbij is de manchet voorzien van draaigroeven en hebben ze een kenmerkende top-groef. Het model blijft in de periode 1630-1725 vrijwel ongewijzigd. Er zijn twee subtypen te herkennen; een licht uitgevoerde voor borduur en verstelwerk. En een zwaarder model, ook wel “Franse vingerhoed ”genoemd voor het zwaardere werk. Vanaf het einde van de 18e eeuw werden de vingerhoeden volledig machinaal geproduceerd.