Wat is stotteren?
Stotteren is een spraakstoornis die het ongewild en onvrijwillig onderbreken van de spraakbewegingen inhoudt. De spraak wordt plots, meestal binnen in een woord, onderbroken.
Deze onderbreking is ongewild en vindt buiten de controle van de persoon zelf plaats waardoor deze een gevoel van controleverlies ervaart.
Stotteren is dus goed te onderscheiden van normale haperingen die iedereen wel eens maakt als we bijvoorbeeld niet op een woord kunnen komen of vastlopen met de opbouw van een zin. We leggen dan een pauze, zeggen ‘euhm’, hervormen onze zin, herhalen een woord enzovoort. Dit alles noemen we normale onvloeiendheden.
Het grote verschil tussen normale onvloeiendheden en stottermomenten is dat stottermomenten geen functie hebben (ze dienen dus niet om na te denken), het onderbrekingen binnen een woord zijn (de continue stroom van klank naar klank wordt binnen een woord onderbroken) en dat het ongewild en onvrijwillig gebeurt waardoor je een gevoel van controleverlies krijgt.
We kunnen 3 soorten stottermomenten onderscheiden, nl. herhalingen, verlengingen en blokkeringen.
Herhalingen
Dit is het herhalen van een deel van het woord of het meermaals herhalen van een éénlettergrepig woord. Vb. ‘Wij zijn naar wa wa walibi geweest.’
Verlengingen
Dit is het langer maken van een klank. Vb. ‘Wwwwij gaan naar huis.’
Blokkeringen
Soms kan het ook zijn dat je spreekspieren even vastzitten, vaak hoor je dan even niets meer.
Je kan vastzitten ter hoogte van je lippen (vb. b.brandje), ter hoogte van de tong (vb. t.ong) of in je keel (vb. k.eel).
Kinderen die niet stotteren maken dit soort onderbrekingen nauwelijks. Als een kind meer dan 3 keer per 100 woorden stottermomenten vertoont, kunnen we er zeker van zijn dat het stottert. Het minimum is dus 3%, het gemiddelde ligt op 15%.
Hoe ontstaat stotteren?
Ongeveer 3% van de pasgeboren kinderen, draagt de eigenschap om stotteren te ontwikkelen. Deze aanleg wordt bepaald door genetische factoren en door biologische omgevingsfactoren.
Op vlak van de genetische factoren, kunnen we spreken van een ingewikkelde genetische aanleg. Er bestaat geen één stottergen maar uit onderzoek blijkt dat er in verschillende genen verschillen zijn tussen personen die stotteren en personen die niet stotteren.
Verder wordt stotteren veroorzaakt door biologische omgevingsfactoren. Onderzoek toont aan dat de ontwikkeling in het brein anders kan verlopen. Uit beeldvorming van de hersenen blijkt dat de hersenen van personen die stotteren er iets anders uitzien dan de hersenen van personen die niet stotteren en dat sommige delen van de hersenen bij personen die stotteren minder actief zijn en andere delen weer meer activiteit vertonen in vergelijking met personen die niet stotteren.
Bij vlotte sprekers is er één hersenhelft dominant voor het spreken (meestal links). Bij personen die stotteren worden de spreekspieren door beide hersenhelften aangestuurd wat een probleem qua timing en coördinatie veroorzaakt.
Spreken is zeer complex. Mensen met een aanleg voor stotteren, ondervinden moeilijkheden met deze snelle en complexe besturing. De timing en coördinatie van de spreekspieren verloopt moeilijk waardoor er onderbrekingen van woorden ontstaan.
Stotteren komt reeds op zeer jongen leeftijd tot uiting, gemiddeld op drie jaar en drie maanden. Bij de helft van de stotterende kinderen ontstaat het voor de leeftijd van drie jaar en zes maanden. Bij 90% van de personen die stotteren ontstaat het voor de leeftijd van negen jaar.