Weime was de dochter van een vooraanstaande Kamper burger. Haar vader, Hendrick Gerritzen Spierlinck, was schipper. Eerst voer hij op een veerschip, maar dit verkocht hij in 1621. Kort daarop is Hendrick in dienst van de VOC.
Hij maakte twee reizen naar Nederlands Indië, waarvan hij weer behouden terugkwam. De stap van binnenwater naar grote vaart was nodig om de schulden, die Hendrick en zijn vrouw gemaakt hadden, af te betalen. Met wie Hendrick getrouwd was en wanneer zijn eerste vrouw overleed, is niet bekend. Wel is duidelijk dat dit eerste huwelijk een dochter voortbracht: Weime, of -meer huiselijk- Weintien of Wijntgen.
huwelijk met Willem Lephertsz
Op 1 maart 1626 trouwde Weime Spierlinck met Willem Lephertsz, zoon van een bakker en redelijk bemiddeld. Willem was waarschijnlijk hoefsmid. Het stel woonde in huis ''Het Vosken'', aan de Oudestraat/hoek Broederstraat (nu nr 126) en tegenover het raadhuis. Willem wekt de indruk een onaangenaam persoon te zijn geweest, grof in de mond en een ruziezoeker. Willem was berucht, omdat hij steeds rechtzaken voerde. Al snel na het huwelijk komt het tot een rechtzaak tussen Weime's echtgenoot Willem en Weime's vader Hendrick over Weime's moeders erfdeel (nalatenschap).
▼
in de cirkel huis Het Vosken, strategisch gelegen tegenover de toegang tot de stad via de Stadsbrug
Willem Lephertzs in de gevangenis
In maart 1631 blijkt Willem Lepherts in de gevangenis te zitten wegens misdragingen en schelden. Onder meer op de plaats waar de accijnsen werden geheven. Hiervoor zou Willem zwaar moeten worden bestraft, maar op voorspraak van derden werd hij uit de gevangenis ontslagen in de hoop dat hij nu zijn leven ging beteren. Het oordeel werd Willem op 17 maart 1631 in de ''nieuwe kamer'' voorgelezen.
Steeds weer vonden er in de 17e eeuw uitbreidingen aan het middeleeuwse Kamper raadhuis plaats, die met de term ''nieuwe kamer'' werden aangeduid (1609, 1629 en 1631). In 1631 lag de nieuwe kamer beneden in het gebouw, wat impliceert dat de aanbouw toen al uit een begane grond met verdieping bestond. Later werden de verschillende uitbouwen samengevoegd achter één gevel tot het nieuwe raadhuis.
op doodslag volgt de doodstraf
Op 1 februari 1638 ging het helemaal mis in het leven van Willem Lephertsz. Jan Aertssen Keppel van het Haatland kwam hem manen voor een levering van vijf schepel haver, waarvoor Jan al drie jaar borg had gestaan. Weijme riep nog ''Lieve Jan, wees tevreden, dat geld krijg je wel'', waarna Willem Lephertsz met zijn handen onder zijn voorschot het huis uitkwam. Jan probeerde zich nog met zijn zweep tegen Willem te verdedigen, maar Willem greep de zweep vast en doorstak Jan met een mes. Jan stortte ter aarde en stierf. Direct riepen omstanders ''moordernaar, moordenaar'' en waarschuwden de burgerwacht.
Bij ondervraging door de stokmeesters, de raadsleden verantwoordelijk voor de gevangenen, bekende Willem de doodslag. Zijn vrouw veroorzaakte, dat hij zo woedend naar buiten vloog. Hij wilde Jan niet in de borst, maar in de arm steken.
Op 5 februari 1638 werd Willem Lephertsz door het gerecht ter dood veroordeeld, uit te voeren door de scherprechter met het zwaard. Op verzoek van de familie mocht het lichaam worden begraven. Het vonnis werd direct na voorlezen op het Oude Raadhuisplein voltrokken.
Weime innocent en prodigaal
Op 21 juli 1638 vroeg en verkreeg Hendrik Gerritsz Spierlinck van de Kamper raad toestemming om het huis van Weime aan de Oudestraat te verkopen en de opbrengst te beleggen ten behoeve van zijn dochter.
Vrouwen stonden hun leven lang onder curatele: als dochter onder gezag van hun vader; als echtgenote onder gezag van hun man; als weduwe onder gezag van een volwassen zoon of ander familielid. Weijme had geen kinderen, haar man was dood, dus viel het gezag weer toe aan haar vader.
Drie weken later blijkt Hendrick Spierlinck in opperste verlegenheid gebracht door het gedrag van zijn enige dochter Weime, weduwe van Willem Lephertsz. Hendrick had haar gedrag tot dan toe door de vingers gezien en zich ervoor geëxcuseerd, in de hoop op verbetering. Weijme gedroeg zich als een kind, innocent en prodigaal (onschuldig en verkwistend). Hendrick vroeg daarom toestemming van de raad om Weime ergens ter verzorging op te laten nemen.
''stadskind''
Op 22 augustus 1638 werd Weime in een openbare publicatie tot ''stadskind'' verklaard, daarmee werd zij handelingsonbekwaam. Blijkbaar gebeurde dit met een looptijd van twee jaar, want in mei 1640 werd Weime -op verzoek van haar vader- opnieuw publiekelijk onmondig verklaart. Enkele weken later, op 25 juli 1640, ging de raad ermee akkoord dat Hendrick Gerritsz Spierlinck voor zijn dochter een zorgplek regelde in Holland, zodat hij verder geen overlast meer van haar zou hebben. Dit bleek een plaats in het tuchthuis in Gouda te zijn. Het verblijf werd uit Weimes eigen vermogen betaald.
▼
tekening van Jacobus Stellingwerff van het voorm St. Catharijneklooster/tuchthuis in Gouda
het tuchthuis in Gouda
Het tuchthuis in Gouda was vanaf 1611 ondergebracht in het voorm. St. Catharijneklooster. Behalve veroordeelden werden er -tegen betaling- ook mannen en vrouwen voor korte of langere tijd opgenomen op verzoek van ouders, verwanten of voogden. Een oplossing voor families, die niet overweg konden met het dwarse of losbandige gedrag van het familielid. Bij zo'n gedwongen opname mochten eigen spulletjes en zelfs een eigen bed meegenomen worden. Ook kreeg deze categorie tuchthuisbewoners lichtere taken bij de dwangarbeid, die hen te wachtten stond. In 1613 kostte een gedwongen verblijf f 72 gulden per jaar.
ontslag en opnieuw opgenomen
Nadat Weime had beloofd haar leven te beteren en de familie goede hoop had op verbetering, werd Weime ontslagen uit haar detentie. Maar zij verviel opnieuw in haar oude kwalijke levenswandel. Op 22 mei 1651 werd Weime -op verzoek van haar vader- weer opgenomen in het tuchthuis in Gouda. Daarna is er geen melding meer van Weime in de Kamper archieven.
Geertje Dirckx, huishoudster en kindermeisje bij Rembrandt van Rijn
Vrijwel tegelijk met Kamper Weijme zat Geertje Dirckx in het tuchthuis te Gouda. Zij kwam uit Edam en was door Rembrandts vrouw Saskia in 1642 aangesteld als huishoudster en als kindermeisje voor zoon Titus. Saskia overleed in 1646. Troostzoekend bij elkaar, leefden Rembrandt en Geertje drie jaar lang als gehuwden. Rembrandt liet Geertje juwelen van Saskia dragen, wat bij haar verwachtingen schiep over een huwelijk met hem. In 1649 koos Rembrandt voor de veel jongere Hendrickje Stoffels, die door Geertje als huishoudster was aangesteld. Het kwam tot een rechtzaak, waarbij Geertje voor een groot deel gelijk kreeg.
▼
Geertje Dirckx (?) op een schilderij van Rembrandt (detail)
Het Lukte Rembrandt met hulp van Geertjes broer en neef om Geertje voor 12 jaar op te laten sluiten in het tuchthuis in Gouda. Geertje Dirckx in 1650 laten overbrengen naar het tuchthuis, kostte Rembrandt f 140 gulden. In het tuchthuis werd Geertje zwaar ziek. Door bemiddeling van een vriendin werd zij in 1655 vervroegd vrijgelaten. Een jaar later overleed Geertje Dirckx.
© cultuurZIEN 2026