De probleemstelling of onderzoeksvraag is de belangrijkste vraag die je wilt beantwoorden tijdens je onderzoek. Deze vraag helpt je te begrijpen wat je wilt ontdekken en waar je onderzoek over gaat.
"Waarom smelt ijs sneller in warm water dan in koud water?", bijvoorbeeld.
Neem zeker ook eens een kijkje bij het onderwerp "Een goede onderzoeksvraag"
De veronderstelling of hypothese is een voorspelling over wat je denkt dat het antwoord op je onderzoeksvraag zal zijn. Het is alsof je een gokje waagt voordat je begint met onderzoeken. Je zegt wat je denkt dat er gaat gebeuren, en daarna ga je testen of je gelijk hebt.
"Ik denk dat ijs sneller smelt in warm water omdat warmte het ijs sneller laat smelten." , bijvoorbeeld.
Opgelet: deze inschatting zal je onderzoek alvast een bepaalde richting opsturen.
Tip: start je hypothese met de woorden "Ik denk dat ...", zo heb je eigenlijk altijd gelijk.
Het uitgangspunt of het principe is de basisregel die je gebruikt om je onderzoek te doen. Het is iets waarvan je weet dat het altijd waar is, en dat helpt je om de juiste stappen te volgen in je onderzoek. Het principe kan ook een ruwe schets zijn van de latere gedetailleerde werkwijze.
"Warmte zorgt ervoor dat dingen smelten.", of, "Door ijsblokjes in warm en koud water te leggen, kunnen we dat in de gaten houden."
De proefopstelling is een visuele voorstelling (een foto, een gedetailleerde schets, een (technische) tekening) waarop je je experiment klaarmaakt.
Het is net als een plan maken voor hoe je het experiment gaat uitvoeren.
Als je wilt weten of ijs sneller smelt in warm water, dan bestaat je proefopstelling uit wee glazen: een glas koud en een glas warm water. Hierin teken je telkens een ijsblokje. Je kan natuurlijk ook nadien een foto nemen van hoe je experiment er uitzag.
Het materiaal kan je best nog vergelijken met een boodschappenlijstje.
Het materiaal is alles wat je nodig hebt om je onderzoek of experiment uit te voeren. Dit kunnen voorwerpen, gereedschappen of stoffen zijn die je gebruikt om je hypothese te testen.
Wees gerust zo gedetailleerd mogelijk
Zes ijsblokjes
Warm en koud water
Twee glazen
Een thermometer om de temperatuur van het water te meten
Een stopwatch om de tijd bij te houden
Pen en papier om de waarnemingen te noteren
Ook deze stap kan je weer vergelijken met iets dat je al kent: een recept uit een kookboek.
De werkwijze is het stappenplan dat je volgt om je experiment uit te voeren. Hierin leg je stap per stap uit in welke volgorde je het materiaal in je proefopstelling gebruikt.
De werkwijze vertelt precies wat je moet doen en in welke volgorde, zodat je onderzoek duidelijk is en keer op keer exact hetzelfde kan herhaald worden.
Vul één glas met warm water en het andere glas met koud water.
Meet de temperatuur van beide glazen met de thermometer. Noteer deze temperaturen op het papier.
Leg in elk glas één ijsblokje.
Zet de stopwatch aan en kijk hoe lang het duurt voordat het ijs in elk glas is gesmolten. Noteer dit ook op het papier.
Schrijf duidelijk alle extra dingen op die (in de glazen) te zien zouden zijn tijdens het experiment.
Proeven, voelen, ruiken, zien, horen en ... meten
De waarnemingen zijn alles wat je ziet, meet of op welke manier dan ook opmerkt tijdens je experiment.
Dit zijn de resultaten die je verzamelt terwijl je het stappenplan volgt. Je kijkt goed naar wat er gebeurt en schrijft dat op.
Denk bijvoorbeeld aan waarnemingen die je duidelijk maken hoe lang het duurde voordat het ijs in het warme water helemaal was gesmolten; Hoe lang het duurde voordat het ijs in het koude water helemaal was gesmolten; Hoe groot het verschil was tussen de twee tijden.
Je waarnemingen geven je de feiten die je later kunt gebruiken om, via de interpretatie, je conclusies te trekken. De regel is: hoe meer (verschillende) waarnemingen, hoe zekerder je een besluit kan vormen. (Maar vaak ook: meer werk ...)
Een behoorlijk complexe stap is de analyse van de waarnemingen.
De interpretatie is het moment waarop je gaat nadenken over je waarnemingen. Je kijkt naar wat je hebt opgemerkt tijdens het experiment en probeert te begrijpen waarom het zo is gebeurd.
Je probeert als het ware de reden(en) te vinden waarom iets gebeurde.
Je vergelijkt de resultaten met je hypothese en zoekt naar verklaringen. Heel interessant wordt het wanneer je hierbij de dingen opmerkt die je net niet had verwacht.
Je zal bijvoorbeeld gezien hebben dat het ijs sneller smelt in warm water dan in koud water. Je kan dit interpreteren door te zeggen: "Het ijs smolt sneller in het warme water omdat warmte de moleculen van het ijs sneller laat bewegen en daardoor het ijs sneller doet smelten."
Je analyseert je waarnemingen en legt uit wat de resultaten betekenen, terwijl je je hypothese in het achterhoofd houdt.
Tip: woorden als "blijkbaar", "dus", "waarschijnlijk", "het lijkt erop dat ...", "kennelijk", "vermoedelijk" ... doen een interpretatie al eens makkelijker lopen.
Het besluit, de conclusie of het antwoord op de onderzoeksvraag zijn alledrie synoniemen van elkaar.
Het is de samenvatting van wat je hebt geleerd uit je experiment.
Je kijkt naar je waarnemingen en je interpretatie om te zien of je hypothese klopt of niet.
Het is het eindantwoord op je onderzoeksvraag.
"Mijn hypothese was juist: het ijs smelt sneller in warm water omdat warmte de smelttijd versnelt."
In het besluit geef je duidelijk aan of je hypothese bevestigd of verworpen is. Als je je onderzoek niet grondig genoeg hebt uitgevoerd, zal je merken dat je geen duidelijk antwoord kan geven over of je hypothese nu juist was of niet. Ook dit verwerk je dan in je besluit. De volgende stap: de reflectie geeft je de kans om hier verder op te werken.
De reflectie of terugblik (vaak ook "de discussie") is het punt waarbij je terugkijkt op wat je hebt gedaan en vooruitblikt naar wat je de volgende keer anders kan doen.
Deze stap helpt je om te leren van je ervaringen en om je (toekomstige) onderzoekvaardigheden te verbeteren.
Je kijkt terug naar je experiment en je bespreekt erin wat goed ging en wat misschien beter kon.
Je kan vragen stellen zoals: Wat heb ik geleerd van dit onderzoek? Wat werkte goed tijdens het experiment? Waren er problemen die ik tegenkwam?
Je kijkt ook vooruit: je denkt na over hoe je je onderzoek in de toekomst kan verbeteren. Je kan nadenken over: Wat zou ik de volgende keer anders doen? Zijn er andere vragen die ik zou willen onderzoeken? Welke nieuwe ideeën heb ik nu voor toekomstige experimenten?
"Ik merkte dat de temperatuur van het water niet nauwkeurig was gemeten. Voor de volgende keer ga ik ervoor zorgen dat ik een digitale thermometer gebruik (en een foto neem van het scherm) om de temperatuur nauwkeuriger te controleren. Ik kreeg de commentaar van mijn juf om nog meer waarnemingen te schrijven tijdens het experiment. Ik werkte samen met Bram en dat liep heel goed, want Bram is een kei in wiskunde. Volgende keer wil ik ook eens samenwerken met Vic, want die lijkt me heel rustig en die zal me zeker helpen om meer waarnemingen op te schrijven."