“Waarom moet je altijd zo schreeuwen?” vraagt de ambtenaar.
“Omdat je me anders niet hoort! Jij HOORT mij nooit!” roept de bewoner.
“Ik hoor je wel,” zegt de ambtenaar. “Ik kan je alleen niks beloven.”
Stampvoetend lopen ze allebei de ruimte uit.
Stop. Wat zie je gebeuren? En wie had hier iets anders kunnen doen?
Ingewikkelde maatschappelijke vraagstukken zoals woningnood, klimaatverandering en armoede stapelen zich op en lijken voortdurend door elkaar heen te lopen. Toch lijken de manieren waarop we erover praten verrassend veel op elkaar. Gemeenten en organisaties kijken hoopvol naar bewoners, met de vraag om betrokkenheid: zeggen jullie maar hoe het moet. Ze willen dat mensen meedoen, dat verschillende perspectieven samenkomen en dat er samen goede beslissingen worden genomen. Tegelijkertijd herkennen veel mensen ook een andere werkelijkheid: inspraakavonden waar vooral wordt gezonden, gesprekken met post-its, discussies waarin standpunten tegenover elkaar komen te staan zonder dat iemand nog een stap verder komt, of gesprekken waarvan iedereen vindt dat ze gevoerd moeten worden, maar die zo spannend zijn dat niemand goed weet hoe je eraan begint.
En wat als je wel iets te zeggen hebt, maar niet zo goed bent in woorden? Wat als je je niet gehoord voelt, of het gevoel hebt dat er toch al is besloten wat er gaat gebeuren? Dan haak je af, houd je je mond of blijf je nog harder roepen in de hoop dat iemand je eindelijk hoort. Aan de andere kant van de tafel zit vaak iemand die wel wil luisteren, maar niet weet wat hij met het gehoorde mag doen. Ondertussen blijven we met elkaar praten, maar komen we elkaar niet per se dichterbij.
Dat los je niet op met een betere gespreksvorm alleen. Wie er beslist en wat er nog open ligt, bepaalt hoeveel ruimte een gesprek heeft. Maar juist daarom loont het om te kijken wat er binnen die ruimte gebeurt.
Wat maakt het uit? Meer dan je denkt. Want bij veel maatschappelijke thema’s staat er simpelweg te veel op het spel om het gesprek maar te laten voor wat het is. We hebben elkaar nodig, juist wanneer we het niet met elkaar eens zijn. Maar hoe komen we uit die sleur van steeds dezelfde gesprekken, met steeds dezelfde (oftewel géén) uitkomsten?
Wat als we het gesprek zelf eens ter discussie stellen? Om daadwerkelijk eens iets anders te proberen? Met mensen die vaker gesprekken organiseren, én met mensen die er teleurgesteld uitkomen.
Dat was het vertrekpunt van Op het spel: een initiatief waarin onderzoek en spel samenvallen. We onderzoeken hoe we moeilijke maatschappelijke gesprekken kunnen voeren en experimenteren tegelijkertijd met hoe dat anders kan. Niet door er alleen over te praten, maar door middel van theaterdialogen. Want wat gebeurt er als je het gesprek niet alleen voert, maar ook samen speelt?
Theaterdialoog bouwt voort op het werk van de Braziliaanse theatermaker Augusto Boal (1931-2009). Met zijn Theater van de Onderdrukten wilde hij het publiek op een andere manier betrekken. In zijn forumtheater wordt een scène gespeeld waarin iets misloopt, waarna toeschouwers mogen ingrijpen en zelf laten zien hoe het anders kan. Boal noemde hen spect-acteurs: toeschouwers die meespelen. Voor hem was dat ook een vorm van politiek: wie op het toneel leert ingrijpen, oefent hoe om te gaan met onderdrukking in de echte wereld.
Theatermaker en filosoof Frank Kupper ontwikkelde daaruit de theaterdialoog, een werkvorm voor gesprekken over maatschappelijke vraagstukken. Een korte scène valt stil op het moment dat het begint te schuren. De zaal kijkt wat er gebeurt, bespreekt wat ze herkent en wat er op het spel staat, en probeert zelf een andere afloop uit. Het gaat niet om het goede antwoord vinden, maar om zichtbaar te maken wat er tussen mensen gebeurt als het spannend wordt.
Onder leiding van theatermaker en filosoof Frank Kupper kwam een groep van twintig Maastrichtenaren die elkaar nog niet kenden drie dagen lang samen in De Rink in Caberg, om precies dát te onderzoeken. Ambtenaren, onderzoekers, kunstenaars en bewoners: mensen die elkaar normaal gesproken aan weerszijden van de tafel treffen. Wat gebeurt er als je spel en verbeelding een plek geeft in gesprekken over maatschappelijke vraagstukken? En wat ontstaat er wanneer we even niet hoeven te overtuigen, verdedigen of direct met oplossingen te komen, maar de ruimte krijgen om iets uit te proberen?
Met behulp van verschillende theater- en spelvormen gingen deelnemers aan de slag met andere manieren om met elkaar in gesprek te gaan. De nadruk lag daarbij niet op discussiëren, maar op het uitspelen van situaties en het samen maken van scènes, die stilvielen op het moment dat het begon te schuren. Pas dan begon het gesprek: wat zie je, wat herken je, en wat zou er moeten gebeuren om het anders te laten lopen? Zo ontstonden nieuwe ingangen om naar spannende vraagstukken te kijken. Zoals bij een thema als het gevoel van onveiligheid in de openbare ruimte. We verkenden wat dit betekent vanuit verschillende perspectieven: de thuisloze, de passant en de beleidsmaker.
Soms leidde dat tot onverwachte inzichten, soms tot ongemak en vaak tot gesprekken die in een gewoon overleg waarschijnlijk nooit zouden zijn ontstaan. Juist doordat deelnemers werden uitgenodigd om te spelen, ontstond er ruimte om vaste rollen even los te laten, de positie van een ander in te nemen en perspectieven te verkennen die normaal gesproken buiten beeld blijven.
Dat bleek nog niet zo eenvoudig. Want hoe voer je een gesprek zonder meteen in oplossingen te schieten, terwijl juist daar vaak de neiging zit? En wat slaan we over wanneer we te snel naar een oplossing zoeken, terwijl er misschien eerst nog iets anders gezien of gehoord moet worden?
Door zulke vragen niet alleen te bespreken, maar ook letterlijk uit te proberen, werd voelbaar dat een gesprek niet vast hoeft te liggen. Dat je kunt onderzoeken wat er gebeurt als iemand anders reageert, als je zelf een andere positie inneemt of als je een situatie eens op een heel andere manier laat aflopen.
Zo werden de drie dagen Op het spel niet alleen een onderzoek naar een ander vorm van dialoog, maar vooral een gedeelde ervaring van hoe én dat het anders kan: dat spel niet het tegenovergestelde is van serieus zijn, maar juist een manier kan zijn om serieuze onderwerpen toegankelijker en beter bespreekbaar te maken.
De eerste editie van Op het spel zit erop, maar ons verhaal is nog maar net begonnen. Deelnemers nemen hun ervaringen mee naar hun eigen werkomgevingen, van het onderwijs tot plekken waar mensen dagelijks met elkaar in gesprek proberen te komen. Denk aan een woningbouwproject, een klaslokaal of een buurtbijeenkomst. Niet omdat we nu dé manier hebben gevonden waarop gesprekken voortaan moeten verlopen, maar omdat we hebben ervaren hoeveel er mogelijk wordt wanneer we het gesprek zelf eens anders benaderen.
En dat willen we graag verder brengen. Daarom krijgt Op het spel een vervolg. We hopen dat er een groeiende gemeenschap ontstaat van mensen die nieuwsgierig zijn naar andere gesprekken en dialogen in de stad. Mensen die willen onderzoeken wat er mogelijk wordt als we niet alleen harder proberen te praten, maar ons actiever leren inbeelden. Daarmee is het eerste zaadje geplant. Inmiddels werken we aan een volgende editie.
Deze jaargang van het Op het spel is een van de projecten van UM50, het jubileumjaar van de Universiteit Maastricht, en wordt mede mogelijk gemaakt door Zuyd Hogeschool.
Meedoen?
Lijkt het je leuk om mee te doen? Ben je benieuwd wat er gebeurt als je spel serieus neemt en serieuze zaken wat speelser benadert? Of wil je gewoon eens ervaren hoe het voelt om een gesprek op een andere manier te voeren? Stuur dan een mailtje naar mare.knibbe [at] maastrichtuniversity.nl