Search this site
Embedded Files

https://sites.google.com/view/linguarium 

Nederlanden


Waarom neem je de snelweg?

Waarom niet?

Dat is niet echt een schilderachtige route. Is het niet mooier om binnendoor te rijden? Je kunt genieten van het landschap, als je rijdt over de mooie binnenwegen.

Dat landschap is mooi, maar voor het begrijpen van de geschiedenis heb je niets aan zo’n tocht, dan is de snelweg leerzamer.

Wat kan de snelweg je dan leren?

Het hoeft geen snelweg te zijn. Het kan ook een spoorweg zijn, of een waterweg. Op deze wegen zijn mensen, goederen en diensten in beweging, schippers die varen in een rivier of kanaal, treinreizigers, chauffeurs op een verkeersweg, vliegtuigpassagiers. Die wegen gaan door het landschap. Het gaat erom, hoe je het landschap ziet, vanuit het voertuig waar je toevallig in zit.


 Maar je ziet vanaf de snelweg toch niet veel van het landschap?

Dat is waar, maar je krijgt wel overzicht, en dat krijg je niet, als je de binnenwegen neemt, dan raak je verdwaald.

Ik zou nu eerst eens ernstig willen worden en vragen waar we zijn. Welke plek is dit?

Dit is Villers-le-Bouillet.

Weet je dat, of raad je ernaar?

Ik heb het geraden.

Heb jij geen navigatie?

Nee, dat is gevaarlijk. Navigatie leidt te veel af, als je er gebruik van maakt, terwijl je rijdt. In Mol heeft een passagierstrein een auto frontaal geramd. De automobilist was per abuis op het spoor terechtgekomen. De gps van het voertuig had de bestuurder bij een overgang verkeerd laten afslaan. De man maakte zich uit de voeten toen de bel van de overgang klonk om de komst van een trein op weg naar Hamont aan te kondigen.

Een reden waarom autobestuurders meer afgeleid worden is dat veel bestuurders niet de bestemmingslocatie intypen voordat ze wegrijden, maar pas als ze op de weg zitten.

Met de auto reizen is sowieso gevaarlijk. Dan zou je beter de trein kunnen nemen.

Maar dan zie je nog minder van het landschap.

Ik wil de weg zien. Dat is genoeg. Als ik de weg zie, zie ik ook het landschap.

Dat begrijp ik niet.

Stel dat je met de hogesnelheidstrein reist van Londen naar Keulen. Dan ga je eerst door de Kanaaltunnel over Lille naar Brussel. Daarna kom je door het vlakke land van Brabant om aan te komen bij station Liège-Guillemins. Ten oosten van Luik gaat de trein door de lange tunnel van Soumagne en de kortere tunnel van Walhorn in Lontzen en bereikt vlak voor Aken de Duitse grens, gaat dan Aken voorbij en komt tenslotte aan in Keulen. Dit is het beeld dat een reiziger die door de Euregio komt, maar er niet hoeft te zijn, ervan krijgt. De Euregio ligt ergens tussen Luik en Aken. En dat is alles wat die reiziger erover weet. Internationaal gezien is die spoorweg de bekendste weg. En dat betekent dat deze weg alle andere wegen, die door de Euregio lopen, in de schaduw stelt.

Die weg bestaat nog niet zo lang. Is er niet een oudere weg?

Die spoorweg bestaat inderdaad nog niet zo lang, nog geen tweehonderd jaar, maar op de route die hij volgt hebben meer tweeduizend jaar voorgangers van die weg bestaan. Zo reisden de Romeinen al van Boulogne via Bavay, Tongeren, Maastricht, Heerlen en Jülich naar Keulen.

Maar dat is toch niet dezelfde route als de huidige hogesnelheidslijn die over Brussel en Luik gaat?

Dat is waar. En dat heeft me verbaasd. Het is natuurlijk niet verplicht om nieuwe wegen precies op de oude te leggen, maar er moet een reden zijn geweest, die verklaart waarom de spoorweg nu de net iets zuidelijker gelegen plaatsen Luik en Aken passeert.

Waarom dan?

De reden kan worden gevonden in de geschiedenis:

Op zijn veldtocht langs de Maas veroverde stadhouder Frederik Hendrik in 1632 Venlo, Roermond en Maastricht. De Spanjaarden zouden Venlo en Roermond enkele jaren later weer heroveren, maar Maastricht zou tot 1794 een buitenpost van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden blijven.

In 1673 werd Maastricht belegerd, gebombardeerd en veroverd door Lodewijk XIV, maar bij de vrede van Nijmegen in 1678 keerde Maastricht weer terug onder Nederlands gezag en dat bleef zo tot 1794.

Bij de deling van het Koninkrijk der Nederlanden in 1839 verkreeg koning Willem van Oranje het oostelijke deel van Limburg (het wormvormige aanhangsel van Nederland dat Nederlands Limburg heet). Deze deling was nadelig voor België omdat mogelijke toegangen over Limburg naar het Rijnland werden afgesneden en daarom moest naar een verbinding met Duitsland in de provincie Luik, ten zuiden van Limburg worden gezocht. 

De benaming Nederlanden komt op, nadat die van Neder-Lotharingen in onbruik is geraakt. Oorkonden en kronieken spreken van de lage landen bider zee en de Bourgondische-Habsburgse regering, die aanvankelijk deze landen aanduidden als nos pays de par deçà (onze landen hier om ons heen), ging in de zestiende eeuw de uitdrukking les pays d'en bas (de landen van beneden) of les pays bas (de lage landen) gebruiken.

Een andere benaming voor de Nederlanden was België (Belgica, Belgium, Belgique), maar deze werd sinds eind 18e eeuw steeds meer gebruikt voor de Zuidelijke Nederlanden en vanaf 1830 exclusief voor België.

Frans-Vlaanderen is het gedeelte van het graafschap Vlaanderen dat in de periode 1659-1713 werd afgestaan aan het Frankrijk, ten gevolge van de oorlogen van Lodewijk XIV.

Hadden de Bourgondische en Habsburgse vorsten hun macht nog verder naar het oosten uitgebreid, dan zouden ook Oost-Friesland, Gulik, Kleef, Bentheim, Lingen, de streek rond Geldern, rond Bitburg, enkele gemeenten ten oosten van de Oostkantons die in 1815 door Pruisen werden geannexeerd en andere, tot de Nederlanden gerekend zijn.

Nadat keizer Karel V in 1543 het hertogdom Gelre had ingelijfd was een min of meer aaneengesloten en afgerond geheel van landen ontstaan. Alleen in het zuidelijke deel vormde het prinsbisdom Luik nog een grote enclave. Dit geheel van Nederlandse gewesten werd sindsdien ook wel aangeduid als de Zeventien Provinciën.

Naar buiten wordt dit gebied een eenheid door het Verdrag van Augsburg (1548), dat stelde dat de Nederlanden als Bourgondische Kreits zelfstandig, maar met het Rijk verbonden, zouden bestaan. Naar binnen toe kreeg de eenheid gestalte in de Pragmatieke Sanctie (1549), die van de Nederlanden een onscheidbaar geheel maakte: bij overlijden van de vorst zouden de Zeventien Provinciën steeds als ondeelbaar geheel overgeërfd worden.

Binnen het oorspronkelijke gebied (de Nederlanden van Karel V) hebben zich vijf grenzen gevormd: De Nederlands-Belgische grens (1648); de grenzen door Limburg en Luxemburg (1839); de Franse grens met België en Luxemburg; de Duitse grens met de Benelux (1815/1919/1949); de Belgische taalgrens (vanaf 1970).

Volgens het internationale recht heeft een soevereine staat het recht de macht in haar gebied uit te oefenen met uitsluiting van andere staten. Andere staten moeten respect hebben voor de grenzen van een soevereine staat en zich onthouden van agressie tegen die staat.

In 1588 werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden uitgeroepen. De gewesten aanvaardden zelf de soevereiniteit.

Bij de Vrede van Westfalen van 1648 werd het soevereiniteitsbeginsel, waarbij soevereiniteit als het unieke en hoogste publieke gezag over een bepaald grondgebied werd opgevat, aangenomen.

De Duitse vorsten werden de facto onafhankelijk van het Heilige Roomse Rijk en het huis van Habsburg. Voor de Nederlandse provinciën betekende de overeenkomst het einde van de Spaanse overheersing, waarmee soevereine onafhankelijkheid werd bereikt.

Soevereiniteit heeft niet alleen betekenis voor de relatie tussen landen maar ook binnenlands voor de relatie tussen de centrale overheid en de lagere overheden.

Aanvankelijk, in de 17de eeuw, had soevereiniteit vooral betekenis voor de relatie tussen landen. Soevereiniteit betekende vooral non-interventie: staten mochten zich niet bemoeien met elkaars binnenlandse aangelegenheden.





 Uit dit beginsel van non-interventie volgde de soevereiniteit van een staat over het eigen gebied. Daarbij werd niet vastgelegd hoe aan die soevereiniteit in het eigen gebied vorm gegeven moest worden.

In de Zeven Provinciën hielden de provincies de soevereiniteit en dat bleef min of meer zo tot aan de Franse tijd.

In de Zuidelijke Nederlanden verliep de geschiedenis anders, hier zette de oude orde dat wil zeggen de Spaanse en later Oostenrijkse overheersing, zich voort tot de komst van de Fransen. Aan het einde van de 18de eeuw woei een revolutionaire storm door Europa, en na de bestorming van de Bastille in Parijs op 14 juli 1789, kwamen de Luikenaren in opstand op 18 augustus van hetzelfde jaar. Maar de Luikse revolutie werd meegenomen in de Franse wervelwind en ondanks enkele pogingen tot restauratie van het Oude Regime werd het prinsdom Luik op 1 october 1795 opgeheven met de Luikse beslissing tot aansluiting bij Frankrijk.

De Brabantse revolutie was een opstand van de Zuidelijke Nederlanden in 1789 en 1790 tegen het Oostenrijkse gezag van keizer Jozef II. De revolutie begon in het gewest Brabant met de Slag bij Turnhout, maar breidde zich al heel snel uit over Vlaanderen, en nadien ook in Henegouwen, Namen en Limburg. Deze opstand leidde tot het kortstondige bestaan van een republiek, de Verenigde Nederlandse Staten, onder leiding van Hendrik van der Noot. De revolutie mislukte, de Oostenrijkers konden hun gezag herstellen, maar niet voor lang.

In de noordelijke Nederlanden ontstond de Patriotse revolutie tegen Oranje, later, onder de Fransen, gevolgd door de Bataafse revolutie.

Franse departementen

Samen met het prinsdom Luik, werden de Oostenrijkse Nederlanden, en later ook de noordelijke Nederlanden, door Frankrijk geannexeerd. Na de annexatie begonnen de Fransen met staatkundige experimenten. Deze hadden als doel: opheffen van de feodale staat, door nieuwe grenzen te trekken door het oude politieke landschap en bestaande staatkundige namen, zoals Luik, Limburg, Luxemburg, te vervangen door nieuwe. Creatie van departementen zoals Forêts, Ourte, Meuse-Inférieure en Sambre-et-Meuse moesten de oude namen doen vergeten.

De Franse experimenten betroffen niet alleen de ruimtelijke indeling maar ook de verdeling van de administratieve bevoegdheden over de verschillende bestuurslagen onder de centrale regering van het Rijk: departement, arrondissement, kanton en gemeente.

Aanvankelijk hadden de kantons niet alleen een rechterlijke maar ook een administratieve bevoegdheid. De Franse wet van 1800 bracht evenwel ten opzichte van het gemeentelijke bestuur een ingrijpende wijziging. De kantons verloren daardoor hun administratieve macht en de daaronder ressorterende gemeenten kregen een afzonderlijke administratie. Het hoofd van het departement was de prefect, de vertegenwoordiger van de centrale regering.

De steden raakten de vrijheid die ze hadden onder het oude regime kwijt. Begrippen zoals stadsrecht, vrije rijksstad verloren hun betekenis. Het stadsrecht werd beperkt tot het recht de aanduiding 'stad' te gebruiken. Het verschil dat in het oude regime was gemaakt tussen stad en dorp verdween.

Luik was niet meer de hoofdstad van een land maar van een departement, dat nog maar een fractie was van het vroegere prinsbisdom. Aken verloor zijn status als vrije rijksstad. De eeuwenlange tweeherigheid van Maastricht werd afgeschaft

De staatsvorm die de Fransen importeerden, was een verder gaande uitwerking van de soevereiniteit over het eigen gebied, de staatsbemoeienis met de eigen burgers, en was een voorbode van ontwikkeling naar een natiestaat, een begrip dat in de 19de eeuw ingang zou vinden. De staat kreeg absolute en exclusieve bevoegdheid over alle personen en dingen binnen haar eigen territoriale grenzen.

De burgers werden steeds meer onder de invloed van de staat gebracht. Middelen om dat te bereiken waren: de verplichting om een familienaam te gebruiken en zich te laten registreren in de burgerlijke stand. De dienstplicht werd ingevoerd. Er werd een begin gemaakt met de invoering van het moderne paspoort dat niet diende ter identificatie als burger van een stad, maar van de staat.

In het Rijnland voerden de Fransen net als in de Nederlanden staatkundige vernieuwingen in. Aan de linkerkant van de Rijn werd het departement van de Roer opgericht, met Aken als hoofdstad. Het Departement van de Roer werd samengesteld door de samenvoeging van het graafschap Gulik, het hertogdom Kleef, de vrije stad Aken, een deel van Keur-Keulen en het Pruisische deel van Gelder.

De door Frankrijk ingevoerde rechtsorde, de napoleontische code civil, werd door de Duitse staten, die na het Congres van Wenen gebied in het Rijnland hadden, tot het einde van de negentiende eeuw grotendeels gerespecteerd.


 Vanaf 1814, na het Congres van Wenen, ontwikkelde zich in sommige landen de soevereine staat tot natiestaat.

De eerste koning, Willem I, regeerde als een verlicht despoot, waardoor hij de Belgen, zoals de bewoners van de zuidelijke Nederlanden steeds vaker werden genoemd, tegen zich in het harnas joeg.

In september 1830 kwamen de Belgen in opstand, met succes. De Belgische onafhankelijkheid werd in hetzelfde jaar erkend door de grote Europese naties, maar pas in 1839 door Nederland, de nieuwe aanduiding voor de noordelijke Nederlanden.

Na de nederlagen van Napoleon, besliste het Congres van Wenen om alle Nederlanden en het vroegere territorium van het prinsdom Luik te verenigen tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

Na de Franse Tijd herleefde het begrip soevereiniteit in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder koning Willem I. De betekenis van het begrip was wel veranderd. Nu waren het niet meer de provincies die soeverein waren, maar het rijk, de centrale overheid, de provincies waren daaraan ondergeschikte lagere overheden geworden.

De door Frankrijk ingevoerde rechtsorde, de napoleontische code civil, werd door de Duitse staten, die na het Congres van Wenen gebied in het Rijnland hadden, tot het einde van de negentiende eeuw grotendeels gerespecteerd.






Vertel eens, wat zijn de algemene problemen van de Nederlanden? Gebrek aan eenheid.

En verder?

Godsdienstige verdeeldheid.

Heel goed. Weet je nog meer?

Taal. Er is geen gemeenschappelijke taal. Wat wil je verder nog?

Nationalisme. Het grootste deel van de problemen kan daarop teruggevoerd worden. En op grenzen. Er zijn in de loop van de tijd alleen maar meer grenzen bij gekomen. 

Dat is een verstandige opvatting, die past in mijn staatsopvatting.

Welke opvatting is dat?

De scheiding van land en taal.

Wat betekent dat nu weer?

Nou, taalvrijheid, natuurlijk. Je kent toch wel zulke woorden!

Maar er is toch al taalvrijheid?

Denk je dat? Zoals je weet, is België nu verdeeld in een Waals, Vlaams en Duits deel, en er wordt over gedacht om van Brussel een apart deel te maken. Dat kan nog verder gaan, want de Friezen willen misschien ook wel een apart land gaan vormen, ik zwijg nog maar even over de Limburgers. Het is een heilloze weg. We zouden het idee, dat een volk voor het behoud van een eigen taal of cultuur een eigen land nodig heeft, moeten verlaten. Iedereen zou vrij moeten zijn om zich in de eigen taal uit te drukken, waar deze zich ook in de Nederlanden bevindt.

Hoe wil je dat realiseren?

Door staatshervorming.

Denk je dat dat iets uithaalt? Staatshervorming heeft in de Nederlanden nooit succes gehad. Denk maar eens aan de Belgische staatshervorming. Het einde daarvan was dat België uit elkaar viel in drie gewesten en drie gemeenschappen, met elk hun bevoegdheden.

Weet je, ik ben blij dat je het zegt. Daaruit blijkt alleen maar, dat als iedereen die weg volgt, de boel uit elkaar valt. De Nederlanden vallen uiteen in nog meer landjes dan de drie die er nu zijn. Er zou een politieke regeling moeten zijn, die de taalvrijheid in de Nederlanden regelt. Ook vrijheid moet je regelen. Bijvoorbeeld de vrijheid voor Franstaligen om Frans te spreken in de hele Benelux. Vrijheid voor de Friezen om Fries te spreken in Luik.

Denk je dat de overheid dit kan regelen? Je zou erop kunnen hopen dat het bij de burgers begint, bijvoorbeeld door burgerlijke ongehoorzaamheid. Als burgers eenmaal zo ver zijn dat ze die regelingen, taalgebieden en taalfaciliteiten massaal overtreden, kan men erop komen de zaak door de overheid te laten regelen.


 Je bent het dus toch met me eens. Ook jij wil dat er een staatshervorming komt. Alleen verschil je met mij van mening over het tijdstip waarop dit moet gebeuren. Maar je hebt misschien gelijk. Eerst moeten de burgers in actie komen. Dat moet als eerste gebeuren.

Nu wil je natuurlijk dat ik je scheiding van land en taal ga preken. Dat is toch werkelijk absurd? Wat dacht je? Natuurlijk is de kans niet zo groot. Maar er is een kans. En die moet je aangrijpen. Mijn idee heeft trouwens het voordeel dat grote overheidsuitgaven niet meer nodig zijn. Dat levert een enorme besparing op. Je kunt zelf uitrekenen hoeveel de taalstrijd heeft gekost.

Geloof wat je wilt, maar mij bevalt het duistere idee van burgerlijke vrijheid. We zouden voor een regeling kunnen gaan strijden, maar ons vrijheidsdenken zou altijd aanwezig blijven, ons denken kan zich daar niet van bevrijden.

Geklets! Dit is de voorbereidende fase. De regeling komt aan het einde. Die kun je niet zomaar hals over kop invoeren. Eerst moet je de scheiding van land en taal preken en dan, als het idee zich overal heeft verbreid, kan er een hervorming van de staat komen. Daarom, zou het niet iets zijn voor, jou, om op weg te gaan naar Luik, de stad, die wacht op een vrouw die haar de weg kan wijzen in de wereld van nu. Overtuig de Luikenaren, hun taalstrijd op te geven en zich niet meer te verschansen binnen hun taalgebied. Klinkt het niet geloofwaardig, als je het hun zo vertelt?

Ik weet het echt niet. Ik denk, dat er zelfs niet één inwoner van Luik is die naar die boodschap zal willen luisteren.

Dat is mogelijk, maar als je er tenminste één zou vinden, zou dat alleen al de moeite lonen.


Het beginsel van scheiding van land en taal is niet in de Nederlandse grondwet vastgelegd. Het vloeit voort uit de godsdienstvrijheid en het discriminatieverbod, die zijn vastgelegd in artikelen 1 en 6 van de grondwet.

Artikel 1: Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 6: Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden

Zo kun je ook de scheiding van land en taal regelen.

Deze houdt in, dat het verbod van discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, begrepen wordt als zijnde ook een verbod van discriminatie wegens taal.

Verder, dat het recht van ieder om zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet, wordt begrepen als zijnde ook het recht van ieder om zich uit te drukken in de eigen taal. Daarbij komt de toevoeging: behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Dat betekent in de praktijk, dat de overheid pas, als principes van gezondheid, verkeer en openbare orde in het geding zijn, kan optreden.


België is een federale staat met tolerantie ten opzichte van verschillende gewesten en gemeenschappen binnen dezelfde staat.

De gemeenschappen (Vlaamse, Franse en Duitstalige Gemeenschap) zijn bevoegd in persoonsgebonden materies (cultuur, onderwijs, welzijn, gezondheid sport en taal.

De gewesten (Vlaams Gewest, Waals Gewest en Brussels Hoofdstedelijk Gewest) zijn bevoegd in grondgebonden materies zoals milieu, ruimtelijke ordening. wonen, mobiliteit, infrastructuur, economie en werkgelegenheid.


 De Belgische gemeenschappen zijn eentalig (Frans, Duits of Nederlands). Alleen het Brusselse Hoofdstelijke Gewest is tweetalig (Frans en Nederlands).

In het tweetalige Brusselse Hoofdstedelijke Gewest worden de gemeenschapsbevoegdheden uitgeoefend door de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie Uit een onderzoek van Rudi Janssens naar taalgebruik in Brussel en talenkennis van de Brusselaars blijkt het volgende:

Een derde van alle volwassenen die eentalig Nederlands zijn opgevoed gaan ook eentalig Nederlandse gezinnen vormen. Ongeveer een derde gaat alleen Frans spreken en een ander derde wordt tweetalig.

Veel respondenten geven aan goed Engels te spreken, maar gebruiken deze taal in de praktijk zelden. In de praktijk is het Frans de meest gebruikte taal.

Vrijwel alle mensen die Nederlands spreken beheersen ook het Frans en vaak ook het Engels. Met Nederlands alleen kom je in Brussel blijkbaar niet ver. Kennis van het Frans daarentegen is voor bijna de helft van de Brusselaars voldoende.

Van de Brusselse bevolking is ongeveer 50% eentalig Frans bij de geboorte, maar Frans is niet alleen de taal van deze Franssprekenden, het is ook de taal die Brusselaars gebruiken als lingua franca. Dat wil zeggen dat ze terugvallen op het Frans in gesprekken met anderstaligen. Frans is ook de taal die het meest in de contacten met de buitenwereld wordt gesproken. Ook de Nederlandstaligen spreken vaak Frans of schakelen over naar het Frans wanneer de gesprekspartner Frans blijkt te spreken.

Hoewel Frans domineert, worden tot 57 verschillende talen of taalcombinaties met de buren gesproken. Leden van bepaalde taalgroepen vormen ook taalgemeenschappen die in dezelfde buurt wonen.

Arbeidsmigratie ligt aan de basis van de linguïstische diversiteit van Brussel. Talenkennis is dan ook heel belangrijk bij de aanwerving. In ongeveer een derde van de banen wordt zowel Nederlands als Frans gevraagd, Engels is nodig voor een vijfde van alle vacatures.

Afhankelijk van de eigenaar en werknemers in het bedrijf, worden er in de interne communicatie ook andere talen gebruikt, zoals Duits, Italiaans, Arabisch, Japans, Russisch, Turks, Spaans, Zweeds, Deens en Grieks.

Bewoners van Brussel kunnen kiezen of ze Nederlands of Frans spreken in hun contact met de gemeente. Engels is geen officiële taal, dus het gebruik daarvan hangt af van de goodwill van de ambtenaar.

In principe moeten alle Brusselse ambtenaren tweetalig zijn, maar in de praktijk is dat niet altijd zo. De gemeentelijke websites zijn dan weer pragmatischer en bieden informatie in drie talen (Nederlands, Frans en Engels) aan. De website van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest biedt zelfs informatie in 5 talen (Nederlands, Frans, Duits, Engels en Spaans).

Het Engels speelt niet zo’n grote rol in het privédomein of in de buurten, maar des te meer in de publieke sfeer. Het is zichtbaar in het straatbeeld (affiches, reclame, opschriften, winkelketens) en ook in de media- en cultuursector kun je niet om het Engels heen. Op de televisie en radio is de voertaal wellicht het Nederlands of het Frans, maar de taal die het meest te horen is in de programma’s en de muziek is toch het Engels.

Het Engels wordt ook vaak gezien als de taal van de internationale gemeenschap, maar dat blijft vooral beperkt tot de Noord-Europeanen, inwoners uit andere Europese lidstaten verkiezen nog steeds het Frans. Ook de Engelstaligen zullen zich in winkels en diensten meestal van het Frans bedienen.

Desalniettemin claimt het Engels de status van lingua franca op wereldgebied en dat heeft uiteraard gevolgen in een wereldstad als Brussel. Hoewel deze taal officieel geen enkel recht heeft, is er toch veel informatie beschikbaar in het Engels en kunnen mensen als ze dat willen ook in het Engels terecht bij verschillende diensten.

Het Engels is het meest zichtbaar in het bedrijfsleven, waar het soms zelfs als een brugtaal functioneert tussen Franstaligen en Nederlandstaligen. Ook in het onderwijs wordt Engels belangrijker, nu meer en meer studenten een Masters in het Engels volgen.

Het is onvermijdelijk in een meertalige stad als Brussel dat er voortdurend verschuivingen optreden in het taalgebruik. Sommige talen verdwijnen, andere worden sterker.

De situatie bij de hoogopgeleide EU inwijkelingen, Amerikanen en Japanners is enigszins anders omdat die vaak niet permanent in het land verblijven en tevens hun kinderen naar internationale scholen sturen, waar onderwijs in de eigen taal aangeboden wordt. Hun talen hebben ook dikwijls een hoge status en verschuiving is bijgevolg bij hen minder.

Wat zegt de taalsituatie in Brussel over de te verwachten taalsituatie zonder taalgrenzen in de Euregio?


 In de Euregio zullen net als in Brussel Franstalige, Duitstalige en Nederlandstalige gemeenschapscommissies ingesteld zijn die in de regio gemeenschapsbevoegdheden uitoefenen, bevoegdheden in persoonsgebonden materies, zoals cultuur, onderwijs, welzijn, gezondheid, sport en taal.

De taalgrenzen zullen zijn afgeschaft, maar het is niet te verwachten dat de driedeling in een Nederlands, Frans en Duits taalgebied zal verdwijnen.

Vermoedelijk zal niet een van de drie talen de meest gebruikte taal worden.

Het gebruik van het Frans als lingua franca zoals in Brussel is niet te verwachten in de Euregio. Nederlandstaligen zullen in hun contact met Franstaligen niet zo vaak als in Brussel overschakelen naar het Frans. Ook zullen Duitstaligen waarschijnlijk niet zo vaak als nu in de Duitstalige Gemeenschap van België gebeurt Frans gaan praten als de gesprekspartner Frans blijkt te spreken.

Veel Euregianen zullen in hun contact met anderstaligen van hun eigen taal overschakelen op Engels. Degenen die het kunnen zullen de taal van de ander gebruiken.

Frans blijft domineren in de regio Luik, Duits in de regio’s Aken en Eupen en Nederlands in Nederlands en Belgisch Limburg. Hoewel deze drie talen domineren in hun regio, zullen meer andere talen of taalcombinaties worden gesproken dan nu het geval is.

Dit geldt vooral voor het bedrijfsleven. Als de arbeidsmigratie tussen de regio’s toeneemt, zal de taaldiversiteit in de bedrijven ook toenemen.

De Euregianen kunnen kiezen of ze Duits, Nederlands of Frans spreken in hun contact met de gemeente. In theorie moeten alle Euregiaanse ambtenaren drietalig zijn, maar in de praktijk zal dat niet altijd zo zijn. Het gebruik van Engels zal toenemen. niet thuis of in de wijk, maar in de publieke sfeer. Het Engels is de internationale brugtaal en dat zal het ook zijn in de Euregio.


Het voorstel om Engels de voertaal te maken op de Nederlandse universiteiten kwam voor het eerst in 1989 van toenmalig minister van Onderwijs Jo Ritzen.

Van alle kanten kwam protest.

Ritzen nam zijn woorden snel terug en zei dat hij het „zo niet bedoeld” had. Maar wat die opmerking waard was, weten we als we nu kijken naar de universiteit van Maastricht, waar dezelfde Ritzen sinds 1 februari 2003 voorzitter is van het college van bestuur.

Al in de jaren tachtig is Maastricht uitdrukkelijk in het buitenland studenten gaan werven. ...Zo’n 45 procent van onze studenten komt nu uit het buitenland.

Bron: NRC




Door de ligging van Maastricht nabij de grens van het Franse en Duitse taalgebied, werd tot eind 19e eeuw, met name door de welgestelden, veel gebruik gemaakt van het Frans, en in mindere mate Duits.

Door de toenemende mondialisering (in Maastricht is bijna de helft van de studenten afkomstig uit het buitenland) is de laatste jaren het gebruik van Engels sterk toegenomen. Het onderwijs aan de universiteit is vrijwel geheel Engelstalig.

Daarmee plaatst de stad zich niet in een Europese maar een mondiale omgeving.

In Maastricht bestaat er weer zoiets als de tweeherigheid van Maastricht, maar dan niet de tweeherigheid, maar de tweetaligheid.

De universiteit Maastricht, omgedoopt naar Maastricht University. Ook de gemeente Maastricht richt zich steeds vaker in twee talen (Nederlands en Engels) tot haar burgers.

Maastricht werd officieel tweetalig.

Steenkolen-Engels 'I hate you all very welkom'.

Met het steenkolen-Engels (Dunglish) van de meeste Nederlandse docenten gaan veel nuances verloren.

Het woord Nederengels wordt gebruikt voor het overvloedig gebruik van Engelse woorden in de Nederlandse taal. Het gaat daarbij niet per definitie om taalfouten.

Bron: Ublad.

In de Euregio “Maas Rijn” leven ongeveer vier miljoen mensen die drie verschillende talen, Frans, Duits en Nederlands, spreken en verdeeld zijn in vijf culturen (het Belgische deel van de Euregio is verdeeld in een Duitstalig, Franstalig en Nederlandstalig gebied).


 Het Euregio Certificaat Sociaal Werk (van 31 augustus 2003 tot 30 november 2006) is een 3-talige euregionale differentiatie binnen het Sociaal Werk curriculum, waarin zes hogescholen in de Euregio Maas-Rijn participeren. De hogescholen werken samen om hun studenten beter voor te bereiden op een beroepspraktijk waarin de effecten van die Europese integratie steeds sterker merkbaar zijn.

Binnen het netwerk wordt het principe gehanteerd, dat ieder zijn eigen taal spreekt en door de ander wordt begrepen.

Het beginsel van meertaligheid past goed in de traditie van de Europese Unie. Deze staat haaks op een ontwikkeling die vanaf de Tweede Wereldoorlog is begonnen, waarbij het Engels geleidelijk de verkeerstaal is geworden ook buiten de door de Engelsen gekoloniseerde gebieden.

Het naoorlogse proces van internationalisering is te vergelijken met de hellenisering (vergrieksing) van de landen rond de Middellandse Zee die begon na de veroveringen door Alexander de Grote van het Perzische Rijk, waardoor de Griekse taal daar de gemeenschappelijke taal (koine glootta) werd en bleef tot na de Romeinse verovering van het Midden-Oosten. Alleen in het West- Romeinse Rijk overheerste het Latijn, met name als wetenschappelijke taal en dit is (in West- Europa) tot na de Middeleeuwen zo gebleven. Pas in de tweede helft van de twintigste eeuw verwierf Internationaal Engels een positie die te vergelijken was met die welke het Grieks of het Latijn vroeger hadden.

De meeste mensen schakelen nu over op Engels, als ze elkaars taal niet kennen en geen tolk hebben. Wie het Engels beheerst, krijgt gemakkelijk toegang tot de internationale wereld. Het is echter de vraag of dit ook opgaat voor grensgebieden.

Taalregime voor grensgebieden.

Een Belgisch systeem (wettelijk vastleggen van taalgebieden en bestuurlijke indeling daaraan aanpassen) lijkt geen goeie oplossing.

Oplossing: een compromis.

We beschouwen de euregio als een moderne kosmopolitische stad. In zo'n stad worden in principe alle talen gesproken. In de praktijk een of twee regionale talen en enkele lokale dialecten. Ook het Engels als internationale taal is ter beschikking.

Kortom: we houden niet strikt vast aan het EU principe van meertaligheid, maar we gaan ook niet allemaal geforceerd Engels met elkaar zitten praten.

https://sites.google.com/view/grensverdragen 

https://sites.google.com/view/linguarium 

Google Sites
Report abuse
Page details
Page updated
Google Sites
Report abuse