Na de val van het Romeinse rijk viel West-Europa uiteen in tribale groepen of stammen. In die chaotische tijd, toen Germaanse stammen in Romeinse gebieden verbleven, ontstond er voor de uitoefening van het bestuur een nieuwe situatie. Het Romeinse recht dat tot dan toe voor de hele bevolking gold, werd vanaf die tijd beperkt tot de oorspronkelijke Romeinse burgers. De Germaanse bevolking behield haar eigen gewoonterecht. Dat betekende dat het rechtskundige personaliteitsprincipe werd toegepast: waar men ook woonde, men leefde volgens het recht van
de volksgroep waartoe men behoorde. De wetten volgden de persoon in plaats van het territorium. Zo konden, in een en dezelfde plaats, mensen onderworpen zijn aan verschillende wetssystemen.
De Merovingers en daarna de Karolingers schiepen orde in de chaos door de oprichting van de feodale staat, het Frankische rijk. In de feodale staat vond het territorialiteitsprincipe ingang: grondslag voor het overheidsgezag werd de woon- of verblijfplaats, men viel onder het recht van de plaats waar men woonde.
Dit rijk viel tenslotte uiteen in kleine stukken, hertogdommen, graafschappen en heerlijkheden. Dit fenomeen werd aangeduid als Kleinstaaterei.
De benaming Nederlanden komt op, nadat die van Neder-Lotharingen in onbruik is geraakt. Oorkonden en kronieken spreken van de lage landen bider zee en de Bourgondische-Habsburgse regering, die aanvankelijk deze landen aanduidden als nos pays de par deçà (onze landen hier om ons heen), ging in de zestiende eeuw de uitdrukking les pays d'en bas (de landen van beneden) of les pays bas (de lage landen) gebruiken.
Een andere benaming voor de Nederlanden was België (Belgica, Belgium, Belgique), maar deze werd sinds eind 18e eeuw steeds meer gebruikt voor de Zuidelijke Nederlanden en vanaf 1830 exclusief voor België.
Frans-Vlaanderen is het gedeelte van het graafschap Vlaanderen dat in de periode 1659-1713 werd afgestaan aan het Frankrijk, ten gevolge van de oorlogen van Lodewijk XIV.
Hadden de Bourgondische en Habsburgse vorsten hun macht nog verder naar het oosten uitgebreid, dan zouden ook Oost-Friesland, Gulik, Kleef, Bentheim, Lingen, de streek rond Geldern, rond Bitburg, enkele gemeenten ten oosten van de Oostkantons die in 1815 door Pruisen werden geannexeerd en andere, tot de Nederlanden gerekend zijn.
Nadat keizer Karel V in 1543 het hertogdom Gelre had ingelijfd was een min of meer aaneengesloten en afgerond geheel van landen ontstaan. Alleen in het zuidelijke deel vormde het prinsbisdom Luik nog een grote enclave. Dit geheel van Nederlandse gewesten werd sindsdien ook wel aangeduid als de Zeventien Provinciën.
Naar buiten wordt dit gebied een eenheid door het Verdrag van Augsburg (1548), dat stelde dat de Nederlanden als Bourgondische Kreits zelfstandig, maar met het Rijk verbonden, zouden bestaan. Naar binnen toe kreeg de eenheid gestalte in de Pragmatieke Sanctie (1549), die van de Nederlanden een onscheidbaar geheel maakte: bij overlijden van de vorst zouden de Zeventien Provinciën steeds als ondeelbaar geheel overgeërfd worden.
Binnen het oorspronkelijke gebied (de Nederlanden van Karel V) hebben zich vijf grenzen gevormd: De Nederlands-Belgische grens (1648); de grenzen door Limburg en Luxemburg (1839); de Franse grens met België en Luxemburg; de Duitse grens met de Benelux (1815/1919/1949); de Belgische taalgrens (vanaf 1970).
Volgens het internationale recht heeft een soevereine staat het recht de macht in haar gebied uit te oefenen met uitsluiting van andere staten. Andere staten moeten respect hebben voor de grenzen van een soevereine staat en zich onthouden van agressie tegen die staat.
In 1588 werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden uitgeroepen. De gewesten aanvaardden zelf de soevereiniteit.
Bij de Vrede van Westfalen van 1648 werd het soevereiniteitsbeginsel, waarbij soevereiniteit als het unieke en hoogste publieke gezag over een bepaald grondgebied werd opgevat, aangenomen.
De Duitse vorsten werden de facto onafhankelijk van het Heilige Roomse Rijk en het huis van Habsburg. Voor de Nederlandse provinciën betekende de overeenkomst het einde van de Spaanse overheersing, waarmee soevereine onafhankelijkheid werd bereikt.
Soevereiniteit heeft niet alleen betekenis voor de relatie tussen landen maar ook binnenlands voor de relatie tussen de centrale overheid en de lagere overheden.
Aanvankelijk, in de 17de eeuw, had soevereiniteit vooral betekenis voor de relatie tussen landen. Soevereiniteit betekende vooral non-interventie: staten mochten zich niet bemoeien met elkaars binnenlandse aangelegenheden.
Uit dit beginsel van non-interventie volgde de soevereiniteit van een staat over het eigen gebied. Daarbij werd niet vastgelegd hoe aan die soevereiniteit in het eigen gebied vorm gegeven moest worden.
In de Zeven Provinciën hielden de provincies de soevereiniteit en dat bleef min of meer zo tot aan de Franse tijd.
In de Zuidelijke Nederlanden verliep de geschiedenis anders, hier zette de oude orde dat wil zeggen de Spaanse en later Oostenrijkse overheersing, zich voort tot de komst van de Fransen. Aan het einde van de 18de eeuw woei een revolutionaire storm door Europa, en na de bestorming van de Bastille in Parijs op 14 juli 1789, kwamen de Luikenaren in opstand op 18 augustus van hetzelfde jaar. Maar de Luikse revolutie werd meegenomen in de Franse wervelwind en ondanks enkele pogingen tot restauratie van het Oude Regime werd het prinsdom Luik op 1 october 1795 opgeheven met de Luikse beslissing tot aansluiting bij Frankrijk.
De Brabantse revolutie was een opstand van de Zuidelijke Nederlanden in 1789 en 1790 tegen het Oostenrijkse gezag van keizer Jozef II. De revolutie begon in het gewest Brabant met de Slag bij Turnhout, maar breidde zich al heel snel uit over Vlaanderen, en nadien ook in Henegouwen, Namen en Limburg. Deze opstand leidde tot het kortstondige bestaan van een republiek, de Verenigde Nederlandse Staten, onder leiding van Hendrik van der Noot. De revolutie mislukte, de Oostenrijkers konden hun gezag herstellen, maar niet voor lang.
In de noordelijke Nederlanden ontstond de Patriotse revolutie tegen Oranje, later, onder de Fransen, gevolgd door de Bataafse revolutie.
Franse departementen
Samen met het prinsdom Luik, werden de Oostenrijkse Nederlanden, en later ook de noordelijke Nederlanden, door Frankrijk geannexeerd. Na de annexatie begonnen de Fransen met staatkundige experimenten. Deze hadden als doel: opheffen van de feodale staat, door nieuwe grenzen te trekken door het oude politieke landschap en bestaande staatkundige namen, zoals Luik, Limburg, Luxemburg, te vervangen door nieuwe. Creatie van departementen zoals Forêts, Ourte, Meuse-Inférieure en Sambre-et-Meuse moesten de oude namen doen vergeten.
De Franse experimenten betroffen niet alleen de ruimtelijke indeling maar ook de verdeling van de administratieve bevoegdheden over de verschillende bestuurslagen onder de centrale regering van het Rijk: departement, arrondissement, kanton en gemeente.
Aanvankelijk hadden de kantons niet alleen een rechterlijke maar ook een administratieve bevoegdheid. De Franse wet van 1800 bracht evenwel ten opzichte van het gemeentelijke bestuur een ingrijpende wijziging. De kantons verloren daardoor hun administratieve macht en de daaronder ressorterende gemeenten kregen een afzonderlijke administratie. Het hoofd van het departement was de prefect, de vertegenwoordiger van de centrale regering.
De steden raakten de vrijheid die ze hadden onder het oude regime kwijt. Begrippen zoals stadsrecht, vrije rijksstad verloren hun betekenis. Het stadsrecht werd beperkt tot het recht de aanduiding 'stad' te gebruiken. Het verschil dat in het oude regime was gemaakt tussen stad en dorp verdween.
Luik was niet meer de hoofdstad van een land maar van een departement, dat nog maar een fractie was van het vroegere prinsbisdom. Aken verloor zijn status als vrije rijksstad. De eeuwenlange tweeherigheid van Maastricht werd afgeschaft
De staatsvorm die de Fransen importeerden, was een verder gaande uitwerking van de soevereiniteit over het eigen gebied, de staatsbemoeienis met de eigen burgers, en was een voorbode van ontwikkeling naar een natiestaat, een begrip dat in de 19de eeuw ingang zou vinden. De staat kreeg absolute en exclusieve bevoegdheid over alle personen en dingen binnen haar eigen territoriale grenzen.
De burgers werden steeds meer onder de invloed van de staat gebracht. Middelen om dat te bereiken waren: de verplichting om een familienaam te gebruiken en zich te laten registreren in de burgerlijke stand. De dienstplicht werd ingevoerd. Er werd een begin gemaakt met de invoering van het moderne paspoort dat niet diende ter identificatie als burger van een stad, maar van de staat.
In het Rijnland voerden de Fransen net als in de Nederlanden staatkundige vernieuwingen in. Aan de linkerkant van de Rijn werd het departement van de Roer opgericht, met Aken als hoofdstad. Het Departement van de Roer werd samengesteld door de samenvoeging van het graafschap Gulik, het hertogdom Kleef, de vrije stad Aken, een deel van Keur-Keulen en het Pruisische deel van Gelder.
De door Frankrijk ingevoerde rechtsorde, de napoleontische code civil, werd door de Duitse staten, die na het Congres van Wenen gebied in het Rijnland hadden, tot het einde van de negentiende eeuw grotendeels gerespecteerd.
Vanaf 1814, na het Congres van Wenen, ontwikkelde zich in sommige landen de soevereine staat tot natiestaat.
De eerste koning, Willem I, regeerde als een verlicht despoot, waardoor hij de Belgen, zoals de bewoners van de zuidelijke Nederlanden steeds vaker werden genoemd, tegen zich in het harnas joeg.
In september 1830 kwamen de Belgen in opstand, met succes. De Belgische onafhankelijkheid werd in hetzelfde jaar erkend door de grote Europese naties, maar pas in 1839 door Nederland, de nieuwe aanduiding voor de noordelijke Nederlanden.
Na de nederlagen van Napoleon, besliste het Congres van Wenen om alle Nederlanden en het vroegere territorium van het prinsdom Luik te verenigen tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.
Na de Franse Tijd herleefde het begrip soevereiniteit in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder koning Willem I. De betekenis van het begrip was wel veranderd. Nu waren het niet meer de provincies die soeverein waren, maar het rijk, de centrale overheid, de provincies waren daaraan ondergeschikte lagere overheden geworden.
De door Frankrijk ingevoerde rechtsorde, de napoleontische code civil, werd door de Duitse staten, die na het Congres van Wenen gebied in het Rijnland hadden, tot het einde van de negentiende eeuw grotendeels gerespecteerd.