Grensverdragen
870. Le roi Louis eut pour sa portion: Cologne, Trèves, Utrecht, Strasbourg, Bâle, l'abbaye de Sustren, Berg, Neumoutiers, Kessel, Indes ou Saint-Corneille, Saint-Maximin, Hesternach, Oeren, Saint-Gangulf, Favernay, Poligny, Luxeuil, Lure, Baume, Vellfaux, Moyenmoutiers, Saint-Dié, Bonmoutiers, Estival, Remiremont, Morbach, Saint-Grégoire, Mormunster, Eboresheim, Homowa, Maësmunster, Sainte-Othilie, Saint-Etienne de Strasbourg, Ehrenstein, So-leure, Granfel, Alta-Petra, Lusten, Vaucluse, Châtel-Châlons, Herbodsheim, l'abbaye d'Aix, Hoënkirche, Augskirche, le comté de Testrebant, la Batavie et les districts sur la rive droite de la Meuse inférieure: sur la même rive de la Meuse supérieure, Liège, le district d'Aix et Maastricht: dans le pays des Ripuaires, les cinq comtés de Meyeri, de Bidburg, de la Nied, de la Sare inférieure, de Bliets, de Salm, de l'Albe, du Sundgau, de Calmont, de la Sare supérieure, de l'Ornain qu'avait possédé Bernard, de Saulieu, du Bassigny, de Salins, d'Emaüs, le Bâlois: dans l'Alsace, deux comtés: dans la Frise, deux des parties dépendantes du royaume de Lothaire. A ce partage, et pour l'amour de la paix et de la charité, nous avons ajouté la cité de Metz avec l'abbaye de Saint-Pierre et de Saint-Martin, le comté de Mœsegaw et tous les villages qui en dépendent, tant résidences de seigneurs que de vassaux, dans les Ardennes, et tout ce qui est depuis la source de la rivière de l'Ourte le long de son cours vers la Meuse en allant en droite rive vers Bidburg, selon que l'ont en commun exactement reconnu nos messagers. En sont exceptés ce qui s'étend vers l'orient à travers l'Ourte, et les abbayes de Prüm et de Stavelo avec tous les manoirs tant seigneuriaux que de vassaux.
Voici ce qu'eut Charles en partage en ce même royaume: Lyon, Besançon, Vienne, Tongres, Toul, Verdun, Cambrai, Viviers, Uzès, Montfauron, Saint-Mihiel, Colmoustiers; Sainte-Marie dans le pays de Besançon, Saint-Martin au même lieu, Saint-Claude, Saint- Marcel, Saint-Laurent, Sens, l'abbaye de Nivelle, Maubeuge, Laube, Saint-Gaugeric, Saint-Sauve, Saint-Crépin, Fosse, Maroille, Honcourt, Saint-Servat, Malines, Liers, Soignies, Antoin, Condé, Merhech, Dickelvenne, Leuse, Calmont, Sainte-Marie-de- Dinant, Eich, Ancienne, Wasler, Haut-Mont, le comté de Toxandric: dans le Brabant, quatre comtés; le Cambrésis, le Hainaut, le Loots; dans le Has-baigne, quatre comtés; le pays de la Meuse supérieure sur la rive gauche de la Meuse, le pays de la Meuse inférieure du même côté, Liège, et dans le pays de Wesel, Scharpeigne, le paysg de Verdun, le Dormois, Arlon, le pays de Vaivres; deux comtés, celui de Mouson, de Châtres et de Condrou, dans les Ardennes; le pays le long de la rivière de l'Ourte, depuis le lieu où elle a sa source, le long de son cours, jusqu'à la Meuse, et tout ce que, du côté de l'occident, elle traverse dans le Bidburg, ainsi que l'ont en commun exactement reconnu nos messagers; le pays de Toul, ou autrement de l'Ornain, qu'a possédé Tetmar; le Barrois, le Pertois, le Saumurois, le Lyonnais, le Viennois, le Vivarais, le pays d'Uzès, la troisième partie de la Frise.
Source: Site de Philippe Remacle. Annales de Saint-Bertin.
Filips IV de Schone, koning van Frankrijk, velt een uitspraak over de gerezen geschillen tussen Jan I, hertog van Brabant, en Reinoud I, graaf van Gelre, evenals over de gerezen moeilijkheden tussen dezelfde hertog van Brabant en Gwijde, graaf van Vlaanderen.
Vertaling uit het Latijn op basis van de uitgave door M.S.P. Ernst, Histoire du Limbourg, deel VI, Luik 1847, blz. 391-396.
Wij, Filips, bij de genade Gods koning der Fransen, maken aan allen - zowel tegenwoordigen als toekomstigen - bekend, dat er tussen de edellieden Jan, hertog van Brabant, en Reinoud, graaf van Gelre, een ernstige twist gerezen en een oorlog uitgebroken was omwille van het hertogdom Limburg. (...)
Ten voordele van de hertog van Brabant doet de graaf van Gelre voor altijd afstand van alle rechten die hij heeft of kan hebben op het hertogdom Limburg en zijn afhankelijkheden; eveneens van de kastelen Duisburg, Wassenberg, Herve en Sprimont en hun afhankelijkheden, wat hij door middel van patentbrieven onmiddellijk aan de aartsbisschop van Keulen moet meedelen. (...)
De hertog van Brabant wordt voor altijd vrijgesteld van iedere compensatie voor door hem of de zijnen veroorzaakte beschadigingen of geuite beledigingen ten opzichte van de graaf van Gelre en de zijnen tijdens het verloop van deze oorlog; de graaf van Gelre geeft aan de hertog van Brabant de stad Tiel terug in de staat waarin zij zich bevindt, nl. verwoest door de oorlog. (...)
De eilanden Bommelerwaard en Tielerwaard, die de hertog van Brabant de graaf van Gelre na het ontstaan van de betwisting heeft afgenomen, zal hij teruggeven maar met behoud van leenmanshulde. De hertog mag vóór Kerstmis eerstkomend het kasteel van Driele afbreken dat hij op het eiland Bommelerwaard heeft laten bouwen.(...)
De graaf van Vlaanderen zal binnen hetzelfde octaaf van Allerheiligen aan de hertog van Brabant de kastelen van Herve en Sprimont, zoals hij deze thans bezit, teruggeven en vrijmaken voor de hertog, terwijl de hertog anderzijds de graaf van Vlaanderen vóór Kerstmis eerstkomend de hele prijs betaalt waarvoor deze laatste van ridder Cono van Lontzen diens erfenis van Lontzen met afhankelijke domeinen gekocht heeft; zo niet, dan moet de hertog van Brabant toelaten dat de graaf van Vlaanderen of zij aan wie hij dit goed zal verkopen het in vrede bezitten, met behoud van de souvereine rechten van de hertog van Brabant op dit goed. (...)
Gegeven in Parijs op zaterdag vóór het feest van St.-Lucas de Evangelist, in het jaar des Heren 1289, zoals boven vermeld, in de maand oktober.
Bron: Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (dbnl), Een belangrijke oorkonde van 12 oktober 1289 door J. Molemans. Volledige Latijnse tekst en vertaling.
De Staten Generael van de geunieerde Nederlanden.
Allen dengenen die dese tegenwoordighe sullen sien ofte hooren lesen, saluyt.
Alsoo een yegelick kennelick is, dat een Prince van den lande van Godt gestelt is hooft over zijne ondersaten, om deselve te bewaren ende beschermen van alle ongelijk, overlast ende ghewelt gelijck een herder tot bewaernisse van zijne schapen: En dat d'ondersaten niet en sijn van Godt geschapen tot behoef van den Prince om hem in alles wat hy beveelt, weder het goddelick of ongoddelick, recht of onrecht is, onderdanig te wesen en als slaven te dienen: maer den Prince om d'ondersaten wille, sonder dewelcke hy egeen Prince en is, om deselve met recht ende redene te regeeren ende voor te staen ende lief te hebben als een vader zijne kinderen ende een herder zijne schapen, die zijn lijf ende leven set om deslve te bewaren. En so wanneer hy sulx niet en doet, maer in stede van zijne ondersaten te beschermen, deselve soeckt te verdrucken, t'overlasten, heure oude vryheyt, privilegien ende oude herkomen te benemen, ende heur te gebieden ende gebruycken als slaven, moet ghehouden worden niet als Prince, maer als een tyran ende voor sulx nae recht ende redene magh ten minsten van zijne ondersaten, besondere by deliberatie van de Staten van den lande, voor egheen Prince meer bekent, maer verlaeten ende een ander in zijn stede tot beschermenisse van henlieden voor overhooft sonder misbruycken ghecosen werden:
Te meer so wanneer d'ondersaten met ootmoedighe verthooninghe niet en hebben heuren voorsz. Prince konnen vermorwen, noch van zijn tirannich opset gekeeren ende also egeen ander middel en hebben om heure eighene, heure huysvrouwen, kinderen ende naecomelinghen aengeboren vryheyt (daer zy na de wet der natueren goet ende bloet schuldigh zijn voor op te setten), te bewaren ende beschermen, gelijck tot diversche reysen uut gelijcke oorsaecken in diversche landen, ende tot diversche tijden geschiet, en d'exempelen ghenoegh bekent zijn: twelck principalick in dese voorsz. landen behoort plaetse te hebben ende stadt te grijpen, die van allen tijden zijn gheregeert geweest ende hebben ook moeten geregeert worden navolgdende den eedt by heure Princen t'heuren aencome gedaen, na uutwijsen heurer privilegien, costumen ende ouden hercomen: hebbende oock meest alle de voorsz. landen haren Prince ontfangen op conditien, contrackten ende accoorden ende welcke brekende, oock nae recht den Prince van de heerschappye van den lande is vervallen.
Nu ist also, dat den Coninck van Spaengien, nae het overlijden van hooger memorie Keyser Kaerle de vijfde, van wien hy alle dese Nederlanden ontfanghen hadde, vergetende de diensten die so sijn Heer vader, als hy, van dese landen ende ondersaten derselver hadden ontfanghen, deur dewelcke besondere de Coninck van Spaengien soo loffelicke victorien teghens zijne vyanden verkregen hadde, dat zijnen naem ende macht alle de wereldt deur vernaemt ende ontsien wert: vergetende oock de vermaninge die de voorsz. Keiserlicke Majesteydt hem t'anderen tijden ter contrarien hadde ghedaen, heeft dien van den Raede van Spaengien (neffens hen wesende) die deurdien zy in dese landen en vermochten egheen bevel te hebben te gouverneren oft de principale staten te bedienen, gelijck zy in de Coninckrijcken van Napels, Sicilien, tot Milanen, in Indien ende ander plaetsen, onder des Conincks geweldt wesende, deden, kennende den meestendeel van hen den rijckdom ende macht derselver, hadden eenen nijt teghens dese voorsz. landen ende de vryheyt derselver in hen herte genomen, ghehoor ende gheloof ghegheven, denwelcken Raedt van Spaengien, oft eenighe van de principale van dien, den voorsz. Coninck tot diversche reysen voor ooghen ghehouden hebben, dat voor zijn reputatie ende Majesteyt beter was, dese voorsz. landen van nieuws te conquesteren, om daerover vryelick ende absolutelick te moghen bevelen (t'welck is tyranniseren nae zijn beliefte) dan onder alsulcken conditien ende restrictien (als hy hadde in 't overnemen van de heerschappye van deselve landen moeten zweeren) die te regeren. Welcke volgende den Coninck zedert alle middelen ghesocht heeft dese voorsz. lande te brenghen uyt heure oude vryheydt in een slavernye onder 't gouvernement van de Spaegnaerden: hebbende eerst, onder 't decxsel van de religie, willen in de principaelste ende machtighste steden stellen nieuwe bisschoppen, deselve begiftende ende doterende met toevoeginghe ende incorporatie van de rijckste abdyen, ende hen bysettende negen canonicken, die souden wesen van zijnen Raedt, waeraf de drie souden besonderen last hebben over d'inquisitie, door dewelcke incorporatie deselve bisschoppen (die souden moghen geweest hebben sowel vreemdelingen als ingheborene) souden hebben ghehadt d'eerste plaetsen ende voysen in de vergaderinge van de Staten van de voorsz. landen ende geweest zijne creaturen, staende tot zijne bevele ende devotie: ende deur de voorsz. toegevoechde canonicken de Spaensche inquisitie ingebrocht, dewelcke in dese landen altijt so schrickelick ende odieus, als de uuterste slavernye selve, gheweest is, so een yegelijck is kennelick: sodat de voorsz. Keyserlicke Majesteyt deselve t'anderen tijden den landen voorgeslagen hebbende, deur die remonstrantie die men aen Zijne Majesteyt daerteghens gedaen heeft (thonende d'affectie die hy zijne ondersaten was toedraghende) die heeft laten varen: maer niettegenstaende diversche remonstrantien, so by perticulire steden ende provincien, alsoock van eenige principale heeren van den lande, namentlic den heere van Mongtiny ende den grave van Egmondt, tot dien eynde by consente van de hertoghinne van Parma, doen ter tijt regente over deselve landen, by advijse van den Rade van State ende Generaliteyt, na Spaengien tot distincte reysen gesonden, mondelinge gedaen: ende dat ook den voorsz. Coninck van Spaengien deselve mondelinghe goede hope hadde ghegheven van, naevolgende haer versoeck, daerinne te versien, heeft ter contrarien corts daernaer by brieven scherpelick bevolen de voorsz. bisschoppen, op zijn indignatie, terstont t'onfangen ende te stellen in de possessie van heure bisdommen ende geincorporeerde abdyen, de inquisitie te werck te stellen daer se te vooren was, ende d'ordonnantie van het concilie van Trenten (die in vele poincten contrarieerden de privilegien van de voorsz. landen) t'achtervolgen. Twelck gekomen zijnde ter ooren van de ghemeynte, heeft met redenen oorsake ghegheven van een groote beroerte onder haer ende eenen aftreck van de goede affectie, die zy als goede ondersaten den voorsz. Coninck van Spaengien ende zijne voorsaten altijdt toeghedragen hadden, besonder aenmerckende dat hy niet alleenlick en sochte te tyranniseren over hunne personen ende goet, maer ooc over heure conscientien, waervan zy verstonden niemant, dan aen Godt alleene, ghehouden te wesen rekeninge te gheven oft te verantwoorden: waerdeur ende uut medelijden van de voorsz. ghemeynte, de principaelste van den adel van den lande hebben in den jare 1566 seker remonstrantie overghegheven, versoeckende dat, om de ghemeynte te stillen ende alle oproer te verhoeden, Zijne Majesteydt soude de voorsz. poincten, ende besonder nopende de rigoureuse ondersoeckinge ende straffe over de religie willen versoeten, daerinne thoonende de liefde ende affectie die hy tot zijne ondersaten, als een goedertieren Prince was draghende.
Ende om t'selfde al naerder ende met meerder authoriteyt den voorsz. Coninck van Spaegnien te kennen te gheven ende te verthoonen hoe nootelick het was voor het lants welvaren, ende om t'selfde te houden in ruste, sulcke nieuwicheden af te doen ende het rigeur van de contraventie van den placcate, op de saken van der religien gemaeckt, te versoeten, ter begeerte van de voorsz. Gouvernante, Rade van State ende van de Staten Generael van alle de landen, als ghesanten zijn nae Spaengnien gheschikt gheweest den Marckgrave van Berghen ende den voorsz. heere van Montigni in stede van dewelcke ghehoor te gheven ende te versiene op de inconvenienten die men voorghehouden hadde (die mits het uutstal van daerinne in tijts te remedieren so den noot uut heyschte, alreede onder de gemeynte meest in alle de landen begonst waren hen t'openbaren) heeft, door opruyen van den voorsz. Spaenschen Raedt, de persoonen, de voorsz. remonstrantie ghedaen hebbende, doen verclaren rebel ende schuldig van het crym van lesae Majestatis ende alsoo strafbaer in lijf ende goet: hebbende daerenboven de voorsz. heeren ghesanten namaels (meynende de voorsz. landen deur 't gheweldt van den Hertogh van Alve gheheelick gebrocht te hebben onder zijn subjectie ende tyrannye) tegens alle gemeyne rechten, oock onder de wreetste ende tyrannichste Princen altijt onverbrekelick onderhouden, doen vanghen, dooden ende heure goeden confisqueren.
Ende al wast alsoo dat meest de beroerte in dese voorsz. landen deur toedoen van de voorsz. regente ende heure adherenten in 't voorsz. jaer 1566 opghestaen, was gheslist, ende veele die de vryheyt des lants voorstonden, verjaeght, ende d'andere verdruct ende t'onder ghebrocht, soodat den Coninck egheen oorsake ter werelt meer en hadde, om de voorsz. landen met gewelt ende wapenen t'overvallen: nochtans om sulcken oorsake die den voorseyden Spaenschen Raet langhen tijdt ghesocht ende verwacht hadde (so opentlick de opgehouden ende gheintercipieerde brieven van den ambassadeur van Spaengien, Alana, in Vrankrijck wesende, aen de Herthoginne van Parma, doen ter tijt geschreven, dat uutwijsden) om te niet te mogen doen alle des landts privilegien, dat nae heuren wille by Spaengnaerden tyrannichlick te mogen gouverneren, als de Indien ende nieuwe geconquesteerde landen, heeft deur ingeven ende raedt van deselve Spaengnaerden (thoonende de cleyne affecktie die hy zijnen goeden ondersaten was toedraghende, contrarie van 't gene hy heur, als heur Prince, beschermer ende goede herder schuldigh was te doen) nae dese landen, om deselve t'overvallen, gheschickt met groote heyrcracht den Hertogh van Alva, vermaert van strafheyt ende crudelitett, een van de principale vyanden van deselve landen, verselschapt, om als Raden neffens hem te wesen, met persoonen van gelijcke natuere ende humeuren.
Ende al wast so dat hy hier in de landen sonder slach oft stoot is gecomen ende met alle reverentie ende eere is ontfanghen van de arme inghesetene, die niet en verwachten dan alle goedertierenheyt ende clementie, ghelijck den Coninck hen dickwils met zijne brieven gheveynsdelick hadde toegheseyt: jae dat hy selfs van meyninge was te comen in persoone, om in als tot ghenoeghe van eenen yeghelicken ordre te stellen: hebbende oock ten tijden van het vertreck van den Hertoghe van Alve nae dese landen een vlote van schepen in Spaegnien, om hem te voeren, ende een in Zeelant om hem tegens te comen, tot grooten excessiven coste van den lande doen toereeden, om zijne voorsz. ondersaten t'abuseren ende te beter in 't net te brengen: heeft niettemin den voorsz. Hertoghe van Alve terstont na zijn comste, wesende een vreemdelinck, ende niet van den bloede van den voorsz. Coninc, verclaert gehadt commissie van den Coninck te hebben van opperste Capiteyn, ende corts daernaer van Gouverneur Generael van den lande, teghens de privilegien ende oude hercomen desselfs. Ende openbarende ghenoegh zijn voornemen, heeft terstont de principale steden ende sloten met volcke beset, casteelen ende sterckten in de principaelste ende machtichste steden, om die te houden in subjectie, opgherecht, de principaelste heeren, onder 't decksel van heuren raet van doen te hebben ende te willen employeren in den dienst van den lande, uut last van den Coninck vriendelick ontboden: die hem gehoor ghegheven hebben, doen vanghen, tegens de previlegien uut Brabant, daer se ghevanghen waren, ghevoert, voor hem selven (niet wesende heuren competenten rechter) doen betichten, ten lesten, sonder hen volkomelick te horen, ter doot veroordeelt ende openbaerlick en schandelick doen dooden: d'andere, beter kennisse van de gheveynstheyt der Spaengaerden hebbende, hun uuten lande houdende, verclaert verbeurt te hebben lijf ende goet, voor sulcks hun goet aenveerdt ende gheconfisqueert, omdat de voorsz. arme inghesetene hun niet en souden, t'ware met hare stercten oft Princen die heure vryheyt souden moghen voorstaen, connen oft mogen teghens 't Paus geweld behelpen, behalvens noch ontallicke andere edelmans ende treffelicke borghers, die hy soo om den hals ghebrocht als verjaeght heeft, om hunne goeden te confisqueren. De reste van de goede inghesetene, boven den overlast die zy in heur wijfs, kinderen ende goeden leden, deur gemeyne Spaensche soldaten t'heuren huyse in gharnisoen ligghende, travaillerende met sovele diversche schattinghe, so mits heur bedwinghende tot gheldinghe tot de bouwinghe van de nieuwe casteelen ende forticicatie van de steden tot heure eyghen verdruckinghe, als met opbrenghen van honderste, twintighste ende thiende penninghen, tot betalinghe van den crijghslieden, so by hen medegebracht, als die hy hier te lande oplichte, om t'employeren tegens heur mede landtsaten en degene die het lants vryheyt met perijckel van heuren lijve aventuerden voor te staene, opdat, de voorsz. ondersaten verarmt wesende, egeen middel ter werelt en soude overblijven om zijn voornemen te beletten ende d'instrucktie, hem in Spaegnien gegeven, van het lant te trackteren als van nieuws geconquesteert, te beter te volbrenghen. Tot welcken eynde hy oock begonst heeft in de principale plaetsen d'ordre van justitie nae de maniere van Spaegnien (dierecktelick teghens de previlegien van den lande) te veranderen, nieuwe Raden te stellen ende ten lesten wesende buyten alle vreese, soo hem dochte, eenen thienden penninck fortselick willen oprechten op de coopmanschappen ende handtwercken, tot gantsche verderfenisse van den lande, gheheelick op de voorsz. coopmanschap ende handtwerck staende, nietthegenstaende menichvuldighe remonstrantien, by elck landt in 't particulier, ende oock by allegader in 't generael hem ter contrarien ghedaen: hetwelck hy oock met ghewelt soude volbracht hebben, ten ware gheweest dat deur toedoen van mijnen heere den Prince van Orangien ende diversche edelmans ende andere goede ingheborene, by den voorsz. Hertogh van Alve uuten lande gebannen, Zijne Vorst[elijke] G[enade] volgende ende meest in haren dienst wesende, ende andere inghesetene, wel gheaffectioneerde tot de vryheyt van het voorsz. vaderlant, Hollant ende Zeelandt corts daernaer niet meest en hadde hem afghevallen ende hun begeven onder de bescherminghe van den voorsz. heere Prince, tegens dewelcke twee landen den voorsz. Hertoge van Alve duerende zijn gouvernement, ende daernaer den groten Commandeur (die naer den voorsz. Hertogh van Alve, niet om te verbeteren, maer om denselven voet van tyrannie by bedeckter middelen te vervolghen, den voorsz. Coninck van Spaegnien hier te lande gheschickt hadde) hebben d'andere landen, die zy met heure garnisoenen ende opgerechte casteelen hielden in de Spaensche subjectie, bedwongen om heure persoonen ende alle heure macht te ghebruycken om die te helpen t'onderbrenghen, dies niet meer deselve landen, die zy tot heure assistentie als vooren emploeyeerde, verschoonende, dan oft se heur selfs vyanden waren gheweest: latende de Spaengnaerden, onder 't decksel van ghemutineert te zijne, ten aensien van den grooten Commandeur in de stadt van Antwerpen gheweldichlick comen, daer ses weken lanck, tot laste van de burgheren, nae hunne discretie teeren ende daerenboven tot betalinghe van heure gheheyschte soldije, dieselve borgheren bedwinghende binnen middelen tijden (omme van het gheweldt van deselve Spaegnaerden ontslaghen te wesen) vier hondert duysent guldenen op te brengen, hebbende daernaer de voorsz. Spaensche soldaten, meerder stouticheydt ghebruyckende, hen vervoordert de wapenen openbaerlick teghens het landt aen te nemen, meynende eerst de stadt van Bruessele inne te nemen ende in stede van d'ordinarise residentie van den Prince van den lande, daer wesende, aldaer haren roofnest te houden, t'welk haer niet gheluckende, hebben de stadt van Aelst overweldigtt, daernaer de stadt van Maestricht ende de voorsz. stadt van Antwerpen gheweldichlick overvallen, ghesaccageert, gepilleert, ghemoort, gebrant en soo getrackteert, dat de tyrannichste ende crueelste vyanden van den lande niet meer oft arger en souden connen doen, tot onuutsprekelicke schade niet alleenlick van de arme ingesetene, maer oock van meest allen de natien van der werelt, die aldaer hadden haer coopmanschap ende ghelt. Ende niettegenstaende dat de voorsz. Spaegnaerden by den Rade van State (by denwelcken doen ter tijt mits de doot van den voorsz. grooten Commandeur te voren geschiet, het gouvernement van den lande was uut laste ende commissie van den voorsz. Coninc van Spaegnien aenveert) ten byzijne van Hieronomo de Rhoda, om heur overlast, fortse ende gewelt, 'twelck zy deden, verclaert ende ghecondicht waren voor vyanden van den lande, heeft denselven Rhoda uut zijne authoriteydt (oft, soo 't te presumeren is, uut krachte van seker secrete instrucktie die hy van Spaegnien hebben mochte) aenghenomen hooft te wesen van de voorsz. Spaegnaerden ende heure adherenten: ende (sonder aensien van den voorsz. Raet van Staten) te gebruycken den naem ende authoriteyt van den Coninck, te conterfeyten zijnen zegel, hem openbaerlick te dragen als gouverneur ende lieutenant van den Coninck, waerdeur de Staten zijn geoorsaeckt geweest ten selven tijde met mijnen voorsz. heere den Prince ende de Staten van Hollant ende Zeelant t'accorderen:
welck accoort by den voorsz. Raede van State, als wettige gouverneurs van den lande, is gheapprobeert ende goetgevonden geweest, om gelijkerhant ende eendrachtelick de Spangnaerden, des ghemeynen landts vyanden, te moghen aenvechten ende uut den lande verdrijven, niet latende nochtans, als goede ondersaten, binnen middelen tijden by diversche ootmoedighe remonstrantien neffens den voorsz. Coninck van Spaegnien, met alder vlijt ende alle bequame middelen moghelick wesende, te vervolghen ende bidden, dat den Coninck ooge ende regardt nemende op de troublen ende inconvenienten, dier alrede in dese landen gheschiedt waren ende noch apparentelick stonden te gheschieden, soude willen de Spaegnaerden doen vertrecken uuten lande ende straffen degene die oorsake geweest hadden van het saccagheren ende bederven van zijne principale steden ende andere onuutsprekelicke overlasten die zijn arme ondersaten geleden hadden, tot een vertroostinge van degene dien t'overkomen was ende tot een exempel van andere:
maer den Coninck, al was 't, dat hy met woorden hem gheliet of teghens zijnen danke en wille t'selfde gheschiet was ende dat hy van meyninghe was te straffen de hoofden daeraf ende voortane op de ruste van den lande met alle goedertierenheydt (als een Prince toebehoordt) te willen ordre stellen, heeft nochtans niet alleenlick egheen justitie oft straffe over deselve doen doen, maer ter contrarien ghenoegh met der daet blijckende, dat met zijnen consente ende voorgaenden Raede van Spaegnien al gheschiedt was, is by opghehouden brieven corts daernaer bevonden, dat aen Rhoda ende andre capiteynen (oorsake van 't voorsz. quaet) by den Coninck selve gheschreven wort, dat hy niet alleenlick heur feyt goet vont, maer heur daeraf prees ende beloefde te recompenseeren, besondere den voorsz. Rhoda, als hem gedaen hebbende eenen sonderlinghen dienst, ghelijck hy hem oock tot zijnder wedercoomste in Spagnien ende alle andere (zijne dienaers van de voorsz. tyrannie in des landen gheweest hebbende) metter daet heeft bewesen. Heeft oock ten selven tijde (meynende des te meer d'oogen van de ondersaten te verblinden) den Coninck in dese landen gesonden voor gouverneur zijnen bastaerdtbroeder Don Johan van Oistenrijck, als wesende van zijnen bloede, diewelcke onder 't decksel van goet te vinden ende t'approberen d'accord tot Gent gemackt, het toeseggen van de Staten voor te staene, de Spaengaerden te doen vertrecken ende d'auteurs van de ghewelden ende desordren in dese voorsz. landen gheschiedt te doen straffen ende ordre op de ghemeyne ruste van den lande ende heur oude vryheyd te stellen, sochte de voorsz. Staten te scheyden ende d'een landt voor, d'ander naer t'onder te brenghen, soo corts daernaer door de ghehenghenisse Gods (vyand van alle tyrannie) ondeckt is door opghehouden en gheintercipieerde brieven, daerby bleeck dat hy van den Coninck last hadde om hem te reguleren na de instructie ende het bescheet dat hem Roda soude gheven, tot meerder gheveynsthedt verbiedende, dat se malcanderen niet en souden sien oft spreken ende dat hy hem soude neffens de principaele heeren minlick draghen ende deselve winnen, totter tijt toe dat hy deur heure middel ende assistentie soude mogen Hollant ende Zeelandt in zijn gewelt crijgen, om dan voorts metten anderen te doen na zijnen wille. Gelijc oock Don Johan, niettegenstaende hy de pacificatie van Gent ende seker accoord, tussen hem ende de Staten van alle de landen doen gemaeckt, hadde solempnelick in presentie van alle de voorsz. Staten belooft ende gesworen t'onderhouden, contrarie van dien alle middelen sochte om de Duytsche soldaten, die doen ter tijdt alle de principaelste stercten ende steden hadden in bewaernissen, deur middel van hunne colonellen, die hy hadde tot zijnen wille ende devotie, met groote beloften te winnen ende so deselve stercten ende steden te krijghen in zijn gheweldt, ghelijck hy den meestendeel alreede ghewonnen hadde ende de plaetsen hiel voor hem toeghedaen, om deur dien middel deghene die hen t'soecken souden willen maken, om den voorsz. heer Prince ende die van Hollandt ende Zeelandt oorloge te helpen aendoen, feytelick daertoe te bedwinghen ende also een straffer ende crueelder inlandtsche oorloge te verwecken, dan oyt te vooren hadde geweest, twelk (gelijck 't ghene dat geveynsdelick ende teghens de meyninge uutwendichlick gehandelt wort, niet langhe en can bedeckt blijven) uutbrekende eer hy volcomelick zijne intentie geeffectueert hadde, heeft t'selve nae zijn voornemen niet connen volbrengen, maer nochtans een nieuwe oorloghe in stede van vrede (daer hy hem t'zijner koemste af vanteerde) verweckt, noch jeghenwoordelick duerende.
Alle t'welck ons meer dan ghenoegh wettighe oorsake ghegeven heeft om den Coninck van Spaegnien te verlaten ende een ander machtigh ende goedertieren Prince, om de voorsz. landen te helpen beschermen en voor te staen, te versoecken, te meer dat in alsulcken desordre ende overlast de landen bat dan twintigh jaren van heuren Coning zijn verlaten geweest ende ghetrackteert niet als ondersaten, maer als vyanden, heur soeckende heur eyghen heer met cracht van wapenen t'onder te brengen, hebbende oock naer de aflijvicheydt van Don Johan deur den Baron van Selle, onder 't decksel van eenighe bequame middelen van accoorde voor te houdene, ghenoegh verclaert de Pacificatie van Gendt, die Don Johan uut zijnen naem besworen hadde, niet te willen advoyeren en alsoo daghelicks zwaerder conditien voorgheslaghen. Dien niettegenstaende hebben niet willen laten by schriftelijcke ende ootmoedighe remonstrantien, met intercessie van de principaelste Princen van Kerstenrijck sonder ophouden te versoecken met den voorsz. Coninck te reconcilieren ende accorderen, hebbende oock lestmael langhe tijdt onse Ghesanten ghehadt tot Colen, hopende aldaer, deur tusschenspreken van de Keyserlicke Majesteydt en de Keurvorsten die daer mede ghemoeyt waren, te verkrijghen eenen versekerden peys, met eenighe gracelicke vryheyt, besondere van der religie (de conscientie ende Godt principalic raeckende), maer hebben by experientie bevonden, dat wy met deselve remonstrantien ende handelinghen niet en consten yet van den Coninc verwerven, maer dat deselve handelingen ende communicatien alleenlick voorgheslaghen werden ende dienden om de landen onderlinghe twistich te maecken ende te doen scheyden d'een van den anderen, om des te gevoechelicker d'een voor ende d'ander naer t'onder brenghen ende heur eerste voornemen nu met alder rigeur teghens haer te werke te stellen: t'welck naederhant wel openbaerlick gebleken is by seker placcaet van proscriptien, by den Coninck laten uutgaen, by denwelcken wy ende alle de officiren ende ingesetene van de voorsz. geunieerde landen ende heure partye volgende (om ons tot meerder desperatie te brenghen, alomme odieus te makene, de trafficque ende handelinge te beletten) verclaert worden voor rebellen, en als sulcx verbeurt te hebben lijf ende goet, settende daerenboven op het lijf van den voorsz. heere Prince groote sommen van penninghen, soodat wy gantselick van alle middele van reconciliatie wanhopende ende oock van alle andere remedie ende secours verlaten wesende, hebben, volghende de wet der natueren, tot beschermenisse ende bewaernisse van onsen ende den andere landtsaten rechten, privilegien, oude hercomen ende vryheden van ons vaderlant, van het leven ende eere van onse huysvrouwen, kinderen ende nacomelingen, opdat se niet en souden vallen in de slavernye van de Spaegnaerden, verlatende met rechte den Coninc van Spaegnien, andere middelen bedwongen geweest voor te wenden, die wy tot onse meeste versekeringe ende bewaernisse van onse rechten, privilegien ende vryheden voorsz. hebben te rade gevonden.
Doen te wetene, dat wy t'gene voorsz. overgemerckt ende door den uutersten noot, als voore gedrongen zijnde, by gemeynen accoorde, deliberatie ende overdrage, den Coninc van Spaegnien verclaert hebben ende verclaren mits desen, ipso jure, vervallen van zijne heerschapye, gerechticheyt ende erffenisse van de voorsz. landen ende voortaene van egeene meyninghe te zijne denselven te kennen in eenige saken, den Prince, zijne hoocheyt, jurisdictie ende domeynen van dese voorsz. landen raeckende, zijnen naem als overheer meer te gebruycken oft by yemanden toelaten gebruyckt te worden, verclarende oock dien volghende alle officiers, justiciers, smale heeren, vassalen ende alle andere ingesetene van den voorsz. lande, van wat conditie oft qualiteyt die zijn, voortane ontslagen van den eede die zy den Coninck van Spaegnien, als heere van dese voorsz. landen gheweest hebbende, moghen eenichsins ghedaen hebben oft in hem ghehouden wesen.
Ende gemerckt uut oorsaken voorsz. den meestendeel van de geunieerde landen, by gemeynen accoorde ende consente van heure leden, hebben hun begheven ghehadt onder de heerschappye ende gouvernemente van den Doorluchtighen Prince den Hertogh van Anjou op seker conditien ende poincten, met Zijne Hoogheyt aenghegaen ende ghesloten, dat oock de Doorluchticheyt van den Eertzhertogh Matthias het gouvernement generael van den lande in onse handen heeft geresigneert ende by ons is geaccepteert gheweest, ordonneren ende bevelen allen justiciers, officiers ende andere die t'selfde eenichsins aengaen ende raken mag, dat zy voortaene den naem, titele, groote ende cleyne zeghelen, contre-zeghelen ende cachetten van den Coninck van Spaegnien verlaten ende niet meer en gebruycken en dat in plaetse van dien, soo langhe de Hoocheydt van den voorsz. Hertogh van Anjou, om noodelicke affairen, het welvaren van dese voorsz. landen rakende, noch van hier absent is (voor so vele den landen met de Hoogheyt van den voorsz. Hertogh van Anjou gecontrackteert hebbende aengaet) ende andersins d'andere by maniere van voorraet ende provisie sullen aennemen ende ghebruycken den tytele ende naem van 't hooft ende landtraet, en middelertijdt dat t'selve hooft ende Raeden volcomelik ende dadelick ghenoemt, beschreven ende in oeffeninghe van hennen staet ghetreden sullen zijn, onsen voorsz. name.
Welverstaende dat men in Hollandt ende Zeelant sal ghebruycken den naem van hoogh geboren Vorst den Prince van Oraengien ende de Staeten van deselven landen, totter tijt toe den voorsz. landtraedt datelick sal inghestelt wesen, en sullen hun alsdan reguleren achtervolghende de consenten, by hun-lieden, op de instrucktie van den lantraet ende contrackt, met Zijne Hoogheyt aengegaen, ende in plaetse van des voorsz. Conincks zeghelen, men voortaene gebruycken sal onsen grooten zeghel, contre-zeghel ende cachetten in saecken, raeckende de ghemeyne regeringhe, daertoe den landtraedt volghende heure instructie sal gheauthoriseert wesen: maer in saecken, raeckende politie, administratie van juistitie ende andere particuliere, in elck lant besondere, sal gebruyckt worden by de Provinciale ende andere Raden den naem ende titele ende zeghel van den lande respectivelick, daer t'selfde valt te doene, sonder ander, al op de pene van nulliteyt van de brieven, bescheeden oft depeschen, die contrarie van t'gene voorsz. is, ghedaen oft gheseghelt zullen wesen. Ende tot beter ende sekerder volcominghe ende effectuatie van t'gene voorsz. is, hebben gheordonneert ende bevolen, ordonneren ende bevelen mits desen, dat alle des Conincks van Spaegnien zeghelen, in dese voorsz. geunieerde landen wesende, terstont nae de publicatie van desen, ghebrocht sullen moeten worden in handen van de Staten van elcke van de voorsz. landen respecktivelick oft denghenen, die daertoe by deselve Staten specialick sullen wesen ghecommitteert ende geauthoriseert, op pene van arbitrale correcktie. Ordoneren ende bevelen daerenboven, dat voortaene in egeenderhande munte van de voorsz. gheunieerde landen sal gheslaghen worden den naem, titele ofte wapenen van den voorsz. Coninck van Spaegnien, maer alsulcken slagh ende forme als gheordonneert sal worden tot eenen nieuwen gouden ende silveren penninck met zijne ghedeelten. Ordoneren ende bevelen insghelijcks den president ende andere heeren van den Secreeten Raede, mitsgaders alle andere cantselers, presidenten ende heeren van den Raeden provinciael ende alle die presidenten oft eerste rekenmeesters ende andere van allen de rekenkameren, in de voorsz. landen respecktive wesende, ende alle andere officiers ende justiciers, dat zy (als heur voortaene ontslagen houdende van den eedt, die zy den Coninc van Spaegnien hebben respectivelic naer luyt heurer commissien gedaen) schuldich ende gehouden sullen wesen in handen van den Staten 's lants, daeronder zy respective resorteren, oft heur speciale gecommitteerde te doen eenen nieuwen eedt, daermede zy ons sweeren ghetrouwicheydt teghens den Coninck van Spaegnien ende allen zijne aenhanghers, al naervolghende het formulair, daerop by de Generale Staten gheraempt.
Ende sal men de voorsz. raeden, justiciers ende officiers, geseten onder de landen (met de Hoocheydt van den Hertogh van Anjou ghecontrackteerdt hebbende, van onsent wegen) gheven ackte van continuatie in hunne offitien, ende dat by maniere van provisie, totter aencompste toe van zijne voorsz. Hoogheyt, in plaetse van nieuwe commissien, inhoudende cassatie van heure voorgaende, ende voorsz. raeden, justiciers ende officiers, gheseten in den landen, met zijne voorseyde Hoogheyt niet ghecontrackteert hebbende, nieuwe commissien onder onsen naem ende zeghel, ten ware nochtans dat d'impetranten van heure voorsz. eerste commissien wedersproken ende achterhaelt werden van contraventie der previlegien des landts, onbehoorlickheyt oft ander diergelijcke saecken.
Ontbieden voorts den president ende luyden van den Secreten Raede, cancelier van den Hertoghdomme van Brabandt, mitsgaders den cantseler van den Furstendomme Gelre ende Graeffschap Zutphen, (president ende luyden van den Raede in Vlaenderen), president ende luyden van den Raede in Hollant, rentmeesteren oft de hooghe officieren van Beoist- ende Bewesterschelt van Zeelant, president ende Raede in Vrieslant, den schoutet van Mechelen, president ende luyden van den Raede van Utrecht ende allen anderen iusticieren ende officieren wien dat aengaen mach, heuren stedehouderen ende eenen yeghelicken van henlieden besondere, soo hem toebehooren sal, dat zy dese onse ordonnantie condighen ende uutroepen over alle den bedrijve van heure jurisdictie ende daer men is gewoonlick publicatie ende uutroepinge te doene, sodat niemant des cause van ignorantie pretenderen en mach, ende deselve ordonnantie doen onderhouden ende achtervolghen onverbrekelick ende sonder infracktie, daertoe rigoreuselick bedwinghende die overtreders in der manieren voorsz. sonder verdrach oft dissimulatie: want wy tot welvaren van den lande also hebben bevonden te behooren. Ende van des te doene ende wes daeraen cleeft, gheven wy u ende elcken van u die 't aengaen mach, volcomen macht, authoriteydt ende sonderlingh bevel.
Des t'oorconde hebben wy onsen zegel hieraen doen hanghen.
Ghegheven in onse vergaderinghe in 's Gravenhaghe, den sessentwintichsten Julij MDLXXXI.
Op de plijcke stont gheschreven: Ter ordonnantie van de voornoemde Staten.
Ende ghetekent, J. van Asseliers.
Tractaet van vrede, beslooten den dertichsten Ianuarij deses jegenwoordighen Iaers sesthien hondert en acht en veertich binnen de stadt Munster in Westphalen, tussen den Doorluchtichsten en Grootmachtigen Prince Phillips de vierde van dien naem, Coninck van Hispanien, &c. ter eenre, ende de Hoogh Moogende Heeren Staten Generael vande Geunieerde Nederlanden, ter andere zijde.
Artikel 3.
Een ijgelick sal behouden en datelich gebruijcken de Landschappen, Steden, plaetsen, Landen ende Heerlicheden, die hij tegenwoordich hout en besith, sonder daerin getroubleert oft geleth te worden, directelick noch indirectelick, in wat manieren dat het zij, daer onder men verstaet te begrijpen de Vlecken, Dorpen, Gehuchten, en platte Landen, die daer van dependeren; Ende sullen dien volgens de geheele Meijerie van
's Hertogenbosch, als mede alle de Heerlicheden, Steden, Castelen, Vlecken, Dorpen, Gehuchten, en platte Landen, dependerende vande voors. Stadt ende Meijerie van 's Hertogenbosch, Stadt en Marquisaet van Bergen op Zoom, Stadt ende Baroninie van Breda, Stad van Maestricht, 't ressort vandien, als oock het Graeffschap vanden Vroonhoff, de Stadt Grave en Land vanCuijck, Hulst, Baillage van Hulst en Hulster Ambacht, als oock Axele Ambacht, gelegen besuyden ende benoorden de Geule, mitgaders de Forten die de gemelte Heeren Staten jegenwoordich inhebben int Land van Waes, ende alle andere Steden en plaetsen dewelcke de gedachte Heeren Staten houden in Brabant, Vlaenderen en elders, blijven aende voors. Heeren Staten in alle ende deselve rechten en delen van Souverainiteit en superioriteit niet uijtgesondert, en even gelijck als zij sijn houdende de Provincien vande Vereenichde Nederlanden. Welverstaende dat alle de reste van't Land van Waes, uijtgenomen de voors. Forten, sal blijven aenden Coninck van Spagnien. Wat aengaet de drie Quartieren van Over Maze, te weten Valckenburch, Dalem en 's Hertogen Rade, deselve sullen blijven inden Staet in dewelcke die sich jegenwoordich vinden; Ende in cas can dispute en controversie, sal deselve gerenvoijeert worden aende Chambre mi partie, daer van hier na wort gesproocken, omme aldaer te worden gedecideert.
Artikel 21.
Daer sullen ten wederzijden eenige rechters in gelijck getal worden gecommitteert bij forme van Chambre mi partie, die hunne residentie sullen houden inde Nederlanden, en op alsulcke plaetsen als gehoren sal, ende sulcx bij beurten,dan onder het gebied van d'eene dan van d'andere, na dat sulcx bij onderlinge bewilliginge sal goet gevonden worden, welcke wederzijts gestelde Rechters, volgens de Commissie en Instructie hun te geven, en op dewelcke sij sullen Eedt doen, volgens seecker formunier daer toe ten wederzijden te arrestereren, sullen opsicht nemen over de handelinge der Ingesetenen der voors. Nederlanden, en de lasten en jmpolitien die ter eenre en ter andere zijde geheven sullen worden opde Coopmanschappen; Ende indien de voornoemde Rechters comen te bevinden dat daerin te eenre, ofte ter andere, ofte wel ten beijden zijden ecxes werde begaen, sullen 't selve ecxes reguleren en modereren. Voorts sullen de voors. Rechters examineren de questien over de non executie van het Tractaet als oock de contraventien vandien, die in tijden ende wijlen souden mogen comen te rijsen, soo inde Landen van Herwaerts over, als oock inde verre affgelegen Coninckrijcken, Landen, Provincien en Eijlanden in Europa, en daerop samnarie en de plans disponeren ende uijtspreecken 't geene zij in conformiteit van het Tractaet bevinden sullen te behooren; Ende sullen de Sentencien en dispositie vande voors. Rechters ter executie worden gestelt, door de ordinaris Justitie ter plaetse alwaer de con-traventie is geschiet, ofte wel jegens de persoonen vande contra-venteurs, nae dat sulcx naer gelegenthuijt sal worden gerequireert; Ende en sal de voornoemde ordinaris Justitie in geen gebreecke mogen blijven de vornoemde executie te doen, off te laten geschieden, en de contraventie te repareren binnen den tijt van ses maenden, naer dat de voors. ordinaris Justitie daer toe sal wesen versocht. (...)
Bron: Wikisource, Vrede van Münster
Charles, par la divine clémence Empereur de Romains toujours auguste, Roy de Germanie, de Castille, de Léon, de Grenade, d'Aragon etc.
Sçavoir faisons à tous présents et advenir, que comme nous ayons tousjours soigneusement et curieusement veillé à tout ce que a concerné le bien, repos et tranquillité de nos Pays de pardeçà, et pourveu non seulement à ce que nous sembloit nécessaire pour le présent, mais aussi aux choses à l'advenir, afin que nosdits Pays fussent tant mieux régis, gouvernez et conservez en leur entier, et estant nostre intention de tousjours faire le mesme envers iceux avec touts convenables moyens qui se pourront offrir, nous avons considéré qu'il importoit grandement à nosdits Pays pour l'entière seureté et establissement d'iceux, que pour l'advenir ils demeurassent tousjours soubs un mesme Prince, pour les tenir en une masse, bien connoissant que, venans à tomber en diverses mains par droict de succession héréditaire, ce seroit l'évidante éversion et ruine d'iceux, d'autant qu'ils se trouveroient démembréz et séparéz les uns des autres, et par conséquent leurs forces effoiblies et diminuées, dont leurs voisins pourroint estre tant plus animez de les molester, à quoy seroit obvyé, moyennant que nosdits Pays fussent tousjours possedez par un seul Prince et tenus en une masse, ce que pour les respects susdits et plusieurs autres avons trouvé grandement convenir au bien de touts Pays, l'ayant ainsi fait prosperer aux Estats d'iceux et jointement leur déclarer que pour introduire ce que dessus il seroit requis de rendre uniformes les coustumes, parlans et disposans diversement du droit et (l. de) représentation, laquelle comme entendons n'auroit lieu en aucuns de nosdits Pays, si comme Flandres, Artois, Haynau et aucuns autres, et statuer pour loy et décret irrévocable, que dores-en-avant représentation auroit lieu en touts nosdits Pays, en ce que attouche la succession du Prince, requérant ausdits Estats de le vouloir consentir, à quoy iceux Estats après plusieurs assemblées et convocations sur ce tenues, chacun en son endroit, se sont unanimement et volontairement condescendus, mesmes ont fait instance devers nous, que voulussions introduire ladite loy pragmatique, sans par ce attoucher à ce que concerne la succession des particuliers subjects de pardeçà, et demeurans quant à iceux les coustumes des Pays chacun en droit soy en leur entier, pour ce est-il, que, les choses dessus dites considerées, désirant sur toutes choses pourveoir et donner ordre si avant qu'en nous est, au bien, repos et tranquillité de nosdits Pays de pardeçà et conserver iceux en une masse et qu'ils soyent inséparablement possessez par un seul prince pour les causes avant dittes, l'ayant premier fait consulter aux principaux consaulx de nosdits Pays de pardeça lesquels ont trouvé ladite pragmatique non seulement raisonnable, mais aussi utile et très-nécessaire à la Republicque de nosdits Pays, nous à grande et meure délibération, par l'advis de nostre tres-chère et très-sauvée seur, la Reyne Douagière de Hongrie, de Bohême etc. pour nous Régente et Gouvernante en nosdits Pays de pardeça, des Princes de nostre sang, chevaliers de nostre ordre, chefs, présidens et gens de nos consaulx d'estat, privé et des finances, et avons, du consentement et à la requisition desdits Estats de nosdits Pays de pardeça, de nostre certaine science, authorité et puissance absolute que nos compète ou compéter peut, tant en qualité d'empereur qu'autrement, comme estant respectivement souverain Prince et seigneur desdits Pays, ordonné, statué et décreté, ordonnons, statuons et décretons pour loy perpétuelle et irrévocable par ces présentes, que dores-en-avant en tous nosdits Pays patrimoniaux et héréditaires d'embas et de Bourgoigne, représentation en matière de succession soit de masles ou femelles, estans selon les anciennes coustumes, droit et privilèges de nosdits Pays bas, capables à succeder, ait et aura lieu en ce que touche la succession du Prince ou Princesse d'iceux Pays, tant en ligne directe que transversalle et jusques au nombre infiny, nonobstant toutes coustumes d'aucuns de nos pays à ce contraires, disposans que représentation ne doit avoir lieu: ausquelles pour les causes et considérations susdites, avons de nostre dite authorité et plénière puissance dérogué, déroguons par cesdites présentes, en ce que pourra cy après toucher la succesion du prince desdits pays.
Veuillant néanmoins que les coustumes parlant dudit droit de représentation ayent lieu et demeurent en leur force et vigeur au regard de nos vassaux et subjects particuliers d'iceux pays, et qu'elles soyent entretenues et observées comme du passé, si donnons en mandement ausdits de nos consaux d'estat et privé, président et gens de nostre grand conseil, chancellier et gens de nostre conseil de Brabant, gouverneur, président et gens de nostre conseil à Luxembourg, gouverneur, chancellier et gens de nostre conseil en Gueldres, gouverneur de Limbourg, Faulquemont, Daelhem et d'autres nos pays d'Outremeuse, gouverneur, présidents et gens de nos consaulx en Flandres et Arthois, président et gens tenant nostre court de parlement à Dole, grand baillay de Haynau et gens de nostre conseil à Mons en Haynau, gouverneur et gens de nostre conseil en Hollande, gouverneur, président et gens de nostre conseil en Namur, gouverneur, président et gens de nostre conseil en Frize, gouverneur d'Overyssel et Groeninghe, gouverneur, président et gens de nostre conseil à Uytrecht, gouverneur de Lille, Douay et Orchies, présidents et gens de nos chambres des comptes à Lille, à Bruxelles, à la Haye, prévost le comte à Valenciennes, rentmestres de Bewest et Beoisterschelt en Zelande, escouteth de Malines et à tous autres nos justiciers, serviteurs, vassaux et subjects présens et advenir et chacun d'eux en son regard, que cette nostre présente ordonnance, statut, décret et pragmatique, ils entretiennent et observent et fassent entretenir et observer inviolablement et à tousjours pour loy perpétuelle et irrévocable, en procédant par ceux de nos cours souverains de pardeça et desdits de nos comtes à Lille, à Bruxelles et la Haye, à l'interienement de sesdites présentes et les faisant enregistrer pour l'entier accomplissement d'icelles au temps advenir.
Car ainsi nous plaist-il et voulons estre fait.
Et afin que ce soit chose ferme et stable à tousjours, nous avons signé sesdites présentes de nostre nom, et à icelles fait mettre noste seel. Donné en nostre ville de Bruxelles au mois de Novembre l'an de grace 1549, de nostre Empire le 30 et de nos Règnes de Castille et autres le 34.
Signé Charles.
Traité d’accord définitif entre S. M. Impériale & Royale Apostolique & L. H. P. les Seigneurs États-Généraux des Provinces-Unies; Signé à Fontainebleau le 8. Nov. 1785.
Art. XVIII.
Leurs Hautes-Puissances cédent à S. M. Imp. le Ban d’Aulne, situé dans le Pays de Dahlem & ses Dépendances, la Seigneurie ou Chef-Ban de Blegny-le-Trembleur avec Saint-André, le Ban & Seigneurie de Teneur, le Ban & Seigneurie de Bombaye, la Ville & le Château de Dahlem avec les Appartenances & Dépendances, excepté Oost & Cadier.
Art. XIX.
En échange des Cessions mentionnées dans l’Article XVIII, Sa Maj. Imp. cède à L. H. P. les Seigneuries de Vieux-Fauquemont, Schin sur la Geule, Strucht, avec leurs Appartenances & Dépendances, la Seigneurie de Schaesberg avec ses Dépendances, l’Enclave du Fauquemont-Autrichien dans la quelle est situé le Couvent de St. Gerlach, qui sera transféré ailleurs sous la domination de Sa Maj. Imp. & les Villages d’Obbicht & papenhoven avec leurs Dépendances, situés dans la Gueldre-Autrichienne. Sa Maj. renonce au surplus à ses prétentions sur la partie du Village de Schimmert nommé les Bies, avec la partie de ce District, qui a toujours fourni & qui fornit encore son Contingent dans les Pétitions de L. H. Puissances, y compris les 40. Bonniers de terre environ, réclamés par ceux du Village de Nuth. Sa Maj. Imp. renonce de même à ses prétentions sur les parties de Bruyères & de Terres, réclamées du côté de Heerlen, par ceux d’Ubach, de Brontsen, & de Simpelvelt, sous la réserve néanmoins, que les Sujets de Sa Maj. Imp. auront la communication libre & affranchie de tous les Droits de Péage, Barrières ou autres quelconques, par la partie du grand-chemin, qui passe le long des Limites du Ban de Kerkenraadt comme également les Sujets de L. H. P. conserveront lan communication libre & affranchie par le reste du Chemin jusq’au Pays de Ter-Heyde.
Art. XX.
Les Etats-Généraux s’étant prêtés au défir, que S. M. Imp. leur a té,oigné d’avoir les Forts de Lillo & de Liefkenshoeck dans l’état où ils de trouvent, Sa Maj. Impériale, voulant leur donner une preuve réciproques de son amitié, leur cède & abandonne tous les Droits, qu’Elle a pu former sur les Villages dits de Rédemption, excepté Falais, Argenteau & Hermal; L. H. P. se dessistant de leur côté de tous Droits & prétentions sur ces trois Villages, & s’engageant à n’y lever aucun Impôts en Deniers de Rédemption; de même que S. M. Imp. s’engage réciproquement à n’en lever aucuns sur les autres Villages de Rédemption, ainsi que sur les bans de St. servais, cédés aux Etats-Généraux.
Art. XXI
Il sera libre aux Sujets respectifs de se retirer des Pays, qui viennent d’être cédés réciproquement; & ceux, qui y resteront jouiront du libre exercice de leur Religion; Les
deux Puissances pourvoiront, respectivement à la compétence & à l’entretien des Desservans de leurs Eglises.
Art. XXII
Leurs Hautes-Puissances cèdebt & abandonnent à Sa Majesté Impériale tous leurs Droits sur le Village de Berneau, situé au Pays de Dahlem, & qui étoient restés indivis par le Partage du Pays d’Outremeuse, de l’an 1661.
Art. XXIII.
Sa Maj. Imp. cède & abandonne en retour à L. P. H. tous les Droits sur le Village d’Elsloe, situé au Pays de Fauquemont, & qui étoient également restés indivis par le même Partage.
(...)
Fait à Fontainebleau le 8. Novembre 1785.
Alsoo t'zedert den gemaeckten vreede tusschen den Heer Coninck van Hispanien ter eenre ende de Heeren Staten Generael der Vereenichde Nederlanden ter anderen zijde verscheijden differenten ende verschillen zijn geresen ende ontstaen nopende de souverainiteijt ende het absolut gesach over de landen van Valckenburch, Dalem ende s'Hertogenrade, Overmaze, (...)
Ende daerop de partagie selve van de voorschreve drie landen par Ie menu zijnde ter handt genomen ende daerover oock, soo op de manier ende forme als op de ingredienten ende parthijen selve, verscheijden voorslagen ende conventien zijnde voorgegaen, meenichvuldige conferentien gehouden, staten van de balancen ende contrabalancen hinc inde geextradeert, ende daernae noch weder getreden tot een minnelicke ende amicabele conferentie, wij ambassadeur ende commissarissen voornoemt, eijndelick oock op de verdeelinge van de voors. drie landen par Ie menu ende stuck voor stuck onderlinge zijn geaccordeert ende verdragen, in manieren hiernae volgende.
Namentlick dat hoochstgemelten Heer Coninck in vollen vrijen eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sa! hebben, houden ende besitten, eeuwichlick ende erffelick, voor hem en zijne nacomelingen, uijt den voors. lande van Valckenburch de heerlijcheden ende dorpen van Nutt, Alt Valckenburch, Strucht, Schin op de Geul, het huijs Oost op de Geul, Wijnantsrade, Geleen, Schinnen, Spaubeecq, Oorsbeeck, Jabeeck, Bronssem, Schinvelt, Hoensbroeck, Vaesrade ende Schaesberch; voorbehoudens dat den ordinarisen wegh van Heerle, lopende midden door de jurisdictie ende over het territoir van de voorschreve heerlijcheijt van Schaesberch, geextendeert ter breedte van een roede landts van wederzijden buijten den voors. wegh (soo ende daer denselven jegenwoordich loopt), sonder eenige reserve ende buijten alle bedenckelicke bekommeringen, servituten ofte belastingen, met een volcomen recht van eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sa! blijven aen meer hoochgemelte Heeren Staten Generael, met dien verstande nochtans, dat den grondt van de voors. twee roeden wederzijts den voors. wech sal verblijven aen de eijgenaers van dien ende dat oock de op ende ingesetenen van de voors. heerlijcheijt van Schaesbergh den voors. wegh tot op s'Hertogenrade ende den Rijcxbodem ende oock tor Heerle toe sonder eenige becommeringe ende belastinge als boven sullen mogen blijven gebruijcken; met alle de gehuchten, ressorten, jurisdictien, gerechticheden, leenen, vasallagien, beeden, domeijnen ende andere regalien ofte revenuen daertoe specterende, van wat natuijr ende hoedanich oock deselve souden mogen zijn genoemt, mitsgaders alle de appendentien ende dependentien van dien, tot alle de voorschreve heerlijcheden specterende, mitsgaders oock het clooster ofte convent van Sint Geerlach binnen zijne muijren, met vrijheijt van alle de goederen, opcomsten ende revenuen die tegenwoordigh daertoe specteren, waer oock deselve souden mogen gelegen zijn. Dat oock van de leenen, releverende van den casteele van Valckenburch, sullen werden gedetascheert ende ten behoeve van hoochstgemelten Heer Coninck blijven de buijtenleenen hiernaer gespecificeert, te weeten: den abtshoff van Godtsdael tot Munster Geleijn, het dorp van Sint Maertenvoeren, het huijs ende casteel van Wolffsrade, de thienden van Reijmersdael, den hoff van Conrade, de heerlijcke goederen ende thienden van Teuven in het hertochdom van Limburgh, de heerlijcheijt ende het huijs van Limbricht, de molen tot Schertsheel bij Aecken, den hoff ende molen tot Susterseel, het leenhoff van de Seventhien Mannen tot Sombreff, het veer tot Stockum, de heerlijcheijt van Vissersweert, den hoff genaemt Langhvelt in het landt van Limburch ende het leen van Reijmerstock.
Dat van gelijcken den hoochstgemelten Heer Coninck uijt den lande van Daelem in vollen vrijen eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sa! hebben, houden ende besitten, eeuwichlick ende erffelick, voor hem ende sijne nacomelingen, de bancken, heerlijcheden ende dorpen van s'Gravenvoorn, Meer, Noorbeeck, Warsage, Moulingen, Sint Maertensvoeren, Aubel, Cheratte, Neufschasteau, Mortier, Hous ende Richel, met alle de gehuchten, ressorten, jurisdictien, gerechticheden, leenen, vasallagien, beeden, domeijnen ende andere regalien ofte revenuen daertoe specterende, van wat natuijr ende hoedanich oock deselve souden mogen sijn genoemt, mitsgaders alle de appendentien ende dependentien van dien.
Eijndelick dat hoochstgemelten Heere Coninck uijt den lande van s'Hertogenrade in gelijcken vollen vrijen eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sa! hebben, houden ende besitten eeuwichlick ende erffelick, voor hem ende zijne naecomelingen als vooren, het casteel ende de stadt van s'Hertogenrade ende voorrs de bancken, heerlijcheden ende dorpen van Marcksteijn, Kerckenrade, Ubach, Simpelvelt, Wels en Roerdorp, met alle de gehuchten, ressorten, jurisdictien, gerechticheden, leenen, vassallagien, beeden, domeijnen ende andere regalien ofte revenuen daertoe specterende, van wat natuijr ende hoedanich oock deselve souden mogen sijn genoemt, mitsgaders alle appendentien ende dependentien van dien, specialick oock daerin begrepen alle de verdere leenen buijten s'landts gelegen ende tot den voors. casteele gehoorende.
Dat oock meer hoochgemelte Heeren Staten Generael in vollen vrijen eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sullen hebben, houden ende besitten, eeuwichlick ende erffelick, voor haer ende hare nacomelingen, uijt den voorschreve lande van Valckenborch het casteel ende de stadt van Valckenburch ende voorts de bancken, heerlijcheden ende dorpen van Meerssen, Houthem, Haren, Geul, Ulestraten, Bunde, Ambij, Itteren, Climmen, Hulsbergh, Schummert, Eijsden, Herckenrade, Ekelrade, Beeck, Neerbeeck, Bergh, Bemelen, Blijt ende Heerle, alsoock den ordinarisen wech van Heerle, lopende midden door de jurisdictie ende over het territoir van de heerlijcheijt van Schaesbergh, geextendeert ter breedte van een roede landts van wederzijden buijten den voorschreven wegh ( soo ende daer denselven jegenwoordich loopt), sonder eenige reserve ende buijten alle bedenckelijcke becommeringen, servituten ofte belastingen, hoedanich oock deselve souden mogen sijn genoemt; met alle de gehuchten, ressorten, jurisdictien, gerechticheden, leenen, vassallagien, beeden, domeijnen ende andere regalien ofte revenuen, van wat natuijr ende hoedanich oock deselve souden mogen zijn genoemt, tot de voors. heerlijcheden specterende, mitsgaders alle de appendenrien ende dependentien van dien. Dat oock van de leenen, releverende van den voors. casteele van Valckenburch, ten behoeve van hoochgemelte Heeren Staten Generael aen deselven sullen blijven geattacheert de buijtenleenen van Hurt, Mesch, Leuth, de Witte Poort van Steijn, de adelijcke sate ende hove rot Eijsch, den grooten ende cleijnen Blanckenburch tot Cadier, de goederen onder Reccum gelegen, de veeren over de Maze tot Reccum ende Geul, het leen tot Bilsen genaemt het Mangelt, de goederen gelegen tot Udickhoven, den Eijscherbosch gelegen bij Sint Geertruijen, ende het leen Bruijsterbosch.
Dat van gelijcken de meer hoochgemelte Heeren Staten Generael uijt den lande van Daelem in vollen vrijen eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sullen hebben, houden ende besitten, eeuwichlick ende erffelick, voor haer ende hare naecomelingen, het casteel ende de stadt van Daelem ende voorts de bancken, heerlijcheden ende dorpen van Trembleur, Olne, Bombaij, Fenneur, Cadier ende Oest, met alle de gehuchten, ressorten, jurisdictien, gerechticheden, leenen, vassallagien, beeden, domeijnen ende andere regalien ofte revenuen, van wat natuijr ende hoedanich oock deselve souden mogen sijn genoemt, daertoe specterende, mitsgaders alle de appendentien ende dependentien van dien, specialick daer oock inbegrepen alle de leenen buijten s'landts gelegen, bestaende in heerlijcheden, dorpen, hoven ende andere goederen, aen het voors. casteel behoorende.
Ende eijndelickdat de meer hoochgemelte Heeren Staten Generael uijt den lande van s'Hertogenrade in vollen vrijen eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sullen hebben, houden ende besitten, eeuwichlick ende erffelick, voor haer ende hare nacomelingen , de bancken, heerlicheden ende dorpen van Gulpen, Marckgraten, Holseth, Vijlen ende Vaels, met alle de gehuchten, ressorten, jurisdictien, gerechticheden, leenen, vassallagien, beeden, domeijnen ende andere regalien ofte revenuen, van wat natuijr ende hoedanich oock deselve souden mogen sijn genoemt, daertoe specterende, mitsgaders alle de appendenrien ende dependentien van dien. (...)
Des ten oirkonde hebben wij ambassadeur ende commissarissen deselve articulen, pointen ende conditien met onse eijgene handen onderteeckent ende met onse respective cachetten doen bevestigen, in den Hage den sessentwintichsten December XVIC een entsestich.
Traité d’accord définitif entre S. M. Impériale & Royale Apostolique & L. H. P. les Seigneurs États-Généraux des Provinces-Unies; Signé à Fontainebleau le 8. Nov. 1785.
Art. XVIII.
Leurs Hautes-Puissances cédent à S. M. Imp. le Ban d’Aulne, situé dans le Pays de Dahlem & ses Dépendances, la Seigneurie ou Chef-Ban de Blegny-le-Trembleur avec Saint-André, le Ban & Seigneurie de Teneur, le Ban & Seigneurie de Bombaye, la Ville & le Château de Dahlem avec les Appartenances & Dépendances, excepté Oost & Cadier.
Art. XIX.
En échange des Cessions mentionnées dans l’Article XVIII, Sa Maj. Imp. cède à L. H. P. les Seigneuries de Vieux-Fauquemont, Schin sur la Geule, Strucht, avec leurs Appartenances & Dépendances, la Seigneurie de Schaesberg avec ses Dépendances, l’Enclave du Fauquemont-Autrichien dans la quelle est situé le Couvent de St. Gerlach, qui sera transféré ailleurs sous la domination de Sa Maj. Imp. & les Villages d’Obbicht & papenhoven avec leurs Dépendances, situés dans la Gueldre-Autrichienne. Sa Maj. renonce au surplus à ses prétentions sur la partie du Village de Schimmert nommé les Bies, avec la partie de ce District, qui a toujours fourni & qui fornit encore son Contingent dans les Pétitions de L. H. Puissances, y compris les 40. Bonniers de terre environ, réclamés par ceux du Village de Nuth. Sa Maj. Imp. renonce de même à ses prétentions sur les parties de Bruyères & de Terres, réclamées du côté de Heerlen, par ceux d’Ubach, de Brontsen, & de Simpelvelt, sous la réserve néanmoins, que les Sujets de Sa Maj. Imp. auront la communication libre & affranchie de tous les Droits de Péage, Barrières ou autres quelconques, par la partie du grand-chemin, qui passe le long des Limites du Ban de Kerkenraadt comme également les Sujets de L. H. P. conserveront lan communication libre & affranchie par le reste du Chemin jusq’au Pays de Ter-Heyde.
Art. XX.
Les Etats-Généraux s’étant prêtés au défir, que S. M. Imp. leur a té,oigné d’avoir les Forts de Lillo & de Liefkenshoeck dans l’état où ils de trouvent, Sa Maj. Impériale, voulant leur donner une preuve réciproques de son amitié, leur cède & abandonne tous les Droits, qu’Elle a pu former sur les Villages dits de Rédemption, excepté Falais, Argenteau & Hermal; L. H. P. se dessistant de leur côté de tous Droits & prétentions sur ces trois Villages, & s’engageant à n’y lever aucun Impôts en Deniers de Rédemption; de même que S. M. Imp. s’engage réciproquement à n’en lever aucuns sur les autres Villages de Rédemption, ainsi que sur les bans de St. servais, cédés aux Etats-Généraux.
Art. XXI
Il sera libre aux Sujets respectifs de se retirer des Pays, qui viennent d’être cédés réciproquement; & ceux, qui y resteront jouiront du libre exercice de leur Religion; Les
deux Puissances pourvoiront, respectivement à la compétence & à l’entretien des Desservans de leurs Eglises.
Art. XXII
Leurs Hautes-Puissances cèdebt & abandonnent à Sa Majesté Impériale tous leurs Droits sur le Village de Berneau, situé au Pays de Dahlem, & qui étoient restés indivis par le Partage du Pays d’Outremeuse, de l’an 1661.
Art. XXIII.
Sa Maj. Imp. cède & abandonne en retour à L. P. H. tous les Droits sur le Village d’Elsloe, situé au Pays de Fauquemont, & qui étoient également restés indivis par le même Partage.
(...)
Fait à Fontainebleau le 8. Novembre 1785.
Traité de Vienne (1815) - Articles 65 à 73
Article 65. Royaume des Pays-Bas[
Les anciennes Provinces-Unies des Pays-Bas et les ci-devant Provinces Belgiques, les unes et les autres dans les limites fixées par l'article suivant, formeront, conjointement avec les pays et territoires désignés dans le même article, sous la souveraineté de S. A. R. le Prince d'Orange-Nassau, Prince Souverain des Provinces-Unies, le Royaume des Pays-Bas, héréditaire dans l'ordre de succession déjà établi par l'acte de constitution desdites Provinces Unies. Le titre et les prérogatives de la dignité royale sont reconnus par toutes les Puissances dans la Maison d'Orange-Nassau.
Article 66. Limites du royaume des Pays-Bas
La ligne comprenant les territoires qui composeront le Royaume des Pays-Bas, est déterminée de la manière suivante : elle part de la mer, et s'étend le long des frontières de la France du côté des Pays-Bas, telles qu'elles ont été rectifiées et fixées par l'article 3 du Traité de Paris du 30 mai 1814, jusqu'à la Meuse, et ensuite le long des mêmes frontières jusqu'aux anciennes limites du Duché de Luxembourg ; de là elle suit la direction des limites entre ce Duché et l'ancien Évêché de Liège, jusqu'à ce qu'elle rencontre (au midi de Deiffelt) les limites occidentales de ce canton et de celui de Malmedi, jusqu'au point où cette dernière atteint les limites entre les anciens départements de l'Ourthe et de la Roer ; elle longe ensuite ces limites jusqu'à ce qu'elle touche à celles du canton ci-devant français d'Eupen dans le Duché de Limbourg, et en suivant la limite occidentale de ce canton dans la direction du nord, laissant à droite une petite partie du ci-devant canton français d'Aubel, se joint au point de contact des trois anciens départements de l'Ourthe, de la Meuse Inférieure et de la Roer ; en partant de ce point, la ligne suit celle qui sépare ces deux derniers départements jusque là où elle touche à la Worm (rivière ayant son embouchure dans la Roer), et longe cette rivière jusqu'au point où elle atteint de nouveau la limite de ces deux départements, poursuit cette limite jusqu'au midi de Hillensberg (ancien département de la Roer), remonte de là vers le nord, et, laissant Hillensberg à droite, et coupant le canton de Sittard en deux parties à peu près égales, de manière que Sittard et Susteren restent à gauche, arrive à l'ancien territoire Hollandais ; puis laissant ce territoire à gauche, elle en suit la frontière orientale jusqu'au point où celle-ci touche à l'ancienne Principauté autrichienne de Gueldres, du côté de Ruremonde, et, se dirigeant vers le point le plus oriental du territoire Hollandais au nord de Schwalmen, continue à embrasser ce territoire.
Enfin elle va joindre, en partant du point le plus oriental, cette autre partie du territoire hollandais où se trouve Venloo ; elle renfermera cette ville et son territoire. De là, jusqu'à l'ancienne frontière hollandaise près de Mook, situé au-dessous de Gennep, elle suivra le cours de la Meuse, à une distance de la rive droite telle, que tous les endroits qui ne sont pas éloignés de cette rive de plus de mille perches d'Allemagne (Rheinlandische Ruthen), appartiendront avec leurs banlieues au Royaume des Pays-
Bas ; bien entendu toutefois, quant à la réciprocité ce principe, que le territoire prussien ne puisse, sur aucun point, toucher à la Meuse, ou s'en approcher à une distance de huit cents perches d'Allemagne.
Du point où la ligne qui vient d'être décrite atteint l'ancienne frontière hollandaise jusqu'au Rhin, cette frontière restera, pour l'essentiel, telle qu'elle était en 1795, entre Clèves et les Provinces-Unies. Elle sera examinée par la commission qui sera nommée incessamment par les deux gouvernements de Prusse et des Pays-Bas, pour procéder à la détermination exacte des limites, tant du Royaume des Pays-Bas que du Grand-Duché de Luxembourg, désignées dans l'article 68 ; et cette Commission réglera, à l'aide d'experts, tout ce qui concerne les constructions hydrotechniques et autres points analogues, de la manière la plus équitable et la plus conforme aux intérêts mutuels des États prussiens et de ceux des Pays-Bas. Cette même disposition s'étend sur la fixation des limites dans les districts de Kyfwaerd, Lobith, et de tout le territoire jusqu'à Kekerdom.
Les enclaves Huissen, Malburg, le Lymers avec la ville de Sevenaer et la Seigneurie de Weel, feront partie du Royaume des Pays-Bas ; et S. M. Prussienne y renonce à perpétuité pour elle et tous ses descendants et successeurs.
Article 67. Grand-Duché de Luxembourg
La partie de l'ancien Duché de Luxembourg, comprise dans les limites spécifiées par l'article suivant, est également cédée au Prince Souverain des Provinces-Unies, aujourd'hui Roi des Pays-Bas, pour être possédée à perpétuité par lui et ses successeurs en toute propriété et souveraineté. Le Souverain des Pays-Bas ajoutera à ses titres celui de Grand-Duc de Luxembourg, et la faculté est réservée à S. M. de faire, relativement à la succession dans le Grand Duché, tel arrangement de famille entre les princes ses fils qu'elle jugera conforme aux intérêts de sa monarchie et à ses intentions paternelles.
Le Grand-Duché de Luxembourg servant de compensation pour les Principautés de Nassau-Dillenbourg, Siegen, Adamar et Dietz, formera un des États de la Confédération germanique, et le Prince Roi des Pays-Bas entrera dans le système de cette Confédération comme Grand-Duc de Luxembourg, avec toutes les prérogatives et privilèges dont jouiront les autres Princes allemands.
La ville de Luxembourg sera considérée, sous le rapport militaire, comme forteresse de la Confédération. Le Grand-Duc aura toutefois le droit de nommer le gouverneur et commandant militaire de cette forteresse, sauf l'approbation du pouvoir exécutif de la Confédération, et sous telles autres conditions qu'il sera jugé nécessaire d'établir en conformité de la constitution future de ladite Confédération.
Article 68. Limites du grand-duché de luxembourg
Le Grand-Duché de Luxembourg se composera de tout le territoire situé entre le Royaume des Pays-Bas, tel qu'il a été désigné par l'article 66, la France, la Moselle jusqu'à l'embouchure de la Sure, le cours de la Sure jusqu'au confluent de l'Our, et le cours de cette dernière rivière jusqu'aux limites du ci-devant canton français de Saint- Vith, qui n'appartiendra point au Grand-Duché de Luxembourg.
Article 69. Dispositions relatives au duché de Bouillon
S. M. le Roi des Pays-Bas, Grand-Duc de Luxembourg, possédera à perpétuité, pour lui et ses successeurs, la souveraineté pleine et entière de la partie du Duché de Bouillon non cédée à la France par le Traité de Paris ; et, sous ce rapport, elle sera réunie au Grand-Duché de Luxembourg.
Des contestations s'étant élevées sur ledit Duché de Bouillon, celui des compétiteurs dont les droits seront légalement constatés, dans les formes énoncées ci-dessous, possédera en toute propriété ladite partie du Duché, telle qu'elle l'a été par le dernier Duc sous la souveraineté de S. M. le Roi des Pays-Bas, Grand-Duc de Luxembourg. Cette décision sera portée sans appel par un jugement arbitral. Des arbitres seront à cet effet nommés, un par chacun des deux compétiteurs, et les autres, au nombre de trois, par les Cours d'Autriche, de Prusse et de Sardaigne. Ils se réuniront à Aix-la-Chapelle aussitôt que l'état de guerre et les circonstances le permettront, et leur jugement interviendra dans les six mois à compter de leur réunion.
Dans l'intervalle, S. M. le Roi des Pays-Bas, Grand-Duc de Luxembourg, prendra en dépôt la propriété de ladite partie du Duché de Bouillon pour la restituer, ensemble le produit de cette administration intermédiaire, à celui des compétiteurs en faveur duquel le jugement arbitral sera prononcé. Sadite Majesté l'indemnisera de la perte des revenus provenant des droits de souveraineté, moyennant un arrangement équitable ; et si c'est au Prince Charles de Rohan que cette restitution doit être faite, ces biens seront entre ses mains soumis aux lois de la substitution qui forme son titre.
Article 70. Cession des possessions de la Maison de Nassau-Orange en Allemagne
S. M. le Roi des Pays-Bas renonce à perpétuité, pour lui et ses descendants et successeurs, en faveur de S. M. le Roi de Prusse, aux possessions souveraines que la Maison de Nassau-Orange possédait en Allemagne, et nommément aux Principautés de Dillenbourg, Dietz, Siegen et Hadamar, y compris la Seigneurie de Beilstein, et telles que ces possessions ont été définitivement réglées entre les deux branches de la Maison de Nassau par le Traité conclu à la Haye le 14 juillet 1814. S. M. renonce également à la Principauté de Fulde et aux autres districts et territoires qui lui avaient été assurés par l'article 12 du recès principal de la députation extraordinaire de l'empire, du 25 février 1803.
Article 71. Pacte de famille entre les princes de Nassau
Le droit et l'ordre de succession établi entre les deux branches de la Maison de Nassau par l'acte de 1783, dit Nassauischer Erbverein, est maintenu et transféré des quatre Principautés d'Orange-Nassau au Grand-Duché de Luxembourg.
Article 72. Charges et engagement tenant aux provinces détachées de la France
S. M. le Roi des Pays-Bas, en réunissant sous sa souveraineté les pays désignés dans les articles 66 et 68, entre dans tous les droits et prend sur lui toutes les charges et tous les engagements stipulés relativement aux provinces et districts détachés de la France dans le Traité de paix conclu à Paris le 30 mai 1814.
Article 73. Acte de réunion des provinces Belgiques
S. M. le Roi des Pays-Bas ayant reconnu et sanctionné, sous la date du 21 juillet 1814, comme bases de la réunion des Provinces Belgiques avec les Provinces-Unies, les huit articles renfermés dans la pièce annexée au présent Traité, lesdits articles auront la même force et valeur comme s'ils étaient insérés de mot à mot dans la transaction actuelle.
Wikisource, Traité de Vienne (1815), Articles 65 à 73.
Traité d’accord définitif entre S. M. Impériale & Royale Apostolique & L. H. P. les Seigneurs États-Généraux des Provinces-Unies; Signé à Fontainebleau le 8. Nov. 1785.
Art. XVIII.
Leurs Hautes-Puissances cédent à S. M. Imp. le Ban d’Aulne, situé dans le Pays de Dahlem & ses Dépendances, la Seigneurie ou Chef-Ban de Blegny-le-Trembleur avec Saint-André, le Ban & Seigneurie de Teneur, le Ban & Seigneurie de Bombaye, la Ville & le Château de Dahlem avec les Appartenances & Dépendances, excepté Oost & Cadier.
Art. XIX.
En échange des Cessions mentionnées dans l’Article XVIII, Sa Maj. Imp. cède à L. H. P. les Seigneuries de Vieux-Fauquemont, Schin sur la Geule, Strucht, avec leurs Appartenances & Dépendances, la Seigneurie de Schaesberg avec ses Dépendances, l’Enclave du Fauquemont-Autrichien dans la quelle est situé le Couvent de St. Gerlach, qui sera transféré ailleurs sous la domination de Sa Maj. Imp. & les Villages d’Obbicht & papenhoven avec leurs Dépendances, situés dans la Gueldre-Autrichienne. Sa Maj. renonce au surplus à ses prétentions sur la partie du Village de Schimmert nommé les Bies, avec la partie de ce District, qui a toujours fourni & qui fornit encore son Contingent dans les Pétitions de L. H. Puissances, y compris les 40. Bonniers de terre environ, réclamés par ceux du Village de Nuth. Sa Maj. Imp. renonce de même à ses prétentions sur les parties de Bruyères & de Terres, réclamées du côté de Heerlen, par ceux d’Ubach, de Brontsen, & de Simpelvelt, sous la réserve néanmoins, que les Sujets de Sa Maj. Imp. auront la communication libre & affranchie de tous les Droits de Péage, Barrières ou autres quelconques, par la partie du grand-chemin, qui passe le long des Limites du Ban de Kerkenraadt comme également les Sujets de L. H. P. conserveront lan communication libre & affranchie par le reste du Chemin jusq’au Pays de Ter-Heyde.
Art. XX.
Les Etats-Généraux s’étant prêtés au défir, que S. M. Imp. leur a té,oigné d’avoir les Forts de Lillo & de Liefkenshoeck dans l’état où ils de trouvent, Sa Maj. Impériale, voulant leur donner une preuve réciproques de son amitié, leur cède & abandonne tous les Droits, qu’Elle a pu former sur les Villages dits de Rédemption, excepté Falais, Argenteau & Hermal; L. H. P. se dessistant de leur côté de tous Droits & prétentions sur ces trois Villages, & s’engageant à n’y lever aucun Impôts en Deniers de Rédemption; de même que S. M. Imp. s’engage réciproquement à n’en lever aucuns sur les autres Villages de Rédemption, ainsi que sur les bans de St. servais, cédés aux Etats-Généraux.
Art. XXI
Il sera libre aux Sujets respectifs de se retirer des Pays, qui viennent d’être cédés réciproquement; & ceux, qui y resteront jouiront du libre exercice de leur Religion; Les
deux Puissances pourvoiront, respectivement à la compétence & à l’entretien des Desservans de leurs Eglises.
Art. XXII
Leurs Hautes-Puissances cèdebt & abandonnent à Sa Majesté Impériale tous leurs Droits sur le Village de Berneau, situé au Pays de Dahlem, & qui étoient restés indivis par le Partage du Pays d’Outremeuse, de l’an 1661.
Art. XXIII.
Sa Maj. Imp. cède & abandonne en retour à L. P. H. tous les Droits sur le Village d’Elsloe, situé au Pays de Fauquemont, & qui étoient également restés indivis par le même Partage.
(...)
Fait à Fontainebleau le 8. Novembre 1785.
Traité de Vienne (1815) - Articles 65 à 73
Article 65. Royaume des Pays-Bas[
Les anciennes Provinces-Unies des Pays-Bas et les ci-devant Provinces Belgiques, les unes et les autres dans les limites fixées par l'article suivant, formeront, conjointement avec les pays et territoires désignés dans le même article, sous la souveraineté de S. A. R. le Prince d'Orange-Nassau, Prince Souverain des Provinces-Unies, le Royaume des Pays-Bas, héréditaire dans l'ordre de succession déjà établi par l'acte de constitution desdites Provinces Unies. Le titre et les prérogatives de la dignité royale sont reconnus par toutes les Puissances dans la Maison d'Orange-Nassau.
Article 66. Limites du royaume des Pays-Bas
La ligne comprenant les territoires qui composeront le Royaume des Pays-Bas, est déterminée de la manière suivante : elle part de la mer, et s'étend le long des frontières de la France du côté des Pays-Bas, telles qu'elles ont été rectifiées et fixées par l'article 3 du Traité de Paris du 30 mai 1814, jusqu'à la Meuse, et ensuite le long des mêmes frontières jusqu'aux anciennes limites du Duché de Luxembourg ; de là elle suit la direction des limites entre ce Duché et l'ancien Évêché de Liège, jusqu'à ce qu'elle rencontre (au midi de Deiffelt) les limites occidentales de ce canton et de celui de Malmedi, jusqu'au point où cette dernière atteint les limites entre les anciens départements de l'Ourthe et de la Roer ; elle longe ensuite ces limites jusqu'à ce qu'elle touche à celles du canton ci-devant français d'Eupen dans le Duché de Limbourg, et en suivant la limite occidentale de ce canton dans la direction du nord, laissant à droite une petite partie du ci-devant canton français d'Aubel, se joint au point de contact des trois anciens départements de l'Ourthe, de la Meuse Inférieure et de la Roer ; en partant de ce point, la ligne suit celle qui sépare ces deux derniers départements jusque là où elle touche à la Worm (rivière ayant son embouchure dans la Roer), et longe cette rivière jusqu'au point où elle atteint de nouveau la limite de ces deux départements, poursuit cette limite jusqu'au midi de Hillensberg (ancien département de la Roer), remonte de là vers le nord, et, laissant Hillensberg à droite, et coupant le canton de Sittard en deux parties à peu près égales, de manière que Sittard et Susteren restent à gauche, arrive à l'ancien territoire Hollandais ; puis laissant ce territoire à gauche, elle en suit la frontière orientale jusqu'au point où celle-ci touche à l'ancienne Principauté autrichienne de Gueldres, du côté de Ruremonde, et, se dirigeant vers le point le plus oriental du territoire Hollandais au nord de Schwalmen, continue à embrasser ce territoire.
Enfin elle va joindre, en partant du point le plus oriental, cette autre partie du territoire hollandais où se trouve Venloo ; elle renfermera cette ville et son territoire. De là, jusqu'à l'ancienne frontière hollandaise près de Mook, situé au-dessous de Gennep, elle suivra le cours de la Meuse, à une distance de la rive droite telle, que tous les endroits qui ne sont pas éloignés de cette rive de plus de mille perches d'Allemagne (Rheinlandische Ruthen), appartiendront avec leurs banlieues au Royaume des Pays-
Bas ; bien entendu toutefois, quant à la réciprocité ce principe, que le territoire prussien ne puisse, sur aucun point, toucher à la Meuse, ou s'en approcher à une distance de huit cents perches d'Allemagne.
Du point où la ligne qui vient d'être décrite atteint l'ancienne frontière hollandaise jusqu'au Rhin, cette frontière restera, pour l'essentiel, telle qu'elle était en 1795, entre Clèves et les Provinces-Unies. Elle sera examinée par la commission qui sera nommée incessamment par les deux gouvernements de Prusse et des Pays-Bas, pour procéder à la détermination exacte des limites, tant du Royaume des Pays-Bas que du Grand-Duché de Luxembourg, désignées dans l'article 68 ; et cette Commission réglera, à l'aide d'experts, tout ce qui concerne les constructions hydrotechniques et autres points analogues, de la manière la plus équitable et la plus conforme aux intérêts mutuels des États prussiens et de ceux des Pays-Bas. Cette même disposition s'étend sur la fixation des limites dans les districts de Kyfwaerd, Lobith, et de tout le territoire jusqu'à Kekerdom.
Les enclaves Huissen, Malburg, le Lymers avec la ville de Sevenaer et la Seigneurie de Weel, feront partie du Royaume des Pays-Bas ; et S. M. Prussienne y renonce à perpétuité pour elle et tous ses descendants et successeurs.
Article 67. Grand-Duché de Luxembourg
La partie de l'ancien Duché de Luxembourg, comprise dans les limites spécifiées par l'article suivant, est également cédée au Prince Souverain des Provinces-Unies, aujourd'hui Roi des Pays-Bas, pour être possédée à perpétuité par lui et ses successeurs en toute propriété et souveraineté. Le Souverain des Pays-Bas ajoutera à ses titres celui de Grand-Duc de Luxembourg, et la faculté est réservée à S. M. de faire, relativement à la succession dans le Grand Duché, tel arrangement de famille entre les princes ses fils qu'elle jugera conforme aux intérêts de sa monarchie et à ses intentions paternelles.
Le Grand-Duché de Luxembourg servant de compensation pour les Principautés de Nassau-Dillenbourg, Siegen, Adamar et Dietz, formera un des États de la Confédération germanique, et le Prince Roi des Pays-Bas entrera dans le système de cette Confédération comme Grand-Duc de Luxembourg, avec toutes les prérogatives et privilèges dont jouiront les autres Princes allemands.
La ville de Luxembourg sera considérée, sous le rapport militaire, comme forteresse de la Confédération. Le Grand-Duc aura toutefois le droit de nommer le gouverneur et commandant militaire de cette forteresse, sauf l'approbation du pouvoir exécutif de la Confédération, et sous telles autres conditions qu'il sera jugé nécessaire d'établir en conformité de la constitution future de ladite Confédération.
Article 68. Limites du grand-duché de luxembourg
Le Grand-Duché de Luxembourg se composera de tout le territoire situé entre le Royaume des Pays-Bas, tel qu'il a été désigné par l'article 66, la France, la Moselle jusqu'à l'embouchure de la Sure, le cours de la Sure jusqu'au confluent de l'Our, et le cours de cette dernière rivière jusqu'aux limites du ci-devant canton français de Saint- Vith, qui n'appartiendra point au Grand-Duché de Luxembourg.
Article 69. Dispositions relatives au duché de Bouillon
S. M. le Roi des Pays-Bas, Grand-Duc de Luxembourg, possédera à perpétuité, pour lui et ses successeurs, la souveraineté pleine et entière de la partie du Duché de Bouillon non cédée à la France par le Traité de Paris ; et, sous ce rapport, elle sera réunie au Grand-Duché de Luxembourg.
Des contestations s'étant élevées sur ledit Duché de Bouillon, celui des compétiteurs dont les droits seront légalement constatés, dans les formes énoncées ci-dessous, possédera en toute propriété ladite partie du Duché, telle qu'elle l'a été par le dernier Duc sous la souveraineté de S. M. le Roi des Pays-Bas, Grand-Duc de Luxembourg. Cette décision sera portée sans appel par un jugement arbitral. Des arbitres seront à cet effet nommés, un par chacun des deux compétiteurs, et les autres, au nombre de trois, par les Cours d'Autriche, de Prusse et de Sardaigne. Ils se réuniront à Aix-la-Chapelle aussitôt que l'état de guerre et les circonstances le permettront, et leur jugement interviendra dans les six mois à compter de leur réunion.
Dans l'intervalle, S. M. le Roi des Pays-Bas, Grand-Duc de Luxembourg, prendra en dépôt la propriété de ladite partie du Duché de Bouillon pour la restituer, ensemble le produit de cette administration intermédiaire, à celui des compétiteurs en faveur duquel le jugement arbitral sera prononcé. Sadite Majesté l'indemnisera de la perte des revenus provenant des droits de souveraineté, moyennant un arrangement équitable ; et si c'est au Prince Charles de Rohan que cette restitution doit être faite, ces biens seront entre ses mains soumis aux lois de la substitution qui forme son titre.
Article 70. Cession des possessions de la Maison de Nassau-Orange en Allemagne
S. M. le Roi des Pays-Bas renonce à perpétuité, pour lui et ses descendants et successeurs, en faveur de S. M. le Roi de Prusse, aux possessions souveraines que la Maison de Nassau-Orange possédait en Allemagne, et nommément aux Principautés de Dillenbourg, Dietz, Siegen et Hadamar, y compris la Seigneurie de Beilstein, et telles que ces possessions ont été définitivement réglées entre les deux branches de la Maison de Nassau par le Traité conclu à la Haye le 14 juillet 1814. S. M. renonce également à la Principauté de Fulde et aux autres districts et territoires qui lui avaient été assurés par l'article 12 du recès principal de la députation extraordinaire de l'empire, du 25 février 1803.
Article 71. Pacte de famille entre les princes de Nassau
Le droit et l'ordre de succession établi entre les deux branches de la Maison de Nassau par l'acte de 1783, dit Nassauischer Erbverein, est maintenu et transféré des quatre Principautés d'Orange-Nassau au Grand-Duché de Luxembourg.
Article 72. Charges et engagement tenant aux provinces détachées de la France
S. M. le Roi des Pays-Bas, en réunissant sous sa souveraineté les pays désignés dans les articles 66 et 68, entre dans tous les droits et prend sur lui toutes les charges et tous les engagements stipulés relativement aux provinces et districts détachés de la France dans le Traité de paix conclu à Paris le 30 mai 1814.
Article 73. Acte de réunion des provinces Belgiques
S. M. le Roi des Pays-Bas ayant reconnu et sanctionné, sous la date du 21 juillet 1814, comme bases de la réunion des Provinces Belgiques avec les Provinces-Unies, les huit articles renfermés dans la pièce annexée au présent Traité, lesdits articles auront la même force et valeur comme s'ils étaient insérés de mot à mot dans la transaction actuelle.
Wikisource, Traité de Vienne (1815), Articles 65 à 73.
Treaty between Great Britain, Austria, France, Prussia, and Russia, on the one part, and Belgium, on the other. Signed at London, April 19, 1839. (...)
Annex to the Treaty of London signed at London, on the 19th April 1839, between Great Britain, Austria, France, Prussia, and Russia, on the one part, and the Netherlands, on the other part.
Article I.
The Belgian territory shall be composed of the provinces of South Brabant; Liege; Namur; Hainault; West Flanders; Antwerp; and Limbourg; such as they formed part of the United Kingdom of the Netherlands constituted in 1815, with the exception of those districts of the province of Limbourg which are designated in Article IV.
The Belgian territory shall, moreover, comprise that part of the Grand Duchy of Luxembourg which is specified in Article II.
Article II.
In the Grand Duchy of Luxembourg, the limits of the Belgian territory shall be such as will be hereinafter described, viz. (...)
Article III.
In return for the cessions made in the preceding Article, there shall be assigned to His Majesty the King of the Netherlands, Grand Duke of Luxembourg, a territorial indemnity in the province of Limbourg.Article IV.
In execution of that part of Article I which relates to the province of Limbourg, and in consequence of the cessions which His Majesty the King of the Netherlands, Grand Duke of Luxembourg, makes in Article II, His said Majesty shall possess, either to be held by him in his character of Grand Duke of Luxembourg, or for the purpose of being united to Holland, those territories, the limits of which are hereinafter described.
1. On the right bank of the Meuse; to the old Dutch enclaves upon the said bank in the province of Limbourg, shall be united those districts of the said province upon the same bank, which did not belong to the States General in 1790; in such wise that the whole of that part of the present province of Limbourg, situated upon the right bank of the Meuse, and comprised between that river on the west, the frontier of the Prussian territory on the east, the present frontier of the province of Liege on the south, and Dutch Guelderland on the north, shall henceforth belong to His Majesty the King of the Netherlands, either to be held by him in his character of Grand Duke of Luxembourg, or in order to be united to Holland.
2. On the left bank of the Meuse; commencing from the southernmost point of the Dutch province of North Brabant, there shall be drawn, according to the annexed map, a line which shall terminate on the Meuse above Wessem, between that place and Stevenswaardt, at the point where the frontiers of the present Arrondissements of Ruremonde and Maestricht meet on the left bank of the Meuse; in such manner that Bergerot, Stamproy, Neer-Itteren, Ittervoordt, and Thorn, with their districts, as well as all the other places situated to the north of this line, shall form part of the Dutch territory.
The old Dutch enclaves in the province of Limbourg, upon the left bank of the Meuse, shall belong to Belgium, with the exception of the town of Maestricht, which, together with a radius of territory, extending twelve hundred toises [A unit of measure equaling about two meters.] from the outer glacis of the fortress, on the said bank of this river, shall continue to be possessed in full sovereignty and property by His Majesty the King of the Netherlands. (...)
Source: Scott Manning, Treaty of London, 1839: The Complete Text.
ARTICLE 31. Germany, recognising that the Treaties of April 19, 1839, which established the status of Belgium before the war, no longer conform to the requirements of the situation, consents to the abrogation of the said Treaties and undertakes immediately to recognise and to observe whatever conventions may be entered into by the Principal Allied and Associated Powers, or by any of them, in concert with the Governments of Belgium and of the Netherlands, to replace the said Treaties of 1839. If her formal adhesions should be required to such conventions or to any of their stipulations, Germany undertakes immediately to give it.
ARTICLE 32. Germany recognises the full sovereignty of Belgium over the whole of the contested territory of Moresnet (called Moresnet neutre).
ARTICLE 33. Germany renounces in favour of Belgium all rights and title over the territory of Prussian Moresnet situated on the west of the road from Liege to Aix-la- Chapelle; the road will belong to Belgium where it bounds this territory.
ARTICLE 34. Germany renounces in favour of Belgium all rights and title over the territory comprising the whole of the Kreise of Eupen and of Malmedy. During the six months after the coming into force of this Treaty, registers will be opened by the Belgian authority at Eupen and Malmedy in which the inhabitants of the above territory will be entitled to record in writing a desire to see the whole or part of it remain under German sovereignty. The results of this public expression of opinion will be communicated by the Belgian Government to the League of Nations, and Belgium undertakes to accept the decision of the League.
ARTICLE 35. A Commission of seven persons, five of whom will be appointed by the Principal Allied and Associated Powers, one by Germany and one by Belgium, will be set up fifteen days after the coming into force of the present Treaty to settle on the spot the new frontier line between Belgium and Germany, taking into account the economic factors and the means of communication. Decisions will be taken by a majority and will be binding on the parties concerned.
ARTICLE 36. When the transfer of the sovereignty over the territories referred to above has become definite, German nationals habitually resident in the territories will definitively acquire Belgian nationality ipso facto, and will lose their German nationality. Nevertheless, German nationals who became resident in the territories after August 1, 1914, shall not obtain Belgian nationality without a permit from the Belgian Government.
ARTICLE 37. Within the two years following the definitive transfer of the sovereignty over the territories assigned to Belgium under the present Treaty, German nationals over 18
years of age habitually resident in those territories will be entitled to opt for German nationality. Option by a husband will cover his wife, and option by parents will cover their children under 18 years of age. Persons who have exercised the above right to opt must within the ensuing twelve months transfer their place of residence to Germany. They will be entitled to retain their immovable property in the territories acquired by Belgium. They may carry with them their movable property of every description. No export or import duties may be imposed upon them in connection with the removal of such property.
ARTICLE 38. The German Government will hand over without delay to the Belgian Government the archives, registers, plans, title deeds and documents of every kind concerning the civil, military, financial, judicial or other administrations in the territory transferred to Belgian sovereignty. The German Government will likewise restore to the Belgian Government the archives and documents of every kind carried off during the war by the German authorities from the Belgian public administrations, in particular from the Ministry of Foreign Affairs at Brussels.
ARTICLE 39. The proportion and nature of the financial liabilities of Germany and of Prussia with Belgium will have to bear on account of the territories ceded to her shall be fixed in conformity with Articles 254 and 256 of Part IX (Financial Clauses) of the present Treaty.
The World War I Document Archive, 28 June, 1919: The Peace Treaty of Versailles, Articles 31 - 117 and Annexes, Political Clauses for Europe.
Grensverdragen
870. Le roi Louis eut pour sa portion: Cologne, Trèves, Utrecht, Strasbourg, Bâle, l'abbaye de Sustren, Berg, Neumoutiers, Kessel, Indes ou Saint-Corneille, Saint-Maximin, Hesternach, Oeren, Saint-Gangulf, Favernay, Poligny, Luxeuil, Lure, Baume, Vellfaux, Moyenmoutiers, Saint-Dié, Bonmoutiers, Estival, Remiremont, Morbach, Saint-Grégoire, Mormunster, Eboresheim, Homowa, Maësmunster, Sainte-Othilie, Saint-Etienne de Strasbourg, Ehrenstein, So-leure, Granfel, Alta-Petra, Lusten, Vaucluse, Châtel-Châlons, Herbodsheim, l'abbaye d'Aix, Hoënkirche, Augskirche, le comté de Testrebant, la Batavie et les districts sur la rive droite de la Meuse inférieure: sur la même rive de la Meuse supérieure, Liège, le district d'Aix et Maastricht: dans le pays des Ripuaires, les cinq comtés de Meyeri, de Bidburg, de la Nied, de la Sare inférieure, de Bliets, de Salm, de l'Albe, du Sundgau, de Calmont, de la Sare supérieure, de l'Ornain qu'avait possédé Bernard, de Saulieu, du Bassigny, de Salins, d'Emaüs, le Bâlois: dans l'Alsace, deux comtés: dans la Frise, deux des parties dépendantes du royaume de Lothaire. A ce partage, et pour l'amour de la paix et de la charité, nous avons ajouté la cité de Metz avec l'abbaye de Saint-Pierre et de Saint-Martin, le comté de Mœsegaw et tous les villages qui en dépendent, tant résidences de seigneurs que de vassaux, dans les Ardennes, et tout ce qui est depuis la source de la rivière de l'Ourte le long de son cours vers la Meuse en allant en droite rive vers Bidburg, selon que l'ont en commun exactement reconnu nos messagers. En sont exceptés ce qui s'étend vers l'orient à travers l'Ourte, et les abbayes de Prüm et de Stavelo avec tous les manoirs tant seigneuriaux que de vassaux.
Voici ce qu'eut Charles en partage en ce même royaume: Lyon, Besançon, Vienne, Tongres, Toul, Verdun, Cambrai, Viviers, Uzès, Montfauron, Saint-Mihiel, Colmoustiers; Sainte-Marie dans le pays de Besançon, Saint-Martin au même lieu, Saint-Claude, Saint- Marcel, Saint-Laurent, Sens, l'abbaye de Nivelle, Maubeuge, Laube, Saint-Gaugeric, Saint-Sauve, Saint-Crépin, Fosse, Maroille, Honcourt, Saint-Servat, Malines, Liers, Soignies, Antoin, Condé, Merhech, Dickelvenne, Leuse, Calmont, Sainte-Marie-de- Dinant, Eich, Ancienne, Wasler, Haut-Mont, le comté de Toxandric: dans le Brabant, quatre comtés; le Cambrésis, le Hainaut, le Loots; dans le Has-baigne, quatre comtés; le pays de la Meuse supérieure sur la rive gauche de la Meuse, le pays de la Meuse inférieure du même côté, Liège, et dans le pays de Wesel, Scharpeigne, le paysg de Verdun, le Dormois, Arlon, le pays de Vaivres; deux comtés, celui de Mouson, de Châtres et de Condrou, dans les Ardennes; le pays le long de la rivière de l'Ourte, depuis le lieu où elle a sa source, le long de son cours, jusqu'à la Meuse, et tout ce que, du côté de l'occident, elle traverse dans le Bidburg, ainsi que l'ont en commun exactement reconnu nos messagers; le pays de Toul, ou autrement de l'Ornain, qu'a possédé Tetmar; le Barrois, le Pertois, le Saumurois, le Lyonnais, le Viennois, le Vivarais, le pays d'Uzès, la troisième partie de la Frise.
Source: Site de Philippe Remacle. Annales de Saint-Bertin.
Filips IV de Schone, koning van Frankrijk, velt een uitspraak over de gerezen geschillen tussen Jan I, hertog van Brabant, en Reinoud I, graaf van Gelre, evenals over de gerezen moeilijkheden tussen dezelfde hertog van Brabant en Gwijde, graaf van Vlaanderen.
Vertaling uit het Latijn op basis van de uitgave door M.S.P. Ernst, Histoire du Limbourg, deel VI, Luik 1847, blz. 391-396.
Wij, Filips, bij de genade Gods koning der Fransen, maken aan allen - zowel tegenwoordigen als toekomstigen - bekend, dat er tussen de edellieden Jan, hertog van Brabant, en Reinoud, graaf van Gelre, een ernstige twist gerezen en een oorlog uitgebroken was omwille van het hertogdom Limburg. (...)
Ten voordele van de hertog van Brabant doet de graaf van Gelre voor altijd afstand van alle rechten die hij heeft of kan hebben op het hertogdom Limburg en zijn afhankelijkheden; eveneens van de kastelen Duisburg, Wassenberg, Herve en Sprimont en hun afhankelijkheden, wat hij door middel van patentbrieven onmiddellijk aan de aartsbisschop van Keulen moet meedelen. (...)
De hertog van Brabant wordt voor altijd vrijgesteld van iedere compensatie voor door hem of de zijnen veroorzaakte beschadigingen of geuite beledigingen ten opzichte van de graaf van Gelre en de zijnen tijdens het verloop van deze oorlog; de graaf van Gelre geeft aan de hertog van Brabant de stad Tiel terug in de staat waarin zij zich bevindt, nl. verwoest door de oorlog. (...)
De eilanden Bommelerwaard en Tielerwaard, die de hertog van Brabant de graaf van Gelre na het ontstaan van de betwisting heeft afgenomen, zal hij teruggeven maar met behoud van leenmanshulde. De hertog mag vóór Kerstmis eerstkomend het kasteel van Driele afbreken dat hij op het eiland Bommelerwaard heeft laten bouwen.(...)
De graaf van Vlaanderen zal binnen hetzelfde octaaf van Allerheiligen aan de hertog van Brabant de kastelen van Herve en Sprimont, zoals hij deze thans bezit, teruggeven en vrijmaken voor de hertog, terwijl de hertog anderzijds de graaf van Vlaanderen vóór Kerstmis eerstkomend de hele prijs betaalt waarvoor deze laatste van ridder Cono van Lontzen diens erfenis van Lontzen met afhankelijke domeinen gekocht heeft; zo niet, dan moet de hertog van Brabant toelaten dat de graaf van Vlaanderen of zij aan wie hij dit goed zal verkopen het in vrede bezitten, met behoud van de souvereine rechten van de hertog van Brabant op dit goed. (...)
Gegeven in Parijs op zaterdag vóór het feest van St.-Lucas de Evangelist, in het jaar des Heren 1289, zoals boven vermeld, in de maand oktober.
Bron: Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (dbnl), Een belangrijke oorkonde van 12 oktober 1289 door J. Molemans. Volledige Latijnse tekst en vertaling.
De Staten Generael van de geunieerde Nederlanden.
Allen dengenen die dese tegenwoordighe sullen sien ofte hooren lesen, saluyt.
Alsoo een yegelick kennelick is, dat een Prince van den lande van Godt gestelt is hooft over zijne ondersaten, om deselve te bewaren ende beschermen van alle ongelijk, overlast ende ghewelt gelijck een herder tot bewaernisse van zijne schapen: En dat d'ondersaten niet en sijn van Godt geschapen tot behoef van den Prince om hem in alles wat hy beveelt, weder het goddelick of ongoddelick, recht of onrecht is, onderdanig te wesen en als slaven te dienen: maer den Prince om d'ondersaten wille, sonder dewelcke hy egeen Prince en is, om deselve met recht ende redene te regeeren ende voor te staen ende lief te hebben als een vader zijne kinderen ende een herder zijne schapen, die zijn lijf ende leven set om deslve te bewaren. En so wanneer hy sulx niet en doet, maer in stede van zijne ondersaten te beschermen, deselve soeckt te verdrucken, t'overlasten, heure oude vryheyt, privilegien ende oude herkomen te benemen, ende heur te gebieden ende gebruycken als slaven, moet ghehouden worden niet als Prince, maer als een tyran ende voor sulx nae recht ende redene magh ten minsten van zijne ondersaten, besondere by deliberatie van de Staten van den lande, voor egheen Prince meer bekent, maer verlaeten ende een ander in zijn stede tot beschermenisse van henlieden voor overhooft sonder misbruycken ghecosen werden:
Te meer so wanneer d'ondersaten met ootmoedighe verthooninghe niet en hebben heuren voorsz. Prince konnen vermorwen, noch van zijn tirannich opset gekeeren ende also egeen ander middel en hebben om heure eighene, heure huysvrouwen, kinderen ende naecomelinghen aengeboren vryheyt (daer zy na de wet der natueren goet ende bloet schuldigh zijn voor op te setten), te bewaren ende beschermen, gelijck tot diversche reysen uut gelijcke oorsaecken in diversche landen, ende tot diversche tijden geschiet, en d'exempelen ghenoegh bekent zijn: twelck principalick in dese voorsz. landen behoort plaetse te hebben ende stadt te grijpen, die van allen tijden zijn gheregeert geweest ende hebben ook moeten geregeert worden navolgdende den eedt by heure Princen t'heuren aencome gedaen, na uutwijsen heurer privilegien, costumen ende ouden hercomen: hebbende oock meest alle de voorsz. landen haren Prince ontfangen op conditien, contrackten ende accoorden ende welcke brekende, oock nae recht den Prince van de heerschappye van den lande is vervallen.
Nu ist also, dat den Coninck van Spaengien, nae het overlijden van hooger memorie Keyser Kaerle de vijfde, van wien hy alle dese Nederlanden ontfanghen hadde, vergetende de diensten die so sijn Heer vader, als hy, van dese landen ende ondersaten derselver hadden ontfanghen, deur dewelcke besondere de Coninck van Spaengien soo loffelicke victorien teghens zijne vyanden verkregen hadde, dat zijnen naem ende macht alle de wereldt deur vernaemt ende ontsien wert: vergetende oock de vermaninge die de voorsz. Keiserlicke Majesteydt hem t'anderen tijden ter contrarien hadde ghedaen, heeft dien van den Raede van Spaengien (neffens hen wesende) die deurdien zy in dese landen en vermochten egheen bevel te hebben te gouverneren oft de principale staten te bedienen, gelijck zy in de Coninckrijcken van Napels, Sicilien, tot Milanen, in Indien ende ander plaetsen, onder des Conincks geweldt wesende, deden, kennende den meestendeel van hen den rijckdom ende macht derselver, hadden eenen nijt teghens dese voorsz. landen ende de vryheyt derselver in hen herte genomen, ghehoor ende gheloof ghegheven, denwelcken Raedt van Spaengien, oft eenighe van de principale van dien, den voorsz. Coninck tot diversche reysen voor ooghen ghehouden hebben, dat voor zijn reputatie ende Majesteyt beter was, dese voorsz. landen van nieuws te conquesteren, om daerover vryelick ende absolutelick te moghen bevelen (t'welck is tyranniseren nae zijn beliefte) dan onder alsulcken conditien ende restrictien (als hy hadde in 't overnemen van de heerschappye van deselve landen moeten zweeren) die te regeren. Welcke volgende den Coninck zedert alle middelen ghesocht heeft dese voorsz. lande te brenghen uyt heure oude vryheydt in een slavernye onder 't gouvernement van de Spaegnaerden: hebbende eerst, onder 't decxsel van de religie, willen in de principaelste ende machtighste steden stellen nieuwe bisschoppen, deselve begiftende ende doterende met toevoeginghe ende incorporatie van de rijckste abdyen, ende hen bysettende negen canonicken, die souden wesen van zijnen Raedt, waeraf de drie souden besonderen last hebben over d'inquisitie, door dewelcke incorporatie deselve bisschoppen (die souden moghen geweest hebben sowel vreemdelingen als ingheborene) souden hebben ghehadt d'eerste plaetsen ende voysen in de vergaderinge van de Staten van de voorsz. landen ende geweest zijne creaturen, staende tot zijne bevele ende devotie: ende deur de voorsz. toegevoechde canonicken de Spaensche inquisitie ingebrocht, dewelcke in dese landen altijt so schrickelick ende odieus, als de uuterste slavernye selve, gheweest is, so een yegelijck is kennelick: sodat de voorsz. Keyserlicke Majesteyt deselve t'anderen tijden den landen voorgeslagen hebbende, deur die remonstrantie die men aen Zijne Majesteyt daerteghens gedaen heeft (thonende d'affectie die hy zijne ondersaten was toedraghende) die heeft laten varen: maer niettegenstaende diversche remonstrantien, so by perticulire steden ende provincien, alsoock van eenige principale heeren van den lande, namentlic den heere van Mongtiny ende den grave van Egmondt, tot dien eynde by consente van de hertoghinne van Parma, doen ter tijt regente over deselve landen, by advijse van den Rade van State ende Generaliteyt, na Spaengien tot distincte reysen gesonden, mondelinge gedaen: ende dat ook den voorsz. Coninck van Spaengien deselve mondelinghe goede hope hadde ghegheven van, naevolgende haer versoeck, daerinne te versien, heeft ter contrarien corts daernaer by brieven scherpelick bevolen de voorsz. bisschoppen, op zijn indignatie, terstont t'onfangen ende te stellen in de possessie van heure bisdommen ende geincorporeerde abdyen, de inquisitie te werck te stellen daer se te vooren was, ende d'ordonnantie van het concilie van Trenten (die in vele poincten contrarieerden de privilegien van de voorsz. landen) t'achtervolgen. Twelck gekomen zijnde ter ooren van de ghemeynte, heeft met redenen oorsake ghegheven van een groote beroerte onder haer ende eenen aftreck van de goede affectie, die zy als goede ondersaten den voorsz. Coninck van Spaengien ende zijne voorsaten altijdt toeghedragen hadden, besonder aenmerckende dat hy niet alleenlick en sochte te tyranniseren over hunne personen ende goet, maer ooc over heure conscientien, waervan zy verstonden niemant, dan aen Godt alleene, ghehouden te wesen rekeninge te gheven oft te verantwoorden: waerdeur ende uut medelijden van de voorsz. ghemeynte, de principaelste van den adel van den lande hebben in den jare 1566 seker remonstrantie overghegheven, versoeckende dat, om de ghemeynte te stillen ende alle oproer te verhoeden, Zijne Majesteydt soude de voorsz. poincten, ende besonder nopende de rigoureuse ondersoeckinge ende straffe over de religie willen versoeten, daerinne thoonende de liefde ende affectie die hy tot zijne ondersaten, als een goedertieren Prince was draghende.
Ende om t'selfde al naerder ende met meerder authoriteyt den voorsz. Coninck van Spaegnien te kennen te gheven ende te verthoonen hoe nootelick het was voor het lants welvaren, ende om t'selfde te houden in ruste, sulcke nieuwicheden af te doen ende het rigeur van de contraventie van den placcate, op de saken van der religien gemaeckt, te versoeten, ter begeerte van de voorsz. Gouvernante, Rade van State ende van de Staten Generael van alle de landen, als ghesanten zijn nae Spaengnien gheschikt gheweest den Marckgrave van Berghen ende den voorsz. heere van Montigni in stede van dewelcke ghehoor te gheven ende te versiene op de inconvenienten die men voorghehouden hadde (die mits het uutstal van daerinne in tijts te remedieren so den noot uut heyschte, alreede onder de gemeynte meest in alle de landen begonst waren hen t'openbaren) heeft, door opruyen van den voorsz. Spaenschen Raedt, de persoonen, de voorsz. remonstrantie ghedaen hebbende, doen verclaren rebel ende schuldig van het crym van lesae Majestatis ende alsoo strafbaer in lijf ende goet: hebbende daerenboven de voorsz. heeren ghesanten namaels (meynende de voorsz. landen deur 't gheweldt van den Hertogh van Alve gheheelick gebrocht te hebben onder zijn subjectie ende tyrannye) tegens alle gemeyne rechten, oock onder de wreetste ende tyrannichste Princen altijt onverbrekelick onderhouden, doen vanghen, dooden ende heure goeden confisqueren.
Ende al wast alsoo dat meest de beroerte in dese voorsz. landen deur toedoen van de voorsz. regente ende heure adherenten in 't voorsz. jaer 1566 opghestaen, was gheslist, ende veele die de vryheyt des lants voorstonden, verjaeght, ende d'andere verdruct ende t'onder ghebrocht, soodat den Coninck egheen oorsake ter werelt meer en hadde, om de voorsz. landen met gewelt ende wapenen t'overvallen: nochtans om sulcken oorsake die den voorseyden Spaenschen Raet langhen tijdt ghesocht ende verwacht hadde (so opentlick de opgehouden ende gheintercipieerde brieven van den ambassadeur van Spaengien, Alana, in Vrankrijck wesende, aen de Herthoginne van Parma, doen ter tijt geschreven, dat uutwijsden) om te niet te mogen doen alle des landts privilegien, dat nae heuren wille by Spaengnaerden tyrannichlick te mogen gouverneren, als de Indien ende nieuwe geconquesteerde landen, heeft deur ingeven ende raedt van deselve Spaengnaerden (thoonende de cleyne affecktie die hy zijnen goeden ondersaten was toedraghende, contrarie van 't gene hy heur, als heur Prince, beschermer ende goede herder schuldigh was te doen) nae dese landen, om deselve t'overvallen, gheschickt met groote heyrcracht den Hertogh van Alva, vermaert van strafheyt ende crudelitett, een van de principale vyanden van deselve landen, verselschapt, om als Raden neffens hem te wesen, met persoonen van gelijcke natuere ende humeuren.
Ende al wast so dat hy hier in de landen sonder slach oft stoot is gecomen ende met alle reverentie ende eere is ontfanghen van de arme inghesetene, die niet en verwachten dan alle goedertierenheyt ende clementie, ghelijck den Coninck hen dickwils met zijne brieven gheveynsdelick hadde toegheseyt: jae dat hy selfs van meyninge was te comen in persoone, om in als tot ghenoeghe van eenen yeghelicken ordre te stellen: hebbende oock ten tijden van het vertreck van den Hertoghe van Alve nae dese landen een vlote van schepen in Spaegnien, om hem te voeren, ende een in Zeelant om hem tegens te comen, tot grooten excessiven coste van den lande doen toereeden, om zijne voorsz. ondersaten t'abuseren ende te beter in 't net te brengen: heeft niettemin den voorsz. Hertoghe van Alve terstont na zijn comste, wesende een vreemdelinck, ende niet van den bloede van den voorsz. Coninc, verclaert gehadt commissie van den Coninck te hebben van opperste Capiteyn, ende corts daernaer van Gouverneur Generael van den lande, teghens de privilegien ende oude hercomen desselfs. Ende openbarende ghenoegh zijn voornemen, heeft terstont de principale steden ende sloten met volcke beset, casteelen ende sterckten in de principaelste ende machtichste steden, om die te houden in subjectie, opgherecht, de principaelste heeren, onder 't decksel van heuren raet van doen te hebben ende te willen employeren in den dienst van den lande, uut last van den Coninck vriendelick ontboden: die hem gehoor ghegheven hebben, doen vanghen, tegens de previlegien uut Brabant, daer se ghevanghen waren, ghevoert, voor hem selven (niet wesende heuren competenten rechter) doen betichten, ten lesten, sonder hen volkomelick te horen, ter doot veroordeelt ende openbaerlick en schandelick doen dooden: d'andere, beter kennisse van de gheveynstheyt der Spaengaerden hebbende, hun uuten lande houdende, verclaert verbeurt te hebben lijf ende goet, voor sulcks hun goet aenveerdt ende gheconfisqueert, omdat de voorsz. arme inghesetene hun niet en souden, t'ware met hare stercten oft Princen die heure vryheyt souden moghen voorstaen, connen oft mogen teghens 't Paus geweld behelpen, behalvens noch ontallicke andere edelmans ende treffelicke borghers, die hy soo om den hals ghebrocht als verjaeght heeft, om hunne goeden te confisqueren. De reste van de goede inghesetene, boven den overlast die zy in heur wijfs, kinderen ende goeden leden, deur gemeyne Spaensche soldaten t'heuren huyse in gharnisoen ligghende, travaillerende met sovele diversche schattinghe, so mits heur bedwinghende tot gheldinghe tot de bouwinghe van de nieuwe casteelen ende forticicatie van de steden tot heure eyghen verdruckinghe, als met opbrenghen van honderste, twintighste ende thiende penninghen, tot betalinghe van den crijghslieden, so by hen medegebracht, als die hy hier te lande oplichte, om t'employeren tegens heur mede landtsaten en degene die het lants vryheyt met perijckel van heuren lijve aventuerden voor te staene, opdat, de voorsz. ondersaten verarmt wesende, egeen middel ter werelt en soude overblijven om zijn voornemen te beletten ende d'instrucktie, hem in Spaegnien gegeven, van het lant te trackteren als van nieuws geconquesteert, te beter te volbrenghen. Tot welcken eynde hy oock begonst heeft in de principale plaetsen d'ordre van justitie nae de maniere van Spaegnien (dierecktelick teghens de previlegien van den lande) te veranderen, nieuwe Raden te stellen ende ten lesten wesende buyten alle vreese, soo hem dochte, eenen thienden penninck fortselick willen oprechten op de coopmanschappen ende handtwercken, tot gantsche verderfenisse van den lande, gheheelick op de voorsz. coopmanschap ende handtwerck staende, nietthegenstaende menichvuldighe remonstrantien, by elck landt in 't particulier, ende oock by allegader in 't generael hem ter contrarien ghedaen: hetwelck hy oock met ghewelt soude volbracht hebben, ten ware gheweest dat deur toedoen van mijnen heere den Prince van Orangien ende diversche edelmans ende andere goede ingheborene, by den voorsz. Hertogh van Alve uuten lande gebannen, Zijne Vorst[elijke] G[enade] volgende ende meest in haren dienst wesende, ende andere inghesetene, wel gheaffectioneerde tot de vryheyt van het voorsz. vaderlant, Hollant ende Zeelandt corts daernaer niet meest en hadde hem afghevallen ende hun begeven onder de bescherminghe van den voorsz. heere Prince, tegens dewelcke twee landen den voorsz. Hertoge van Alve duerende zijn gouvernement, ende daernaer den groten Commandeur (die naer den voorsz. Hertogh van Alve, niet om te verbeteren, maer om denselven voet van tyrannie by bedeckter middelen te vervolghen, den voorsz. Coninck van Spaegnien hier te lande gheschickt hadde) hebben d'andere landen, die zy met heure garnisoenen ende opgerechte casteelen hielden in de Spaensche subjectie, bedwongen om heure persoonen ende alle heure macht te ghebruycken om die te helpen t'onderbrenghen, dies niet meer deselve landen, die zy tot heure assistentie als vooren emploeyeerde, verschoonende, dan oft se heur selfs vyanden waren gheweest: latende de Spaengnaerden, onder 't decksel van ghemutineert te zijne, ten aensien van den grooten Commandeur in de stadt van Antwerpen gheweldichlick comen, daer ses weken lanck, tot laste van de burgheren, nae hunne discretie teeren ende daerenboven tot betalinghe van heure gheheyschte soldije, dieselve borgheren bedwinghende binnen middelen tijden (omme van het gheweldt van deselve Spaegnaerden ontslaghen te wesen) vier hondert duysent guldenen op te brengen, hebbende daernaer de voorsz. Spaensche soldaten, meerder stouticheydt ghebruyckende, hen vervoordert de wapenen openbaerlick teghens het landt aen te nemen, meynende eerst de stadt van Bruessele inne te nemen ende in stede van d'ordinarise residentie van den Prince van den lande, daer wesende, aldaer haren roofnest te houden, t'welk haer niet gheluckende, hebben de stadt van Aelst overweldigtt, daernaer de stadt van Maestricht ende de voorsz. stadt van Antwerpen gheweldichlick overvallen, ghesaccageert, gepilleert, ghemoort, gebrant en soo getrackteert, dat de tyrannichste ende crueelste vyanden van den lande niet meer oft arger en souden connen doen, tot onuutsprekelicke schade niet alleenlick van de arme ingesetene, maer oock van meest allen de natien van der werelt, die aldaer hadden haer coopmanschap ende ghelt. Ende niettegenstaende dat de voorsz. Spaegnaerden by den Rade van State (by denwelcken doen ter tijt mits de doot van den voorsz. grooten Commandeur te voren geschiet, het gouvernement van den lande was uut laste ende commissie van den voorsz. Coninc van Spaegnien aenveert) ten byzijne van Hieronomo de Rhoda, om heur overlast, fortse ende gewelt, 'twelck zy deden, verclaert ende ghecondicht waren voor vyanden van den lande, heeft denselven Rhoda uut zijne authoriteydt (oft, soo 't te presumeren is, uut krachte van seker secrete instrucktie die hy van Spaegnien hebben mochte) aenghenomen hooft te wesen van de voorsz. Spaegnaerden ende heure adherenten: ende (sonder aensien van den voorsz. Raet van Staten) te gebruycken den naem ende authoriteyt van den Coninck, te conterfeyten zijnen zegel, hem openbaerlick te dragen als gouverneur ende lieutenant van den Coninck, waerdeur de Staten zijn geoorsaeckt geweest ten selven tijde met mijnen voorsz. heere den Prince ende de Staten van Hollant ende Zeelant t'accorderen:
welck accoort by den voorsz. Raede van State, als wettige gouverneurs van den lande, is gheapprobeert ende goetgevonden geweest, om gelijkerhant ende eendrachtelick de Spangnaerden, des ghemeynen landts vyanden, te moghen aenvechten ende uut den lande verdrijven, niet latende nochtans, als goede ondersaten, binnen middelen tijden by diversche ootmoedighe remonstrantien neffens den voorsz. Coninck van Spaegnien, met alder vlijt ende alle bequame middelen moghelick wesende, te vervolghen ende bidden, dat den Coninck ooge ende regardt nemende op de troublen ende inconvenienten, dier alrede in dese landen gheschiedt waren ende noch apparentelick stonden te gheschieden, soude willen de Spaegnaerden doen vertrecken uuten lande ende straffen degene die oorsake geweest hadden van het saccagheren ende bederven van zijne principale steden ende andere onuutsprekelicke overlasten die zijn arme ondersaten geleden hadden, tot een vertroostinge van degene dien t'overkomen was ende tot een exempel van andere:
maer den Coninck, al was 't, dat hy met woorden hem gheliet of teghens zijnen danke en wille t'selfde gheschiet was ende dat hy van meyninghe was te straffen de hoofden daeraf ende voortane op de ruste van den lande met alle goedertierenheydt (als een Prince toebehoordt) te willen ordre stellen, heeft nochtans niet alleenlick egheen justitie oft straffe over deselve doen doen, maer ter contrarien ghenoegh met der daet blijckende, dat met zijnen consente ende voorgaenden Raede van Spaegnien al gheschiedt was, is by opghehouden brieven corts daernaer bevonden, dat aen Rhoda ende andre capiteynen (oorsake van 't voorsz. quaet) by den Coninck selve gheschreven wort, dat hy niet alleenlick heur feyt goet vont, maer heur daeraf prees ende beloefde te recompenseeren, besondere den voorsz. Rhoda, als hem gedaen hebbende eenen sonderlinghen dienst, ghelijck hy hem oock tot zijnder wedercoomste in Spagnien ende alle andere (zijne dienaers van de voorsz. tyrannie in des landen gheweest hebbende) metter daet heeft bewesen. Heeft oock ten selven tijde (meynende des te meer d'oogen van de ondersaten te verblinden) den Coninck in dese landen gesonden voor gouverneur zijnen bastaerdtbroeder Don Johan van Oistenrijck, als wesende van zijnen bloede, diewelcke onder 't decksel van goet te vinden ende t'approberen d'accord tot Gent gemackt, het toeseggen van de Staten voor te staene, de Spaengaerden te doen vertrecken ende d'auteurs van de ghewelden ende desordren in dese voorsz. landen gheschiedt te doen straffen ende ordre op de ghemeyne ruste van den lande ende heur oude vryheyd te stellen, sochte de voorsz. Staten te scheyden ende d'een landt voor, d'ander naer t'onder te brenghen, soo corts daernaer door de ghehenghenisse Gods (vyand van alle tyrannie) ondeckt is door opghehouden en gheintercipieerde brieven, daerby bleeck dat hy van den Coninck last hadde om hem te reguleren na de instructie ende het bescheet dat hem Roda soude gheven, tot meerder gheveynsthedt verbiedende, dat se malcanderen niet en souden sien oft spreken ende dat hy hem soude neffens de principaele heeren minlick draghen ende deselve winnen, totter tijt toe dat hy deur heure middel ende assistentie soude mogen Hollant ende Zeelandt in zijn gewelt crijgen, om dan voorts metten anderen te doen na zijnen wille. Gelijc oock Don Johan, niettegenstaende hy de pacificatie van Gent ende seker accoord, tussen hem ende de Staten van alle de landen doen gemaeckt, hadde solempnelick in presentie van alle de voorsz. Staten belooft ende gesworen t'onderhouden, contrarie van dien alle middelen sochte om de Duytsche soldaten, die doen ter tijdt alle de principaelste stercten ende steden hadden in bewaernissen, deur middel van hunne colonellen, die hy hadde tot zijnen wille ende devotie, met groote beloften te winnen ende so deselve stercten ende steden te krijghen in zijn gheweldt, ghelijck hy den meestendeel alreede ghewonnen hadde ende de plaetsen hiel voor hem toeghedaen, om deur dien middel deghene die hen t'soecken souden willen maken, om den voorsz. heer Prince ende die van Hollandt ende Zeelandt oorloge te helpen aendoen, feytelick daertoe te bedwinghen ende also een straffer ende crueelder inlandtsche oorloge te verwecken, dan oyt te vooren hadde geweest, twelk (gelijck 't ghene dat geveynsdelick ende teghens de meyninge uutwendichlick gehandelt wort, niet langhe en can bedeckt blijven) uutbrekende eer hy volcomelick zijne intentie geeffectueert hadde, heeft t'selve nae zijn voornemen niet connen volbrengen, maer nochtans een nieuwe oorloghe in stede van vrede (daer hy hem t'zijner koemste af vanteerde) verweckt, noch jeghenwoordelick duerende.
Alle t'welck ons meer dan ghenoegh wettighe oorsake ghegeven heeft om den Coninck van Spaegnien te verlaten ende een ander machtigh ende goedertieren Prince, om de voorsz. landen te helpen beschermen en voor te staen, te versoecken, te meer dat in alsulcken desordre ende overlast de landen bat dan twintigh jaren van heuren Coning zijn verlaten geweest ende ghetrackteert niet als ondersaten, maer als vyanden, heur soeckende heur eyghen heer met cracht van wapenen t'onder te brengen, hebbende oock naer de aflijvicheydt van Don Johan deur den Baron van Selle, onder 't decksel van eenighe bequame middelen van accoorde voor te houdene, ghenoegh verclaert de Pacificatie van Gendt, die Don Johan uut zijnen naem besworen hadde, niet te willen advoyeren en alsoo daghelicks zwaerder conditien voorgheslaghen. Dien niettegenstaende hebben niet willen laten by schriftelijcke ende ootmoedighe remonstrantien, met intercessie van de principaelste Princen van Kerstenrijck sonder ophouden te versoecken met den voorsz. Coninck te reconcilieren ende accorderen, hebbende oock lestmael langhe tijdt onse Ghesanten ghehadt tot Colen, hopende aldaer, deur tusschenspreken van de Keyserlicke Majesteydt en de Keurvorsten die daer mede ghemoeyt waren, te verkrijghen eenen versekerden peys, met eenighe gracelicke vryheyt, besondere van der religie (de conscientie ende Godt principalic raeckende), maer hebben by experientie bevonden, dat wy met deselve remonstrantien ende handelinghen niet en consten yet van den Coninc verwerven, maer dat deselve handelingen ende communicatien alleenlick voorgheslaghen werden ende dienden om de landen onderlinghe twistich te maecken ende te doen scheyden d'een van den anderen, om des te gevoechelicker d'een voor ende d'ander naer t'onder brenghen ende heur eerste voornemen nu met alder rigeur teghens haer te werke te stellen: t'welck naederhant wel openbaerlick gebleken is by seker placcaet van proscriptien, by den Coninck laten uutgaen, by denwelcken wy ende alle de officiren ende ingesetene van de voorsz. geunieerde landen ende heure partye volgende (om ons tot meerder desperatie te brenghen, alomme odieus te makene, de trafficque ende handelinge te beletten) verclaert worden voor rebellen, en als sulcx verbeurt te hebben lijf ende goet, settende daerenboven op het lijf van den voorsz. heere Prince groote sommen van penninghen, soodat wy gantselick van alle middele van reconciliatie wanhopende ende oock van alle andere remedie ende secours verlaten wesende, hebben, volghende de wet der natueren, tot beschermenisse ende bewaernisse van onsen ende den andere landtsaten rechten, privilegien, oude hercomen ende vryheden van ons vaderlant, van het leven ende eere van onse huysvrouwen, kinderen ende nacomelingen, opdat se niet en souden vallen in de slavernye van de Spaegnaerden, verlatende met rechte den Coninc van Spaegnien, andere middelen bedwongen geweest voor te wenden, die wy tot onse meeste versekeringe ende bewaernisse van onse rechten, privilegien ende vryheden voorsz. hebben te rade gevonden.
Doen te wetene, dat wy t'gene voorsz. overgemerckt ende door den uutersten noot, als voore gedrongen zijnde, by gemeynen accoorde, deliberatie ende overdrage, den Coninc van Spaegnien verclaert hebben ende verclaren mits desen, ipso jure, vervallen van zijne heerschapye, gerechticheyt ende erffenisse van de voorsz. landen ende voortaene van egeene meyninghe te zijne denselven te kennen in eenige saken, den Prince, zijne hoocheyt, jurisdictie ende domeynen van dese voorsz. landen raeckende, zijnen naem als overheer meer te gebruycken oft by yemanden toelaten gebruyckt te worden, verclarende oock dien volghende alle officiers, justiciers, smale heeren, vassalen ende alle andere ingesetene van den voorsz. lande, van wat conditie oft qualiteyt die zijn, voortane ontslagen van den eede die zy den Coninck van Spaegnien, als heere van dese voorsz. landen gheweest hebbende, moghen eenichsins ghedaen hebben oft in hem ghehouden wesen.
Ende gemerckt uut oorsaken voorsz. den meestendeel van de geunieerde landen, by gemeynen accoorde ende consente van heure leden, hebben hun begheven ghehadt onder de heerschappye ende gouvernemente van den Doorluchtighen Prince den Hertogh van Anjou op seker conditien ende poincten, met Zijne Hoogheyt aenghegaen ende ghesloten, dat oock de Doorluchticheyt van den Eertzhertogh Matthias het gouvernement generael van den lande in onse handen heeft geresigneert ende by ons is geaccepteert gheweest, ordonneren ende bevelen allen justiciers, officiers ende andere die t'selfde eenichsins aengaen ende raken mag, dat zy voortaene den naem, titele, groote ende cleyne zeghelen, contre-zeghelen ende cachetten van den Coninck van Spaegnien verlaten ende niet meer en gebruycken en dat in plaetse van dien, soo langhe de Hoocheydt van den voorsz. Hertogh van Anjou, om noodelicke affairen, het welvaren van dese voorsz. landen rakende, noch van hier absent is (voor so vele den landen met de Hoogheyt van den voorsz. Hertogh van Anjou gecontrackteert hebbende aengaet) ende andersins d'andere by maniere van voorraet ende provisie sullen aennemen ende ghebruycken den tytele ende naem van 't hooft ende landtraet, en middelertijdt dat t'selve hooft ende Raeden volcomelik ende dadelick ghenoemt, beschreven ende in oeffeninghe van hennen staet ghetreden sullen zijn, onsen voorsz. name.
Welverstaende dat men in Hollandt ende Zeelant sal ghebruycken den naem van hoogh geboren Vorst den Prince van Oraengien ende de Staeten van deselven landen, totter tijt toe den voorsz. landtraedt datelick sal inghestelt wesen, en sullen hun alsdan reguleren achtervolghende de consenten, by hun-lieden, op de instrucktie van den lantraet ende contrackt, met Zijne Hoogheyt aengegaen, ende in plaetse van des voorsz. Conincks zeghelen, men voortaene gebruycken sal onsen grooten zeghel, contre-zeghel ende cachetten in saecken, raeckende de ghemeyne regeringhe, daertoe den landtraedt volghende heure instructie sal gheauthoriseert wesen: maer in saecken, raeckende politie, administratie van juistitie ende andere particuliere, in elck lant besondere, sal gebruyckt worden by de Provinciale ende andere Raden den naem ende titele ende zeghel van den lande respectivelick, daer t'selfde valt te doene, sonder ander, al op de pene van nulliteyt van de brieven, bescheeden oft depeschen, die contrarie van t'gene voorsz. is, ghedaen oft gheseghelt zullen wesen. Ende tot beter ende sekerder volcominghe ende effectuatie van t'gene voorsz. is, hebben gheordonneert ende bevolen, ordonneren ende bevelen mits desen, dat alle des Conincks van Spaegnien zeghelen, in dese voorsz. geunieerde landen wesende, terstont nae de publicatie van desen, ghebrocht sullen moeten worden in handen van de Staten van elcke van de voorsz. landen respecktivelick oft denghenen, die daertoe by deselve Staten specialick sullen wesen ghecommitteert ende geauthoriseert, op pene van arbitrale correcktie. Ordoneren ende bevelen daerenboven, dat voortaene in egeenderhande munte van de voorsz. gheunieerde landen sal gheslaghen worden den naem, titele ofte wapenen van den voorsz. Coninck van Spaegnien, maer alsulcken slagh ende forme als gheordonneert sal worden tot eenen nieuwen gouden ende silveren penninck met zijne ghedeelten. Ordoneren ende bevelen insghelijcks den president ende andere heeren van den Secreeten Raede, mitsgaders alle andere cantselers, presidenten ende heeren van den Raeden provinciael ende alle die presidenten oft eerste rekenmeesters ende andere van allen de rekenkameren, in de voorsz. landen respecktive wesende, ende alle andere officiers ende justiciers, dat zy (als heur voortaene ontslagen houdende van den eedt, die zy den Coninc van Spaegnien hebben respectivelic naer luyt heurer commissien gedaen) schuldich ende gehouden sullen wesen in handen van den Staten 's lants, daeronder zy respective resorteren, oft heur speciale gecommitteerde te doen eenen nieuwen eedt, daermede zy ons sweeren ghetrouwicheydt teghens den Coninck van Spaegnien ende allen zijne aenhanghers, al naervolghende het formulair, daerop by de Generale Staten gheraempt.
Ende sal men de voorsz. raeden, justiciers ende officiers, geseten onder de landen (met de Hoocheydt van den Hertogh van Anjou ghecontrackteerdt hebbende, van onsent wegen) gheven ackte van continuatie in hunne offitien, ende dat by maniere van provisie, totter aencompste toe van zijne voorsz. Hoogheyt, in plaetse van nieuwe commissien, inhoudende cassatie van heure voorgaende, ende voorsz. raeden, justiciers ende officiers, gheseten in den landen, met zijne voorseyde Hoogheyt niet ghecontrackteert hebbende, nieuwe commissien onder onsen naem ende zeghel, ten ware nochtans dat d'impetranten van heure voorsz. eerste commissien wedersproken ende achterhaelt werden van contraventie der previlegien des landts, onbehoorlickheyt oft ander diergelijcke saecken.
Ontbieden voorts den president ende luyden van den Secreten Raede, cancelier van den Hertoghdomme van Brabandt, mitsgaders den cantseler van den Furstendomme Gelre ende Graeffschap Zutphen, (president ende luyden van den Raede in Vlaenderen), president ende luyden van den Raede in Hollant, rentmeesteren oft de hooghe officieren van Beoist- ende Bewesterschelt van Zeelant, president ende Raede in Vrieslant, den schoutet van Mechelen, president ende luyden van den Raede van Utrecht ende allen anderen iusticieren ende officieren wien dat aengaen mach, heuren stedehouderen ende eenen yeghelicken van henlieden besondere, soo hem toebehooren sal, dat zy dese onse ordonnantie condighen ende uutroepen over alle den bedrijve van heure jurisdictie ende daer men is gewoonlick publicatie ende uutroepinge te doene, sodat niemant des cause van ignorantie pretenderen en mach, ende deselve ordonnantie doen onderhouden ende achtervolghen onverbrekelick ende sonder infracktie, daertoe rigoreuselick bedwinghende die overtreders in der manieren voorsz. sonder verdrach oft dissimulatie: want wy tot welvaren van den lande also hebben bevonden te behooren. Ende van des te doene ende wes daeraen cleeft, gheven wy u ende elcken van u die 't aengaen mach, volcomen macht, authoriteydt ende sonderlingh bevel.
Des t'oorconde hebben wy onsen zegel hieraen doen hanghen.
Ghegheven in onse vergaderinghe in 's Gravenhaghe, den sessentwintichsten Julij MDLXXXI.
Op de plijcke stont gheschreven: Ter ordonnantie van de voornoemde Staten.
Ende ghetekent, J. van Asseliers.
Tractaet van vrede, beslooten den dertichsten Ianuarij deses jegenwoordighen Iaers sesthien hondert en acht en veertich binnen de stadt Munster in Westphalen, tussen den Doorluchtichsten en Grootmachtigen Prince Phillips de vierde van dien naem, Coninck van Hispanien, &c. ter eenre, ende de Hoogh Moogende Heeren Staten Generael vande Geunieerde Nederlanden, ter andere zijde.
Artikel 3.
Een ijgelick sal behouden en datelich gebruijcken de Landschappen, Steden, plaetsen, Landen ende Heerlicheden, die hij tegenwoordich hout en besith, sonder daerin getroubleert oft geleth te worden, directelick noch indirectelick, in wat manieren dat het zij, daer onder men verstaet te begrijpen de Vlecken, Dorpen, Gehuchten, en platte Landen, die daer van dependeren; Ende sullen dien volgens de geheele Meijerie van
's Hertogenbosch, als mede alle de Heerlicheden, Steden, Castelen, Vlecken, Dorpen, Gehuchten, en platte Landen, dependerende vande voors. Stadt ende Meijerie van 's Hertogenbosch, Stadt en Marquisaet van Bergen op Zoom, Stadt ende Baroninie van Breda, Stad van Maestricht, 't ressort vandien, als oock het Graeffschap vanden Vroonhoff, de Stadt Grave en Land vanCuijck, Hulst, Baillage van Hulst en Hulster Ambacht, als oock Axele Ambacht, gelegen besuyden ende benoorden de Geule, mitgaders de Forten die de gemelte Heeren Staten jegenwoordich inhebben int Land van Waes, ende alle andere Steden en plaetsen dewelcke de gedachte Heeren Staten houden in Brabant, Vlaenderen en elders, blijven aende voors. Heeren Staten in alle ende deselve rechten en delen van Souverainiteit en superioriteit niet uijtgesondert, en even gelijck als zij sijn houdende de Provincien vande Vereenichde Nederlanden. Welverstaende dat alle de reste van't Land van Waes, uijtgenomen de voors. Forten, sal blijven aenden Coninck van Spagnien. Wat aengaet de drie Quartieren van Over Maze, te weten Valckenburch, Dalem en 's Hertogen Rade, deselve sullen blijven inden Staet in dewelcke die sich jegenwoordich vinden; Ende in cas can dispute en controversie, sal deselve gerenvoijeert worden aende Chambre mi partie, daer van hier na wort gesproocken, omme aldaer te worden gedecideert.
Artikel 21.
Daer sullen ten wederzijden eenige rechters in gelijck getal worden gecommitteert bij forme van Chambre mi partie, die hunne residentie sullen houden inde Nederlanden, en op alsulcke plaetsen als gehoren sal, ende sulcx bij beurten,dan onder het gebied van d'eene dan van d'andere, na dat sulcx bij onderlinge bewilliginge sal goet gevonden worden, welcke wederzijts gestelde Rechters, volgens de Commissie en Instructie hun te geven, en op dewelcke sij sullen Eedt doen, volgens seecker formunier daer toe ten wederzijden te arrestereren, sullen opsicht nemen over de handelinge der Ingesetenen der voors. Nederlanden, en de lasten en jmpolitien die ter eenre en ter andere zijde geheven sullen worden opde Coopmanschappen; Ende indien de voornoemde Rechters comen te bevinden dat daerin te eenre, ofte ter andere, ofte wel ten beijden zijden ecxes werde begaen, sullen 't selve ecxes reguleren en modereren. Voorts sullen de voors. Rechters examineren de questien over de non executie van het Tractaet als oock de contraventien vandien, die in tijden ende wijlen souden mogen comen te rijsen, soo inde Landen van Herwaerts over, als oock inde verre affgelegen Coninckrijcken, Landen, Provincien en Eijlanden in Europa, en daerop samnarie en de plans disponeren ende uijtspreecken 't geene zij in conformiteit van het Tractaet bevinden sullen te behooren; Ende sullen de Sentencien en dispositie vande voors. Rechters ter executie worden gestelt, door de ordinaris Justitie ter plaetse alwaer de con-traventie is geschiet, ofte wel jegens de persoonen vande contra-venteurs, nae dat sulcx naer gelegenthuijt sal worden gerequireert; Ende en sal de voornoemde ordinaris Justitie in geen gebreecke mogen blijven de vornoemde executie te doen, off te laten geschieden, en de contraventie te repareren binnen den tijt van ses maenden, naer dat de voors. ordinaris Justitie daer toe sal wesen versocht. (...)
Bron: Wikisource, Vrede van Münster
Charles, par la divine clémence Empereur de Romains toujours auguste, Roy de Germanie, de Castille, de Léon, de Grenade, d'Aragon etc.
Sçavoir faisons à tous présents et advenir, que comme nous ayons tousjours soigneusement et curieusement veillé à tout ce que a concerné le bien, repos et tranquillité de nos Pays de pardeçà, et pourveu non seulement à ce que nous sembloit nécessaire pour le présent, mais aussi aux choses à l'advenir, afin que nosdits Pays fussent tant mieux régis, gouvernez et conservez en leur entier, et estant nostre intention de tousjours faire le mesme envers iceux avec touts convenables moyens qui se pourront offrir, nous avons considéré qu'il importoit grandement à nosdits Pays pour l'entière seureté et establissement d'iceux, que pour l'advenir ils demeurassent tousjours soubs un mesme Prince, pour les tenir en une masse, bien connoissant que, venans à tomber en diverses mains par droict de succession héréditaire, ce seroit l'évidante éversion et ruine d'iceux, d'autant qu'ils se trouveroient démembréz et séparéz les uns des autres, et par conséquent leurs forces effoiblies et diminuées, dont leurs voisins pourroint estre tant plus animez de les molester, à quoy seroit obvyé, moyennant que nosdits Pays fussent tousjours possedez par un seul Prince et tenus en une masse, ce que pour les respects susdits et plusieurs autres avons trouvé grandement convenir au bien de touts Pays, l'ayant ainsi fait prosperer aux Estats d'iceux et jointement leur déclarer que pour introduire ce que dessus il seroit requis de rendre uniformes les coustumes, parlans et disposans diversement du droit et (l. de) représentation, laquelle comme entendons n'auroit lieu en aucuns de nosdits Pays, si comme Flandres, Artois, Haynau et aucuns autres, et statuer pour loy et décret irrévocable, que dores-en-avant représentation auroit lieu en touts nosdits Pays, en ce que attouche la succession du Prince, requérant ausdits Estats de le vouloir consentir, à quoy iceux Estats après plusieurs assemblées et convocations sur ce tenues, chacun en son endroit, se sont unanimement et volontairement condescendus, mesmes ont fait instance devers nous, que voulussions introduire ladite loy pragmatique, sans par ce attoucher à ce que concerne la succession des particuliers subjects de pardeçà, et demeurans quant à iceux les coustumes des Pays chacun en droit soy en leur entier, pour ce est-il, que, les choses dessus dites considerées, désirant sur toutes choses pourveoir et donner ordre si avant qu'en nous est, au bien, repos et tranquillité de nosdits Pays de pardeçà et conserver iceux en une masse et qu'ils soyent inséparablement possessez par un seul prince pour les causes avant dittes, l'ayant premier fait consulter aux principaux consaulx de nosdits Pays de pardeça lesquels ont trouvé ladite pragmatique non seulement raisonnable, mais aussi utile et très-nécessaire à la Republicque de nosdits Pays, nous à grande et meure délibération, par l'advis de nostre tres-chère et très-sauvée seur, la Reyne Douagière de Hongrie, de Bohême etc. pour nous Régente et Gouvernante en nosdits Pays de pardeça, des Princes de nostre sang, chevaliers de nostre ordre, chefs, présidens et gens de nos consaulx d'estat, privé et des finances, et avons, du consentement et à la requisition desdits Estats de nosdits Pays de pardeça, de nostre certaine science, authorité et puissance absolute que nos compète ou compéter peut, tant en qualité d'empereur qu'autrement, comme estant respectivement souverain Prince et seigneur desdits Pays, ordonné, statué et décreté, ordonnons, statuons et décretons pour loy perpétuelle et irrévocable par ces présentes, que dores-en-avant en tous nosdits Pays patrimoniaux et héréditaires d'embas et de Bourgoigne, représentation en matière de succession soit de masles ou femelles, estans selon les anciennes coustumes, droit et privilèges de nosdits Pays bas, capables à succeder, ait et aura lieu en ce que touche la succession du Prince ou Princesse d'iceux Pays, tant en ligne directe que transversalle et jusques au nombre infiny, nonobstant toutes coustumes d'aucuns de nos pays à ce contraires, disposans que représentation ne doit avoir lieu: ausquelles pour les causes et considérations susdites, avons de nostre dite authorité et plénière puissance dérogué, déroguons par cesdites présentes, en ce que pourra cy après toucher la succesion du prince desdits pays.
Veuillant néanmoins que les coustumes parlant dudit droit de représentation ayent lieu et demeurent en leur force et vigeur au regard de nos vassaux et subjects particuliers d'iceux pays, et qu'elles soyent entretenues et observées comme du passé, si donnons en mandement ausdits de nos consaux d'estat et privé, président et gens de nostre grand conseil, chancellier et gens de nostre conseil de Brabant, gouverneur, président et gens de nostre conseil à Luxembourg, gouverneur, chancellier et gens de nostre conseil en Gueldres, gouverneur de Limbourg, Faulquemont, Daelhem et d'autres nos pays d'Outremeuse, gouverneur, présidents et gens de nos consaulx en Flandres et Arthois, président et gens tenant nostre court de parlement à Dole, grand baillay de Haynau et gens de nostre conseil à Mons en Haynau, gouverneur et gens de nostre conseil en Hollande, gouverneur, président et gens de nostre conseil en Namur, gouverneur, président et gens de nostre conseil en Frize, gouverneur d'Overyssel et Groeninghe, gouverneur, président et gens de nostre conseil à Uytrecht, gouverneur de Lille, Douay et Orchies, présidents et gens de nos chambres des comptes à Lille, à Bruxelles, à la Haye, prévost le comte à Valenciennes, rentmestres de Bewest et Beoisterschelt en Zelande, escouteth de Malines et à tous autres nos justiciers, serviteurs, vassaux et subjects présens et advenir et chacun d'eux en son regard, que cette nostre présente ordonnance, statut, décret et pragmatique, ils entretiennent et observent et fassent entretenir et observer inviolablement et à tousjours pour loy perpétuelle et irrévocable, en procédant par ceux de nos cours souverains de pardeça et desdits de nos comtes à Lille, à Bruxelles et la Haye, à l'interienement de sesdites présentes et les faisant enregistrer pour l'entier accomplissement d'icelles au temps advenir.
Car ainsi nous plaist-il et voulons estre fait.
Et afin que ce soit chose ferme et stable à tousjours, nous avons signé sesdites présentes de nostre nom, et à icelles fait mettre noste seel. Donné en nostre ville de Bruxelles au mois de Novembre l'an de grace 1549, de nostre Empire le 30 et de nos Règnes de Castille et autres le 34.
Signé Charles.
Traité d’accord définitif entre S. M. Impériale & Royale Apostolique & L. H. P. les Seigneurs États-Généraux des Provinces-Unies; Signé à Fontainebleau le 8. Nov. 1785.
Art. XVIII.
Leurs Hautes-Puissances cédent à S. M. Imp. le Ban d’Aulne, situé dans le Pays de Dahlem & ses Dépendances, la Seigneurie ou Chef-Ban de Blegny-le-Trembleur avec Saint-André, le Ban & Seigneurie de Teneur, le Ban & Seigneurie de Bombaye, la Ville & le Château de Dahlem avec les Appartenances & Dépendances, excepté Oost & Cadier.
Art. XIX.
En échange des Cessions mentionnées dans l’Article XVIII, Sa Maj. Imp. cède à L. H. P. les Seigneuries de Vieux-Fauquemont, Schin sur la Geule, Strucht, avec leurs Appartenances & Dépendances, la Seigneurie de Schaesberg avec ses Dépendances, l’Enclave du Fauquemont-Autrichien dans la quelle est situé le Couvent de St. Gerlach, qui sera transféré ailleurs sous la domination de Sa Maj. Imp. & les Villages d’Obbicht & papenhoven avec leurs Dépendances, situés dans la Gueldre-Autrichienne. Sa Maj. renonce au surplus à ses prétentions sur la partie du Village de Schimmert nommé les Bies, avec la partie de ce District, qui a toujours fourni & qui fornit encore son Contingent dans les Pétitions de L. H. Puissances, y compris les 40. Bonniers de terre environ, réclamés par ceux du Village de Nuth. Sa Maj. Imp. renonce de même à ses prétentions sur les parties de Bruyères & de Terres, réclamées du côté de Heerlen, par ceux d’Ubach, de Brontsen, & de Simpelvelt, sous la réserve néanmoins, que les Sujets de Sa Maj. Imp. auront la communication libre & affranchie de tous les Droits de Péage, Barrières ou autres quelconques, par la partie du grand-chemin, qui passe le long des Limites du Ban de Kerkenraadt comme également les Sujets de L. H. P. conserveront lan communication libre & affranchie par le reste du Chemin jusq’au Pays de Ter-Heyde.
Art. XX.
Les Etats-Généraux s’étant prêtés au défir, que S. M. Imp. leur a té,oigné d’avoir les Forts de Lillo & de Liefkenshoeck dans l’état où ils de trouvent, Sa Maj. Impériale, voulant leur donner une preuve réciproques de son amitié, leur cède & abandonne tous les Droits, qu’Elle a pu former sur les Villages dits de Rédemption, excepté Falais, Argenteau & Hermal; L. H. P. se dessistant de leur côté de tous Droits & prétentions sur ces trois Villages, & s’engageant à n’y lever aucun Impôts en Deniers de Rédemption; de même que S. M. Imp. s’engage réciproquement à n’en lever aucuns sur les autres Villages de Rédemption, ainsi que sur les bans de St. servais, cédés aux Etats-Généraux.
Art. XXI
Il sera libre aux Sujets respectifs de se retirer des Pays, qui viennent d’être cédés réciproquement; & ceux, qui y resteront jouiront du libre exercice de leur Religion; Les
deux Puissances pourvoiront, respectivement à la compétence & à l’entretien des Desservans de leurs Eglises.
Art. XXII
Leurs Hautes-Puissances cèdebt & abandonnent à Sa Majesté Impériale tous leurs Droits sur le Village de Berneau, situé au Pays de Dahlem, & qui étoient restés indivis par le Partage du Pays d’Outremeuse, de l’an 1661.
Art. XXIII.
Sa Maj. Imp. cède & abandonne en retour à L. P. H. tous les Droits sur le Village d’Elsloe, situé au Pays de Fauquemont, & qui étoient également restés indivis par le même Partage.
(...)
Fait à Fontainebleau le 8. Novembre 1785.
Alsoo t'zedert den gemaeckten vreede tusschen den Heer Coninck van Hispanien ter eenre ende de Heeren Staten Generael der Vereenichde Nederlanden ter anderen zijde verscheijden differenten ende verschillen zijn geresen ende ontstaen nopende de souverainiteijt ende het absolut gesach over de landen van Valckenburch, Dalem ende s'Hertogenrade, Overmaze, (...)
Ende daerop de partagie selve van de voorschreve drie landen par Ie menu zijnde ter handt genomen ende daerover oock, soo op de manier ende forme als op de ingredienten ende parthijen selve, verscheijden voorslagen ende conventien zijnde voorgegaen, meenichvuldige conferentien gehouden, staten van de balancen ende contrabalancen hinc inde geextradeert, ende daernae noch weder getreden tot een minnelicke ende amicabele conferentie, wij ambassadeur ende commissarissen voornoemt, eijndelick oock op de verdeelinge van de voors. drie landen par Ie menu ende stuck voor stuck onderlinge zijn geaccordeert ende verdragen, in manieren hiernae volgende.
Namentlick dat hoochstgemelten Heer Coninck in vollen vrijen eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sa! hebben, houden ende besitten, eeuwichlick ende erffelick, voor hem en zijne nacomelingen, uijt den voors. lande van Valckenburch de heerlijcheden ende dorpen van Nutt, Alt Valckenburch, Strucht, Schin op de Geul, het huijs Oost op de Geul, Wijnantsrade, Geleen, Schinnen, Spaubeecq, Oorsbeeck, Jabeeck, Bronssem, Schinvelt, Hoensbroeck, Vaesrade ende Schaesberch; voorbehoudens dat den ordinarisen wegh van Heerle, lopende midden door de jurisdictie ende over het territoir van de voorschreve heerlijcheijt van Schaesberch, geextendeert ter breedte van een roede landts van wederzijden buijten den voors. wegh (soo ende daer denselven jegenwoordich loopt), sonder eenige reserve ende buijten alle bedenckelicke bekommeringen, servituten ofte belastingen, met een volcomen recht van eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sa! blijven aen meer hoochgemelte Heeren Staten Generael, met dien verstande nochtans, dat den grondt van de voors. twee roeden wederzijts den voors. wech sal verblijven aen de eijgenaers van dien ende dat oock de op ende ingesetenen van de voors. heerlijcheijt van Schaesbergh den voors. wegh tot op s'Hertogenrade ende den Rijcxbodem ende oock tor Heerle toe sonder eenige becommeringe ende belastinge als boven sullen mogen blijven gebruijcken; met alle de gehuchten, ressorten, jurisdictien, gerechticheden, leenen, vasallagien, beeden, domeijnen ende andere regalien ofte revenuen daertoe specterende, van wat natuijr ende hoedanich oock deselve souden mogen zijn genoemt, mitsgaders alle de appendentien ende dependentien van dien, tot alle de voorschreve heerlijcheden specterende, mitsgaders oock het clooster ofte convent van Sint Geerlach binnen zijne muijren, met vrijheijt van alle de goederen, opcomsten ende revenuen die tegenwoordigh daertoe specteren, waer oock deselve souden mogen gelegen zijn. Dat oock van de leenen, releverende van den casteele van Valckenburch, sullen werden gedetascheert ende ten behoeve van hoochstgemelten Heer Coninck blijven de buijtenleenen hiernaer gespecificeert, te weeten: den abtshoff van Godtsdael tot Munster Geleijn, het dorp van Sint Maertenvoeren, het huijs ende casteel van Wolffsrade, de thienden van Reijmersdael, den hoff van Conrade, de heerlijcke goederen ende thienden van Teuven in het hertochdom van Limburgh, de heerlijcheijt ende het huijs van Limbricht, de molen tot Schertsheel bij Aecken, den hoff ende molen tot Susterseel, het leenhoff van de Seventhien Mannen tot Sombreff, het veer tot Stockum, de heerlijcheijt van Vissersweert, den hoff genaemt Langhvelt in het landt van Limburch ende het leen van Reijmerstock.
Dat van gelijcken den hoochstgemelten Heer Coninck uijt den lande van Daelem in vollen vrijen eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sa! hebben, houden ende besitten, eeuwichlick ende erffelick, voor hem ende sijne nacomelingen, de bancken, heerlijcheden ende dorpen van s'Gravenvoorn, Meer, Noorbeeck, Warsage, Moulingen, Sint Maertensvoeren, Aubel, Cheratte, Neufschasteau, Mortier, Hous ende Richel, met alle de gehuchten, ressorten, jurisdictien, gerechticheden, leenen, vasallagien, beeden, domeijnen ende andere regalien ofte revenuen daertoe specterende, van wat natuijr ende hoedanich oock deselve souden mogen sijn genoemt, mitsgaders alle de appendentien ende dependentien van dien.
Eijndelick dat hoochstgemelten Heere Coninck uijt den lande van s'Hertogenrade in gelijcken vollen vrijen eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sa! hebben, houden ende besitten eeuwichlick ende erffelick, voor hem ende zijne naecomelingen als vooren, het casteel ende de stadt van s'Hertogenrade ende voorrs de bancken, heerlijcheden ende dorpen van Marcksteijn, Kerckenrade, Ubach, Simpelvelt, Wels en Roerdorp, met alle de gehuchten, ressorten, jurisdictien, gerechticheden, leenen, vassallagien, beeden, domeijnen ende andere regalien ofte revenuen daertoe specterende, van wat natuijr ende hoedanich oock deselve souden mogen sijn genoemt, mitsgaders alle appendentien ende dependentien van dien, specialick oock daerin begrepen alle de verdere leenen buijten s'landts gelegen ende tot den voors. casteele gehoorende.
Dat oock meer hoochgemelte Heeren Staten Generael in vollen vrijen eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sullen hebben, houden ende besitten, eeuwichlick ende erffelick, voor haer ende hare nacomelingen, uijt den voorschreve lande van Valckenborch het casteel ende de stadt van Valckenburch ende voorts de bancken, heerlijcheden ende dorpen van Meerssen, Houthem, Haren, Geul, Ulestraten, Bunde, Ambij, Itteren, Climmen, Hulsbergh, Schummert, Eijsden, Herckenrade, Ekelrade, Beeck, Neerbeeck, Bergh, Bemelen, Blijt ende Heerle, alsoock den ordinarisen wech van Heerle, lopende midden door de jurisdictie ende over het territoir van de heerlijcheijt van Schaesbergh, geextendeert ter breedte van een roede landts van wederzijden buijten den voorschreven wegh ( soo ende daer denselven jegenwoordich loopt), sonder eenige reserve ende buijten alle bedenckelijcke becommeringen, servituten ofte belastingen, hoedanich oock deselve souden mogen sijn genoemt; met alle de gehuchten, ressorten, jurisdictien, gerechticheden, leenen, vassallagien, beeden, domeijnen ende andere regalien ofte revenuen, van wat natuijr ende hoedanich oock deselve souden mogen zijn genoemt, tot de voors. heerlijcheden specterende, mitsgaders alle de appendenrien ende dependentien van dien. Dat oock van de leenen, releverende van den voors. casteele van Valckenburch, ten behoeve van hoochgemelte Heeren Staten Generael aen deselven sullen blijven geattacheert de buijtenleenen van Hurt, Mesch, Leuth, de Witte Poort van Steijn, de adelijcke sate ende hove rot Eijsch, den grooten ende cleijnen Blanckenburch tot Cadier, de goederen onder Reccum gelegen, de veeren over de Maze tot Reccum ende Geul, het leen tot Bilsen genaemt het Mangelt, de goederen gelegen tot Udickhoven, den Eijscherbosch gelegen bij Sint Geertruijen, ende het leen Bruijsterbosch.
Dat van gelijcken de meer hoochgemelte Heeren Staten Generael uijt den lande van Daelem in vollen vrijen eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sullen hebben, houden ende besitten, eeuwichlick ende erffelick, voor haer ende hare naecomelingen, het casteel ende de stadt van Daelem ende voorts de bancken, heerlijcheden ende dorpen van Trembleur, Olne, Bombaij, Fenneur, Cadier ende Oest, met alle de gehuchten, ressorten, jurisdictien, gerechticheden, leenen, vassallagien, beeden, domeijnen ende andere regalien ofte revenuen, van wat natuijr ende hoedanich oock deselve souden mogen sijn genoemt, daertoe specterende, mitsgaders alle de appendentien ende dependentien van dien, specialick daer oock inbegrepen alle de leenen buijten s'landts gelegen, bestaende in heerlijcheden, dorpen, hoven ende andere goederen, aen het voors. casteel behoorende.
Ende eijndelickdat de meer hoochgemelte Heeren Staten Generael uijt den lande van s'Hertogenrade in vollen vrijen eijgendom, superioriteijt ende souverainiteijt sullen hebben, houden ende besitten, eeuwichlick ende erffelick, voor haer ende hare nacomelingen , de bancken, heerlicheden ende dorpen van Gulpen, Marckgraten, Holseth, Vijlen ende Vaels, met alle de gehuchten, ressorten, jurisdictien, gerechticheden, leenen, vassallagien, beeden, domeijnen ende andere regalien ofte revenuen, van wat natuijr ende hoedanich oock deselve souden mogen sijn genoemt, daertoe specterende, mitsgaders alle de appendenrien ende dependentien van dien. (...)
Des ten oirkonde hebben wij ambassadeur ende commissarissen deselve articulen, pointen ende conditien met onse eijgene handen onderteeckent ende met onse respective cachetten doen bevestigen, in den Hage den sessentwintichsten December XVIC een entsestich.
Traité d’accord définitif entre S. M. Impériale & Royale Apostolique & L. H. P. les Seigneurs États-Généraux des Provinces-Unies; Signé à Fontainebleau le 8. Nov. 1785.
Art. XVIII.
Leurs Hautes-Puissances cédent à S. M. Imp. le Ban d’Aulne, situé dans le Pays de Dahlem & ses Dépendances, la Seigneurie ou Chef-Ban de Blegny-le-Trembleur avec Saint-André, le Ban & Seigneurie de Teneur, le Ban & Seigneurie de Bombaye, la Ville & le Château de Dahlem avec les Appartenances & Dépendances, excepté Oost & Cadier.
Art. XIX.
En échange des Cessions mentionnées dans l’Article XVIII, Sa Maj. Imp. cède à L. H. P. les Seigneuries de Vieux-Fauquemont, Schin sur la Geule, Strucht, avec leurs Appartenances & Dépendances, la Seigneurie de Schaesberg avec ses Dépendances, l’Enclave du Fauquemont-Autrichien dans la quelle est situé le Couvent de St. Gerlach, qui sera transféré ailleurs sous la domination de Sa Maj. Imp. & les Villages d’Obbicht & papenhoven avec leurs Dépendances, situés dans la Gueldre-Autrichienne. Sa Maj. renonce au surplus à ses prétentions sur la partie du Village de Schimmert nommé les Bies, avec la partie de ce District, qui a toujours fourni & qui fornit encore son Contingent dans les Pétitions de L. H. Puissances, y compris les 40. Bonniers de terre environ, réclamés par ceux du Village de Nuth. Sa Maj. Imp. renonce de même à ses prétentions sur les parties de Bruyères & de Terres, réclamées du côté de Heerlen, par ceux d’Ubach, de Brontsen, & de Simpelvelt, sous la réserve néanmoins, que les Sujets de Sa Maj. Imp. auront la communication libre & affranchie de tous les Droits de Péage, Barrières ou autres quelconques, par la partie du grand-chemin, qui passe le long des Limites du Ban de Kerkenraadt comme également les Sujets de L. H. P. conserveront lan communication libre & affranchie par le reste du Chemin jusq’au Pays de Ter-Heyde.
Art. XX.
Les Etats-Généraux s’étant prêtés au défir, que S. M. Imp. leur a té,oigné d’avoir les Forts de Lillo & de Liefkenshoeck dans l’état où ils de trouvent, Sa Maj. Impériale, voulant leur donner une preuve réciproques de son amitié, leur cède & abandonne tous les Droits, qu’Elle a pu former sur les Villages dits de Rédemption, excepté Falais, Argenteau & Hermal; L. H. P. se dessistant de leur côté de tous Droits & prétentions sur ces trois Villages, & s’engageant à n’y lever aucun Impôts en Deniers de Rédemption; de même que S. M. Imp. s’engage réciproquement à n’en lever aucuns sur les autres Villages de Rédemption, ainsi que sur les bans de St. servais, cédés aux Etats-Généraux.
Art. XXI
Il sera libre aux Sujets respectifs de se retirer des Pays, qui viennent d’être cédés réciproquement; & ceux, qui y resteront jouiront du libre exercice de leur Religion; Les
deux Puissances pourvoiront, respectivement à la compétence & à l’entretien des Desservans de leurs Eglises.
Art. XXII
Leurs Hautes-Puissances cèdebt & abandonnent à Sa Majesté Impériale tous leurs Droits sur le Village de Berneau, situé au Pays de Dahlem, & qui étoient restés indivis par le Partage du Pays d’Outremeuse, de l’an 1661.
Art. XXIII.
Sa Maj. Imp. cède & abandonne en retour à L. P. H. tous les Droits sur le Village d’Elsloe, situé au Pays de Fauquemont, & qui étoient également restés indivis par le même Partage.
(...)
Fait à Fontainebleau le 8. Novembre 1785.
Traité de Vienne (1815) - Articles 65 à 73
Article 65. Royaume des Pays-Bas[
Les anciennes Provinces-Unies des Pays-Bas et les ci-devant Provinces Belgiques, les unes et les autres dans les limites fixées par l'article suivant, formeront, conjointement avec les pays et territoires désignés dans le même article, sous la souveraineté de S. A. R. le Prince d'Orange-Nassau, Prince Souverain des Provinces-Unies, le Royaume des Pays-Bas, héréditaire dans l'ordre de succession déjà établi par l'acte de constitution desdites Provinces Unies. Le titre et les prérogatives de la dignité royale sont reconnus par toutes les Puissances dans la Maison d'Orange-Nassau.
Article 66. Limites du royaume des Pays-Bas
La ligne comprenant les territoires qui composeront le Royaume des Pays-Bas, est déterminée de la manière suivante : elle part de la mer, et s'étend le long des frontières de la France du côté des Pays-Bas, telles qu'elles ont été rectifiées et fixées par l'article 3 du Traité de Paris du 30 mai 1814, jusqu'à la Meuse, et ensuite le long des mêmes frontières jusqu'aux anciennes limites du Duché de Luxembourg ; de là elle suit la direction des limites entre ce Duché et l'ancien Évêché de Liège, jusqu'à ce qu'elle rencontre (au midi de Deiffelt) les limites occidentales de ce canton et de celui de Malmedi, jusqu'au point où cette dernière atteint les limites entre les anciens départements de l'Ourthe et de la Roer ; elle longe ensuite ces limites jusqu'à ce qu'elle touche à celles du canton ci-devant français d'Eupen dans le Duché de Limbourg, et en suivant la limite occidentale de ce canton dans la direction du nord, laissant à droite une petite partie du ci-devant canton français d'Aubel, se joint au point de contact des trois anciens départements de l'Ourthe, de la Meuse Inférieure et de la Roer ; en partant de ce point, la ligne suit celle qui sépare ces deux derniers départements jusque là où elle touche à la Worm (rivière ayant son embouchure dans la Roer), et longe cette rivière jusqu'au point où elle atteint de nouveau la limite de ces deux départements, poursuit cette limite jusqu'au midi de Hillensberg (ancien département de la Roer), remonte de là vers le nord, et, laissant Hillensberg à droite, et coupant le canton de Sittard en deux parties à peu près égales, de manière que Sittard et Susteren restent à gauche, arrive à l'ancien territoire Hollandais ; puis laissant ce territoire à gauche, elle en suit la frontière orientale jusqu'au point où celle-ci touche à l'ancienne Principauté autrichienne de Gueldres, du côté de Ruremonde, et, se dirigeant vers le point le plus oriental du territoire Hollandais au nord de Schwalmen, continue à embrasser ce territoire.
Enfin elle va joindre, en partant du point le plus oriental, cette autre partie du territoire hollandais où se trouve Venloo ; elle renfermera cette ville et son territoire. De là, jusqu'à l'ancienne frontière hollandaise près de Mook, situé au-dessous de Gennep, elle suivra le cours de la Meuse, à une distance de la rive droite telle, que tous les endroits qui ne sont pas éloignés de cette rive de plus de mille perches d'Allemagne (Rheinlandische Ruthen), appartiendront avec leurs banlieues au Royaume des Pays-
Bas ; bien entendu toutefois, quant à la réciprocité ce principe, que le territoire prussien ne puisse, sur aucun point, toucher à la Meuse, ou s'en approcher à une distance de huit cents perches d'Allemagne.
Du point où la ligne qui vient d'être décrite atteint l'ancienne frontière hollandaise jusqu'au Rhin, cette frontière restera, pour l'essentiel, telle qu'elle était en 1795, entre Clèves et les Provinces-Unies. Elle sera examinée par la commission qui sera nommée incessamment par les deux gouvernements de Prusse et des Pays-Bas, pour procéder à la détermination exacte des limites, tant du Royaume des Pays-Bas que du Grand-Duché de Luxembourg, désignées dans l'article 68 ; et cette Commission réglera, à l'aide d'experts, tout ce qui concerne les constructions hydrotechniques et autres points analogues, de la manière la plus équitable et la plus conforme aux intérêts mutuels des États prussiens et de ceux des Pays-Bas. Cette même disposition s'étend sur la fixation des limites dans les districts de Kyfwaerd, Lobith, et de tout le territoire jusqu'à Kekerdom.
Les enclaves Huissen, Malburg, le Lymers avec la ville de Sevenaer et la Seigneurie de Weel, feront partie du Royaume des Pays-Bas ; et S. M. Prussienne y renonce à perpétuité pour elle et tous ses descendants et successeurs.
Article 67. Grand-Duché de Luxembourg
La partie de l'ancien Duché de Luxembourg, comprise dans les limites spécifiées par l'article suivant, est également cédée au Prince Souverain des Provinces-Unies, aujourd'hui Roi des Pays-Bas, pour être possédée à perpétuité par lui et ses successeurs en toute propriété et souveraineté. Le Souverain des Pays-Bas ajoutera à ses titres celui de Grand-Duc de Luxembourg, et la faculté est réservée à S. M. de faire, relativement à la succession dans le Grand Duché, tel arrangement de famille entre les princes ses fils qu'elle jugera conforme aux intérêts de sa monarchie et à ses intentions paternelles.
Le Grand-Duché de Luxembourg servant de compensation pour les Principautés de Nassau-Dillenbourg, Siegen, Adamar et Dietz, formera un des États de la Confédération germanique, et le Prince Roi des Pays-Bas entrera dans le système de cette Confédération comme Grand-Duc de Luxembourg, avec toutes les prérogatives et privilèges dont jouiront les autres Princes allemands.
La ville de Luxembourg sera considérée, sous le rapport militaire, comme forteresse de la Confédération. Le Grand-Duc aura toutefois le droit de nommer le gouverneur et commandant militaire de cette forteresse, sauf l'approbation du pouvoir exécutif de la Confédération, et sous telles autres conditions qu'il sera jugé nécessaire d'établir en conformité de la constitution future de ladite Confédération.
Article 68. Limites du grand-duché de luxembourg
Le Grand-Duché de Luxembourg se composera de tout le territoire situé entre le Royaume des Pays-Bas, tel qu'il a été désigné par l'article 66, la France, la Moselle jusqu'à l'embouchure de la Sure, le cours de la Sure jusqu'au confluent de l'Our, et le cours de cette dernière rivière jusqu'aux limites du ci-devant canton français de Saint- Vith, qui n'appartiendra point au Grand-Duché de Luxembourg.
Article 69. Dispositions relatives au duché de Bouillon
S. M. le Roi des Pays-Bas, Grand-Duc de Luxembourg, possédera à perpétuité, pour lui et ses successeurs, la souveraineté pleine et entière de la partie du Duché de Bouillon non cédée à la France par le Traité de Paris ; et, sous ce rapport, elle sera réunie au Grand-Duché de Luxembourg.
Des contestations s'étant élevées sur ledit Duché de Bouillon, celui des compétiteurs dont les droits seront légalement constatés, dans les formes énoncées ci-dessous, possédera en toute propriété ladite partie du Duché, telle qu'elle l'a été par le dernier Duc sous la souveraineté de S. M. le Roi des Pays-Bas, Grand-Duc de Luxembourg. Cette décision sera portée sans appel par un jugement arbitral. Des arbitres seront à cet effet nommés, un par chacun des deux compétiteurs, et les autres, au nombre de trois, par les Cours d'Autriche, de Prusse et de Sardaigne. Ils se réuniront à Aix-la-Chapelle aussitôt que l'état de guerre et les circonstances le permettront, et leur jugement interviendra dans les six mois à compter de leur réunion.
Dans l'intervalle, S. M. le Roi des Pays-Bas, Grand-Duc de Luxembourg, prendra en dépôt la propriété de ladite partie du Duché de Bouillon pour la restituer, ensemble le produit de cette administration intermédiaire, à celui des compétiteurs en faveur duquel le jugement arbitral sera prononcé. Sadite Majesté l'indemnisera de la perte des revenus provenant des droits de souveraineté, moyennant un arrangement équitable ; et si c'est au Prince Charles de Rohan que cette restitution doit être faite, ces biens seront entre ses mains soumis aux lois de la substitution qui forme son titre.
Article 70. Cession des possessions de la Maison de Nassau-Orange en Allemagne
S. M. le Roi des Pays-Bas renonce à perpétuité, pour lui et ses descendants et successeurs, en faveur de S. M. le Roi de Prusse, aux possessions souveraines que la Maison de Nassau-Orange possédait en Allemagne, et nommément aux Principautés de Dillenbourg, Dietz, Siegen et Hadamar, y compris la Seigneurie de Beilstein, et telles que ces possessions ont été définitivement réglées entre les deux branches de la Maison de Nassau par le Traité conclu à la Haye le 14 juillet 1814. S. M. renonce également à la Principauté de Fulde et aux autres districts et territoires qui lui avaient été assurés par l'article 12 du recès principal de la députation extraordinaire de l'empire, du 25 février 1803.
Article 71. Pacte de famille entre les princes de Nassau
Le droit et l'ordre de succession établi entre les deux branches de la Maison de Nassau par l'acte de 1783, dit Nassauischer Erbverein, est maintenu et transféré des quatre Principautés d'Orange-Nassau au Grand-Duché de Luxembourg.
Article 72. Charges et engagement tenant aux provinces détachées de la France
S. M. le Roi des Pays-Bas, en réunissant sous sa souveraineté les pays désignés dans les articles 66 et 68, entre dans tous les droits et prend sur lui toutes les charges et tous les engagements stipulés relativement aux provinces et districts détachés de la France dans le Traité de paix conclu à Paris le 30 mai 1814.
Article 73. Acte de réunion des provinces Belgiques
S. M. le Roi des Pays-Bas ayant reconnu et sanctionné, sous la date du 21 juillet 1814, comme bases de la réunion des Provinces Belgiques avec les Provinces-Unies, les huit articles renfermés dans la pièce annexée au présent Traité, lesdits articles auront la même force et valeur comme s'ils étaient insérés de mot à mot dans la transaction actuelle.
Wikisource, Traité de Vienne (1815), Articles 65 à 73.
Traité d’accord définitif entre S. M. Impériale & Royale Apostolique & L. H. P. les Seigneurs États-Généraux des Provinces-Unies; Signé à Fontainebleau le 8. Nov. 1785.
Art. XVIII.
Leurs Hautes-Puissances cédent à S. M. Imp. le Ban d’Aulne, situé dans le Pays de Dahlem & ses Dépendances, la Seigneurie ou Chef-Ban de Blegny-le-Trembleur avec Saint-André, le Ban & Seigneurie de Teneur, le Ban & Seigneurie de Bombaye, la Ville & le Château de Dahlem avec les Appartenances & Dépendances, excepté Oost & Cadier.
Art. XIX.
En échange des Cessions mentionnées dans l’Article XVIII, Sa Maj. Imp. cède à L. H. P. les Seigneuries de Vieux-Fauquemont, Schin sur la Geule, Strucht, avec leurs Appartenances & Dépendances, la Seigneurie de Schaesberg avec ses Dépendances, l’Enclave du Fauquemont-Autrichien dans la quelle est situé le Couvent de St. Gerlach, qui sera transféré ailleurs sous la domination de Sa Maj. Imp. & les Villages d’Obbicht & papenhoven avec leurs Dépendances, situés dans la Gueldre-Autrichienne. Sa Maj. renonce au surplus à ses prétentions sur la partie du Village de Schimmert nommé les Bies, avec la partie de ce District, qui a toujours fourni & qui fornit encore son Contingent dans les Pétitions de L. H. Puissances, y compris les 40. Bonniers de terre environ, réclamés par ceux du Village de Nuth. Sa Maj. Imp. renonce de même à ses prétentions sur les parties de Bruyères & de Terres, réclamées du côté de Heerlen, par ceux d’Ubach, de Brontsen, & de Simpelvelt, sous la réserve néanmoins, que les Sujets de Sa Maj. Imp. auront la communication libre & affranchie de tous les Droits de Péage, Barrières ou autres quelconques, par la partie du grand-chemin, qui passe le long des Limites du Ban de Kerkenraadt comme également les Sujets de L. H. P. conserveront lan communication libre & affranchie par le reste du Chemin jusq’au Pays de Ter-Heyde.
Art. XX.
Les Etats-Généraux s’étant prêtés au défir, que S. M. Imp. leur a té,oigné d’avoir les Forts de Lillo & de Liefkenshoeck dans l’état où ils de trouvent, Sa Maj. Impériale, voulant leur donner une preuve réciproques de son amitié, leur cède & abandonne tous les Droits, qu’Elle a pu former sur les Villages dits de Rédemption, excepté Falais, Argenteau & Hermal; L. H. P. se dessistant de leur côté de tous Droits & prétentions sur ces trois Villages, & s’engageant à n’y lever aucun Impôts en Deniers de Rédemption; de même que S. M. Imp. s’engage réciproquement à n’en lever aucuns sur les autres Villages de Rédemption, ainsi que sur les bans de St. servais, cédés aux Etats-Généraux.
Art. XXI
Il sera libre aux Sujets respectifs de se retirer des Pays, qui viennent d’être cédés réciproquement; & ceux, qui y resteront jouiront du libre exercice de leur Religion; Les
deux Puissances pourvoiront, respectivement à la compétence & à l’entretien des Desservans de leurs Eglises.
Art. XXII
Leurs Hautes-Puissances cèdebt & abandonnent à Sa Majesté Impériale tous leurs Droits sur le Village de Berneau, situé au Pays de Dahlem, & qui étoient restés indivis par le Partage du Pays d’Outremeuse, de l’an 1661.
Art. XXIII.
Sa Maj. Imp. cède & abandonne en retour à L. P. H. tous les Droits sur le Village d’Elsloe, situé au Pays de Fauquemont, & qui étoient également restés indivis par le même Partage.
(...)
Fait à Fontainebleau le 8. Novembre 1785.
Traité de Vienne (1815) - Articles 65 à 73
Article 65. Royaume des Pays-Bas[
Les anciennes Provinces-Unies des Pays-Bas et les ci-devant Provinces Belgiques, les unes et les autres dans les limites fixées par l'article suivant, formeront, conjointement avec les pays et territoires désignés dans le même article, sous la souveraineté de S. A. R. le Prince d'Orange-Nassau, Prince Souverain des Provinces-Unies, le Royaume des Pays-Bas, héréditaire dans l'ordre de succession déjà établi par l'acte de constitution desdites Provinces Unies. Le titre et les prérogatives de la dignité royale sont reconnus par toutes les Puissances dans la Maison d'Orange-Nassau.
Article 66. Limites du royaume des Pays-Bas
La ligne comprenant les territoires qui composeront le Royaume des Pays-Bas, est déterminée de la manière suivante : elle part de la mer, et s'étend le long des frontières de la France du côté des Pays-Bas, telles qu'elles ont été rectifiées et fixées par l'article 3 du Traité de Paris du 30 mai 1814, jusqu'à la Meuse, et ensuite le long des mêmes frontières jusqu'aux anciennes limites du Duché de Luxembourg ; de là elle suit la direction des limites entre ce Duché et l'ancien Évêché de Liège, jusqu'à ce qu'elle rencontre (au midi de Deiffelt) les limites occidentales de ce canton et de celui de Malmedi, jusqu'au point où cette dernière atteint les limites entre les anciens départements de l'Ourthe et de la Roer ; elle longe ensuite ces limites jusqu'à ce qu'elle touche à celles du canton ci-devant français d'Eupen dans le Duché de Limbourg, et en suivant la limite occidentale de ce canton dans la direction du nord, laissant à droite une petite partie du ci-devant canton français d'Aubel, se joint au point de contact des trois anciens départements de l'Ourthe, de la Meuse Inférieure et de la Roer ; en partant de ce point, la ligne suit celle qui sépare ces deux derniers départements jusque là où elle touche à la Worm (rivière ayant son embouchure dans la Roer), et longe cette rivière jusqu'au point où elle atteint de nouveau la limite de ces deux départements, poursuit cette limite jusqu'au midi de Hillensberg (ancien département de la Roer), remonte de là vers le nord, et, laissant Hillensberg à droite, et coupant le canton de Sittard en deux parties à peu près égales, de manière que Sittard et Susteren restent à gauche, arrive à l'ancien territoire Hollandais ; puis laissant ce territoire à gauche, elle en suit la frontière orientale jusqu'au point où celle-ci touche à l'ancienne Principauté autrichienne de Gueldres, du côté de Ruremonde, et, se dirigeant vers le point le plus oriental du territoire Hollandais au nord de Schwalmen, continue à embrasser ce territoire.
Enfin elle va joindre, en partant du point le plus oriental, cette autre partie du territoire hollandais où se trouve Venloo ; elle renfermera cette ville et son territoire. De là, jusqu'à l'ancienne frontière hollandaise près de Mook, situé au-dessous de Gennep, elle suivra le cours de la Meuse, à une distance de la rive droite telle, que tous les endroits qui ne sont pas éloignés de cette rive de plus de mille perches d'Allemagne (Rheinlandische Ruthen), appartiendront avec leurs banlieues au Royaume des Pays-
Bas ; bien entendu toutefois, quant à la réciprocité ce principe, que le territoire prussien ne puisse, sur aucun point, toucher à la Meuse, ou s'en approcher à une distance de huit cents perches d'Allemagne.
Du point où la ligne qui vient d'être décrite atteint l'ancienne frontière hollandaise jusqu'au Rhin, cette frontière restera, pour l'essentiel, telle qu'elle était en 1795, entre Clèves et les Provinces-Unies. Elle sera examinée par la commission qui sera nommée incessamment par les deux gouvernements de Prusse et des Pays-Bas, pour procéder à la détermination exacte des limites, tant du Royaume des Pays-Bas que du Grand-Duché de Luxembourg, désignées dans l'article 68 ; et cette Commission réglera, à l'aide d'experts, tout ce qui concerne les constructions hydrotechniques et autres points analogues, de la manière la plus équitable et la plus conforme aux intérêts mutuels des États prussiens et de ceux des Pays-Bas. Cette même disposition s'étend sur la fixation des limites dans les districts de Kyfwaerd, Lobith, et de tout le territoire jusqu'à Kekerdom.
Les enclaves Huissen, Malburg, le Lymers avec la ville de Sevenaer et la Seigneurie de Weel, feront partie du Royaume des Pays-Bas ; et S. M. Prussienne y renonce à perpétuité pour elle et tous ses descendants et successeurs.
Article 67. Grand-Duché de Luxembourg
La partie de l'ancien Duché de Luxembourg, comprise dans les limites spécifiées par l'article suivant, est également cédée au Prince Souverain des Provinces-Unies, aujourd'hui Roi des Pays-Bas, pour être possédée à perpétuité par lui et ses successeurs en toute propriété et souveraineté. Le Souverain des Pays-Bas ajoutera à ses titres celui de Grand-Duc de Luxembourg, et la faculté est réservée à S. M. de faire, relativement à la succession dans le Grand Duché, tel arrangement de famille entre les princes ses fils qu'elle jugera conforme aux intérêts de sa monarchie et à ses intentions paternelles.
Le Grand-Duché de Luxembourg servant de compensation pour les Principautés de Nassau-Dillenbourg, Siegen, Adamar et Dietz, formera un des États de la Confédération germanique, et le Prince Roi des Pays-Bas entrera dans le système de cette Confédération comme Grand-Duc de Luxembourg, avec toutes les prérogatives et privilèges dont jouiront les autres Princes allemands.
La ville de Luxembourg sera considérée, sous le rapport militaire, comme forteresse de la Confédération. Le Grand-Duc aura toutefois le droit de nommer le gouverneur et commandant militaire de cette forteresse, sauf l'approbation du pouvoir exécutif de la Confédération, et sous telles autres conditions qu'il sera jugé nécessaire d'établir en conformité de la constitution future de ladite Confédération.
Article 68. Limites du grand-duché de luxembourg
Le Grand-Duché de Luxembourg se composera de tout le territoire situé entre le Royaume des Pays-Bas, tel qu'il a été désigné par l'article 66, la France, la Moselle jusqu'à l'embouchure de la Sure, le cours de la Sure jusqu'au confluent de l'Our, et le cours de cette dernière rivière jusqu'aux limites du ci-devant canton français de Saint- Vith, qui n'appartiendra point au Grand-Duché de Luxembourg.
Article 69. Dispositions relatives au duché de Bouillon
S. M. le Roi des Pays-Bas, Grand-Duc de Luxembourg, possédera à perpétuité, pour lui et ses successeurs, la souveraineté pleine et entière de la partie du Duché de Bouillon non cédée à la France par le Traité de Paris ; et, sous ce rapport, elle sera réunie au Grand-Duché de Luxembourg.
Des contestations s'étant élevées sur ledit Duché de Bouillon, celui des compétiteurs dont les droits seront légalement constatés, dans les formes énoncées ci-dessous, possédera en toute propriété ladite partie du Duché, telle qu'elle l'a été par le dernier Duc sous la souveraineté de S. M. le Roi des Pays-Bas, Grand-Duc de Luxembourg. Cette décision sera portée sans appel par un jugement arbitral. Des arbitres seront à cet effet nommés, un par chacun des deux compétiteurs, et les autres, au nombre de trois, par les Cours d'Autriche, de Prusse et de Sardaigne. Ils se réuniront à Aix-la-Chapelle aussitôt que l'état de guerre et les circonstances le permettront, et leur jugement interviendra dans les six mois à compter de leur réunion.
Dans l'intervalle, S. M. le Roi des Pays-Bas, Grand-Duc de Luxembourg, prendra en dépôt la propriété de ladite partie du Duché de Bouillon pour la restituer, ensemble le produit de cette administration intermédiaire, à celui des compétiteurs en faveur duquel le jugement arbitral sera prononcé. Sadite Majesté l'indemnisera de la perte des revenus provenant des droits de souveraineté, moyennant un arrangement équitable ; et si c'est au Prince Charles de Rohan que cette restitution doit être faite, ces biens seront entre ses mains soumis aux lois de la substitution qui forme son titre.
Article 70. Cession des possessions de la Maison de Nassau-Orange en Allemagne
S. M. le Roi des Pays-Bas renonce à perpétuité, pour lui et ses descendants et successeurs, en faveur de S. M. le Roi de Prusse, aux possessions souveraines que la Maison de Nassau-Orange possédait en Allemagne, et nommément aux Principautés de Dillenbourg, Dietz, Siegen et Hadamar, y compris la Seigneurie de Beilstein, et telles que ces possessions ont été définitivement réglées entre les deux branches de la Maison de Nassau par le Traité conclu à la Haye le 14 juillet 1814. S. M. renonce également à la Principauté de Fulde et aux autres districts et territoires qui lui avaient été assurés par l'article 12 du recès principal de la députation extraordinaire de l'empire, du 25 février 1803.
Article 71. Pacte de famille entre les princes de Nassau
Le droit et l'ordre de succession établi entre les deux branches de la Maison de Nassau par l'acte de 1783, dit Nassauischer Erbverein, est maintenu et transféré des quatre Principautés d'Orange-Nassau au Grand-Duché de Luxembourg.
Article 72. Charges et engagement tenant aux provinces détachées de la France
S. M. le Roi des Pays-Bas, en réunissant sous sa souveraineté les pays désignés dans les articles 66 et 68, entre dans tous les droits et prend sur lui toutes les charges et tous les engagements stipulés relativement aux provinces et districts détachés de la France dans le Traité de paix conclu à Paris le 30 mai 1814.
Article 73. Acte de réunion des provinces Belgiques
S. M. le Roi des Pays-Bas ayant reconnu et sanctionné, sous la date du 21 juillet 1814, comme bases de la réunion des Provinces Belgiques avec les Provinces-Unies, les huit articles renfermés dans la pièce annexée au présent Traité, lesdits articles auront la même force et valeur comme s'ils étaient insérés de mot à mot dans la transaction actuelle.
Wikisource, Traité de Vienne (1815), Articles 65 à 73.
Treaty between Great Britain, Austria, France, Prussia, and Russia, on the one part, and Belgium, on the other. Signed at London, April 19, 1839. (...)
Annex to the Treaty of London signed at London, on the 19th April 1839, between Great Britain, Austria, France, Prussia, and Russia, on the one part, and the Netherlands, on the other part.
Article I.
The Belgian territory shall be composed of the provinces of South Brabant; Liege; Namur; Hainault; West Flanders; Antwerp; and Limbourg; such as they formed part of the United Kingdom of the Netherlands constituted in 1815, with the exception of those districts of the province of Limbourg which are designated in Article IV.
The Belgian territory shall, moreover, comprise that part of the Grand Duchy of Luxembourg which is specified in Article II.
Article II.
In the Grand Duchy of Luxembourg, the limits of the Belgian territory shall be such as will be hereinafter described, viz. (...)
Article III.
In return for the cessions made in the preceding Article, there shall be assigned to His Majesty the King of the Netherlands, Grand Duke of Luxembourg, a territorial indemnity in the province of Limbourg.Article IV.
In execution of that part of Article I which relates to the province of Limbourg, and in consequence of the cessions which His Majesty the King of the Netherlands, Grand Duke of Luxembourg, makes in Article II, His said Majesty shall possess, either to be held by him in his character of Grand Duke of Luxembourg, or for the purpose of being united to Holland, those territories, the limits of which are hereinafter described.
1. On the right bank of the Meuse; to the old Dutch enclaves upon the said bank in the province of Limbourg, shall be united those districts of the said province upon the same bank, which did not belong to the States General in 1790; in such wise that the whole of that part of the present province of Limbourg, situated upon the right bank of the Meuse, and comprised between that river on the west, the frontier of the Prussian territory on the east, the present frontier of the province of Liege on the south, and Dutch Guelderland on the north, shall henceforth belong to His Majesty the King of the Netherlands, either to be held by him in his character of Grand Duke of Luxembourg, or in order to be united to Holland.
2. On the left bank of the Meuse; commencing from the southernmost point of the Dutch province of North Brabant, there shall be drawn, according to the annexed map, a line which shall terminate on the Meuse above Wessem, between that place and Stevenswaardt, at the point where the frontiers of the present Arrondissements of Ruremonde and Maestricht meet on the left bank of the Meuse; in such manner that Bergerot, Stamproy, Neer-Itteren, Ittervoordt, and Thorn, with their districts, as well as all the other places situated to the north of this line, shall form part of the Dutch territory.
The old Dutch enclaves in the province of Limbourg, upon the left bank of the Meuse, shall belong to Belgium, with the exception of the town of Maestricht, which, together with a radius of territory, extending twelve hundred toises [A unit of measure equaling about two meters.] from the outer glacis of the fortress, on the said bank of this river, shall continue to be possessed in full sovereignty and property by His Majesty the King of the Netherlands. (...)
Source: Scott Manning, Treaty of London, 1839: The Complete Text.
ARTICLE 31. Germany, recognising that the Treaties of April 19, 1839, which established the status of Belgium before the war, no longer conform to the requirements of the situation, consents to the abrogation of the said Treaties and undertakes immediately to recognise and to observe whatever conventions may be entered into by the Principal Allied and Associated Powers, or by any of them, in concert with the Governments of Belgium and of the Netherlands, to replace the said Treaties of 1839. If her formal adhesions should be required to such conventions or to any of their stipulations, Germany undertakes immediately to give it.
ARTICLE 32. Germany recognises the full sovereignty of Belgium over the whole of the contested territory of Moresnet (called Moresnet neutre).
ARTICLE 33. Germany renounces in favour of Belgium all rights and title over the territory of Prussian Moresnet situated on the west of the road from Liege to Aix-la- Chapelle; the road will belong to Belgium where it bounds this territory.
ARTICLE 34. Germany renounces in favour of Belgium all rights and title over the territory comprising the whole of the Kreise of Eupen and of Malmedy. During the six months after the coming into force of this Treaty, registers will be opened by the Belgian authority at Eupen and Malmedy in which the inhabitants of the above territory will be entitled to record in writing a desire to see the whole or part of it remain under German sovereignty. The results of this public expression of opinion will be communicated by the Belgian Government to the League of Nations, and Belgium undertakes to accept the decision of the League.
ARTICLE 35. A Commission of seven persons, five of whom will be appointed by the Principal Allied and Associated Powers, one by Germany and one by Belgium, will be set up fifteen days after the coming into force of the present Treaty to settle on the spot the new frontier line between Belgium and Germany, taking into account the economic factors and the means of communication. Decisions will be taken by a majority and will be binding on the parties concerned.
ARTICLE 36. When the transfer of the sovereignty over the territories referred to above has become definite, German nationals habitually resident in the territories will definitively acquire Belgian nationality ipso facto, and will lose their German nationality. Nevertheless, German nationals who became resident in the territories after August 1, 1914, shall not obtain Belgian nationality without a permit from the Belgian Government.
ARTICLE 37. Within the two years following the definitive transfer of the sovereignty over the territories assigned to Belgium under the present Treaty, German nationals over 18
years of age habitually resident in those territories will be entitled to opt for German nationality. Option by a husband will cover his wife, and option by parents will cover their children under 18 years of age. Persons who have exercised the above right to opt must within the ensuing twelve months transfer their place of residence to Germany. They will be entitled to retain their immovable property in the territories acquired by Belgium. They may carry with them their movable property of every description. No export or import duties may be imposed upon them in connection with the removal of such property.
ARTICLE 38. The German Government will hand over without delay to the Belgian Government the archives, registers, plans, title deeds and documents of every kind concerning the civil, military, financial, judicial or other administrations in the territory transferred to Belgian sovereignty. The German Government will likewise restore to the Belgian Government the archives and documents of every kind carried off during the war by the German authorities from the Belgian public administrations, in particular from the Ministry of Foreign Affairs at Brussels.
ARTICLE 39. The proportion and nature of the financial liabilities of Germany and of Prussia with Belgium will have to bear on account of the territories ceded to her shall be fixed in conformity with Articles 254 and 256 of Part IX (Financial Clauses) of the present Treaty.
The World War I Document Archive, 28 June, 1919: The Peace Treaty of Versailles, Articles 31 - 117 and Annexes, Political Clauses for Europe.