Catechese 22 februari 2026
Over de boetedoening
Catechese 22 februari 2026
Over de boetedoening
"Nu werd het woord van Jahwe voor de tweede maal tot Jona gericht: 'Sta op, ga naar Nineve, de grote stad Nineve, en zeg haar aan wat Ik u te zeggen heb gegeven.' En Jona stond op en ging naar Nineve, zoals Jahwe bevolen had. Nineve was een geweldig grote stad; drie dagen had men nodig om er doorheen te trekken. Jona begon de stad in te gaan, een dagreis ver. Toen riep hij: 'Veertig dagen nog, en Nineve wordt met de grond gelijk gemaakt!' Maar de Ninevieten zochten hun steun bij God; zij riepen een vasten uit en allen, van groot tot klein, trokken zij boetekleren aan. Het woord van Jona kwam ook de koning van Nineve ter ore; hij stond op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af, trok een boetekleed aan en zette zich neer in het stof. Hij liet in Nineve omroepen: 'Op last van de koning en van zijn rijksgroten! Mensen en dieren, grootvee en kleinvee, zij mogen niets eten, zij mogen niet grazen en geen water drinken. Mensen en dieren moeten zich in boetekleren hullen en uit alle macht tot God roepen; ieder moet terugkomen van zijn heilloze wegen en van de ongerechtigheid, die aan zijn handen kleeft. Wie weet of God dan niet terugkomt op zijn besluit en daar spijt van krijgt; wie weet of Hij niet terugkomt op zijn vlammende toorn, zodat wij niet te gronde gaan!' En God zag wat zij deden; Hij zag hoe zij terugkwamen van hun heilloze wegen. En God kreeg spijt, dat Hij hen met dat onheil bedreigd had. Hij bracht het niet ten uitvoer." [1]
Het bekende verhaal uit de H. Schrift waarin Jona naar Nineve wordt gestuurd om hen het onheil aan te zeggen toont ons het belang van de boetedoening. Het volk heeft zwaar gezondigd en verdient het te worden weggevaagd. En Jona is het daar ook ten zeerste mee eens. Jona wordt door God op pad gestuurd met de opdracht: "zeg haar aan, dat hun verdorvenheid is doorgedrongen tot Mij in den hoge." [2] Door de prediking van Jona komt het volk tot bekering. De koning laat een grote vasten uitroepen en de bevolking hult zich in boetekleren. Zelfs de koning legt zijn staatsiegewaad af en gaat in zak en as zitten. Vervolgens krijgt eenieder de opdracht "uit alle macht tot God te roepen" en iedereen "moet terugkomen van zijn heilloze wegen en van de ongerechtigheid, die aan zijn handen kleeft." Ze doen het niet zonder reden. De reden is duidelijk: "Wie weet of God dan niet terugkomt op zijn besluit en daar spijt van krijgt; wie weet of Hij niet terugkomt op zijn vlammende toorn, zodat wij niet te gronde gaan!" En uiteindelijk brengt God het onheil niet ten uitvoer. We zien hier duidelijk hoe de woorden van de heilige Justinus de Martelaar bewaarheid worden: "Als ze boete doen zullen allen die het willen de barmhartigheid van God verkrijgen." [3]
Dat is precies hoe de boetedoening werkt. De boetedoening is als het ware een intens smeekgebed tot God waarin we zijn vergevende barmhartigheid willen afsmeken. Het is de combinatie van een innerlijke gesteltenis van berouw en uiterlijke boetewerken waardoor we God eerherstel willen vragen voor de beledigingen die we Hem hebben aangedaan door onze zonden en waarin we zijn vergeving willen afsmeken om zo weer in zijn genade hersteld te worden. Terecht zegt daarom ook de heilige Gregorius van Nazianze: "De boete is het tweede doopsel, het doopsel van tranen." [4]
Een precieze definitie van de boetvaardigheid vinden we bij Adolphe Tanquerey die haar omschrijft als: "een bovennatuurlijke deugd, steunend op de rechtvaardigheid, die de zondaar ertoe beweegt zijn zonden te verfoeien omdat zij een belediging van God zijn, en om het vaste voornemen te maken ze te vermijden in de toekomst en ze te herstellen." [5] De noodzaak hiervan ligt volgens hem in de algemene groei naar heiligheid. Zo zegt hij: "de boetvaardigheid is, na het gebed het krachtdadigst middel om de ziel te reinigen van haar vroegere zonden en ook om haar te beveiligen tegen het hervallen." [6]
Kort gezegd kunnen we de woorden van de heilige Bernardus van Clairvaux aanhalen die ons zegt: "De ware boetedoening bestaat erin om de zonden uit het verleden zonder ophouden te betreuren en in het vaste voornemen nooit meer het betreurenswaardige te bedrijven." [7]
Om dit goed te begrijpen is het van belang vooraf een onderscheid te maken tussen schuld en straf. Wanneer we ingaan tegen Gods geboden maken we ons schuldig aan een zonde. We beledigen God namelijk daardoor. Dat is onze schuld. Tegelijk verdient dat ook straf krachtens de rechtvaardigheid. God beloont immer het goede en straft het kwade. Wanneer we gezondigd hebben en gaan biechten, worden we van onze schuld ontslagen maar daarmee verdwijnt niet meteen de gehele straf. We zijn de eeuwige zondestraffen van de hel wel kwijt maar de tijdelijke zondestraffen blijven bestaan. Die moeten we later nog uitboeten in een geest van berouw over onze zonden uit het verleden door goede werken te verrichten en vrijwillige boetedoeningen op ons te nemen. In de mate dat we tegen het einde van ons leven nog niet alle tijdelijke straffen hebben uitgeboet zullen we daarvoor nog een kortere of langere tijd van de hemelse aanschouwing verstoken blijven door onze uitboeting in het Vagevuur.
De belijdenis van onze zonden in het Sacrament van de Biecht schenkt ons dus de vergeving van onze schuld en verlost ons van de hel, maar de uitboeting van de straffen dient nadien te geschieden. Een belangrijke taak in deze uitboeting van straffen is overigens ook weggelegd voor de priesters en religieuzen die dag en nacht bidden voor de Kerk en de wereld. Meer bepaald is het een van de voornaamste taken van de biechtvaders. Zo stelt de Catechismus van de Katholieke Kerk in de criteria waaraan de biechtvader moet voldoen: "hij moet de waarheid liefhebben, trouw zijn aan het kerkelijk leergezag en de boeteling geduldig leiden naar genezing en volwassenheid. Hij moet voor hem bidden en boete doen, terwijl hij hem toevertrouwt aan de barmhartigheid van de Heer." [8]
Daarom is het ook van belang dat we gehoor geven aan de oproep van de heilige Cyprianus van Carthago die tot ons zegt: "Ik smeek u, beminde broeders, dat iedereen zijn eigen zonden zou belijden terwijl hij die gezondigd heeft nog steeds in deze wereld is en de belijdenis nog aanvaard kan worden, terwijl de genoegdoening en de vergeving door de priesters God welgevallig zijn. Laten we ons keren naar de Heer, met heel ons hart en het berouw voor onze zonden met ware droefheid tot uitdrukking brengen. Laat ons Gods barmhartigheid afsmeken. Laten we onze ziel neerwerpen voor Hem. Laat ons rouwen Hem genoegdoening schenken. Laat al onze hoop op Hem rusten." [9]
Inwendige en uitwendige boetedoening
In de praktijk zouden we een onderscheid kunnen maken tussen de inwendige en de uitwendige boetedoening. Hierbij is het natuurlijk van belang dat we weten welke vorm de prioriteit heeft. De eerste lezing van Aswoensdag uit de profeet Joël geeft ons een helder beeld: "Keert tot Mij terug, van ganser harte, met vasten, met geween en met rouwklacht. Scheurt uw hart en niet uw kleren, keert terug tot Jahwe, uw God, want genadig is Hij en barmhartig, lankmoedig en vol liefde, en Hij heeft spijt over het onheil. Wie weet, keert Hij terug en krijgt Hij spijt en laat dan zegen achter zich, een meeloffer en een plengoffer voor Jahwe, uw God! Blaast de bazuin op de Sion, kondigt een heilige vastentijd af, roept een plechtige samenkomst bijeen! Verzamelt het volk, belegt een heilige bijeenkomst, brengt de ouderlingen samen en verzamelt ook de kinderen en de zuigelingen; laat de bruidegom zijn kamer verlaten en de bruid haar bruidsvertrek. Laat tussen de voorhal en het altaar de priesters, die de dienst van Jahwe verrichten, wenen en zeggen: 'Spaar uw volk, Jahwe, laat niet met uw erfdeel spotten, laat niet de heidenen het overheersen. Moet men onder de volken zeggen: Waar blijft hun God?' Toen is Jahwe voor zijn land opgekomen en heeft Hij zijn volk gespaard." [10] Enerzijds zijn er de lichamelijke werken, het vasten, geween en rouwklacht maar die zijn onlosmakelijk verbonden met de innerlijke gesteltenis van bekering. Daarom ook zegt de Heer: "Scheurt uw hart en niet uw kleren." Zonder de juiste inwendige gesteltenis worden onze uitwendige werken liefdeloos en – zo zegt Sint-Paulus ons – "als ik de liefde niet heb, ben ik een galmend bekken of een schelle cimbaal." [11]
Die inwendige gesteltenis van boetedoening wordt mooi verwoord door koning David in de boetepsalmen. Zich al het kwaad herinnerend dat hij heeft aangericht, het overspel met Batseba, de leugens, de moord op Uria de Hethiet enzovoort. Hij brengt het onder woorden in mijn favoriete psalm 51:
3. God, ontferm U over mij in uw barmhartigheid, delg mijn zondigheid in uw erbarmen.
4. Was mijn schuld volkomen van mij af, reinig mij van al mijn zonden.
5. Ik erken dat ik misdreven heb, altijd heb ik mijn vergrijp voor ogen.
6. Jegens U alleen heb ik gezondigd, wat U tegenstaat heb ik gedaan.
Dus zijt Gij rechtvaardig in uw oordeel, is het vonnis dat Gij velt gegrond.
7. Ach, met schuld belast werd ik geboren, schuldig was ik toen mijn moeder mij ontving.
8. Maar Gij hebt behagen in oprechtheid, Gij hebt mij geleerd in eigen hart te zien.
9. Sprenkel mij met hysop dat ik rein word, was mij dat ik witter word dan sneeuw.
10. Maak mij weer ontvankelijk voor blijde klanken, geef mijn gekastijde lichaam nieuwe levensmoed.
11. Wend uw ogen af van mijn gebreken, scheld mij al mijn schulden kwijt.
12. Schep in mij een zuiver hart, mijn God, geef mij weer een vastberaden geest.
13. Wil mij niet verstoten van uw aanschijn, neem uw heilige Geest niet van mij weg.
14. Geef mij weer de weelde van uw zegen, maak mij sterk in edelmoedigheid.
15. Dan zal ik de dwalenden uw wegen leren, alle schuldigen terugvoeren tot U.
16. Houd mij ver van bloedschuld, God mijn redder, dan bezingt mijn tong uw wijs beleid.
17. Heer, maak Gij mijn lippen los, dat mijn mond uw lof kan zingen.
18. In geschenken hebt Gij geen behagen, wat ik U ook bied, Gij wilt het niet.
19. Wat ik offer, God, is mijn boetvaardigheid, een vermorzeld en vernederd hart wijst Gij niet af.
20. Wees ook Sion in uw goedheid weer genadig, bouw de muren van Jeruzalem weer op.
21. Dan ontvangt Gij alle offers die Gij hebt bevolen, dan komt men weer offeren op uw altaar. [12]
De boetvaardigheid begint met in het eigen hart te zien, te erkennen dat we tegen God misdaan hebben, dat we ons vergrijp voor ogen hebben, God een vermorzeld en vernederd hart aanbieden, vertrouwend dat Hij ons kan reinigen opdat onze ziel witter wordt dan sneeuw.
Eens we ons die innerlijke geest van boetedoening hebben eigen gemaakt, kunnen we ons richten op de uiterlijke tekenen van boetvaardigheid. Dan mogen we met ons hart, ook de kleren scheuren en onszelf in zak en as zetten zoals op Aswoensdag. Zo mogen we de heilige Veertigdagentijd beginnen om het ook in de rest van ons leven door te zetten. Een eerste uitwendig teken van boetvaardigheid vinden we ook in het laten opleggen van de as op Aswoensdag, het is een erkenning dat we stof zijn en tot stof zullen wederkeren, een erkenning van onze nietigheid. Treffend hierbij is dan ook het gebed voor de zegening van de as dat luidt: "God, Gij wilt de dood van de zondaar niet, maar zijn bekering. Luister genadig naar ons gebed: zegen ✠ deze as waarmee wij getekend zullen worden. Wij erkennen dat wij maar stof en as zijn en tot stof zullen terugkeren. Help onze deze veertig dagen zo te benutten dat wij vergiffenis van zonden verkrijgen en tot nieuw leven komen naar het beeld van Hem die uit de doden is opgestaan: Christus uw Zoon, onze Heer." Het gebed uit de oudere Romeinse liturgie verwoordt deze gedachte nog krachtiger wanneer gebeden wordt: "Almachtige, eeuwige God, spaar de boetvaardigen, wees genadig voor hen, die tot U smeken, en gewaardig U uw heilige engel van de hemel te zenden, om deze as te zegenen ✠ en te heiligen, ✠ opdat hij een heilzaam geneesmiddel voor allen worde, die uw heilige Naam nederig aanroepen, zich oprecht aan hun zonden schuldig bekennen, voor uw goddelijke goedertierenheid hun misslagen bewenen, of uw milddadige goedheid nederig en dringend afsmeken; en bewerk door de aanroeping van uw heilige Naam, dat degenen, die met deze as bestrooid worden tot uitboeting van hun zonden, gezondheid voor het lichaam en bescherming voor de ziel mogen verwerven. Door Christus, onze Heer."
Vasten, gebed, aalmoezen, lichamelijke kastijding
"Beoefent vooral de onderlinge liefde met volharding, want de liefde bedekt tal van zonden." [13]
Vertrouwen op de barmhartigheid van God
We mogen echter niet in een negatieve spiraal raken. Ja, we zijn zondige, nietige mensen. Maar we zijn tegelijk ook verloste mensen die vrijgekocht zijn door het kostbaar Bloed van het Lam Gods, Jezus Christus. De nadruk van de boetedoening mag dan ook liggen op de barmhartige vergevingsgezindheid van God. Mooi wordt dit verwoord door de kerkvader Tertullianus wanneer hij schrijft: "O zondaar, net zoals ik, haast u om de boetedoening te omarmen zoals een schipbreukeling doet met de bescherming van een plank. Dat zal u vooruit helpen wanneer ge verzonken zijt door de golven van de zonden en zal u voortdragen tot in de haven van goddelijke goedertierenheid." [14] De heilige Johannes Climacus leert ons hoe de boetedoening voor ons de garantie biedt op de verzoening. Hij zegt: "Boetedoening richt de mens weer op. De rouw klopt op de deur van de hemel en de heilige nederigheid opent de deur." [15]
Regelmatige biechtpraktijk
De zalige dood
Wanneer zullen we beginnen met de boetedoening? De Veertigdagentijd lijkt een mooi startpunt. Maar eigenlijk is het beste antwoord: nu. Er zijn altijd wel omstandigheden, gebeurtenissen of zonden uit het heden of verleden waar we boete voor kunnen doen. Als het niet in ons eigen leven is, laten we dan Gods barmhartigheid afsmeken voor onze naasten, familie, vrienden, ja zelfs voor heel de wereld. Want de wereld heeft Gods barmhartigheid nodig. Ook wij kunnen boete doen voor alle beledigingen en zonden jegens God. In die zin worden we een kleine Simon van Cyrene die Jezus helpt om het Kruis te dragen, zo krijgen we steeds meer deel aan Jezus' eigen lijden om zo ook te mogen delen in zijn verrijzenis. Laten we de boetedoening echter niet uitstellen. Misschien hebben we er de tijd niet voor. De heilige Caesarius van Arles weet al te zeggen: "Sommigen zeggen 'Ik zal boete gaan doen wanneer ik oud ben.' Maar hoe kunt ge uzelf een hoge ouderdom beloven terwijl ge uw broze leven niet voor een dag kunt veilig stellen." [16]
Onze beste garantie voor een heilig leven is te zorgen voor een zalige dood. Als we ons bewust zijn van onze eigen sterfelijkheid, waarom zouden we de boetedoening dan nog langer uitstellen. Misschien denken we: 'Ik begin er morgen wel aan.' Maar wat als er na deze dag geen nacht meer volgt, of na de nacht ons geen nieuwe dag geschonken wordt? Laten we waakzaam zijn! Want ge kent dag noch uur. Of om het met de woorden van onze eigen Thomas a Kempis te zeggen, waarmee we zullen afsluiten: "Er komt een tijd, dat gij een dag of een uur zult verlangen om u te beteren; en ik weet niet of gij die dan zult krijgen. Denk toch eens, mijn beste vriend, uit hoe een groot gevaar gij u kunt verlossen, uit hoe een grote vrees bevrijden, wanneer gij maar altijd de vrees bewaart en bedacht blijft op de dood. Leg u er nu op toe, zó te leven, dat gij in het uur van uw dood meer verheugd kunt zijn dan te vrezen. Leer nu voor de wereld te sterven, opdat gij dan moogt beginnen te leven met Christus. Leer nu alle dingen te versmaden om dan vrijuit naar Christus te kunnen gaan. Kastijd nu uw lichaam door boetvaardigheid om dan een gegrond betrouwen te kunnen hebben. Ach, gij dwaas, wat verbeeldt gij u dat ge lang zult leven, terwijl ge van niet één dag zeker zijt. Wat zijn er toch velen bedrogen uitgekomen en onverhoopt uit hun lichaam gerukt… Wie zal nog aan u denken na uw dood? En wie zal nog voor u bidden?... Blijf u gedragen als een pelgrim en gast op de aarde, die met de zaken van de wereld niets van doen heeft. Houd uw hart vrij en opwaarts naar God gericht, omdat gij hier geen blijvende woonplaats hebt. Richt daarheen iedere dag uw gebeden en zuchten, opdat uw geest moge verdienen, na de dood tot de Heer over te gaan. Amen." [17]
−−−
Jona 3, 1-10
Jona 1, 2
H. Justinus de Martelaar
JH. Gregorius van Nazianze, Oratio 39, 17
Adolphe Tanquerey, Kort begrip der mystieke en ascetische theologie, nr. 706
Adolphe Tanquerey, Kort begrip der mystieke en ascetische theologie, nr. 705
H. Bernardus van Clairvaux
Catechismus van de Katholieke Kerk, 1466
H. Cyprianus van Carthago, De lapsis, 29
Joël 2, 12-18
1 Kor. 13, 1
Ps. 51
1 Petr. 4, 8
Tertullianus, De poenitentia, 4, 2
H. Johannes Climacus, Ladder of Divine Ascent, XXV
H. Caesarius van Arles
Thomas a Kempis, Navolging van Christus, I, XXIII, 31-38. 41. 46-48