Nu begint het leukste deel: je gaat je LEGO‑spel bouwen én uitproberen.
Je verandert je ontwerp in iets dat je kunt vasthouden, verplaatsen en spelen.
1. Bouw je spelwereld
Gebruik je schets uit stap 2 als basis.
Denk tijdens het bouwen na over:
Hoe stevig is je speelbord?
Klopt de vorm met hoe je het had getekend?
Zijn alle paden, hindernissen en speciale plekken duidelijk?
Het is helemaal oké om van je tekening af te wijken als je iets beters bedenkt tijdens het bouwen!
2. Maak de personages en onderdelen
Bouw:
Spelers of poppetjes
Obstakels
Power‑ups
Voertuigen
Bewegende delen (als je die wil)
3. Speeltest!
Nu ga je testen of je spel werkt.
Stel jezelf deze vragen:
Kunnen spelers goed zien waar ze heen moeten?
Zijn de regels duidelijk?
Is het spel eerlijk?
Is het leuk genoeg?
Duurt het niet te lang (of juist te kort)?
👉 Speel het spel eerst zelf.
👉 Laat daarna iemand anders (ouder, klasgenoot, broer/zus) het spel proberen.
4. Verbeter je spel
Bij testen hoort aanpassen.
Je mag dingen veranderen zoals:
De regels
De moeilijkheid
De route
De obstakels
De manier waarop je wint
Dit heet ‘itereren’ — en dat is precies hoe echte game designers werken!
Download dit werkblad en vul je ideeën in.