Welkom bij de lessenserie over netwerken. Een computernetwerk gebruik je elke dag: met je telefoon, je laptop, je PlayStation of Xbox en de tv. In deze module leer je hoe een netwerk werkt en hoe je er zelf een aanlegt.
Wat ga je doen in deze module:
Je oefent B1-K1: Installeert en onderhoudt hardware, software en netwerk- en infrastructuuronderdelen, met het werkproces:
B1-K1-W3: Monteert netwerk- en infrastructuuronderdelen
In 7 skills krijg je antwoord op deze vragen: Hoe is het internet ontstaan? Uit welke onderdelen bestaat een netwerk? Welke specificaties zijn belangrijk? Hoe communiceert een netwerk? Hoe maak je een netwerk gebruiksklaar? En hoe maak je een netwerktekening?
Wat ga je leren?
Leerdoel behorend bij werkproces B1-K1-W3:
Je kunt verschillende soorten bekabeling herkennen en deze conform een opdracht maken
Je kunt (netwerk) verbindingen werkend en conform een opdracht opleveren.
Je kunt computers via een vaste of draadloze verbinding met een netwerk verbinden.
Je kunt via een (WiFi) router een (standaard) beveiligde verbinding met het internet maken.
Je kunt (draadloze) (rand)apparatuur met de router verbinden.
Je kunt systeemdocumentatie bijhouden.
Leerdoelen behorend bij algemene vaardigheden:
Je werkt volgens de geldende normen en voorschriften.
Je kunt ordelijk en systematisch werken.
Je voorkomt verspilling van materialen en middelen door hergebruik als dat mogelijk is.
Je werk precies en in een voldoende tempo.
Je kunt je aan voorgeschreven procedures houden.
Je kunt de werkzaamheden bijhouden in een administratie.
Leerdoelen
Je kunt in je eigen woorden vertellen hoe pc-netwerken zijn ontstaan
Je weet wat een netwerk, een LAN en een WAN is
Werkwijze
Lees de tekst
Bekijk de 2 video's
Maak opdracht 1.1 in een Word-document
Lever je werk in op Teams
Wat is een netwerk?
Een computernetwerk bestaat uit twee of meer apparaten die met elkaar verbonden zijn. Zo kunnen ze gegevens uitwisselen en samen dingen gebruiken, zoals een printer of een internetverbinding. De verbinding loopt via een netwerkkabel of draadloos, via wifi.
Een LAN (Local Area Network) is een netwerk op één plek, bijvoorbeeld thuis, op school of in een bedrijf.
Een WAN (Wide Area Network) verbindt netwerken over een grote afstand. Het internet is het grootste WAN van de wereld.
Hoe is het begonnen?
De eerste computers waren groot en stonden los van elkaar. In de jaren 60 en 70 kwamen de eerste netwerken: vanaf verschillende plekken kon je werken op één grote centrale computer, een mainframe. In 1981 kwam de IBM PC en werd de computer iets voor iedereen. Om pc's op kantoor met elkaar te verbinden, werd Ethernet de standaard.
Nu zit bijna elk apparaat in een netwerk: je telefoon, je laptop, de tv en zelfs de deurbel.
NU.nl: 'Buurt liep uit voor eerste pc in Nederland'. Een terugblik op de allereerste pc in Nederland.
Begrepen.be: hoe werken computernetwerken? Eenvoudig uitgelegd, van kabel tot router.
Beantwoord de vragen in een Word-document. Dit document gebruik je de hele module. Je mag ook eerst het invulblad gebruiken.
Wat is de voorloper van de computer?
Wanneer kwam de eerste computer in Nederland?
Wanneer kwam de eerste personal computer (pc) in Nederland?
Noem 4 bekende programmeertalen.
Noem 4 bekende pc-makers van vóór 1990.
Op te leveren product in Teams: Word-document met opdracht 1.1
Leerdoelen
Je kunt de geschiedenis van het internet in je eigen woorden vertellen
Je weet wat ARPANET, TCP/IP en het World Wide Web zijn
Werkwijze
Lees de tekst over de geschiedenis van het internet
Bekijk de 2 video's
Bedenk of en hoe je dit zelf zou kunnen namaken
Maak opdracht 2.1 in je Word-document
Lever je werk in op Teams
Hoe is het internet ontstaan?
Het internet begon als een project van het Amerikaanse ministerie van Defensie. In 1957 lanceerde de Sovjet-Unie de Spoetnik, de eerste satelliet. De Verenigde Staten schrokken daarvan en richtten ARPA op, een organisatie voor nieuwe technologie. ARPA bouwde in 1969 ARPANET: een netwerk dat eerst vier computers van universiteiten met elkaar verbond.
In 1983 ging ARPANET over op TCP/IP. Dat is de "taal" die alle computers op het internet nog steeds spreken. In 1989 bedacht Tim Berners-Lee het World Wide Web, met websites en links. Daarna groeide het internet heel snel.
Nederland was er vroeg bij. In 1988 werd het CWI in Amsterdam als eerste in Europa aangesloten op het internet. Nu zijn er wereldwijd miljarden apparaten met het internet verbonden.
Sleutelboeken: hoe het internet is ontstaan (Engels, met Nederlandse ondertiteling).
Het Klokhuis (1996): hoe werkt het internet? Zo werd het internet uitgelegd toen het nog nieuw was.
Beantwoord de vragen in je Word-document van opdracht 1.1. Gebruik je eigen woorden, dus niet kopiëren!
Wat is een netwerk? Leg dit uit in je eigen woorden.
Wat is een DNS (server)?
Hoe kun je achter je DNS komen?
Wat is een MAC-adres?
Wat kun je met een DNS Benchmark?
Op te leveren product in Teams: Word-document met opdracht 1.1 en 2.1
Leerdoelen
Je weet hoe je de snelheid van je internetverbinding meet
Je kunt zien welke apparaten er op een netwerk zitten
Je kunt het IP-adres en de IP-range van een netwerk vinden
Werkwijze
Test je internetsnelheid met Speedtest en Fast
Bekijk welke apparaten op het netwerk zitten
Maak opdracht 3.1 in je Word-document
Lever je werk in op Teams
Hoe snel is jouw internet?
De snelheid van internet meet je in megabit per seconde (Mbit/s). Met deze twee sites test je je verbinding:
Speedtest.net: meet je downloadsnelheid, je uploadsnelheid en de ping
Fast.com: een snelle test van je downloadsnelheid
Welke apparaten zitten er op het netwerk?
Met het gratis programma Angry IP Scanner zie je welke apparaten er op een netwerk zitten. Het programma zoekt alle IP-adressen in de range van het netwerk af.
Je IP-adres vinden in Windows 11
Open Instellingen en kies Netwerk en internet > Wi-Fi.
Klik bovenaan op de eigenschappen van het netwerk waarmee je verbonden bent.
Scrol naar beneden. Bij IPv4-adres staat het IP-adres van je laptop.
Uit je IP-adres leid je de IP-range af. Is je IP-adres bijvoorbeeld 192.168.1.25, dan loopt de range meestal van 192.168.1.1 tot en met 192.168.1.254.
Sneller: typ ipconfig in de opdrachtprompt. Je ziet dan meteen je IPv4-adres.
Beantwoord de vragen in je Word-document.
Hoe kun je zien welke apparaten er op een draadloos netwerk zitten?
Wat is de IP-range van je draadloze netwerk?
Test je internet met Speedtest.net of Fast.com. Zet een schermafbeelding van de uitslag in je Word-document.
Actieve netwerken: klik rechtsonder in de taakbalk op het wifi-icoon. Let op: dit is nog een schermafbeelding van Windows 10.
Eigenschappen van het netwerk: hier vind je het IPv4-adres. Let op: dit is nog een schermafbeelding van Windows 10.
Op te leveren product in Teams: Word-document met opdracht 1.1 t/m 3.1
Leerdoelen
Je kunt vertellen wat Ethernet is
Je kunt vertellen wat wifi is en welke frequenties wifi gebruikt
Je kunt een wifi-heatmap maken
Werkwijze
Lees de tekst over Ethernet, EM-golven en wifi
Bekijk de video's over wifi en Wi-Fi 7
Maak opdracht 4.1
Lever je werk in op Teams
Ethernet
Ethernet (IEEE 802.3) is de standaard waarmee computers in een bekabeld netwerk (LAN) met elkaar communiceren. Ethernet deelt data op in kleine pakketjes. Daarbovenop draait meestal TCP/IP. Daarover leer je meer in skill 5.
Vroeger zaten apparaten via een hub aan elkaar. Een apparaat verstuurde dan pas data als het netwerk vrij was. Verstuurden twee apparaten tegelijk, dan ontstond er een botsing (collision). Beide stopten en probeerden het na een korte, willekeurige tijd opnieuw. Nu zit er een switch tussen, die het verkeer netjes verdeelt. Zo zijn er geen botsingen meer.
Ethernet wordt steeds sneller. Thuis en op school is 1 Gbit/s normaal. Internetproviders en datacenters gebruiken veel snellere verbindingen: de nieuwste standaard uit 2024 haalt 800 Gbit/s.
Vroeger had Ethernet een concurrent: Token Ring van IBM. Daarbij ging een soort estafettestokje (het token) langs alle computers. Alleen de computer met het token mocht data versturen. Ethernet werd goedkoper en sneller, en rond het jaar 2000 was Token Ring bijna overal vervangen.
EM-golven
Wifi, bluetooth en 4G en 5G gebruiken radiogolven. Radiogolven zijn elektromagnetische golven, kortweg EM-golven. Licht, röntgenstraling en de straling in een magnetron zijn ook EM-golven. Het verschil zit in de golflengte en de frequentie. Op het plaatje hieronder zie je het hele EM-spectrum: van lange radiogolven links tot korte gammastraling rechts.
Wifi
Wi-Fi is een keurmerk voor draadloze netwerken die werken volgens de standaard IEEE 802.11. De eisen voor het keurmerk bepaalt de Wi-Fi Alliance. Een apparaat met het Wi-Fi-logo werkt samen met apparaten van andere merken.
Wifi gebruikt drie frequentiebanden:
2,4 GHz: komt ver en goed door muren, maar is langzamer en vaak druk
5 GHz: sneller, maar komt minder ver
6 GHz: nog sneller en rustiger. Deze band is voor Wi-Fi 6E en Wi-Fi 7. In Nederland mag wifi de 6 GHz-band sinds eind 2021 gebruiken.
In de video legt Het Klokhuis uit hoe wifi werkt.
Wi-Fi 7 en verder
Wi-Fi 7 (IEEE 802.11be) is de nieuwste wifi-standaard en is inmiddels gewoon te koop. Wi-Fi 7 kan meerdere frequentiebanden tegelijk gebruiken en is daardoor sneller en stabieler.
De opvolger, Wi-Fi 8, wordt nu ontwikkeld. Die moet vooral betrouwbaarder worden. In de video hiernaast legt TP-Link uit wat Wi-Fi 7 kan (Engels).
Beantwoord de vragen in je Word-document.
Op welke laag of lagen van het OSI-model is Ethernet actief?
Hoe heet de connector voor een Ethernet-kabel op een pc?
Wat is het verschil tussen een CAT5- en een CAT6-kabel? Waarom kies je de een of de ander?
Bekijk het netwerk en de internetaansluiting op school. Maak een schets met potlood en papier van het MVI/ICT-plein en de lokalen V0.46 en V0.47. Teken ook de switches, routers en modems. Maak een foto van je tekening en zet die in je verslag.
Maak een wifi-heatmap van het MVI/ICT-plein. Een heatmap laat zien hoe goed het wifi-bereik is. Gebruik de plattegrond (knop Plattegrond) en je telefoon of laptop. Plak de heatmap in je verslag. Hoe je dit doet, zie je in de 3 video's hieronder.
Maak een Visio-tekening van dit netwerk. Je mag ook Cisco Packet Tracer gebruiken, maar dat is lastiger.
Klik op de knop 'Plattegrond' om de plattegrond te downloaden die je nodig hebt voor de WiFi Heatmap.
ICT Leerpark Arnhem: zo maak je een wifi-heatmap met je mobiel.
ICT Leerpark Arnhem: zo maak je een wifi-heatmap met je laptop.
Acrylic Wi-Fi: de officiële uitleg over een site survey (Engels).
Op te leveren product in Teams: Word-document met opdracht 1.1 t/m 4.1
Leerdoelen
Je kunt vertellen waarom het OSI-model wordt gebruikt
Je kunt vertellen waarom TCP/IP wordt gebruikt
Je kunt verschillen en overeenkomsten tussen OSI en TCP/IP beschrijven
Je kunt vertellen wat Ethernet is
Werkwijze
Lees de tekst en bekijk de video over het OSI-model
Lees de tekst en bekijk de video over TCP/IP
Bekijk Netwerk voor beginners deel 1 en 2
Maak opdracht 5.1 en 5.2
Lever je werk in op Teams
Het OSI-model
Het OSI-model is een standaard die uitlegt hoe computers en andere apparaten informatie aan elkaar doorgeven. Het model verdeelt dat werk in 7 stappen: de lagen. Elke laag heeft een eigen taak. OSI staat voor Open Systems Interconnection.
Van boven (7) naar beneden (1) zijn de lagen: applicatie, presentatie, sessie, transport, netwerk, datalink en fysiek. Op het plaatje hiernaast zie je ze in het Engels.
Video: het OSI-model
In deze korte video (Flitscollege, Hanzehogeschool) zie je de 7 lagen van het OSI-model op een rij. Let vooral op wat elke laag doet.
Wat gebeurt er in elke laag?
Op het plaatje hiernaast zie je per laag van het OSI-model welke protocollen en apparaten erbij horen. Een switch werkt bijvoorbeeld op laag 2 (datalink) en een router op laag 3 (netwerk).
Het OSI-model: per laag de protocollen en apparaten (Engels).
TCP/IP
TCP/IP is een verzameling afspraken (protocollen) voor bijna alle netwerkcommunicatie. Het internet is het grootste TCP/IP-netwerk. De naam komt van de twee belangrijkste protocollen:
TCP (Transmission Control Protocol): zorgt dat data compleet en in de goede volgorde aankomt
IP (Internet Protocol): zorgt dat pakketjes via het juiste IP-adres op de goede plek komen
In de video hiernaast zie je wat IP-adressen zijn en hoe ze werken.
Verschillen en overeenkomsten tussen OSI en TCP/IP
Beide modellen beschrijven netwerkcommunicatie in lagen. TCP/IP heeft minder lagen: een paar OSI-lagen zijn samengevoegd. Op het plaatje hieronder zie je welke lagen bij elkaar horen.
I Teach IT: netwerken voor beginners, deel 1. Infrastructuur en IP.
I Teach IT: netwerken voor beginners, deel 2. Het OSI-model en protocollen.
All People Seem To Need Data Processing en Please Do Not Throw Sausage Pizza Away
Bekijk het onderstaande plaatje en beantwoord de vragen die eronder staan.
Beantwoord de vragen bij het plaatje hierboven in je Word-document.
Welk IP-adres is zichtbaar voor een willekeurige gebruiker van internet?
Kunnen computer 1 en computer 2 elkaar zien?
Wat is de functie van het DSL-modem?
Welk apparaat heeft NAT-functionaliteit?
Wat is de functie van de router?
Langs welke apparaten gaat computer 2 als de gebruiker een website bezoekt?
Hoeveel unieke gebruikers kunnen er in het intranet worden aangesloten?
Maak een netwerktekening in Microsoft Visio en plak die in je verslag. In de video hiernaast zie je hoe je dit aanpakt.
Teken 2 laptops en 2 telefoons. Die zijn verbonden met een router, de router met een modem en het modem met het internet.
Maak een schets van alle aansluitingen in lokaal V0.46, lokaal V0.47 en op het MVI/ICT-plein.
Maak van die schets een Visio-tekening.
Op te leveren product in Teams: Word-document met opdracht 5.1 en 5.2
Leerdoelen
Je kunt netwerkonderdelen herkennen en benoemen
Je weet hoe de onderdelen werken
Je kunt een netwerk aanleggen en instellen
Werkwijze
Bekijk de video's en lees de informatie bij de netwerkonderdelen
Maak opdracht 6.1 en 6.2
Laat je werk aftekenen door je docent
Zet alles in je verslag
Netwerkonderdelen
Bekijk eerst de twee video's hieronder (Engels). Ze laten zien welke onderdelen er in een netwerk zitten en wat het verschil is tussen een hub, een switch en een router.
UTP-kabel
Een UTP-kabel is een netwerkkabel met vier paar gedraaide (getwiste) koperdraadjes. Door het draaien heb je minder last van storing. Veel gebruikt worden:
Cat5e: meestal tot 1 Gbit/s
Cat6: tot 10 Gbit/s over korte afstand (tot ongeveer 55 meter)
Cat6a: 10 Gbit/s over de hele 100 meter
Een netwerkkabel mag maximaal 100 meter lang zijn. In de video legt Redlink uit welke kabel je kiest.
RJ-45-stekker
De RJ-45-stekker zit aan het uiteinde van een netwerkkabel. Hij heeft 8 contactjes. Je zet hem zelf op de kabel met een krimptang. De volgorde van de gekleurde draadjes staat in de norm T568A of T568B. Gebruik je aan beide kanten dezelfde norm, dan heb je een gewone (straight-through) kabel.
Router
Een router verbindt jouw netwerk met het internet. De router geeft apparaten automatisch een IP-adres (met DHCP) en heeft vaak ook wifi. Hieronder zie je de routers die we in de les gebruiken.
Switch
Een switch verbindt apparaten binnen hetzelfde netwerk met kabels. De switch onthoudt welk apparaat (MAC-adres) op welke poort zit. Zo stuurt hij data alleen naar het juiste apparaat. Hieronder zie je de switches uit de les.
NETGEAR ProSAFE GS105 & GS108
Mesh-netwerk
Bij een mesh-netwerk werken meerdere wifi-punten samen als één netwerk. Zo heb je in het hele huis goed bereik, zonder dat je steeds met een ander netwerk moet verbinden.
NAS
Een NAS (Network Attached Storage) is een harde schijf die op het netwerk zit. Iedereen in het netwerk kan er bestanden op zetten. Een NAS heb je nodig bij opdracht 6.2.
Praktijkopdracht. Laat je werk aftekenen door je docent en zet alles in je verslag.
Maak een netwerkkabel.
Verbind 2 pc's of laptops met elkaar, zonder router ertussen. Stel de verbinding in via Windows Netwerkverbindingen.
Deel een map op het netwerk. Zet er vanaf beide computers een plaatje in dat je op internet zoekt.
Controleer op beide pc's of de bestanden zichtbaar zijn. Maak een printscreen en zet die in je verslag.
Maak een netwerktekening in Visio van dit netwerk, met de IP-adressen erbij.
Kom je er niet uit? Gebruik de hulpknoppen hiernaast.
Praktijkopdracht. Laat je werk aftekenen door je docent en zet alles in je verslag.
Verbind 2 pc's of laptops via een router met elkaar. Sluit ook een mobiele telefoon aan op je netwerk.
Zorg dat de IP-adressen tussen 10.100.0.1 en 10.100.0.20 liggen. Laat met een printscreen zien welke IP-adressen de pc's, laptops en de telefoon hebben.
Sluit een NAS met een harde schijf aan op de router. Stel de NAS in en open hem vanaf een pc of laptop. Maak een printscreen. Tip: dit gaat het makkelijkst als je een map deelt.
Maak een netwerktekening in Visio van dit netwerk, met de IP-adressen erbij.
In de video hiernaast zie je hoe je de router aansluit, instelt en test.
ICT Leerpark Arnhem: zo sluit je de router aan, stel je hem in en test je hem.
Op te leveren product in Teams: verslag met opdracht 6.1 en 6.2, afgetekend door je docent
Leerdoelen
Je kunt een printer aansluiten op een vast en een draadloos netwerk
Je kunt een printer toevoegen in Windows 11
Je kunt via het netwerk printen
Werkwijze
Lees de tekst en het stappenplan
Bekijk de schermafbeeldingen
Maak opdracht 7.1
Laat je werk aftekenen door je docent
Printer aansluiten op een vast netwerk
Sluit de router aan op je laptop of pc.
Stel de router in zoals je bij skill 6 hebt geleerd.
Sluit de printer met een netwerkkabel aan op de router.
Windows 11 vindt de printer meestal vanzelf. Lukt dat niet? Voeg de printer dan zelf toe.
Een printer toevoegen in Windows 11
Open Instellingen.
Kies Bluetooth en apparaten.
Kies Printers en scanners.
Klik op Apparaat toevoegen en kies je printer. Staat hij er niet tussen? Kies dan de optie om hem handmatig toe te voegen.
Let op: de schermafbeeldingen hieronder zijn nog van Windows 10. Daar heet stap 2 nog Apparaten.
Stap 1
Stap 2
Stap 3
Stap 4
Printer aansluiten op een draadloos netwerk
Verbind je laptop via wifi met de router.
Stel de router in zoals je bij skill 6 hebt geleerd.
Sluit de netwerkprinter met een kabel aan op de router.
Windows 11 vindt de printer meestal vanzelf. Lukt dat niet? Voeg de printer dan toe zoals hierboven staat.
Praktijkopdracht. Laat je werk aftekenen door je docent. Noteer je gegevens op het invulblad.
Sluit de printer aan op de router.
Controleer of de printer zichtbaar is op je laptop of pc die op de router is aangesloten.
Is dat niet zo? Installeer dan de driver. Die vind je op de website van de fabrikant (bijvoorbeeld Lexmark).
Maak in Visio een tekening van dit kleine netwerk: router, printer en laptop of pc.
Print de Visio-tekening via het netwerk. Maak een foto van de print en zet die in je verslag.
Op te leveren product in Teams: verslag met opdracht 7.1 en een foto van de geprinte tekening, afgetekend door je docent