Persoonlijke opvatting in de 'jeugdzorg' beïnvloedt besluitvorming (niet-valide):
29 januari 2018
>> Persoonlijke opvattingen van 'jeugdzorgprofessionals' zijn van substantiële invloed op het besluit of een kind uithuisgeplaatst moet worden. <<
Dit blijkt uit het proefschrift van Cora Bartelink,* waarop zij op 1 februari 2018 promoveerde. {'Professional'= broodverdiener; een persoon, die beroepsmatig werkzaam is en diens professie dient te kennen; je leert over mishandeling dus is het er.} https://www.researchgate.net/profile/Cora-Bartelink / “Dilemmas in child protection” .
Bartelink onderzocht het besluitvormingsproces van 'professionals in de jeugdhulp en jeugdbescherming'.
ORBA, een methode voor besluitvorming, en het risicotaxatie-instrument LIRIK blijken slechts in beperkte mate bij te dragen aan een zorgvuldige besluitvorming (waarheidskans van maximaal 25%).
'Jeugdzorgprofessionals' laten zich ook leiden door hun persoonlijke redenering en opvattingen op het gebied van {onbepaalde mate van} kindermishandeling en uithuisplaatsing. Al zien ze het niet, het moet er in deze branche zijn, prejudicieel.
Naast het gebruik van ORBA en LIRIK is het daarom belangrijk dat 'professionals' kritisch hun besluitvorming onder de loep nemen.
Ook is het belangrijk dat zij samen mèt ouders en kinderen tot een besluit komen. Dit dwingt ze om de beslissing zorgvuldiger te onderbouwen {en zo kan er ook voorlichting mèt alternatieven uitgelegd worden waardoor er een mentale keuze komt voor te liggen bij ouders}.
Ook is het goed als de 'professionals' hun collega's betrekken bij de besluitvorming {of liever naar IVRK 24 lid 1 een specialist die onderzoekt naar diens beroepscode}. Bron: Rijksuniversiteit Groningen; Nederlands Jeugdinstituut.
Aanvullende maatregelen nodig bij besluitvorming in vermeende kindermishandelingszaken :
Gestructureerde methoden voor besluitvorming en risicotaxatie-instrumenten in de jeugdhulp en jeugdbescherming verbeteren de jeugdzorgprofessionele besluitvorming in [vermeende] kindermishandelingszaken slechts in beperkte mate. 'Professionals' blijken verschillend te redeneren in die kindermishandelingszaken, wat leidt tot uiteenlopende besluiten. Dit concludeert Cora Bartelink in haar promotieonderzoek.
Wanneer zeg je als 'professional' dat er sprake is van kindermishandeling in een gezin?
Goede besluitvorming over deze vraag is essentieel {immers dwangzorg kan zo schadelijk zijn voor het kind}. Doel van het promotieonderzoek was inzicht te krijgen in factoren die de besluitvorming van 'professionals' in de jeugdhulp en jeugdbescherming beïnvloeden en mogelijk verbeteren in zaken waar (een vermoeden van) kindermishandeling speelt.
Bartelink onderzocht daarvoor:
de effecten van een gestructureerde methode voor de besluitvorming op de kwaliteit van oordelen en beslissingen (de zogeheten ORBA-methode);
de effecten van een risicotaxatie-instrument (LIRIK) op de overeenstemming en trefzekerheid van risico-inschattingen;
hoe 'professionals' redeneren bij beslissingen over de inzet van interventies.
De effecten van de gestructureerde besluitvorming met ORBA en het risicotaxatie-instrument LIRIK blíjken beperkt te zijn. Ze helpen professionals om meer relevante factoren in ogenschouw te nemen, maar het leidt er niet toe dat ze het vaker eens zijn in hun oordelen bij mogelijke kindermishandelingszaken. Ook leidt het niet tot trefzekerder oordelen.
Daarnaast blijken persoonlijke redenaties en de opvattingen van de 'professionals' ten aanzien van kindermishandeling en de uithuisplaatsing van kinderen de besluitvorming substantieel te beïnvloeden.
{Een professional in jeugdzorg/jeugdbescherming = persoon die behoort tot het lage, vage sociaal domein, therapeutisch en diagnostisch ònbevoegd, niet tot de gezondheidszorg met artsenbeëdiging}.
Dit verklaart mogelijk de beperkte effecten die Bartelink vond bij gebruik van ORBA en LIRIK: dergelijke methoden lijken niet genoeg tegenwicht te geven voor die {niet-diagnostische} persoonlijke redenaties en opvattingen. En het blinde MDO volgt ook hun beroepscode niet door van horen zeggen mee te denken, en het te doen voorkomen alsof ze tot een 'diagnose' komen.
Het is daarom volgens haar nodig om - naast het gebruik van middelen als ORBA en LIRIK - aanvullende manieren te zoeken om de besluitvorming te verbeteren. De Kinderrechten weigert de jeugdzorg als maatstaf te gebruiken.
Ze denkt daarbij onder meer aan een meer gedeelde besluitvorming van professionals mèt de ouders en kinderen. Dat dwingt professionals ertoe hun besluitvorming meer transparant te maken en zorgvuldiger te onderbouwen. (Dit heeft al die jaren niét tot enig positief resultaat geleid). Ook kritisch denken kan hieraan een belangrijke bijdrage leveren: het systematisch - eventueel in teams - bedenken van alternatieve verklaringen en doelbewust genereren van voor- en tegenargumenten voor de voorgenomen èn alternatieve beslissingen.
Cora Bartelink voerde haar onderzoek uit bij het Nederlands Jeugdinstituut waar zij werkt als onderzoeker/adviseur in het programma Veilig opgroeien. Het werd gefinancierd door het Nederlands Jeugdinstituut, ZonMw, Stichting Kinderpostzegels en de RUG.
Zie ook het nieuwsbericht van het Nederlands Jeugdinstituut: Drie vuistregels bij besluitvorming voor professionals .
Drie vuistregels van Bartelink voor professionals (en ouders die willen meten); dit staat onderaan.
Proefschrift : “Dilemmas in child protection: Methods and decision-maker factors influencing decision-making in child maltreatment cases” – Bartelink, C. 2018 [Groningen]: Rijksuniversiteit Groningen. 168 pagina's.
De PDF is (2018) te vinden op . https://www.rug.nl/research/portal/en/publications/dilemmas-in-child-protection(f61c10dd-5fa7-4387-80e5-738de3dbdb04).html
Ons commentaar met tip:
Dit is een belangrijke bevinding naast die van de Kinderombudsman Marc Dullaert in 2013, “Is de zorg gegrond?”, waar vele fouten werden gevonden in de jeugdzorgrapportages (ook van het AMHK/onVeilig uiThuis en de RvdK), waardoor besluitvorming in de justitiële jeugdzorgketen de roep deed opwaaien van (diagnostische) waarheidsvinding. Ouders worden ook te slecht voorgelicht, krijgen géén inhoudelijke preventieve voorlichting ter voorkoming van een maatregel, en te zelden worden de diverse alternatieven uitgelegd (Zoals de Jeugdwet wel voorziet in een familiegroepsplan of EigenKrachtCentrale (https://www.eigen-kracht.nl/); ouders ervaren dit als een slechte bejegening, dat geen vertrouwensband opwekt, waarover prof. Carlo Schuengel waarschuwde naar 'jeugdzorg'.
Een kinderbeschermingsmaatregel heet civiel te zijn, maar als het waar was, dan zouden het "mishandelende ouders" betreffen, en kindermishandeling zou strafbaar moeten zijn, dus bij het strafrecht thuishoren. Daar zou de werkgelegenheidsbescherming van de jeugdzorgketen niet blij mee zijn.
In het strafrecht dient bewezen te worden met een zekerheidskans van 98%, doch in de 'civiele' jeugdzorg is dat vagelijk 25%. Dat kan dus makkelijk met suggesties.
Naast Bartelink en de Kinderombudsman zijn er ook andere wetenschappelijke inzichten, dit bevestigend, om wel veel zuiniger om te gaan met dwangmaatregelen, vanwege de bewezen schadelijke effecten:
Zo bewees Joseph J. Doyle jr in 2007 en later dat kinderen met dezelfde problematiek random thuis de passende hulp mochten ontvangen en beter af waren dàn die groep waar het uithuisplaatsen werd doorgezet, weg van de vertrouwde omgeving en familie. (Deze 6 onderzoeken waren groots, met N = ~23.000. Deze staan hoog in de onderzoekshiërarchie).
Recent en belangrijk, immers medisch inzicht, is die van internist prof. Ursula Gresser: Het weghouden van de eigen ouder of ouders, met minder bezoekcontact dan een dagdeel per maximaal een week, blijkt niet enkel psychisch schadelijk en levenslang gevolgen te kennen, doch ook fysiologisch blijkt het te vaak mis te gaan; daarop is de 'jeugdzorg' niet deskundig of bevoegd.
Daniel R. Weinberger en later Evelien van Assche (https://jeugdbescherming.jimdofree.com/kwaliteit/meer-doyle-wetenschap/stress-weinberger-dna/) vonden dat de stress door Uithuisplaatsen zelfs schade aanricht in het DNA, DNA-methylatie, voor een leven lang, organen en hersens schadend.
Te vaak wordt waargenomen dat kinderrecht IVRK artikel 24 lid 1 om dit vooraf of snel na besluit tot dwangzorg te diagnosticeren, een nulmeting waarop het besluit moet worden gecontroleerd (IVRK25), geschònden wordt door de 'jeugdzorg' en te afwachtende ouders (BW1:247; wetten.nl). En negatie van kinderrecht IVRK 25, dat vervolgonderzoeken verplicht stelt bij dwangzorg, uiteraard op hetzelfde niveau als van artikel 24. Zo kan worden bepaald of de G.I. (jeugdbescherming) wel de juiste hulpinzet bezigt.
In vervolgpagina's zal eerst ingegaan worden op de trucs van de jeugdzorg, en later andere wetenschappen die te zelden goed spreken over de jeugdbescherming.
VN-Kinderrechtenverdrag artikel 24:
Lid 1. De Staten die partij zijn, erkennen het rècht van het kind op het genot van de gróótst mógelijke máte van gezòndheid èn op voorzieningen voor de behàndeling van 'ziekte'[of orthopedagogie] en het hèrstel van de gezondheid. De Staten die partij zijn, stréven [sinds vorige eeuw] ernaar te wáárbòrgen dat geen enkel kind zijn of haar recht op tóégang tot deze voorzieningen voor gezòndheidszòrg wordt ònthouden.
Het General Comment nummer 14 geeft aan dat bij de kreet "in het belang van het kind" uit artikel 3 IVRK alle artikelen dienen mee genomen te worden: https://www.kinderrechten.nl/general-comment-nr-14-over-het-belang-van-het-kind/ . https://www.kinderrechten.nl/kinderrechten-vw/artikel-24-gezondheid/ voor lid 1 en 3 .
De Jeugdbescherming beweert met een cliché aan 'het belang van het kind' te doen, doch naar Kinderrecht artikel 3 met het General Comment nummer 14 moet dan alle artikelen, ook artikel 24, 25 en 39, ook meegewogen worden. Hierin faalt de jeugdbescherming grandioos. Daar de kinderrechters ook ketenpartner zijn van de jeugdzorgketen blijken ook zij die Kinderrechten en wetenschappen te negeren bij hun afweging, en NB: de rechters zíjn diagnostisch ònbevoegd!
Te vaak wordt er drang- of dwangzorg uitgesproken alsof het een afvoerputje is voor problemen die rechters als juristen niét snappen. Dan mist het kind diens ouders.