Is er een probleem, zoals jeugdzorg vaak doet voorkomen, dan moet er geméten ofwel 'onderzocht' worden.
Hoe meet je aan welke maatstaf?! Dat is de vraag bij diagnostisch-ònbevoegde jeugdzorg. Wilt ge dat overlaten aan de zichzelf noemende 'professionals' die qua opleiding slechts amateurs zijn, òf conform het internationaal Kinderrecht artikel 24 lid 1 in de gezòndheidszorg bij beroepsgeregistreerde diagnostisch bevoegde specialisten? Weet daar hier het fijne van:
● Er bestaat een belangrijk verschil tussen: Indicatieve (diagnostisch-ònbevoegde) Jeugdzorg - tegenover --> echte medische/psychologische diagnostiek.
We leggen het uit:
Als ouder kun je in aanraking komen met jeugdzorg (zoals een CJG, Gemeentelijke jeugdzorg, beschermtafel, 'Veilig Thuis', gecertificeerde instelling, gezinsvoogd, of de RvdKinderbescherming).
Dat is vaak gericht op (ongedefinieerde) 'veiligheid', opvoedingsondersteuning en beschèrming van het kind. Maar het is geen 'vervanging' voor echte medische of psychologische diagnostiek. Dus hoe wilt ge (laten) méten?
• Bij beschermingsmaatregelen adviseert prof. R.J. van der Gaag eerst een diagnostieke nulmeting, een meting op diagnostiek niveau vooraf aan een eventuele beslissing tot drang- of dwangzorg. De jeugdbescherming is echter gericht op vermeende 'bedreigingen van de ontwikkeling van het kind' (BW1:255¹), en vaak wordt daar geïnsinueerd, en naar de kinderrechter kan dat fataal zijn. Vandaar, snap dit!:
Diagnostiek is volgens kinder- en jeugdpsychiater prof. dr. R.J. van der Gaag (2003) “de kunst om écht te doorgronden waarom een kind klachten heeft of problemen vertoont, rekening houdend met biologie, psychologie, ontwikkeling en omgeving.”
In de 'jeugd-GGZ' (geestelijke gezondheidszorg voor jeugd) kijken specialisten (kinderpsychiaters, neuropsychologen, orthopedagogen-generalisten) gelaagd diagnostisch:
- Biologisch (bijv. hersenontwikkeling, infecties, erfelijkheid).
- Neuropsychologisch (hoe het brein informatie verwerkt).
- Sociaal-pedagogisch (gezin, school, hechting).
Jeugdzorgwerkers zijn hier zeer zelden of niet voor opgeleid. Zij werken vaak met checklists, risico-inschattingen en (zonder diagnostische bevoegdheid) met DSM-labels (zoals “oppositioneel gedrag” of “hechtingsprobleem”), maar dat is indicatief, dus geen volledige diagnostiek. Dat kan leiden tot snelle etiketten en maatregelen (zoals ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing) zonder de echte oorzaak te kennen. (Vraag dus dossiers geheel op (AVG).
● Waarom dit verschil ertoe doet:
- Gedragsproblemen kunnen medische oorzaken hebben (bijv. hersenbeschadiging, autisme, ADHD met onderliggende oorzaak, of zelfs een ziekte). Dan helpt opvoedadvies of dwang niét — je hebt specialistische zorg nodig.
- Zonder goede diagnostiek kan hulp vertragen of zelfs schadelijk zijn (bijv. onnodig uithuis plaatsen breekt hechting af).
- De Jeugdwet met Burgerlijk Wetboek 1 en Rechtsvordering (sinds 2015) garandeert gèèn automatische toegang tot specialistische diagnostiek. Gemeenten en jeugdzorg kunnen drempels opwerpen, ook al is diagnostische nulmeting geadviseerd door deskundigen.
Het weglaten van diagnose bij zeer ingrijpende beslissingen gaan in tegen internationale Kinderrechten en het mensenrecht EVRM8.
Jeugdzørg is dus géén gezòndheidszorg, al heeft het kind bij ingrepen daar wel recht op.
● Voorbeelden uit de praktijk (herkenbaar gemaakt):
1. Een peuter reageert heel gevoelig op geluid en herhaalt woorden. Jeugdzorg plakt snel een label en komt tot ondertoezicht stellen van een therapeutisch-ònbevoegde jeugdzørgwerker. Een specialist ziet mogelijk autisme of sensorische problemen → vroege hulp voorkomt jaren ellende.
2. Een slimme jongen wordt driftig en dwingend op school. Jeugdzorg zegt “oppositioneel”. Later blijkt het een disharmonisch profiel (hoog verbaal, laag performaal, zoals vaak bij Asperger/NLD). Jeugdzorg zou wegplaatsen als een afvoerputje. Vroegere diagnostiek zou veel frustratie bespaard hebben.
3. Een drukke jongen met slaapproblemen krijgt labels als ADHD/hechtingsstoornis. Medicatie helpt niet. Uiteindelijk onderzoek toont hersenbeschadiging door drugsgebruik moeder tijdens zwangerschap. Andere gediagnosticeerde medicatie + therapie werkt wél.
● Je rechten als ouder (volgens VN-Kinderrechtenverdrag – IVRK):
- Artikel 24: Je kind heeft recht op de 'beste mogelijke gezondheidszorg', inclusief psychische hulp en diagnostiek. Niemand mag die toegang blokkeren (al zal de jeugdzorgketen het wel betrachten; de wettekst staat boven aan de kop).
- Bij uithuisplaatsing (artikel 25): Er moet regelmatig 'geëvalueerd' worden, naar VN-richtlijn om ca. elk kwartaal, of de maatregel nog nodig is – op basis van goede diagnostiek, niet alleen checklists. Jeugdzorgwerkers kunnen dit niet onderkennen.
- Ouders beslissen normaal (in gezòndheidszorg) over zorg voor hun kind. Vanaf ca. 12 jaar beslist het kind mee.
- Bij ernstige problemen (volgens de jeugdzorgwerkers) kan een rechter ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing opleggen, maar dat mag eigenlijk alleen als echt noodzakelijk is en idealiter na specialistisch onderzoek. Daar werkt de jeugdbescherming niet aan mee. Dus moeten ouders (BW1:247) hiervoor opkomen.
● Praktische tips voor ouders:
- Vraag altijd om 'doorverwijzing naar een ònafhankelijke jeugd-GGZ-specialist' (Rv810a) (kinderpsychiater of orthopedagoog-generalist) vóór vergaande stappen zoals OTS of uithuisplaatsing.
- Stel open onderzoeksvragen: “Wat zijn de oorzaken? Welk hulp past het best bij ons kind en gezin?” Niet laten sturen door gesloten vragen, die geëigend zijn asn SKJ-jeugdzorgwerkers.
- Als je het niet eens bent met een advies: vraag een 'second opinion' of uitleg door een echte diagnosticus.
- Documenteer alles. Vraag rapporten in te zien (AVG) en mee te ondertekenen waar mogelijk.
- Dwangzorg (zoals gedwongen uithuisplaatsing zonder duidelijke noodzaak) is vaak contraproductief en kan schade veroorzaken (wetenschappelijk onderbouwd, o.a. door Schuengel, 2013, of Joseph Doyle: https://kinderbescherming.jimdofree.com/.../wetenschappe.../).
- Zoek steun bij onafhankelijke organisaties, lotgenoten of/en een advocaat gespecialiseerd in jeugdbescherming/familierecht.
★☆★ Conclusie:
Goede diagnostiek is een kinderrecht. Het voorkomt onnodige schade en leidt tot snellere, goedkopere en effectievere hulp. Jeugdzorg is bedóéld om te helpen, al is de praktijk op hun verdienmodel gericht, niet om te diagnosticeren. Eis daarom specialistische diagnostiek als nulmeting bij zorgen over veiligheid of ontwikkeling. Dat beschermt je kind het best.
Bronnen o.a.:
- Prof. R.J. van der Gaag (oratie 2003, Radboud Universiteit).*
- Onderzoeksmemorandum 2023-5 op verzoek van de Expertgroep Jeugdrechters, door prof. F. Juffer: https://www.facebook.com/share/p/15QsNrfY9Y/,
- Advies van mr. ir. P. Prinsen: https://www.facebook.com/share/p/1C9dFgqFGT/,
- FJR 2012/95 over hechtingsdiagnostiek: https://jeugdbescherming.jimdofree.com/kwaliteit/fjr-2012-95-over-hechting/.
- IVRK artikelen 24, 25 en 39, https://www.kinderrechten.nl/kinderrechten-vw/artikel-24-gezondheid// e.v..
▪︎ Ja, er zijn voor het begrip meer voorbeelden die illustreren waarom een 'diagnostische nulmeting' (zoals prof. Van der Gaag bepleit) cruciaal is.*
Zònder specialistische, gelaagde diagnostiek uit de gezòndheidszorg zoals orthopedagoog-generalist of jeugd-GGZ (in gezòndheidszorg: kinderpsychiatrie, neuropsychologie, orthopedagoog-generalist, etc.) worden gedragsproblemen vaak te snel toegeschreven aan opvoeding, ouders of 'hechtingsstoornis', terwijl er een onderliggende medische, neurologische of ontwikkelingsgerelateerde oorzaak kan zijn. Dit leidt al te vaak (85%) tot onnodige drang/dwangmaatregelen, zoals ondertoezichtstelling (OTS) of UitHuisPlaatsing (UHP), zonder dat de echte hulp wordt ingezet.
● Hieronder enkele extra, herkenbare voorbeelden (gebaseerd op bekende patronen uit kinder- en jeugdpsychiatrie en praktijkverhalen; niet fictief, maar samengevat en geanonimiseerd waar nodig). Deze tonen aan hoe het missen van somatische/neuropsychologische diagnostiek schade kan veroorzaken.
○ Extra voorbeeld 1: Foetaal Alcohol Syndroom (FAS) of prenatale blootstelling
Een kind (bijv. 7-10 jaar) is extreem impulsief, heeft moeite met concentreren, liegt vaak, steelt kleine dingen en heeft driftbuien. Jeugdzorg classificeert dit snel als 'gedragsstoornis (CD/ODD)' of 'hechtingsprobleem door, dat is de vraag, verwaarlozing in vroege jeugd'. Ouders krijgen verwijten over opvoeding, en er volgt OTS en mogelijk Uithuisplaatsing naar een (rééks) pleeggezin.
• Pas na jaren (of nooit) komt neuropsychologisch en kinderneurologisch onderzoek: het kind heeft FAS door alcoholgebruik moeder tijdens zwangerschap. Kenmerken: typische gezichtskenmerken (soms subtiel), hersenbeschadiging in frontale gebieden → impulscontrole en executieve functies ernstig verstoord. Medicatie zoals ADHD-middelen helpt vaak niet of averechts; nodig zijn structuur, lage eisen en specifieke begeleiding. Vroege diagnose had jaren frustratie, mislukte plaatsingen en breuk met biologische familie kunnen voorkomen.
○ Extra voorbeeld 2: Onontdekte epilepsie of absence-epilepsie
Een tiener (12-15 jaar) lijkt 'afwezig', dagdroomt veel, presteert plots slecht op school, wordt prikkelbaar en agressief bij confrontaties. Jeugdzorg ziet dit als 'oppositioneel gedrag', 'hechtingsissues' of 'trauma door scheiding ouders'. Er volgt dan intensieve opvoedingsbegeleiding of zelfs plaatsing in een instelling (UHP) .
• EEG-onderzoek (door kinderarts-neuroloog) toont 'absence-epilepsie' (petit mal aanvallen): korte 'uitvallen' die eruitzien als dagdromen. Medicatie (anti-epileptica) normaliseert het gedrag binnen weken. Zonder dit werd het kind jarenlang als 'probleemkind' behandeld, met onnodige stigmatisering, traumatisatie, en mogelijke dwangzorg.
○ Extra voorbeeld 3: Schildklierproblemen of andere endocriene stoornissen
Een meisje (9-12 jaar) is extreem vermoeid, chagrijnig, teruggetrokken, heeft driftbuien en schoolweigering. Jeugdzorg denkt aan depressie door gezinsproblemen of 'hechtingsstoornis'. Ouders krijgen schuld toegeschoven, er komt een Ondertoezichtstelling met vaak UHP, en mogelijk zelfs beëindiging gezag (BW1:266).
• Bloedonderzoek (basis somatische check, vaak vergeten) toont 'hypothyreoïdie' (trage schildklier). Symptomen verdwijnen grotendeels met simpele medicatie (levothyroxine). Gedrag normaliseert; geen intensieve therapie of plaatsing nodig. Vroege check had veel leed bespaard.
○ Extra voorbeeld 4: Autismespectrumstoornis met co-morbide somatische factor
Een jongen (6-8 jaar) is sensorisch overgevoelig (geluiden, aanraking), trekt zich terug, heeft meltdown bij veranderingen en beperkt sociaal contact. Jeugdzorg plakt al snel 'hechtingsstoornis' of 'verwaarlozing' (zeker als er adoptie/pleegzorg in het spel is). Uithuisplaatsing volgt vaak.
• Specialistische diagnostiek (kinderpsychiater + neuropsycholoog) toont ASS met mogelijke co-morbiditeit zoals NLD (Non-verbaal Learning Disorder) of subtiele neurologische afwijking. Vroege interventie (sensorische integratie, structuur, geen hoge eisen) helpt enorm. Zonder dit: jarenlang verkeerde aanpak, meer gedragsproblemen en breuk met veilige hechtingsfiguren.
○ • ○ Waarom dit relevant is voor/bij jeugdbescherming (en ouders):
In veel van deze gevallen:
- Wordt gedrag in 'jeugdzørg' puur pedagogisch/relationeel verklaard → snelle etiketten zoals 'hechtingsstoornis' zonder specialistische onderbouwing (zoals bekritiseerd in FJR 2012/95).
- Ontbreekt somatische uitsluiting (bloedonderzoek, EEG, genetisch advies, etc.).
- Leidt dit tot drang/dwang zónder èchte oplossing, terwijl IVRK art. 24¹ het recht op beste gezondheidszorg zou moeten garanderen (inclusief somatische differentiaaldiagnostiek).
- Advies Van der Gaag: 'nulmeting' door bevoegde diagnosticus vóór ingrijpende stappen, zoals drangzorg, OTS of UHP, om oorzaken op biologisch, neuropsychologisch én pedagogisch niveau te wegen.
Ouders kunnen dit aankaarten bij de rechter: eis "onafhankelijke, specialistische diagnostiek" (bijv. via orthopedagoog-generalist of kinderarts) als basis voor beslissingen. Dit is geen luxe, maar een kinderrecht om onnodige schade te voorkomen. De 'jeugdzørg' blijkt dat tegen te werken, dus anticipeer.
_______
*
De tekst van Van der Gaag:
Wat is diagnostiek?
Prof. R.J. van der Gaag zegt het zo (2003): “Diagnostiek is letterlijk de kunst van het ‘door-kennen’ van de mechanismen, die bij een bepaald individu, gegeven diens omgeving en aanleg, onder de huidige omstandigheden, leiden tot klachten of disfunctioneren.”
"In de kinder- en jeugd-psychiatrie geldt het principe van een gelaagde diagnostiek, waarbij gekeken wordt naar verschillende niveaus; dit zijn het biologische, (neuro)psychologische en (pedagogisch-)sociale niveau.
"Gedragsproblemen en -veranderingen kunnen een infectueuze oorzaak hebben, of zelfs kanker. Inzet van Eigen Kracht of OTS met uithuisplaatsen (jeugdzorgniveau) helpt dan niet!
"Een deel van de gezondheidszorg voor jeugdigen financieren in de jeugdzorg (bescherming) stelt een drempel in het recht op psychische gezondheidszorg, en is derhalve geen ‘ontschotting’.
Zorg middels formulieren en lijsten is géén diagnostieke zorg.
"Jeugdzorg werkt meer en meer met risico-afvinklijstjes. Dieper kijken naar oorzaken alsmede juist afwegen van belangen voor de verdere ontwikkeling van het kind hoort niet thuis binnen het jeugdzorgniveau. Daar is jeugdzorg niet (medisch-academisch) voor opgeleid.
"De regelmatig anonieme (SKJ-)gedragswetenschapper in BJZ/GI wordt vaak weggehouden van teambesprekingen of hij ziet veelal de cliënt niet, terwijl hij zich behoort te conformeren aan diens beroepscode, en dus geen gevolg-hebbende adviezen (leidend tot dwangzorg met alle risico’s voor de opgroeiende van dien) mag geven zònder zelf de cliënt te hebben gezien. Doet deze gedragsdeskundige dat wel, dan behoort deze tuchtrechtelijk aanspreekbaar te zijn.
"De afvinkende jeugdzorgwerker/gezinsmanager is de spil in wat deze kan en wil inbrengen in het (de cliënt niet-ziende) team van de GI of Bureau jeugdzorg (bovenlokale gecertificeerde instelling, die de gemeenten zal ‘helpen’ met zorgtoewijzingen). Dat kan regelmatig volstrekt onvoldoende zijn voor het juiste hulptraject.
"Wanneer alleen maar classificatie-labels worden gehanteerd (door de afvinklijstjes en jeugdzorgformulieren) om een tot een diagnostische inschatting te komen, gaan jeugdpsychiaters (of vòòr hen de jeugdzorgwerkers), om het boud uit te drukken, terug naar de middeleeuwse schilderkunst; het wordt perspectief-arm; alles lijkt van gelijke importantie. De clinici (maar hier ook de politici en beleidsmakers) zijn gewaarschuwd, zij moeten terug naar hun leest en zorgdragen voor een gewógen diagnostiek, een kinderrecht.
"Zorgwekkend is dat de huidige classificaties de basis vormen voor het beleid. (Dat ongenuanceerd afvinken is in jeugdzorg meer en meer het geval.) Dat als basis kan nooit omdat de classificatie-categorieën niets zeggen over de ernst (dimensie) en de impact van deze stoornis op individu en omgeving, ook hoe dezen de voorgestelde hulptrajecten zullen beleven; een weghalen uit de vertrouwde omgeving is een contra-indicatie omdat dit tegennatuurlijk is in de psyche van het kind.
"Als clinici (of zelfs jeugdzorgwerkers) er zo mee omgaan, dan mag het geen verbazing wekken dat de overheid (incl. jeugdzorg/jeugdhulp), zorgverzekeraars en toelatingscommissies in het (speciaal) onderwijs de huidige psychiatrische classificatie-systemen als een vaststaande waarheid gaan aanvaarden. Op deze basis verdeelt men gelden, bepaalt men zorgzwaarte en meet men zich een oordeel aan over het te verrichten beleid in jeugdzorg.
"Er wordt geen rekening gehouden met een aantal aspecten. Op het gedragsniveau verdient bijv. de ontwikkelingsdimensie extra aandacht. De neuropsychologie is belangrijk om de juiste therapeutische weg in te slaan. Moeilijk te begrijpen en te behandelen klinische beelden kunnen hulpverleners op het verkeerde spoor zetten.
Voorbeelden
"We geven een paar voorbeelden waarin het niveau van jeugdzorg een vertraging in het juiste hulptraject kan veroorzaken. (Dit is nog steeds geciteerd).
1.
Een gaaf meisje van 2 jaar zit in een speelkamer ter observatie. De moeder heeft haar op een kleed gezet met een doos kleurrijke blokken en daarna de kamer verlaten. Het meisje vertrok daarbij geen spier. Het speelt met de blokken en wiegt zachtjes heen en weer. De aanwezige assistent lijkt niet in beeld. Tevergeefs vraagt de assistent aandacht met poppen, knuffels, ballen. Bij het piepen van een speelgoedbeestje doet het meisje de handen op haar oren en begint te gillen. Na het stoppen van de piep gaat ze gewoon door met haar vertrouwde blokken. Na een tijdje pakt zij de hand van de assistent en dirigeert hem dwingend naar een doos Duplo-blokken. De assistent vraagt: “Wil jij Duplo?” “Uuplo” echoot het kind.
In bureau jeugdzorg zou er meteen een etiket op geplakt worden, met het handboek DSM als alibi. Clinici trachten echter het ontwikkelingsniveau te bepalen, i.t.t. jeugdzorg dat niet toegerust is tot diagnostiek. Het DSM is voor vanaf 4 jaren geschikt, en noopt interpretatie door de specialist.
De gezinsmanager die niet doorverwijst naar de specialist – omdat deze de kennis niet kan hebben – doet naar recht aan inspanningsverzuim.
2.
Volgens zijn ouders is de achtjarige patiënt een pientere jongen, die tot groep 1 geen opmerkelijke problemen gaf. Hij sprak al heel vroeg opvallend goed zonder dat hij naar de peuterspeelzaal ging. Als enig kind vermaakte hij zich thuis prima. Hij speelde al vroeg geïnteresseerd met plastic dino’s en andere beesten. Hij bleek wel wat motorisch onhandig en hield niet van bezoek. In groep 1 wilde hij niet knippen en plakken, maar was dol op puzzelen en de bouwhoek. Hij bemoeide zich met iedereen, kon driftig en agressief worden. Kinderen waren al snel uitgekeken op zijn dwingend gedrag.
Helaas werden de ouders geadviseerd begeleiding te zoeken bij Bureau Jeugdzorg (tegenwoordig de gezinsvoogdij, met namen als Jeugdbescherming of Samen Veilig Thuis). Daar had men al gauw het etiket klaar “oppositionele gedragsstoornis”, daar enig gedrag keurig leek te voldoen aan de DSM-criteria. De ouders werden beschuldigd alsof dezen ‘hem te lang zijn eigen gang hadden laten gaan en nu kon hij zich niet handhaven in een omgeving waar eisen aan hem gesteld werden’.
Twee jaren ouderbegeleiding maakten de ouders niet veel wijzer en zeker niet gelukkiger (BW1:262 na 2014; scrol op: http://peterprinsen.nl/HERZIENINGOTS-2011.htm). De problemen namen enkel toe. In groep 3 kreeg hij een aangepaste programma en verbreedde hij zijn horizon, maar in groep 4 moest hij zich conformeren aan het gemiddelde van de klas. Hij kon met rekenen niet uit de voeten maar las al op niveau groep 5. Nu pas werd verwezen naar diagnostiek.
Er was iets anders aan de hand dan de pseudodiagnose van BJZ\GI. Deze jongen bleek bij neuropsychologisch onderzoek zeer disharmonisch toegerust, met een verbaal vermogen ruim bovengemiddeld, en een disharmonische performale toerusting. Uitstekend ruimtelijk inzicht maar de cognitieve flexibiliteit van een ‘loden pijp’. Hans Asperger (1944) heeft dit soort jongens destijds al goed beschreven. Het herkennen van het beeld bij de overgang naar groep 1 had heel wat ellende kunnen besparen. Achteraf is de jongen drie jaren achterop geraakt. Het zo-zo-zo-beleid (straks het 1-1-1-beleid) van de overheid werkt wellicht als drempel om tot hoogwaardige diagnostiek te komen. (Opgemerkt: dit zogeheten Non-verbaal Learning Disorder NLD-profiel – met hoog verbaal significant lager performaal – wordt bij 9 op de 10 individuen met klinische diagnose Asperger gezien. Doch het omgekeerde is echter niet waar: slechts een minderheid van individuen met NLD heeft tevens Asperger).
3.
Patiënt is twaalf als deze wordt aangemeld bij de specialist. Er werd al 4 jaren met hem gesold. Niemand wil hem. Inmiddels gaat hij niet meer naar school omdat geen school hem nog wil hebben. Zijn pleegouders zijn ten einde raad. Zijn moeder is vroeg gestorven door verslaving. Hij was zeer levendig. Zijn pleegouders hebben veel benoemd wat positief werkte. Slapen doet hij al zijn hele leven weinig maar met speelgoed in zijn kamer en een veiligheidshaak op de deur is daar redelijk mee om te gaan. Al in groep 1 of 2 is hij wegens druk grensoverschrijdend gedrag overgeplaatst naar een ZMOK-school.
Bureau Jeugdzorg werd ingeschakeld wegens zijn forse gedragsproblemen… Na allerhande speculatieve pogingen om zijn gedrag te beïnvloeden is hij ìn een Medisch Kindertehuis (UHP) geplaatst.
De kinderpsychiatrisch consulent voegde aan het lijstje classificaties dat al bestond uit een ‘hechtingsstoornis’ en ‘gedragsstoornissen’ de classificatie ADHD toe.
Hij adviseerde Ritalin in wisselende doseringen zonder enig effect en verwees terug naar de orthopedagogiek. Daar kon men geen vat krijgen op zijn gedrag en stuurde hem gewoon naar… huis.
Thuis vermaakte hij zich redelijk, als er maar weinig eisen aan hem gesteld werden.
Neuropsychologisch onderzoek wijst op een gemiddelde maar disharmonische toerusting, maar laat vooral zien dat er sprake is van een enorme gedragsmatige en cognitieve impulsiviteit terwijl de aandachtsfuncties eigenlijk redelijk intact zijn. Bij psychiatrisch onderzoek zien de clinici een prepuber die ontstemd is over zijn onmacht om zijn gedrag te sturen en somber over zijn povere vooruitzichten.
Afvinklijstjes helpen niet.
"Goede raad lijkt duur: terug naar de ontwikkelingsanamnese. Zijn moeder bleek aan een overdosis te zijn overleden. Zij had regelmatig cocaïne gebruikt, zeker in het begin van haar zwangerschap waar zij zich pas laat van bewust was geworden. Deze jongen bleek na consultatie met een kinderneurologe prefrontale infarcten te hebben. Stimulerende middelen hebben begrijpelijkerwijze weinig invloed als de gebieden in de frontale cortex domweg niet aanwezig zijn. Met lage doseringen neuroleptica verbeteren gedrag en bereikbaarheid. Een therapie door een jeugdpsychiater tegen de depressiviteit en een passende school zijn aangeraden.
"Ook dit voorbeeld weerspiegelt pijnlijk de onmacht van het afdraaien van classificatorische DSM-etiketten, laat staan risicolijsten in jeugdzorg. Dit heeft geleid tot zwartepieten tussen j-GGZ en Bureau Jeugdzorg/GI. Het kind stond niet centraal.
—
"Deze voorbeelden onderstrepen het belang van diagnostiek, diagnostiek met oog voor dieper liggende niveaus.
Aanmodderen met jeugdzorgwerk kan goedkoop lijken…. Het kan ook schade veroorzaken." (Tot zover citaten).
Adviezen (wetenschappelijk)
Het is o.m. prof.dr. R.J. van der Gaag (Radboud Universiteit) die adviseert om zwaargewichten als poortwachter tot zorg in te stellen. Specialisten voor doelgroepen kunnen sneller tot effectieve paden komen, en de zorg goedkoper maken, maar ook mìnder schadelijk. Doelgroep-specialisatie, zoals het door prof.dr. R.A.C. Hoksbergen voorgestelde IBAP rond gespecialiseerde deskundigheid voor geadopteerden en pleegkinderen en over gehechtheid. Of het door de SSF voorgestelde kenniscentrum voor begeleiding rond omgangssabotage bij of na echtscheidingen (met bijv. training.villapinedo.nl).
Juridisch blijkt het Kinderrechtenverdrag niet geïmplementeerd te zijn in jeugdbeschermingswetgeving ondanks Grondwet artikel 93.
Ken dus naast BW1:247 dat kinderrecht art.24:
Lid 1. De Staten die partij zijn, erkennen het rècht van het kind op het genot van de gróótst mógelijke mate van gezòndheid en op voorzieningen voor de behandeling van 'ziekte' [of orthopedagogie] en het hèrstel van de gezondheid. De Staten die partij zijn, stréven ernaar te wáárborgen dat géén enkel kind zijn of haar recht op toegang tot deze voorzieningen voor gezondheidszorg wordt ònthouden.
Enige andere sites::
Rond wetten en precedenten: https://jeugdbescherming.jimdofree.com/wetten-en.../ ;
Wetenschappelijk onderzoek laat zien hoe de kwaliteit van de 'jeugdzorg' ondergeschikt is aan de macht van de diagnostisch-ònbevoegde jeugdzorgwerker: https://jeugdzorg.wixsite.com/.../wetenschap-tegen....
- Op de Fb-site Jeugdzorg Betrapt staat meer!
https://kinderbescherming.jimdofree.com/kritiek-van-deskundigen/onderzoek-met-gevolg/wetenschappelijk-overzicht-22/ geeft bewijzen over de gevolgen van beschermingsmaatregelen aan kinderen, bewezen door wetenschappers.
Alles mag gecopieerd worden voor uw bijlagen, voor onderbouwing en wetenschap.
De 'jeugdzorg' kan emoties aanwakkeren, maar toon die niét bij de jeugdzorgketen of rechter, want die vertalen dat naar een beschuldiging naar u, ouders! Blijf beleefd.
Ga liever met bewijsvoering (Awb) in hoger beroep.