De Groote Wiel
De historie van de Groote Wiel is onlosmakelijk verbonden met die van zijn omgeving. In de Middeleeuwen hebben zich hier sensationele gebeurtenissen afgespeeld. Al in de 9e eeuw lijkt hier op een natuurlijke hoogte - een stroomrug of een donk - een dorpje te hebben gelegen met de naam Hamarita. Stap voor stap werd van hieruit de omtrek ontgonnen. Dat ging gepaard met aanleg van kaden, watergangen en sluizen. Mogelijk had het dorp al begin 12e eeuw de grenzen bereikt in de broeken bij de buurtdorpen Well en Aalst. Op deze lage, natte gronden kon nog maar in beperkte mate worden geboerd omdat de dijkring van de Bommelerwaard nog niet was gesloten. Ieder dorp bezat nog een eigen stelsel van dijkjes. Het rivierwater kon nog tussen die dijkjes door naar de komgronden vloeien, en van hieruit weer terugstromen naar de rivier.
We zitten in een tijd dat de rivieren vermoedelijk al begonnen te reageren op de grootscheepse ontginningen in het westen van de delta. Ze kregen zo minder en minder ruimte, wat zal hebben geleid tot opstuwing bij grote watertoevoer in herfst en voorjaar. Misschien is daardoor de Waal zich meer gaan ontlasten naar de Maas bij Heerewaarden. In ieder geval werd de Maas bij Hedikhuizen omstreeks 1135 zo overstelpt met water dat die uit zijn bedding brak en koers zette in noordwestelijke richting. Om bij Veen op te gaan in de Almbedding. Nog vóór 1264 moet deze nieuwe Maasloop bij Giessen de Almbedding hebben verlaten en zich een weg hebben gebaand naar de Merwede bij Woudrichem. Door al dit Maasgeweld was de Bommelerwaard losgescheurd van het Land van Altena.
Bij zijn noordelijke uitbraak begin 12e eeuw wroette de Maas zich door de dorpsgronden van Nederhemert heen. Kronkelend, verplaatste hij zich hier zuidwaarts. Daarbij moet het vroegmiddeleeuwse Nederhemert zijn verzwolgen. In de 13e eeuw was de Maasmeander al opgerukt tot Heusden. Het plaatsje sloeg daar munt uit in de vorm van tolheffing en andere nering. Intussen was in het huidige Nederhemert-Zuid een kronkelwaard gevormd: een landschap van sikkelvormige geulen en in de binnenbochten hiervan opgebouwde ruggen. Hierop bloeide een nederzetting op, het nieuwe Nederhemert. Al gauw werden van hieruit de vruchtbare gronden van de kronkelwaard ontgonnen. In de 14e eeuw moet al een dijkring hebben gelegen in de nog jonge kronkelwaard om het boerenland te beschermen tegen het wassende Maaswater. Deze bedijking moet meerdere kronkelwaardgeulen hebben gekruist en afgesloten.
In de 13e eeuw zal de meander nog actiever zijn geworden als reactie op de voltooiing van de bedijkingen op zijn oevers en vast ook door bekribbing aan de zijde van Bern en Aalburg. De uitbochtende Maaslopen aan weerszijden van Nederhemert begonnen elkaar te naderen; de hals van de Maasmeander werd nauwer. Wielen en dijkkronkels aan de westkant van de huidige buitenpolder van Nederhemert herinneren wellicht nog aan dat meandergeweld, zo ook de verkaveling in de huidige Gijsewaard. Tenslotte probeerde de Maas zijn eigen meander af te snijden. Mogelijk op de plek van een kronkelwaardgeul, rond de huidige Groote Wiel. Maar de dorpelingen moeten daar een stokje voor hebben gestoken. Vooral omdat een afsnijding hun dorp opnieuw zou isoleren van het Nederhemertse boerenland gelegen tussen de buurtdorpen Well en Aalst. De geul die de Maas op eigen kracht was gaan vormen, lijkt daarom te zijn afgedamd. Deze afdamming maakte deel uit van een dijk die doorliep tot bij het rond 1300 verrezen kasteel Nederhemert. Die dijk vormde een belangrijke verbinding, fungeerde ook als basis voor de cultivering van het land tussen de dorpskern en de kasteelomgeving. Tenslotte bezweek de dijk rond de huidige Groote Wiel. De hier aanwezige afsnijdingsgeul lijkt daarbij te zijn opengehaald. De dijk moet hierna zijn hersteld, als doorlaag met een haakse bocht.
Dit alles moet zijn gebeurd toen de Maasmeander nog springlevend was, vóór 1480. Nederhemert was onderwijl meegesleurd in de oorlog tussen de Bourgondiërs en hertog Karel van Gelre. In 1479 zetten de Bosschenaren, bondgenoten van de Bourgondiërs, Nederhemert in lichterlaai. Ook het kasteel, een bolwerk van de Geldersen, moest eraan geloven. De invallers namen koeien, paarden, bedgoed en huisraad mee. In 1480 kwamen de Bosschenaren terug en doorgroeven een stuk land boven het kasteel. De rivier stroomde daarop door dit gebied zodat de grote Maaslus werd doorsneden. Nederhemert raakte zo eens en voor altijd afgezonderd van het boerenland bij Well en Aalst. Hier was al een nieuwe woonkern ontstaan, die al rond 1430 een eigen kapel moet hebben gehad.
Het oerdorp zelf raakte buiten de dijkring van de Bommelerwaard. Het vormde een eiland dat aan alle kanten werd belaagd door de Maas. Bij overstromingen kwam het water almaar hoger te staan. Om droge voeten te houden, werden terpen opgeworpen. Op den duur werd de dijk tussen de kern van Nederhemert-Zuid en het kasteel opgehoogd. Hij ontwikkelde zich tot een terpendijk, een dijk omzoomd door huizen op woonheuveltjes. De middeleeuwse dijkring van de kronkelwaard ging onderwijl dienst doen als zomerbekading. Via een sluis in de dijk bij de Veerdam kon het Maaswater bij hoge rivierstand de polder binnenlopen. Met de veelvuldige overstromingen door de eeuwen heen moet hier veel slib zijn afgezet. Voor 1904 werd de Nederhemertse buitenpolder in tweeën gesplitst door de bouw van de Bergsche Maasdijk. Het zuidelijkste polderstuk maakte later plaats voor de Bergsche Maas.
De dijk bij de Groote Wiel maakt deel uit van een stelsel van dijkjes dat sinds de 14e eeuw of iets eerder lijkt te zijn verrezen in Nederhemert. We kunnen hierbij onderscheid maken in dijken die een polder vormden en dijken die vooral fungeerden als ontginningsas en droge verbinding. Ze kunnen verder als volgt worden omschreven:
De dijkring van Nederhemert. Deze dijkring kwam sinds de Middeleeuwen tot stand op een kronkelwaard. De ontginning van dit gebied is ingezet vanuit de kern van Nederhemert (Zuid). De dijkring kreeg de functie van een zomerbekading. Het bedijkte gebied kreeg het karakter van een buitenpolder. De dijkring bestaat uit de volgende dijkdelen:
Verbindingsdijk en terpendijk: dijkstuk aan de noordoost- en de oostzijde, tussen de kern van Nederhemert en het oude veer van Heusden. Het is een dijkje dat deels amper opvalt. Van oudsher werd dit dijkstuk begeleid door rijen bomen, aangeplant voor winning van geriefhout. Aan de dijk liggen hier en daar woonerven op terpen. In de dorpskern, tegenover de wiel, staan bomen aan de buitenzijde van het dijkje (Kerklaan). Aan de binnenzijde ervan liggen op gelijke hoogte als de dijkkruin boerderijerven getooid met leilinden.
Zonovergoten, eenzame polderdijk: dijkstuk aan de zuid- en de westzijde; dit heeft meer het karakter van een eenzaam, open en groen polderdijkje. Hierlangs herinneren dijkkronkels, moerasjes en laagten nog aan dijkbreuken, ze zijn op kaartbeelden van Google Earth en AHN nog goed te zien.
Verbindings- en terpendijk Nederhemert-Zuid – kasteel. Deze dijk profileert zich nog in het landschap; hij fungeerde vooral als droge verbinding tussen Nederhemert-Zuid en de veerverbinding met Nederhemert-Noord. Sinds de 15e of 16e eeuw bestond ook een verbinding via deze dijk en de Moffendijk – zuidoostelijk van kasteel Nederhemert – met Bern. Aan de verbindingsdijk liggen boerderijen op terpen. De dijk moet ook hebben gefungeerd als basis voor de ontginning van het noordoostelijk deel van Nederhemert-Zuid. Sinds jaar en dag wordt de dijk beschaduwd door boomsingels, die ook economisch gewin opleverden voor de eigenaar.
De Groote Wiel maakt deel uit van een zandige kronkelwaard met een enorme meanderfactor. De meanderlussen hebben elkaar bijna geraakt. De kronkelwaard lijkt pas in de 12e - 13e eeuw in korte tijd te zijn gevormd. De Maasactiviteit verlegde zich toen in noordelijke richting en slokte hier de loop van de Alm op. De kronkelwaard wordt gekenmerkt door een hoge ligging en een zandige opbouw. Het AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland) geeft een goed beeld van de paleolandschappelijke opbouw. Van grote delen van de kronkelwaardbocht is het oppervlaktereliëf min of meer intact gebleven en is het patroon van ruggen en tussenliggende geulen goed herkenbaar.
De wiel vormt een relatief smalle laagte omgeven door hoger gelegen gronden. Het gebied tussen de wiel en de oostelijker gelegen Oude Schans vormt een laag gelegen terrein. Vermoedelijk wijst deze laagte op een voormalige geul waarvan de ligging dwars op de Maasrestgeul ligt. Het kan gaan om een kronkelwaardgeul. Maar de omvang doet vermoeden dat het hier een mogelijke vroege meanderhalsafsnijding betreft die zich niet tot hoofdgeul heeft kunnen ontwikkelen.
Het beeld van de zanddieptekaart bevestigt de aanwezigheid van een forse geulvulling ter hoogte de Groote Wiel. Deze geulvulling, waarbinnen de top van het zand tot dieper dan 8 meter beneden maaiveld reikt, verbindt de Oude Schans/Maasgeul aan de oostzijde met de Maasgeul aan de westzijde. Huize Wielestein ligt op de rand van dat gat, op de overgang naar veel ondiepere zandvoorkomens (< 2 meter beneden het maaiveld). De wiel ligt deels in de geulvulling (oostdeel) en deels in de westelijk aangrenzende zone met ondiepe zandvoorkomens (het deel zuidelijk en westelijk van Huize Wielestein).
Een verklaring voor het ontstaan van de wiel kan zijn dat de dijk tussen het dorp en het kasteel door de laagte van de niet voltooide meanderhalsafsnijding is gelegd. Hij ging hier een zwakke plek vormen. Verzakking/klink kan hebben geleid tot een lokale laagte in de Nederhemertsche Dijk (nu Kasteellaan) die licht kon overlopen of doorbreken. Het over de dijk stromende water vormde een kolk in de kleiige geulafzettingen aan de westkant van de dijk. De westelijk aangrenzende zandige kronkelwaardafzettingen konden makkelijk eroderen. Daardoor is hier een afwateringsgeul gevormd richting Maasgeul. Dat zou de merkwaardige vorm van de kolk kunnen verklaren; een rond diep(?) deel en een langgerekt ondiep(?) deel westelijke hiervan. In deze redenering zijn de kolk en beginnende meanderhalsafsnijding wel aan elkaar gerelateerd (zwakke plek in de dijk). Maar ze zijn wel in verschillende tijden ontstaan.
De Groote Wiel ligt in een kronkelwaard ontstaan in de 12e - 13e eeuw. Waarschijnlijk is het vroegmiddeleeuwse Nederhemert weggevaagd door de teugelloze Maasmeander. Mogelijk herbergt de kronkelwaard nog relicten van die verzwolgen kern. Minder aannemelijk is dat die worden aangetroffen in de wiel.
Hiervoor is al uitgelegd dat de Groote Wiel moet zijn ontstaan met een doorbraak van een dijkje in een geul die de Maas wilde benutten bij het doorsnijden van een reusachtige meander. Dat moet zijn gebeurd vóór 1480, in een tijd dat de Maasmeander nog bruiste van activiteit. Bekend is dat de doorbraakkolk al in 1564 bestond. Kaarten uit de 18e eeuw laten zien dat de plas bij de dijk die voor wielen zo kenmerkende ronde vorm bezat. De kolk liep met een lange slurf noordwestwaarts en eindigde in een verlande Maasbedding in de Gijsewaard. De dijk is zonneklaar bezweken door aandrang van de rivier vanuit het oosten. De nieuwe dijk werd met een kromming om de wiel gelegd. Hij verrees direct langs de kolkoevers, op zompige gronden van de geul van de meanderhalsafsnijding. De nieuwe dijk had daardoor veel weg van een doorlaag. Op de zuidoever - in het verlengde van de Kasteellaan - ligt een aarden hoogte, mogelijk een overblijfsel van de bezweken, middeleeuwse dijk.
Door de eeuwen heen heeft de mens op allerlei wijzen geprofiteerd van de langgerekte doorbraakkolk. Niet uitgesloten is dat de plas in de Late Middeleeuwen een tijdlang is benut als vaarverbinding tussen de kern van Nederhemert en de huidige verlande Maasloop in de Gijsewaard. Bij de dorpskern kan de wiel hebben gefungeerd als haven. Opmerkelijk is ook dat de plas onderdeel werd van de gracht van Huize Wielestein. In de 16e eeuw werd dit complex een hofstad genoemd. Mogelijk was het een versterkte boerderij. Versterkte boerderijen kwamen in de Late Middeleeuwen in zwang om wat bescherming te krijgen tegen rondtrekkend schorriemorrie, zwervers en soldaten.
Op de AHN-kaart zijn de grachten van Wielestein nog goed te onderscheiden. Misschien speelde het complex met zijn grachten ook nog een rol in de Tachtigjarige Oorlog. In de omtrek zijn toen massa’s grond verzet om schansen te bouwen. Het middeleeuwse kasteel kreeg toen een gordel van bastions en een brede gracht. Pal ten oosten van de Groote Wiel verrees een kleine vierkante schans, Stuyvesand genaamd, nu bekend als Oude Schans. Meermalen was Nederhemert toneel van strijd.
In de loop van de tijd is de wiel ook economisch uitgebaat. Er zal zijn gevist en gejaagd op vogels. Maar kolk en oevers werden vooral benut voor teelt van geriefhout. In de 18e eeuw blijken bosjes op te rijzen langs de oostelijke en zuidoostelijke kolkoevers. De bomen stonden vermoedelijk op verlande kolkdelen. Deze moerassige gronden waren gecultiveerd door aanleg van rabatten, aarden ruggen. Deze waren beplant met bomen. ‘Bosdammen’ noemen ze die beboste rabatten in de Bommelerwaard. Rond 1832 waren deze bosjes of grienden ook te vinden in het ondiepe midden- en achterstuk van de Groote Wiel. Ze zullen vooral wilgenhout hebben opgebracht. De taaie takken ervan werden na te zijn gesneden of gehakt in bossen gebonden en afgevoerd. Ze werden voor van alles en nog wat gebruikt. Zoals voor het maken van manden, bonenstaken, heiningen, zinkstukken en beschoeiingen. Rond de wiel bepaalden, naast geriefhoutbosjes, hooi- en weilanden het beeld.
Rond 1832 kende de Groote Wiel meerdere eigenaren, de vrouwe van Nederhemert, de kerk en een naburige grote boer. Ze moesten alle de waterstanden drommels goed in de gaten houden. Want de kolk en zijn oevers waren al eeuwenlang toegankelijk voor het Maaswater, in de winter en zelfs in de zomer. Vanaf de 19e eeuw perkte een zomerkade de invloed van de rivier in. Een restant van die kade markeert nog de overgang van de Groote Wiel naar de verlande Maasbedding die rond 1832 was bedekt met bos. Mijlpaal in het hydrologische verleden van de Groote Wiel is de afdamming van de Nieuwe Maas in 1904. Dat gebeurde door de bouw van een afsluitdijk bij Well en een dam met sluis, de Wilhelminasluis, bij Andel. Er kwam een verbinding tussen Bergsche Maas en Heusdensch Kanaal. Met hoge rivierstand kon de Bergsche Maas zich ontlasten naar de Afgedamde Maas. Deze rivier deed dan dienst als opslag van overtollig water van de Bergsche Maas. Met het hoge water in 1995 dreigde deze berging fataal te worden voor de dijken van de Afgedamde Maas. Daarop werd de Kromme Nolkering gebouwd in de bovenmond van het Heusdensch Kanaal. Bij een waterpeil van circa 3,50 meter boven NAP zakt de stalen deur van die keersluis en wordt de kanaalmond gesloten. Onderwijl was ook de invloed van de getijden haast verdwenen door het afsluiten van het Volkerak in 1969 en het Haringvliet in 1970.
De Groote Wiel is een uniek wiel. Hij vormt een combinatie van een dijkdoorbraakkolk en een geul in de hals van de kronkelwaard, waar de Maas geprobeerd moet hebben zijn reusachtige meander te doorsnijden. Goed te onderkennen is het punt waar het water van de Maas over de dijk heen ruiste; hier spiegelt het grotendeels ronde en blanke deel van de wiel. Westwaarts volgt de kolk het patroon van de afsnijding/kronkelwaardgeul, opengereten door het watergeweld. Deze geulachtige uitloper is in de loop van de tijd gecultiveerd door aanleg van grienden. Zo dominant is de griendcultuur geworden dat je de Groote Wiel ook een ‘griendwiel’ mag noemen. Dit laatste gegeven draagt bij aan de grote cultuurhistorische waarde van de kolk. Die waarde wordt onderstreept door de omstandigheid dat de plas onderdeel vormt van de omgrachting van een hofstede uit de Late Middeleeuwen.
De Groote Wiel kent momenteel amper dynamiek. De plas ligt in een sfeer die nagenoeg is buitengesloten van het actieve riviersysteem. Hij is misschien daardoor in ecologische zin te bestempelen als een binnendijks wiel, een binnenwiel. Toch is de kolk ecologisch interessant door de afwisselende milieus die er voorkomen, van open water tot ondiepe kolkzones begroeid met wilgen en perifere sloten/grachtrelicten. Dit biedt kans op zonering van milieus waar vissen, amfibieën, insecten en vogels kunnen gedijen. De variatie van die milieus kan nog worden vergroot door betrokkenheid van de kolkoevers met hun bosschages en reliëfrijke relicten van rabattencultuur en de taluds van de dijk.
De vegetatie rond de wiel heeft markante eigenschappen. Zo zijn de dijkhellingen begroeid met vochtig alluviaal bos dat zich ook elders in Nederhemert-Zuid ontwikkelt. Dit bostype kent een bonte flora. Zoals hondsdraf, speenkruid, fluitekruid, geel nagelkruid, aalbes en klimoperepijs. Een luisterrijk trekje van de vegetatie rond de Groote Wiel is de stinseflora, nawinter- en lente-opsmuk van tuinen van stinsen, het Friese woord voor kastelen en herenhuizen. Bij de wiel treffen we sneeuwklokje en winterakoniet aan. De gele pracht van winterakoniet tooide het gazon van Huize Wielestein. Terwijl het bos op de zuidoever prijkte met sneeuwklokje.