Op woensdagochtend 1 juli verzamelden beleidsmakers, wijkregisseurs, groenontwerpers, ecologen en actieve bewoners zich in Trefcentrum Wittevrouwenveld in Maastricht. Tijdens de bijeenkomst “Groen op Recept”, georganiseerd door de Gemeente Maastricht, de Universiteit Maastricht en het Interreg-project 'Klimaatrobuust stadsgroen', kwamen zij samen voor verschillende sessies over het belang van vergroening voor de toekomst van onze steden.
Steden hebben groene plekken nodig om als een spons water op te vangen bij piekbuien, maar ook als natuurlijke airconditioning tegen hittestress. Bovendien zijn steden met een hoge biodiversiteit veel beter bestand tegen droogtes en plagen.
Maar hoe verhoudt deze ecologische infrastructuur zich tot de mensen die er wonen? In een van de sessies, geleid door onderzoekers Mare Knibbe en Job Zomerplaag van de Universiteit Maastricht, gingen we verder in op de vraag: van wie is het groen? We stonden stil bij thema's als lokaal eigenaarschap, participatie en de rol van vergroening als fundamenteel onderdeel van de publieke ruimte.
De sessie begon met een ‘walkshop’. Wandelend over de ondertunnelde A2-snelweg, omgetoverd tot de Groene Loper, en het nabijgelegen park, gingen de deelnemers zelf op onderzoek uit naar het publieke karakter van dit stukje groen.
Zo werd onder meer zichtbaar hoe verschillende functies zich in de schaarse buitenruimte opstapelen. Het park moet hier dienen als speelplek, schoolplein, evenemententerrein én als verkoeling bij warme dagen. Die functiestapeling wringt. Zo merkten meerdere deelnemers op dat de strakke inrichting vaak ‘kijkgroen' verwordt, met weinig soortenrijkdom en gebruikers. Verschillende speeltoestellen werden niet gebruikt omdat deze in de volle zon stonden. Een stukje verderop, bij een afgesloten, niet-onderhouden stuk groen achter een hek, zag de groep met eigen ogen dat juist dit ruigere deel vele malen biodiverser is dan de netjes aangeharkte, droge grasvlaktes ernaast. Het wekt de belangrijke vraag op: hoe kijken we naar het publieke karakter van groen?
Eenmaal terug binnen koppelde Mare Knibbe deze observaties van buiten aan het stads-sociologische concept van ‘publieke familiariteit’. Als het gaat om eigenaarschap denken beleidsmakers vaak aan een hechte gemeenschap van bewoners die een stem heeft in vergroening. In de praktijk zitten veel mensen echter niet op deelname aan een dwingende buurtgemeenschap te wachten; zij hechten juist aan anonimiteit, diversiteit en veelstemmigheid.
Het thuisgevoel in een wijk draait volgens stads-sociologen veel meer om de aanwezigheid van de ‘vertrouwde vreemde’. Dit zijn de mensen met wie je niet per se uitgebreid praat, maar die je wel herkent in de publieke ruimte: de man die altijd om acht uur zijn hond uitlaat, of de jongeren die rondhangen rondom het plein. Door een sterke sociale infrastructuur, met kleine winkeltjes, buurthuizen en aansprekende parken, komen we deze bekende gezichten in een ongedwongen setting tegen. Zij dragen bij aan het gevoel van veiligheid en eigenaarschap.
Als dat publieke karakter van de buitenruimte onder druk staat en we die vertrouwde vreemden niet meer tegenkomen, voelen mensen zich al snel ontheemd in hun eigen buurt, legde Mare uit. Ze illustreerde dit aan de hand van drie ‘tragedies’.
Waarom Mare nou juist díe term gebruikt? Net als in een klassiek theaterstuk start de hoofdrolspeler - in dit geval de beleidsmaker of ontwerper - met de allerbeste bedoelingen. Toch zetten die nobele intenties onbedoeld een kettingreactie in gang die het eigenlijke doel (een verbonden, klimaatbestendige en leefbare buurt) ondermijnt. Gelukkig is de uitkomst niet in steen gebeiteld. Voor elke tragedie verkenden we ook hoe we het script kunnen aanpassen om de publieke familiariteit wél te ondersteunen. We lichten ze hieronder uit.
Wanneer we een wijk vergroenen om de leefbaarheid te vergroten, kan dit onbedoeld fysieke en sociale grenzen opwerpen. Mare nam de aanwezigen mee naar 1858, toen landschapsarchitect Frederick Law Olmsted het bekende Central Park in New York ontwierp. Zijn ideaal? Een park zonder barrières waar alle klassen en rassen, als vertrouwde vreemden, elkaar konden ontmoeten. De tragiek was echter dat de komst van het park leidde tot de bouw van peperdure woningen aan de randen, waardoor het alsnog een park voor de elite werd. Ook in Maastricht (bijvoorbeeld rondom de Groene en Blauwe Loper) leidt de hoognodige vergroening bij sommige bewoners tot zorgen over verdrijving en uitsluiting, vertelde Mare op basis van haar onderzoek. Om brede publieke verbondenheid met parken te ondersteunen is naast publieke betrokkenheid in vergroening ook beleid nodig dat woonzekerheid voor bewoners met lagere inkomens biedt.
Publiek groen is niet automatisch sociaal groen. Veel wijken kampen met de erfenis van de modernistische stedenbouw: enorme, lege grasvlaktes die ooit bedoeld waren om ‘lucht en ruimte’ te brengen, maar in de praktijk lege, ongebruikte ruimte blijken. Een voorbeeld dicht bij huis is het Vliegenpark in Maastricht Noordwest. Dit park werd in samenspraak met omwonenden ontwikkeld, maar ondertussen verdwenen de wezenlijke ontmoetingsplekken in de parochiewijk: de kerk liep leeg, net als veel kleine winkeltjes. Een leeg grasveld kan zo’n sociale infrastructuur niet vervangen. Als een groene ruimte niet geprogrammeerd wordt, kom je er geen vertrouwde vreemden tegen. Het groen isoleert dan in plaats van dat het verbindt. Zowel in het Maastrichtse Vliegenpark als in andere steden experimenteren burgers met creatieve vormen van 'plaatsmaken' om het park te verlevendigen. Met tijdelijke herinrichtingen tijdens buurtcampings, zomerprogramma’s of andere gelegenheden, wordt letterlijk ‘plaatsgemaakt’ voor ontmoeting en nieuwe ervaringen van het park. Meer structurele veranderingen in een park kunnen daar weer op voortborduren.
Waar veel buurbewoners volop genieten van bloemenvelden wordt een uitgebloeid veld of wilder stukje groen soms ook gezien als onkruid, achterstallig onderhoud en de zoveelste bevestiging dat een wijk wordt verwaarloosd. De ecologische ingreep botst hier met de sociale beleving. Toch ziet Mare hierin ook een kans: juist die frictie over ‘het onkruid’ opent het gesprek in de wijk over hoe we écht met onze stad, stadsnatuur en de gedeelde buitenruimte willen omgaan.
Als groen een belangrijk onderdeel is van de publieke buitenruimte, rijst onvermijdelijk de vraag: van wie is het dan écht? En vooral: wie draagt er zorg voor? In de levendige discussies die volgden, werd duidelijk dat echt eigenaarschap zich niet laat afdwingen met een formele inspraakavond.
Eigenaarschap ontstaat pas als mensen de ruimte krijgen om daadwerkelijk, materieel zorg te dragen voor hun omgeving. Een voorbeeld dat tijdens de walkshop ter sprake kwam, was het verdwijnen van tijdelijke stadstuinen. Bewoners hadden deze plekken met veel liefde toegeëigend. Frustratie ontstaat wanneer dit soort organisch gegroeide plekken van zorg vervolgens rigoureus moeten wijken voor bouwplannen. Het weghalen van zo'n initiatief vernietigt niet alleen het groen, maar ook het opgebouwde eigenaarschap en de onderlinge verbinding, als dit niet op een goede en zorgvuldige manier wordt begeleid.
Stereotypen kwamen ook aan bod. We spraken ook door over het idee dat lagere inkomensgroepen ‘niet van natuur zouden houden’. Wanneer bewoners in een participatieavond gefrustreerd roepen: "Asfalteer het maar, dan blijft het tenminste schoon", is dat zelden een échte afkeer van groen. Het is een uiting van frustratie over een overheid die de regie claimt, maar in de ogen van de bewoner de dagelijkse zorg voor de wijk verwaarloost.
Een praktijkvoorbeeld om dat gevoel van verwaarlozing te doorbreken kwam van Peter Alblas (CNME). Hij pleitte ervoor om bij een dor, onbegrepen bloemenveldje simpelweg een bordje te plaatsen: "Hier rijpen de zaden voor volgend jaar". Het is een kleine ingreep die communiceert dat er wel degelijk visie achter zit, en het perspectief kan kantelen.
Participatietrajecten werden ook op de hak genomen. Waarom verwachten we dat bewoners een jarenlang traject van A tot Z uitzitten? We spraken over de ruimte voor bewoners om geruisloos en zonder gedoe in en uit een traject te stappen zonder dat dit als gebrek aan betrokkenheid wordt gezien.
Tot slot liet een voorbeeld over de lokale Burgerbegroting zien hoe wrang de realiteit rondom budgetten soms is: als buurtnetwerken moeten kiezen tussen geld voor het vergroenen van hun straat óf geld voor de uniformen van de lokale harmonie, creëer je een strijd in de wijk. Beide dragen immers zorg voor die broodnodige publieke familiariteit.
Teksten en foto's: Job Zomerplaag & Mare Knibbe
Voor wie er niet bij kon zijn, of de gesprekken over stedelijke ontwikkeling, de inrichting van de buitenruimte en participatie wil voortzetten, is er meer materiaal beschikbaar:
'Biotoopjes' in Maastricht: Lees het stuk van Peter Alblas (CNME) over stadsecologie en natuurbeleving in de wijken.
Publieke ruimte & sociaaleconomische gezondheidsverschillen: Mare Knibbe schreef samen met collega Klasien Horstman een artikel - op basis van hun boek 'De Gezonde Stad' - over de wijze waarop een gezonde omgeving gezondheidsverschillen tussen mensen kan verminderen.
Betere borging van gezondheid in ruimtelijke ontwikkeling: Kom meer te weten over onderzoek naar stedelijke ruimte voor gezondheid waar Mare Knibbe aan meewerkte.
Doorbreek de sleur van participatie: Verken je eigen (onbewuste) aannames in participatieprocessen verder via de reflectiematerialen gemaakt door Nikki Kluskens en Job Zomerplaag.
Een ander geluid over wijkgericht werken: Meer verhalen over de wisselwerking tussen bewoners en hun fysieke omgeving lees je in de nieuwsbrief Van Wijken Weten. Meld je aan en ontvang toekomstige nummers in je mailbox.