Deze tekst van Steven Janssen verscheen in 2017 ook in de brochure ‘Aarschot 1489’ naar aanleiding van het middeleeuws kampement van De Orde van de Hagelanders - De belangrijkste geraadpleegde bronnen zijn: Geschiedenis van Brabant (Leuven, Davidsfonds, 2004), Wikipedia.
De bevolkingsdichtheid in laatmiddeleeuws Brabant is ongeveer 40 inwoners/km2. Dat kan je vergelijken met delen van de Luxemburgse Ardennen en de streek rond Chimay tegenwoordig. Op het einde van de 15de eeuw verschuift het demografisch zwaartepunt in Brabant van de zuidelijke kwartieren (zoals Leuven) naar de noordelijke kwartieren Antwerpen en ’s-Hertogenbosch.
Er is een algemene bevolkingsafname (van 450.000 naar 400.000 inwoners) in het hertogdom. Pas helemaal op het einde van de eeuw begint de bevolking zich te herstellen. Hier spelen meerdere oorzaken.
Een eerste tegenslag was de pest van 30 jaar geleden (1456-1459) (en eerder 1438-1439).
Verder brengen de aanhoudende vijandelijkheden niet alleen de onvermijdelijke burgerslachtoffers mee (door oorlogsdaden of door het feit dat ze ziekten mee helpen verspreiden), maar ze brengen ook de economie en de graantoevoer zware schade toe.
Omdat ook de normale akkerbouw verstoord wordt en er misoogsten zijn, leidt dit tot graanschaarste zoals in 1437-1438, 1446-1447 1455-1457 en, recent nog, 1474, met hongersnood tot gevolg.
Oorlog, pest en hongersnood versterken elkaar en hebben een decennialange negatieve impact op de bevolkingsaantallen.
Er is armoede in het Kwartier Leuven. De rijkdom zit geconcentreerd bij de plattelandselite van herenboeren en kleine adel met hun imposante herenhoeven en domeinen. De inkomsten van kleine pachters en dagloners daarentegen zijn zeer laag, en worden voortdurend bedreigd door vb. misoogsten en vernieling van gewassen. “In de jaren 1460 zou dat een bedrag opbrengen waarvoor een meestermetselaar niet eens dertig dagen moest werken”.
Daar komt bovenop dat de wolprijs in de tweede helft van de 15de eeuw sterk daalt, waardoor ook schaapteelt niets meer oplevert. De klimaatafkoeling (het begin van de Kleine IJstijd) en het feit dat de lokale landwijn uit de smaak geraakt, zorgen er verder voor dat ook de eens succesvolle (maar arbeidsintensieve) Brabantse wijnteelt niets meer oplevert. De wijngaarden worden in de laatste decennia van de 15de eeuw gewoonweg verwijderd en vervangen door andere teelten.
“De streek van Aarschot en Rotselaar, ‘die principael op ’t prouffyt can de wijngaerden ende van de bempden gefundeert sijn’ waren er daarom in 1492 bijzonder erg aan toe”.
De kleinere Zuid-Brabantse steden – en vooral steden als Aarschot en Zoutleeuw die in de jaren ’80 bijna letterlijk in de vuurlinie lagen – verarmen en hun bevolking neemt af.
Terug naar Wij zijn wij?