Search this site
Embedded Files

LEGENDARIUM

Augustinus van Hippo 

https://la.wikipedia.org/wiki/Trinitas 

Augustinus (de Hippone Regio) mysterium Trinitatis explicavit in libro De Trinitate. Nos de Patre Filio Spirituque Sancto cogitare rogavit sicut (figura loquentis utenti) facultates mentis. Unam mentem habemus, sed in mente tres facultates sunt: memoria, scientia, voluntas. Quisque facultas distinctionem habet de reliquis, sed totae tres facultates sunt de una mente. Nec partes nec frusta mentis sunt, sed de individua mente.

CAPUT XI.

17. In memoria, intelligentia, et voluntate observatur ingenium, doctrina et usus. Memoria, intelligentia et voluntas unum sunt essentialiter, et tria relative. Remotis igitur paulisper caeteris, quorum mens de se ipsa certa est, tria haec potissimum considerata tractemus, memoriam, intelligentiam, voluntatem. In his enim tribus inspici solent etiam ingenia parvulorum cujusmodi praeferant indolem. Quanto quippe tenacius et facilius puer meminit, quantoque acutius intelligit , et studet ardentius, tanto est laudabilioris ingenii. Cum vero de cujusque doctrina quaeritur, non quanta firmitate ac facilitate meminerit, vel quanto acumine intelligat; sed quid meminerit, et quid intelligat quaeritur. Et quia non tantum quam doctus sit, consideratur laudabilis animus, sed etiam quam bonus: non tantum quid meminerit et quid intelligat, verum etiam quid velit attenditur; non quanta flagrantia velit, sed quid velit prius, deinde quantum velit. Tunc enim laudandus est animus vehementer amans, cum id quod amat vehementer amandum est. Cum ergo dicuntur haec tria, ingenium, doctrina, usus, primum horum consideratur in illis tribus, quid possit quisque memoria, intelligentia, et voluntate . Secundum eorum consideratur, quid habeat quisque in memoria, et intelligentia, quo studiosa voluntate pervenerit. Jam vero usus tertius in voluntate est, pertractante illa quae in memoria et intelligentia continentur, sive ad aliquid ea referat, sive eorum fine delectata conquiescat. Uti enim, est assumere aliquid in facultatem voluntatis: frui est autem, uti cum gaudio, non adhuc spei, sed jam rei. Proinde omnis qui fruitur, utitur; assumit enim aliquid in facultatem voluntatis, cum fine delectationis: 0983 non autem omnis qui utitur, fruitur; si id quod in facultatem voluntatis assumit, non propter illud ipsum, sed propter aliud appetivit.

18. Haec igitur tria, memoria, intelligentia, voluntas, quoniam non sunt tres vitae, sed una vita; nec tres mentes, sed una mens: consequenter utique nec tres substantiae sunt, sed una substantia. Memoria quippe, quae vita et mens et substantia dicitur, ad se ipsam dicitur: quod vero memoria dicitur, ad aliquid relative dicitur. Hoc de intelligentia quoque et de voluntate dixerim: et intelligentia quippe et voluntas ad aliquid dicuntur. Vita est autem unaquaeque ad se ipsam, et mens, et essentia. Quocirca tria haec eo sunt unum, quo una vita, una mens, una essentia: et quidquid aliud ad se ipsa singula dicuntur, etiam simul, non pluraliter, sed singulariter dicuntur. Eo vero tria, quo ad se invicem referuntur: quae si aequalia non essent, non solum singula singulis, sed etiam omnibus singula; non utique se invicem caperent. Neque enim tantum a singulis singula, verum etiam a singulis omnia capiuntur. Memini enim me habere memoriam, et intelligentiam, et voluntatem; et intelligo me intelligere, et velle, atque meminisse; et volo me velle, et meminisse, et intelligere, totamque meam memoriam, et intelligentiam, et voluntatem simul memini. Quod enim memoriae meae non memini, non est in memoria mea. Nihil autem tam in memoria, quam ipsa memoria est. Totam igitur memini. Item quidquid intelligo, intelligere me scio, et scio me velle quidquid volo: quidquid autem scio memini. Totam igitur intelligentiam, totamque voluntatem meam memini. Similiter cum haec tria intelligo, tota simul intelligo. Neque enim quidquam intelligibilium non intelligo, nisi quod ignoro. Quod autem ignoro, nec memini, nec volo. Quidquid itaque intelligibilium non intelligo consequenter 0984 etiam nec memini, nec volo. Quidquid autem intelligibilium memini et volo, consequenter intelligo. Voluntas etiam mea totam intelligentiam totamque memoriam meam capit, dum toto utor quod intelligo et memini. Quapropter quando invicem a singulis et tota omnia capiuntur, aequalia sunt tota singula totis singulis, et tota singula simul omnibus totis; et haec tria unum, una vita, una mens, una essentia.


CAPUT XII.

19. Mens imago Trinitatis in sui ipsius memoria, intelligentia et voluntate. Jamne igitur ascendendum est qualibuscumque intentionis viribus ad illam summam et altissimam essentiam, cujus impar imago est humana mens, sed tamen imago? an adhuc eadem tria distinctius declaranda sunt in anima, per illa quae extrinsecus sensu corporis capimus, ubi temporaliter imprimitur rerum corporearum notitia? Mentem quippe ipsam in memoria et intelligentia et voluntate suimetipsius talem reperiebamus, ut quoniam semper se nosse semperque se ipsam velle comprehendebatur, simul etiam semper sui meminisse, semperque se ipsam intelligere et amare comprehenderetur; quamvis non semper se cogitare discretam ab eis quae non sunt, quod ipsa est: ac per hoc difficile in ea dignoscitur memoria sui, et intelligentia sui. Quasi enim non sint haec duo, sed unum duobus vocabulis appelletur, sic apparet in ea re ubi valde ista conjuncta sunt, et aliud alio nullo praeceditur tempore: amorque ipse non ita sentitur esse, cum eum non prodit indigentia, quoniam semper praesto est quod amatur. Quapropter etiam tardioribus dilucescere haec possunt, dum ea tractantur quae ad animum tempore accedunt et quae illi temporaliter accidunt, cum meminit quod antea non meminerat, et cum videt quod antea non videbat, et cum amat quod antea non amabat. Sed aliud haec tractatio jam poscit exordium, propter hujus libelli modum.

https://catholiclibrary.org/library/view?docId=Synchronized-EN/Augustine.000048.DoctrinalTreatisesOfStAugustin.OntheHolyTrinity.html;chunk.id=00000287

LEGENDARIUM

Hoofdstuk 11.—In Geheugen, Intelligentie], en Wil, Moeten We Bekwaamheid, Leren, en Gebruik Opmerken. Geheugen, Begrip, en Wil zijn Eén Essentieel, en Drie Relatief.

17. Laten we dan, als we even alle andere dingen terzijde laten, waarvan de geest zeker is over zichzelf, vooral deze drie beschouwen en bespreken: geheugen, intelligentie, wil. Want we kunnen in deze drie ook het karakter van de vaardigheden van de jeugd onderscheiden; want hoe hardnekkiger en gemakkelijker een jongen zich herinnert, en hoe scherpzinniger hij begrijpt, en hoe vuriger hij studeert, hoe prijzenswaardiger hij is in termen van bekwaamheid. Maar als het gaat om iemands geleerdheid, dan vragen we niet hoe solide en gemakkelijk hij zich herinnert, of hoe slim hij begrijpt; maar wat het is dat hij zich herinnert, en wat het is dat hij begrijpt. En omdat de geest als prijzenswaardig wordt beschouwd, niet alleen omdat hij geleerd is, maar ook omdat hij goed is, schenkt men niet alleen aandacht aan wat hij zich herinnert en wat hij begrijpt, maar ook aan wat hij wil; niet hoe vurig hij wil, maar eerst wat hij wil, en dan hoezeer hij het wil. Want de geest die gretig liefheeft, moet dan geprezen worden, wanneer hij liefheeft wat gretig bemind zou moeten worden. Aangezien we dan spreken over deze drie — bekwaamheid, kennis, gebruik — moet het eerste hiervan beschouwd worden onder de drie hoofden, van wat een mens kan doen in geheugen, en verstand, en wil. Het tweede moet beschouwd worden met betrekking tot datgene wat iemand in zijn geheugen en in zijn verstand heeft, dat hij heeft verkregen door een ijverige wil. Maar het derde, namelijk gebruik, ligt in de wil, die die dingen behandelt die in het geheugen en intelligentie zijn vervat, of hij ze nu naar iets verder verwijst, of er tevreden mee is als een doel. Want gebruiken, is iets opnemen in de kracht van de wil; en genieten, is met vreugde gebruiken, niet langer van hoop, maar van het werkelijke ding. Dienovereenkomstig, iedereen die geniet, gebruikt; want hij neemt iets op in de kracht van de wil, waarin hij ook tevreden is als met een doel. Maar niet iedereen die gebruikt, geniet ook, als hij datgene heeft nagestreefd, wat hij in de macht van de wil opneemt, niet vanwege het ding zelf, maar vanwege iets anders.

18. Aangezien deze drie, geheugen, intelligentie, wil, dan niet drie levens zijn, maar één leven; noch drie geesten, maar één geest; volgt hieruit zeker dat zij ook geen drie substanties zijn, maar één substantie. Aangezien geheugen, dat leven, en geest, en substantie wordt genoemd, zo wordt genoemd met betrekking tot zichzelf; maar het wordt geheugen genoemd, relatief tot iets. En ik zou hetzelfde ook zeggen van intelligentie en wil, aangezien zij intelligentie en wil worden genoemd, relatief tot iets; maar elk met betrekking tot zichzelf is leven, en geest, en essentie. En daarom zijn deze drie één, doordat zij één leven, één geest, één essentie zijn; en hoe zij ook afzonderlijk worden genoemd met betrekking tot zichzelf, zij worden ook samen genoemd, niet meervoud, maar in het enkelvoud. Maar zij zijn drie, doordat zij wederzijds naar elkaar verwijzen; en als zij niet gelijk waren, en dit niet alleen elk aan elk, maar ook elk aan allen, zouden zij elkaar zeker niet wederzijds kunnen bevatten; want niet alleen wordt elk door elk omvat, maar ook alles door elk. Want ik herinner mij dat ik geheugen en intelligentie heb, en wil; en ik begrijp dat ik begrijp, en wil, en herinner; en ik wil dat ik wil, en herinner, en begrijp; en ik herinner mij tezamen mijn hele geheugen, en intelligentie, en wil. Want dat van mijn geheugen dat ik mij niet herinner, is niet in mijn geheugen; en niets is zozeer in het geheugen als het geheugen zelf. Daarom herinner ik mij het hele geheugen. Ook, wat ik begrijp, weet ik dat ik begrijp, en ik weet dat ik wil wat ik wil; maar wat ik weet, herinner ik mij. Daarom herinner ik mij het geheel van mijn intelligentie, en het geheel van mijn wil. Evenzo, wanneer ik deze drie dingen begrijp, begrijp ik ze tezamen als geheel. Want er is geen van de dingen die begrijpelijk zijn die ik niet begrijp, behalve wat ik niet weet; maar wat ik niet weet, herinner ik mij noch wil ik. Daarom, wat ik van de dingen die begrijpelijk zijn niet begrijp, volgt daaruit ook dat ik mij noch herinner noch wil. En wat ik van de dingen die begrijpelijk zijn herinner en wil, volgt daaruit dat ik begrijp. Mijn wil omvat ook mijn hele begrip en mijn hele geheugen terwijl ik het geheel gebruik dat ik begrijp en onthoud. En daarom, terwijl alles wederzijds door elk wordt begrepen, en als geheel, is elk als geheel gelijk aan elk als geheel, en elk als geheel tegelijkertijd aan alle als geheel; en deze drie zijn één, één leven, één geest, één essentie.

Hoofdstuk 12. — De geest is een beeld van de Drie-eenheid in zijn eigen geheugen, intelligentie en wil.

19. Moeten wij dan nu opklimmen, met welke kracht van doel we ook mogen, naar die voornaamste en hoogste essentie, waarvan de menselijke geest een ontoereikend beeld is, maar toch een beeld? Of moeten deze zelfde drie dingen nog duidelijker duidelijk worden gemaakt in de ziel, door middel van die dingen die we van buitenaf ontvangen, door de lichamelijke zintuigen, waarin de kennis van lichamelijke dingen ons in de tijd wordt ingeprent? Aangezien we ontdekten dat de geest zelf zodanig is in zijn eigen geheugen, en intelligentie, en wil, dat aangezien het altijd werd begrepen zichzelf te kennen en altijd zichzelf te willen, het tegelijkertijd ook werd begrepen zichzelf altijd te herinneren, zichzelf altijd te begrijpen en lief te hebben, hoewel het zichzelf niet altijd als gescheiden van die dingen beschouwt die niet zichzelf zijn; en daarom worden zijn geheugen van zichzelf, en intelligentie van zichzelf, er moeilijk in onderscheiden. Want in dit geval, waar deze twee dingen heel nauw met elkaar verbonden zijn, en de ene helemaal niet door de andere wordt voorafgegaan, lijkt het alsof ze niet twee dingen zijn, maar één met twee namen; en liefde zelf wordt niet zo duidelijk gevoeld als bestaand wanneer het gevoel van behoefte het niet onthult, aangezien wat geliefd is altijd bij de hand is. En daarom kunnen deze dingen helderder uiteengezet worden, zelfs voor mensen met een doffere geest, als zulke onderwerpen behandeld worden die binnen bereik van de geest komen in de tijd, en die hem overkomen in de tijd; terwijl hij zich herinnert wat hij zich eerder niet herinnerde, en ziet wat hij eerder niet zag, en liefheeft wat hij eerder niet liefhad. Maar deze bespreking vereist nu een ander begin, vanwege de omvang van het huidige boek.

Augustinus van Hippo

Google Sites
Report abuse
Page details
Page updated
Google Sites
Report abuse