De christenen ontwikkelen het idee van de drieeenheid van vader, zoon en heilige geest. De drieeenheid is, voorzover ik weet, het eerste filosofische idee waarmee ik geconfronteerd word. Op de lagere school, begin jaren 50, val ik tijdens de lessen de pastoor lastig met vragen over de drieeenheid. Ik weet niet meer, welke vragen, maar misschien deze vraag: God is de vader, de zoon en de heilige geest. Jezus is echter niet de vader en ook niet de heilige geest. Dit is logisch absurd. Met mijn kinderlijke verstand begrijp ik, dat als je aanneemt dat de vader, de zoon en de heilige geest God zijn, de vader, de zoon en de heilige geest identiek moeten zijn. De pastoor vertelt dan dat volgens Augustinus van Hippo het begrijpen van de drieeenheid het verstand van een mens te boven gaat.
Terwijl Augustinus langs het water loopt op het strand ziet hij een jongetje dat een kuiltje heeft gegraven en daar water in giet dat hij telkens uit de oceaan schept. Augustinus vraagt: wat ben je aan het doen? Het jongetje antwoordt: Ik ga het water van de hele oceaan in dat kuiltje gieten. Augustinus zegt lachend: Dat kan toch niet. Dan zegt het kind: Zoals het onmogelijk is om in dit kuiltje al het water van de oceaan te gieten, zo is het onmogelijk om het mysterie van de drieeenheid te doorgronden. Ineens is het jongetje verdwenen en Augustinus begrijpt dat het een engel is geweest.
AUGUSTINUS OVER DE DRIE-EENHEID, BOEK XI
[I 1] Niemand twijfelt eraan dat, net zoals de innerlijke mens is begiftigd met verstand, de uiterlijke mens ook is begiftigd met lichamelijke zintuigen. Laten we daarom proberen te ontdekken of we ook in deze uiterlijke mens een spoor van de Drie-eenheid kunnen vinden, niet omdat hij zelf op dezelfde manier het beeld van God is.
Daarom neemt de mens, begiftigd met het zintuig van het lichaam, lichamen waar, en dit zintuig, dat gemakkelijk waarneembaar is, is vijfvoudig: zien, horen, ruiken, proeven en voelen. Maar het is zowel te veel als niet nodig om al deze vijf zintuigen te raadplegen over wat we zoeken; want wat één ervan ons vertelt, is ook geldig voor de andere. Laten we daarom vooral het getuigenis van de ogen gebruiken; want dit zintuig van het lichaam is het meest superieur en staat dichter bij de visie van de geest vanwege de diversiteit van zijn aard.
Wanneer we dus iets zien, moeten we deze drie dingen, die het gemakkelijkst te onderscheiden zijn, in overweging nemen en herkennen. Ten eerste, het ding zelf dat we zien, of het nu een steen, een vlam of iets anders is dat met de ogen gezien kan worden, wat natuurlijk al bestond voordat het gezien werd. Ten tweede, het visioen dat er niet was voordat we dat ding als een object voor de zintuigen waarnamen. Ten derde, dat in dat ding dat gezien wordt, zolang het gezien wordt, het zintuig van de ogen aanwezig is, dat wil zeggen, de intentie van de geest.
Aangezien dit zo is, laten we ons herinneren hoe deze drie, hoewel van verschillende aard, verenigd zijn in een zekere eenheid, namelijk de soort van het lichaam dat gezien wordt en het beeld ervan dat op het zintuig wordt geprojecteerd, dat wil zeggen het zien of het gevormde zintuig, en de wil van de ziel die het zintuig naar het waarneembare ding beweegt en daarin het zien zelf vasthoudt.
Augustinus legt het uit in zijn boek De Trinitate. Hij vergelijkt de eenheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest met die van onze mentale vermogens. Wij hebben één geest, maar in de geest bevinden zich drie vermogens: geheugen, intelligentie en wil . Elk vermogen onderscheidt zich van het andere, maar alle drie de vermogens zijn van één geest.
Memoria, intelligentia et voluntas unum sunt essentialiter, et tria relative.
Geheugen, intelligentie en wil zijn essentieel één, en relatief drie.
Mens imago Trinitatis in sui ipsius memoria, intelligentia et voluntate.
De geest is een beeld van de Drieeenheid in zijn eigen geheugen, intelligentie en wil.
Die eeuwenoude theologische discussie van Augustinus tot Erasmus en Luther over het bestaan de vrije wil. Augustinus heeft er drie boeken DE LIBERO ARBITRIO LIBRI TRES over geschreven. Erasmus in DE LIBERO ARBITRIO en Luther in DE SERVO ARBITRIO hebben er een felle woordenstrijd over gevoerd.
Heeft een mens een of twee willen?
680-681 Constantinopel III[bewerken | brontekst bewerken]
Het monotheletisme werd besproken. Het monotheletisme, een afwijkende yvorm van het monofysitisme, werd door de paus veroordeeld. Volgens het monotheletisme heeft Christus wel twee naturen maar slechts één wil: de goddelijke wil. Het concilie stelde daar tegenover dat Jezus Christus zich uit in een eigen wil die vrij en in alles aan de goddelijke wil onderworpen is. Christus heeft dus twee willen.
Assertio omnium articulorum M. Lutheri per Bullam Leonis X. novissimam damnatorum
Onder de citaten uit Luthers werken die in 1520 door de paus werden veroordeeld, bevond zich de verklaring dat de vrije wil iets is dat alleen in naam bestaat. In zijn verdediging van deze uitspraak in Assertio omnium articulorum, gepubliceerd in december 1520, gaat Luther nog een stap verder. Hier verklaart hij niet alleen dat 'vrije wil' een concept is zonder feitelijke verwijzing, hij benadrukt zelfs dat er niemand in de positie is om zelfs maar voor zichzelf te denken, goed of slecht, aangezien alles gebeurt met absolute noodzaak.
Daarom toonde hij zich vooral geschokt door Luthers radicale uitspraak (in de Assertio van 1520) dat de vrije wil een woord is zonder inhoud, sterker nog, dat ‘alles gebeurt met absolute noodzakelijkheid’. Deze formulering was door het concilie van Konstanz (1415) als ketterij van Wycliffe veroordeeld, maar Luther verklaarde bijna provocerend dat hij deze stelling geheel voor zijn rekening kon nemen.
In De servo arbitrio (1525) betoogt Luther dat de goddelijke eigenschappen wil, macht, voorkennis en onveranderlijkheid onverenigbaar zijn met de (menselijke) vrije wil, en dat de vrije wil daarom een ‘naam zonder werkelijkheid’ is.
Erasmus – De libero arbitrio
Desiderii Erasmi Roterodami – De libero arbitrio διατριβή sive cor llatio (1524)
Luthers mening: Gods genade is noodzakelijk voor de mens om goed te kunnen doen en eeuwige verlossing te bereiken. De mening van Erasmus: de mens kan kiezen tussen goed en kwaad, omdat hij over een vrije wil beschikt, die hem daartoe door God is gegeven.
Laten we daarom doen alsof het in zekere zin waar is wat Wyclif leerde, en Luther beweerde, dat alles wat door ons wordt gedaan, niet uit vrije wil wordt gedaan, maar louter uit noodzaak; wat zou nuttelozer kunnen zijn dan deze paradox aan de wereld te publiceren?
Nemini dubium est sicut interiorem hominem intellegentia sic exteriorem sensu corporis praeditum. Nitamur igitur si possumus in hoc quoque exteriore indagare qualecumque uestigium trinitatis, non quia et ipse eodem modo sit imago dei. Manifesta est quippe apostolica sententia quae interiorem hominem renouari in dei agnitionem declarat secundum imaginem eius qui creauit eum cum et alio loco dicat: Et si exterior homo noster corrumpitur, sed interior renouatur de die in diem.
In hoc ergo qui corrumpitur quaeramus quemadmodum possumus quandam trinitatis effigiem, et si non expressiorem tamen fortassis ad dinoscendum faciliorem. Neque enim frustra et iste homo dicitur nisi quia inest ei nonnulla interioris similitudo, et illo ipso ordine conditionis nostrae quo mortales atque carnales effecti sumus facilius et quasi familiarius uisibilia quam intellegibilia pertractamus cum ista sint exterius, illa interius, et ista sensu corporis sentiamus, illa mente intellegamus; nosque ipsi animi non sensibiles simus, id est corpora, sed intellegibiles quoniam uita sumus; tamen, ut dixi, tanta facta est in corporibus consuetudo et ita in hae miro modo relabens foras se nostra proicit intentio ut cum ab incerto corporum ablata fuerit, ut in spiritu multo certiores ac stabiliore cognitione figatur, refugiat ad ista et ibi appetat requiem unde traxit infirmitatem. Cuius aegritudini congruendum est ut si quando interiora spiritalia adcommodatius distinguere atque facilius insinuare conamur, de corporalibus exterioribus similitudinum documenta capiamus. Sensu igitur corporis exterior homo praeditus sentit corpora, et iste sensus quod facile aduertitur quinquepertitus est, uidendo, audiendo, olfaciendo, gustando, tangendo. Sed et multum est et non necessarium ut omnes hos quinque sensus id quod quaerimus interrogemus; quod enim nobis unus eorum renuntiat etiam in ceteris ualet. Itaque potissimum testimonio utamur oculorum; is enim sensus corporis maxime excellit et est uisioni mentis pro sui generis diuersitate uicinior.
Cum igitur aliquod corpus uidemus, haec tria, quod facillimum est, consideranda sunt et dinoscenda. Primo ipsa res quam uidemus siue lapidem siue aliquam flammam siue quid aliud quod uideri oculis potest, quod utique iam esse poterat et antequam uideretur. Deinde uisio quae non erat priusquam rem illam obiectam sensui sentiremus. Tertio quod in ea re quae uidetur quamdiu uidetur sensum detinet oculorum, id est animi intentio.
Quae cum ita sint, tria haec quamuis diuersa natura quemadmodum in quandam unitatem contemperentur meminerimus, id est species corporis quae uidetur et imago eius impressa sensui quod est uisio sensusue formatus et uoluntas animi quae rei sensibili sensum admouet, in eoque ipsam uisionem tenet. Horum primum, id est res ipsa uisibilis, non pertinet ad animantis naturam nisi cum corpus nostrum cernimus. Alterum autem ita pertinet ut et in corpore fiat et per corpus in anima; fit enim in sensu qui neque sine corpore est neque sine anima. Tertium uero solius animae est quia uoluntas est.
[XI 17] Remotis igitur paulisper ceteris quorum mens de se ipsa certa est, tria haec potissimum considerata tractemus, memoriam, intellegentiam, uoluntatem. In his enim tribus inspici solent etiam ingenia paruulorum cuiusmodi praeferant indolem. Quanto quippe tenacius et facilius puer meminit quantoque acrius intellegit et studet ardentius, tanto est laudabilioris ingenii. Cum uero de cuiusque doctrina quaeritur, non quanta firmitate ac facilitate meminerit uel quanto acumine intellegat, sed quid meminerit et quid intellegat quaeritur. Et quia non tantum quam doctus sit consideratur laudabilis animus sed etiam quam bonus, non tantum quid meminerit et quid intellegat, uerum etiam quid uelit attenditur; non quanta flagrantia uelit, sed quid uelit prius, deinde quantum uelit. Tunc enim laudandus est animus uehementer amans cum id quod amat uehementer amandum est. Cum ergo dicuntur haec tria, ingenium, doctrina, usus, primum horum consideratur in illis tribus quid possit quisque memoria, intellegentia, uoluntate. Secundum eorum consideratur quid habeat quisque in memoria et intellegentia, quo studiosa uoluntate peruenerit. Iam uero usus tertius in uoluntate est pertractante illa quae memoria et intellegentia continentur, siue ad aliquid ea referat siue eorum fine delectata conquiescat. Vti est enim assumere aliquid in facultatem uoluntatis; frui est autem uti cum gaudio non adhuc spei sed iam rei. Proinde omnis qui fruitur utitur; assumit enim aliquid in facultatem uoluntatis cum fine delectationis. Non autem omnis qui utitur fruitur si id quod in facultatem uoluntatis assumit non propter illud ipsum sed propter aliud appetiuit.
[18] Haec igitur tria, memoria, intellegentia, uoluntas, quoniam non sunt tres uitae sed una uita, nec tres mentes sed una mens, consequenter utique nec tres substantiae sunt sed una substantia. Memoria quippe quod uita et mens et substantia dicitur ad se ipsam dicitur; quod uero memoria dicitur ad aliquid relatiue dicitur. Hoc de intellegentia quoque et de uoluntate dixerim, et intellegentia quippe et uoluntas ad aliquid dicitur. Vita est autem unaquaeque ad se ipsam et mens et essentia. Quocirca tria haec eo sunt unum quo una uita, una mens, una essentia; et quidquid aliud ad se ipsa singula dicuntur etiam simul, non pluraliter sed singulariter dicuntur. Eo uero tria quo ad se inuicem referuntur. Quae si aequalia non essent non solum singula singulis sed etiam omnibus singula, non utique se inuicem caperent. Neque enim tantum a singulis singula, uerum etiam a singulis omnia capiuntur. Memini enim me habere memoriam et intellegentiam et uoluntatem, et intellego me intellegere et uelle atque meminisse, et uolo me uelle et meminisse et intellegere, totamque meam memoriam et intellegentiam et uoluntatem simul memini. Quod enim memoriae meae non memini non est in memoria mea. Nihil autem tam in memoria quam ipsa memoria est. Totam igitur memini. Item quidquid intellego intellegere me scio, et scio me uelle quidquid uolo; quidquid autem scio memini. Totam igitur intellegentiam totamque uoluntatem meam memini. Similiter cum haec tria intellego tota simul intellego. Neque enim quidquam intellegibilium non intellego nisi quod ignoro. Quod autem ignoro nec memini nec uolo. Quidquid itaque intellegibilium non intellego consequenter etiam nec memini nec uolo. Quidquid ergo intellegibilium memini et uolo consequenter intellego. Voluntas etiam mea totam intellegentiam totamque memoriam meam capit dum toto utor quod intellego et memini. Quapropter quando inuicem a singulis et tota et omnia capiuntur, aequalia sunt tota singula totis singulis et tota singula simul omnibus totis, et haec tria unum, una uita, una mens, una essentia.