Iedere enigszins serieuze schaker kent het vreselijke fenomeen van de zelfhaat: de neiging om jezelf te vervloeken na het maken van een fout, waardoor je de partij verliest. Het is een bizarre uiting van verbazing over hoe je zo godvergeten stom hebt kunnen zijn door zo’n ongelofelijk slechte zet te doen. Soms kunnen de negatieve gevoelens in deze situatie zo sterk oplopen dat het de schaker niet meer lukt zich te beheersen: plots is er een niet meer te beteugelen behoefte om die zelfhaat met de volumeknop wijd open aan de wereld kenbaar te maken, opdat iedereen zal weten wat een onwaarschijnlijk grote ezel je bent. Het is een vorm van zelfvernietiging, van jezelf aan de schandpaal nagelen en jezelf straffen gelijk een flagellant, omdat je een belabberde partij of zelfs slechts één beroerde zet hebt gespeeld.
De onfortuinlijke, door het noodlot getroffen schaakspeler verliest de zelfbeheersing en gaat zich te buiten aan luide brullen waarin hij zichzelf kwalificeert als lul, sukkel, knoeier, klootzak, imbeciel, prutser en meer van dat fraais en dat allemaal in de stilte van de speelzaal waar de andere schakers de problemen op het bord in een gedisciplineerde rust trachten op te lossen.
Een dergelijke verstoring van de orde kan rekenen op een zeer afwijzende houding van de andere schakers: zulk gedrag acht men verfoeilijk en schandalig en de speler die zijn zelfbeheersing verliest en de speelzaal met zijn geblèr op zijn kop zet, kan rekenen op afkeurend gesis, woedende blikken en het verzoek aan de wedstrijdleider om toch vooral tegen dit exces op te treden en de ellendeling door een paar stevige suppoosten het gebouw uit te werken.
In mijn jongere jaren, lang geleden, maakte ik het mee in een toernooi in Hardenberg dat mijn Duitse tegenstander, die met een onafwendbaar mat werd geconfronteerd, volkomen onverwachts een ijselijke brul de wereld instuurde en meteen daarna de stukken van het bord veegde, waarna ik van de schrik de rest van de dag niet in staat was om nog één fatsoenlijke zet te doen. De wedstrijdleiding gaf hem een nul en liet het tot mijn ergernis daarbij, want ik vond dat mijn opponent uit het toernooi gezet had moeten worden.
Maar ook bij schaakclub En Passant kennen we het fenomeen van de geëtaleerde zelfhaat: Thomas Richter, oud-kampioen van Texel, had ook altijd moeite om zijn verlies te nemen en zette wel eens een hevig spektakel in tijdens een bondswedstrijd, omdat het hem niet lukte zichzelf te beheersen als hij door een stupiditeit de controle over de gebeurtenissen op het bord verloor. Toen ik hem een keer op de man af vroeg, waarom hij toch zo heftig reageerde, antwoordde hij: ‘Ik mag niet falen’. Dat antwoord kwam nogal bij me binnen, want ik realiseerde me dat hij met die insteek nooit eens lekker onbevangen en met plezier aan een partij kon beginnen, zoals ik dat zelf meestal doe: zonder al te veel emoties de strijd aangaan en het beste er maar van hopen; het verliezen van een partij is beslist vervelend, maar eigenlijk niets in vergelijking met een ècht verlies, zoals het kwijtraken van bijvoorbeeld een vinger, of zelfs maar een kootje of een nagel (brr).
Door niet te zwaar aan het verlies te tillen, speel je volgens mij een stuk relaxter en misschien zelfs beter, hoewel ik dat niet zeker weet. Ik vind het rot voor Thomas, die niet alleen een concurrent van me was, maar ook een vriend van me is, omdat hij altijd met zoveel stress de strijd moet aangaan; stress omdat voor de schaker immers steeds het verlies dreigt en aldus het speelplezier in de weg staat. Eigenlijk is hij meer geschikt om te analyseren of te seconderen: dan kan hij de stellingen diepgaand onderzoeken zonder dat er de dreiging is van een fout die tot verlies leidt. Maar bij Thomas ligt het monster van de zelfhaat voortdurend op de loer om zijn akelige mombakkes te tonen als het tijdens de partij eens mis gaat. Ik weet nog dat wij een keer bij En Passant Bunschoten met een groepje Texelaars meededen aan hun jaarlijkse snelschaaktoernooi en dat Thomas, nadat hij een zware uitglijder had gemaakt, zijn zelfbeheersing verloor en door de muisstille toernooizaal brulde: ‘Gib mir eine Pistole!!!’, waarna - na een moment van verlammende verbijstering en schrik - er in de zaal een vrolijk gelach losbarstte dat de nare spanning brak. Men tilde er goddank niet te zwaar aan en bij de Bunschoters was het nog jaren nadien gemeengoed om ‘Gib mir eine Pistole’ te roepen als je een lelijke fout had gemaakt en ging verliezen, als een aardige variatie op ‘wat ben ik toch een enorme ezel’.
Maar de zelfhaat is veel schakers niet vreemd, al zullen zij dat meestal niet of in ieder geval niet expliciet laten merken. Misschien is dat ook maar het beste: het schaken is nu eenmaal het spel der spellen en daarom ook omgeven met een tamelijk strenge etiquette: men schudt elkaar voor aanvang beleefd de hand, wenst de tegenstander een ‘prettige partij’ (onzin natuurlijk, een partij kan alleen maar prettig zijn als je hem wint, dus zeg je eigenlijk: ik hoop dat jij wint: quatsch), tijdens de partij gedraagt men zich netjes en na afloop reikt de verliezer de tegenstander braaf en beheerst opnieuw de hand om hem met zijn zege te feliciteren, alles strikt volgens het oud Angelsaksisch omgangsritueel, corona even buiten beschouwing gelaten.
Maar ik zou het aantal schakers dat ’s nachts ligt te woelen na een nederlaag, niet graag de kost geven. ‘Hoe heb ik toch zo stom kunnen zijn om Pc5 te spelen, waarom ben ik toch zo’n koet?’ en dat soort van zelfhaat doordrenkte gedachten spookt dan door hun hoofd en bezorgt hen een doorwaakte nacht. Ik prijs mij gelukkig dat ik daar niet al te veel last van heb.
Sylvia Witteman
‘Jij denkt natuurlijk: dat wijf is geschift, met d’r hondje in een kinderwagen. Maar het ligt toch anders’
Dit artikel is geschreven door Sylvia Witteman
schrijft drie keer per week een column voor Het Parool
Gepubliceerd op 28 augustus 2025
Op het Van der Helstplein zaten drie tienermeisjes rond de openbare schaaktafel, lekker in het zonnetje. Ze schaakten niet. Ze dronken blikjes frisdrank en lieten een fles reukwater rondgaan, waarmee ze zich alledrie rijkelijk besproeiden: Cloud Pink van Ariana Grande.
Ariana Grande is een wereldberoemde zangeres, maar ze maakt blijkbaar ook mierzoet parfum. Het hele plein rook ernaar: ontplofte suikerspin, marshmallow en kokosmakroon, de koortsdroom van een kleuter met kinkhoest. Ik denk dat Ariane Grande zelf een heel ander soort parfum draagt, wellicht ook gewoon géén.
Een van de meisjes liet de twee anderen iets zien op haar telefoon, waarna ze alle drie begonnen te gieren van het lachen. Intussen kwam er een kleine, tengere oude vrouw aanlopen met een wollen vestje over haar slobberige zomerjurk. Ze duwde een kinderwagen voort, met daarin een hondje van onduidelijk ras. Met zijn spitse neusje snoof hij onthutst de zware parfumlucht op.
De vrouw ging moeizaam zitten op het bankje naast de schaaktafel. “Ja, ik zie je wel kijken,” zei ze tegen me. “Jij denkt natuurlijk: dat wijf is geschift, met d’r hondje in een kinderwagen. Maar het ligt toch anders. Dit is geen kinderwagen, maar een officiële hondenbuggy, 95 euro bij de bol punt com. Ingeklapt past hij precies in het halletje. Wat ruikt het hier lekker. Ben jij dat?”
“Nee hoor,” zei ik, en wees op de meisjes, die nog steeds schaterden.
“Lekker zoet,” zei de vrouw.
“En nu denk je natuurlijk: waarom gaat dat hondje niet gewoon lopen?” vervolgde ze. “Ook dat zal ik je uitleggen. Hij heeft artrose. Ik heb trouwens ook artrose. Maar ik heb wel een beetje steun aan die buggy. Twee vliegen in één klap.” En, tegen het hondje “Hè, Binkie?”
Het hondje gaf geen sjoege.
“Hij is doof, hoor,” vergoelijkte ze. “En nu zul je wel denken: wat moet je met een dove hond met artrose? Maar ik ben nu eenmaal aan hem gehecht. Ik heb ’m al bijna tien jaar. Jij hebt zeker geen hond?”
“Nee, ik heb een poes,” antwoordde ik.
“Dacht ik al,” zei de vrouw niet zonder minachting. En, met een blik op de schaaktafel: “Mijn man was dol op schaken. Altijd en eeuwig was hij daarmee bezig. Schaken, schaken, schaken. Toen ze de schaakrubriek weghaalden uit de krant was hij totaal overstuur. Hij blééf maar brieven sturen naar die krant. Maar ’t hielp niet. De hoge heren doen wat ze willen, hè? Kapot was ie ervan.”
Het hondje was in slaap gevallen. De meisjes maakten aanstalten te vertrekken. En de vrouw zei: “Drie maanden later was hij dood, mijn man. Dat schaken, hè? Wat een rótsport.”
+ Leeslijst
columnFreek Schravesande
Gepubliceerd op
23 januari 2025 (NRC)
Leestijd2 minuten
Freek Schravesande is binnenlandredacteur en schrijft wekelijks een column over wat hem opvalt in Nederland.
‘Wil je mij een loer draaien?” „Opportunist!” Meer woorden heeft een schaakvriendschap niet nodig. Een schaakvriendschap, weet Frans Horstink, kan betekenen dat je vrijwel elke dag rond dezelfde tijd tegen dezelfde persoon een duel uitvecht, vijftien jaar lang. Beetje praten mag wel, óver schaken, niet te veel.
„Kijk, hier stond zijn schaakbord.” Horstink (66) opent het plakboek met een foto van de boekbinderij van zijn vader Theo, die tot zijn 96ste bleef schaken – en werken. De stukken stonden altijd klaar op een campingtafeltje in de werkplaats en elke middag om vijf uur kwam zijn „schaakvriendje” Gerrit van Wijk langs. Dan stond de koffie al uren te pruttelen en lieten ze „de stukken over het bord dansen”. En Frans, die ’s zomers zijn vader hielp met aansmeren van het bindwerk, keek graag mee.
Het leek me wel wat, zo’n schaakvriend, dus was ik naar wijkcentrum de Bakermat in Arnhem getogen waar volgens de belofte op de website elke vrijdagochtend „plek aan het bord” was. Maar aangekomen bleek het schaken niet door te gaan. Te weinig animo, vertelden de vrijwilligers van de koffie-inloop. Eerst kwamen er nog vijf schakers, toen drie en toen nog maar twee.
Zonde, want in de kast stond een prachtige inventaris. Twintig schaaksets, elf borden en een stel klokken. Volgens wijkkrantje De Penseelstreek was een deel afkomstig van de – inmiddels ook opgeheven – Schaakvereniging Rheden en na het overlijden van voorzitter Theo Horstink had zoon Frans, bij wie ik nu op de bank zit, twee jaar geleden het materiaal geschonken aan het buurthuis.
Zijn vader had met schaken een „emotievolle relatie”, vertelt Frans. Pijn als-ie van het bord geveegd werd, zoals eens door een jochie van tien. En ook het royement door de Nederlandse schaakbond viel zwaar. Een heel leven had Theo als clubvoorzitter, toernooileider en vrijwilliger op scholen de benen uit het lijf gelopen voor het Rhedense schaakleven. Maar hij mocht geen bondslid meer zijn omdat zijn club, zoals vele opgericht in 1935, het jaar dat Max Euwe wereldkampioen werd, zodanig was geslonken dat competitie spelen niet meer ging.
Acht spelers had je daar volgens het reglement voor nodig. Horstink kreeg bij de bond voor mekaar dat in de laagste klasse een zestal ook genoeg was. Maar ook die waren er niet meer. Door ziekte, overlijden, gebrek aan nieuwe aanwas. En ook de consumptie liep zodanig terug dat de snackbar die het zaaltje verhuurde er klaar mee was. Schaakvereniging Rheden ging stilaan ter ziele.
Een lot, zie ik later, dat veel meer schaakverenigingen trof. Jeugdschaken zit in de lift, maar vele senioren zitten door het stoppen van hun club(je) inmiddels schaakloos thuis. Zelfs al is de minimale teambezetting voor competitie nu teruggeschroefd naar vier.
Theo Horstink had online verder gekund, maar daar was hij niet zo van. Hij moest zijn tegenstander in de ogen kijken. Hand boven de toren en tóch niet zetten. Doen alsof je zelfverzekerd bent. Of juist twijfelt. Dat typeerde volgens zoon Frans zijn vaders liefde voor schaken: „Onder de mensen zijn. Communiceren via het bord”. En nee, over iets anders dan schaken ging ’t eigenlijk nooit.
Waarom ook?