In 1957 exposeerde Klein te Milaan in de Galerie Apollinaire en te Parijs in de Galerie Iris Clert en bij Colette Allendy, ditmaal zijn doeken en sculpturen in diep ultramarijn blauw, dat hij I.K.B. (International Klein Blue) noemde. Van 1957 tot 1959 decoreerde hij de nieuwe opera van Gelsenkirchen in monochrome blauwen, terwijl de muren bewerkt werden in polyester Relief éponge rouge. Aan de Parijse Sorbonne gaf hij een paar lezingen over l'Evolution de l'art et de l'architecture vers l'immatériel. Hij vond de kleur (of verf) uit toen hij experimenteerde met ultramarijnblauw pigment en een speciaal fixatief, polyvinylacetaat, destijds bekend als Rhodopas. Deze brak, in tegenstelling tot de gewone fixatieven, de glans (diepte) van de kleur niet af. Voor Klein zelf was de beeldende gevoeligheid van het blauw zo intens dat hij het over de wereld wilde verspreiden. Vanaf dat moment spreken we van de blauwe revolutie. Hij ondernam tal van projecten in publieke ruimtes. Zo liet hij in 1957 op de opening van een tentoonstelling 1001 blauwe ballonnen de lucht ingaan. wikipedia