Ariel Sharon.
Ariel Sharon, geboren als Ariel Scheinermann (Kfar Malal, 26 februari 1928 – Ramat Gan, 11 januari 2014), was een Israëlisch militair en politicus en was van 17 februari 2001 tot 11 april 2006 de premier van Israël. Sinds hij in januari 2006 een zware hersenbloeding kreeg, verkeerde hij in comateuze toestand.
Sharon werd in het toenmalige Britse Mandaatgebied Palestina geboren. Hij maakte naam als commandant in het leger tijdens de Zesdaagse en Jom Kipoeroorlog en als minister van Defensie, waarbij hij een harde lijn doorzette ten opzichte van de Palestijnen. Hij wordt door de Palestijnen en Libanezen verantwoordelijk gehouden voor de bloedbaden in Sabra en Shatila in 1982. Sharon werd leider van de Likoedpartij in 2000 en werd een jaar later premier van Israël.
Nadat hij in januari 2006 in een diepe coma was geraakt, kwam hij in een voortdurende vegetatieve status terecht en werd hij uit zijn premierschap ontheven.
Ariel Sharon was voor de tweede maal weduwnaar (sinds 2000) – de zus van zijn eerste vrouw werd zijn tweede echtgenote – en vader van drie zonen. Zijn tweede zoon, Omri, was parlementslid, en de jongste, Gilad, econoom en zakenman. De oudste zoon kwam om bij een wapenongeluk. Gilad woont op Sharons boerderij en was samen met zijn vader ook al een verdachte in een corruptiezaak.
Ariel Sharon bereikte de rang van generaal in het Israëlische defensieleger. Hij diende onder meer in de Zesdaagse en Jom Kipoeroorlog.
In 1942, op veertienjarige leeftijd, ging hij bij de Haganah, de joodse voorloper van het Israëlische leger. Toen in 1948 de staat Israël gevormd werd, was Sharon aanvoerder van een peloton van de Alexandroni-Brigade. Hij raakte gewond in de Tweede Slag bij Latrun. In 1951 begon hij met een studie geschiedenis en cultuur van het Midden-Oosten aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. Anderhalf jaar later werd hij gevraagd om terug te keren naar het leger en hoofd te worden van de nieuwe eenheid 101.
Die eenheid ondernam enkele aanvallen die hielpen het moreel van de Israëliërs te herstellen. Ze ondernam ook een actie bij het dorpje Qibya in de Westelijke Jordaanoever in de herfst van 1953. Bij die aanval werden meer dan zestig Palestijnse burgers door de eenheid van Sharon gedood. Eenheid 101 werd later samengevoegd met een andere eenheid, die doorging met het aanvallen van toenmalig Jordaans grondgebied.
Een incident in de Suezcrisis van 1956, waarbij Sharon tegen zijn orders inging om de Mitlapas te veroveren, kostte aan veertig soldaten van zijn eenheid het leven. Sharon wachtte hier niet op versterkingen, maar besloot meteen aan te vallen. Het voorval wordt door veel commentatoren gezien als tekenend voor een karaktertrek van Sharon: dapper, maar impulsief. De aanval mislukte, en dat schaadde zijn carrière voor een aantal jaren.
Van 1958 tot 1962 was Sharon commandant van een infanteriebrigade en studeerde hij tegelijkertijd rechten aan de Universiteit van Tel Aviv.
Tijdens de Zesdaagse Oorlog in 1967 was Sharon opgeklommen tot generaal. Hij leidde een belangrijke divisie in gevechten om de Sinaï. In 1969 werd Sharon hoofd van het Zuidelijke Commando van het Israëlisch leger, waarbij hij ook verantwoordelijk was voor de bezetting van de Gazastrook.
Tijdens de Jom Kipoeroorlog in 1973 lukte het Sharon een doorbraak door het Egyptische front te forceren en daarna het Suezkanaal over te steken, waarbij hij weer militaire orders negeerde. Hij drong een heel eind Egypte binnen. Deze actie maakte van hem een oorlogsheld voor veel Israëliërs.
In februari 1974 verliet hij het leger.
Na zijn afzwaaien richtte Sharon een politieke partij op: Shlomzion (= Vrede voor Zion). Zijn programma: het vestigen van een Palestijnse staat in de plaats van Jordanië. Een groot succes werd het niet: bij de verkiezingen van 1977 behaalde de partij twee zetels in de Knesset, het Israëlisch parlement. Sharon werd echter opgenomen in de rechtse coalitie van Menachem Begin. Zijn partij ging al snel in de Likoedpartij op.
Van 1977 tot 1981 was Sharon minister van Landbouw en van 1981 tot 1983 minister van Defensie.
Onder zijn ministerschap viel Israël in 1982 het zuiden van Libanon binnen om daar bases van Palestijnse milities aan te vallen. Sharon gaf de Falangisten de vrije hand in Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila. De kampen zelf werden omsingeld door het Israëlische leger, zodat de vluchtelingen niet weg konden. De Falangisten, sinds 1978 getraind door Israël vermoordden volgens een schatting van het Rode Kruis zo'n 2750 personen (andere schattingen lopen uiteen van 460 tot 3500), onder wie veel vrouwen en kinderen.
Een Israëlische onderzoekscommissie – de Kahane-Commissie – oordeelde dat Sharon indirect schuldig was, voornamelijk wegens nalatigheid. Sharon werd door Begin ontslagen. Het voorval leverde de reputatie van Sharon blijvende schade op. De haat bij veel Palestijnen voor Sharon werd er door gevoed en anno 2002 was men het voorval nog niet vergeten: een rechter in België klaagde Sharon aan op grond van oorlogsmisdaden (België stemde de zgn. Genocidewet, waardoor elke oorlogsmisdaad, waar ook ter wereld, in België behandeld kon worden). Na het wijzigen van de wet onder internationale druk op zulk een wijze dat er een band met België vereist werd, werd de zaak tegen Sharon in juni 2002 niet-ontvankelijk verklaard.
Met dank aan Wikipedia.
H.V. Anderz.
Januari 2014.
Laatste update op 11 januari 2014.
Zie ook: Boeken Anderz, Film Anderz, Geschiedenis Anderz, Astronomie Anderz, Beeldverhaal Anderz, Voetbal Anderz, Muziek Anderz en Sport Anderz .