Biologische onsterfelijkheid
 

De mythe van de
Draak-Tiran

Nick Bostrom

Homepage: www.nickbostrom.com

© Journal of Medical Ethics, 2005, Vol. 31, No. 5, p. 273-277

 

Lang, lang geleden werd de planeet getiranniseerd door een gigantische draak. De draak was groter dan de grootste kerk en was bedekt met dikke, zwarte schubben. Zijn rode ogen gloeiden van haat en uit zijn verschrikkelijke bek stroomde onophoudelijk stinkend, geelgroen slijm. Hij eiste van de mens een ijzingwekkend eerbetoon: om zijn enorme honger te stillen, moesten er iedere avond bij het vallen van het duister tienduizend mannen en vrouwen aan de voet van de berg, waar de draak-tiran woonde, afgeleverd worden. Soms slokte de draak deze arme zielen gelijk op; soms sloot hij ze echter op in de berg waar zij maanden of jaren wegkwijnden totdat zij uiteindelijk opgegeten werden.

De ellende die de draak-tiran teweegbracht, was onvoorspelbaar. Bovendien bleven er van de tienduizend mensen die iedere dag weer wreed afgeslacht werden, moeders, vaders, vrouwen, mannen, kinderen en vrienden achter die om het verlies van hun verdwenen geliefden rouwden.

Sommige mensen probeerden de draak te verslaan, maar of ze nu moedig of dwaas waren, was moeilijk te zeggen. Priesters en tovenaars spraken vloeken uit, maar dat was vruchteloos. Strijders, uitgerust met grote moed en de beste wapens die de smeden konden maken, vielen hem aan maar voordat ze dichtbij genoeg waren om toe te slaan, werden ze verbrand. Apothekers brouwden giftige drankjes en verleidden de draak om ze te drinken, maar het enige effect dat ze leken te hebben, was dat hij nog meer honger kreeg. De klauwen, kaken en het vuur van de draak waren zo indrukwekkend, zijn schild van schubben zo ondoordringbaar en zijn hele aard zo sterk dat hij voor mensen onverslaanbaar leek.

Aangezien de mens de tiran onmogelijk kon verslaan, had hij geen andere keus dan te gehoorzamen en de akelige boete te betalen. De slachtoffers die gekozen werden, waren altijd ouderen. En dit ondanks het feit dat de bejaarden net zo vitaal en gezond waren als de jongeren, en soms wijzer. De gedachte erachter was dat zij tenminste al een paar decennia van het leven hadden kunnen genieten. De rijken konden het iets uitstellen door de ronselaarsbende om te kopen als zij voor hen kwamen, maar volgens het staatsrecht kon niemand, zelfs de koning niet, zijn beurt ontlopen.

Geestelijken probeerden degenen die bang waren om door de draak opgegeten te worden (dus bijna iedereen, hoewel velen het in het openbaar ontkenden), te troosten door hen een ander leven na de dood in het vooruitzicht te stellen. Een leven dat vrij zou zijn van kwellingen van de draak. Andere oratoren zeiden dat de draak zijn plaats had in het natuurlijke systeem en het morele recht had om gevoed te worden. Zij zeiden dat het een deel van het bestaansrecht van de mens was om te eindigen in de buik van de draak. Nog anderen zeiden dat de draak goed was voor de mens omdat hij het  bevolkingsaantal beperkt hield. In hoeverre deze argumenten de piekerende mens overtuigden, is niet bekend. De meeste mensen probeerden ermee om te gaan door niet te denken aan het lugubere einde dat hen te wachten stond.

Eeuwenlang hield deze uitzichtloze situatie stand. Niemand hield meer bij hoeveel mensen er gestorven waren en ook niet hoeveel tranen er gelaten waren door de achterblijvers. De verwachtingen hadden zich langzamerhand aangepast en de draak-tiran was een onderdeel van het leven geworden. Aangezien het nutteloos was om in verzet te komen, deed niemand meer een poging de draak te doden. In plaats daarvan deed men er nu alles aan hem tevreden te stellen. De draak plunderde zo nu en dan de steden, maar door te zorgen dat het dagelijkse quotum leven punctueel bij de berg werd afgeleverd, werd de frequentie van deze strooptochten kleiner.

Omdat mensen wisten dat hun beurt om drakenvoedsel te worden, steeds dichterbij kwam, kregen ze eerder en vaker kinderen. Het was niet ongewoon als een meisje op haar zestiende verjaardag al in verwachting was. Stellen kregen vaak wel twaalf kinderen. De menselijke bevolking kromp dus niet en de draak hoefde geen honger te lijden.

In de loop van deze eeuwen werd de draak, omdat hij zo goed gevoed werd, langzaam maar zeker groter. Hij was bijna zo groot geworden als de berg waarop hij leefde. En zijn eetlust was proportioneel toegenomen. Tienduizend lichamen was niet langer genoeg om zijn maag te vullen. Hij had er nu tachtigduizend nodig, die iedere avond tegen het vallen van het duister afgeleverd moesten worden aan de voet van de berg.

Wat de koning meer bezighield dan de doden en de draak zelf, was de logistiek van het iedere dag verzamelen en vervoeren van zoveel mensen naar de berg. Dit was geen eenvoudige taak.

Om het proces te vereenvoudigen, had de koning een spoorweg laten bouwen: twee rechte lijnen van glinsterend staal die naar het verblijf van de draak leidden. Iedere twintig minuten kwam er een trein volgepropt met mensen aan bij het station bij de berg en ging leeg weer terug. Tijdens maanverlichte nachten zouden passagiers van deze trein, als ze zich bij een raam bevonden waar zij hun hoofd uit zouden konden steken, voor hen het dubbele silhouet kunnen zien van de draak en de berg en twee gloeiende rode ogen, als stralen van een paar gigantische vuurtorens, die de weg wezen naar vernietiging.

Er werden door de koning veel dienaars in dienst genomen om het offer te besturen. Administrateurs hielden bij wie er aan de beurt was om te worden gestuurd. Mensenophalers werden er in speciale karretjes op uit gestuurd om de aangewezen mensen op te halen. Zij brachten hen, vaak in razende vaart, naar een station of rechtstreeks naar de berg. Klerken betaalden de pensioenen uit aan uitgedunde families die zichzelf niet langer konden onderhouden. Troosters reisden met de gedoemden mee op weg naar de draak, ze probeerden hun leed te verzachten met drank en drugs.

Er was zelfs een groep drakologen die bestudeerden hoe deze logistieke processen efficiënter zouden kunnen verlopen. Sommige drakologen onderzochten ook de fysiologie en het gedrag van de draak en verzamelden monsters – zijn uitgevallen schubben, het slijm dat uit zijn bek liep, zijn verloren tanden en zijn uitwerpselen met daarin kleine stukjes menselijk bot. Al deze voorwerpen werden ijverig beschreven en gearchiveerd. Hoe meer er bekend was over het beest, des te meer werd zijn onoverwinnelijkheid bevestigd. Zijn zwarte schubben waren harder dan welk materiaal ook dat de mens kent en er leek geen enkele manier te zijn waarop er ook maar een kras op gemaakt kon worden.

De koning legde zijn volk zware belastingen op om deze activiteiten te kunnen betalen. Draakgerelateerde uitgaven, die al een zevende van de economie uitmaakten, groeiden zelfs sneller dan de draak zelf.

De mens is een eigenaardig wezen. Zo nu en dan krijgt iemand een goed idee. Anderen nemen dit idee over en voegen er hun eigen verbeteringen aan toe. In de loop der tijd zijn er veel wonderbaarlijke instrumenten en systemen ontwikkeld. Sommige van deze apparaten – rekenmachines, thermometers, microscopen en de glazen flesjes die scheikundigen gebruiken om vloeistoffen te laten koken en destilleren – dienen om gemakkelijker nieuwe ideeën te genereren en uit te proberen, ook ideeën die het proces van het genereren van ideeën vergemakkelijken.

Dus begon het grote wiel van uitvindingen, die tijdens vroegere tijden op een bijna onwaarneembare snelheid had gedraaid, geleidelijk sneller te draaien.

Wijze mannen hadden voorspeld dat er een dag zou komen dat de mens zou vliegen met behulp van technologie, net als vele andere verbazingwekkende dingen. Een van die wijze mannen, die bij sommige andere wijze mannen in zeer hoog aanzien stond maar wiens zonderlinge gewoontes van hem een verschoppeling en kluizenaar hadden gemaakt, beweerde zelfs dat de technologie het na verloop van tijd mogelijk zou maken een constructie te bouwen die de draak-tiran zou kunnen doden.

De geleerden van de koning verwierpen deze ideeën echter. Zij zeiden dat de mens veel te zwaar was om te vliegen en dat hij in ieder geval al geen veren had. En wat betreft de onnozele gedachte dat de draak-tiran gedood zou kunnen worden, stonden de geschiedenisboeken vol met honderden pogingen die allemaal mislukt waren. ‘Wij weten allemaal dat deze man een paar onverantwoordelijke ideeën had’, schreef een geleerde in letteren later in het overlijdensbericht van de teruggetrokken wijze die op weg was gestuurd om opgegeten te worden door het beest waarvan hij het lot had voorspeld. ‘Maar zijn geschriften waren vermakelijk en misschien moeten we de draak dankbaar zijn dat hij het interessante genre van draakafranselen binnen de literatuur, dat zoveel van de angstcultuur blootgeeft, mogelijk heeft gemaakt!’

In tussentijd bleef het wiel van de uitvindingen draaien. Maar enkele decennia later kon de mens vliegen en had hij vele andere verbazingwekkende dingen bereikt.

Enkele iconoclastische drakologen begonnen een discussie over een nieuwe aanval op de draak-tiran. Het doden van de draak zou niet eenvoudig zijn, zeiden zij, maar als ze een materiaal zouden kunnen ontwikkelen dat harder was dan het schild van de draak en als dit materiaal gevormd kon worden tot een soort projectiel, dan zou het misschien mogelijk kunnen zijn. Eerst werden de ideeën van de iconoclasten verworpen door hun collega’s omdat geen enkel materiaal dat bekend was, harder was dan de schubben van de draak. Maar na jarenlang aan het probleem te hebben gewerkt, slaagde een iconoclast erin aan te tonen dat een schub van de draak doorboord kon worden door een voorwerp gemaakt van een bepaald samengesteld materiaal. Veel drakologen, die eerder sceptisch hadden gereageerd, voegden zich nu bij de iconoclasten. Ingenieurs berekenden dat een enorm projectiel van dit materiaal gemaakt kon worden en met voldoende kracht afgeschoten kon worden om het schild van de draak te kunnen doorboren. Het produceren van de benodigde hoeveelheid materiaal zou echter heel duur zijn.

Een groep van enkele eminente ingenieurs en drakologen stuurde een verzoek naar de koning met de vraag om de constructie van het antidraakprojectiel te financieren. Op het moment dat het verzoek werd gestuurd, was de koning met zijn hoofd bij het aanvoeren van zijn leger in een oorlog tegen een tijger. De tijger had een boer vermoord en was daarna in het oerwoud verdwenen. Overal op het platteland was men bang dat de tijger terug zou komen en weer zou toeslaan. De koning had het oerwoud omsingeld en had zijn troepen bevolen zich er een weg door te banen. Aan het einde van deze campagne maakte de koning bekend dat alle 163 tijgers in het oerwoud, inclusief de moordlustige, opgejaagd en gedood waren. In het tumult van de oorlog was het verzoek kwijtgeraakt of vergeten.

Ze stuurden daarom nog een verzoek. Dit keer kregen ze antwoord van een van de secretarissen van de koning dat hij hun verzoek in overweging zou nemen nadat hij klaar was met het controleren van het jaarbudget van de draakadministratie. Het budget van dit jaar was het grootst tot nu toe en omvatte ook de financiering van een nieuwe spoorweg naar de berg. Een tweede spoorweg werd als noodzakelijk gezien omdat het eerste spoor het toegenomen verkeer niet langer aan kon (Het offer dat door de draak geëist werd, was toegenomen tot honderdduizend mensen die iedere avond tegen het vallen van het duister aan de voet van de berg afgeleverd moesten worden). Toen het budget eindelijk was goedgekeurd, kwamen er berichten uit een afgelegen deel van het land dat een dorp werd geteisterd door ratelslangen. De koning moest snel op weg om zijn leger te mobiliseren en deze nieuwe dreiging te verslaan. Het verzoek van de antidrakovisten verdween in een la van een stoffige kast in de kelder van het paleis.

De antidrakovisten kwamen weer bij elkaar om te beslissen wat er moest gebeuren. De discussie verliep geanimeerd en duurde tot diep in de nacht. Het was bijna ochtend toen ze uiteindelijk tot het besluit kwamen om het geval aan de mensen voor te leggen. In de weken die volgden, reisden ze door het land, gaven ze openbare lezingen en legden ze hun voorstel uit aan iedereen die wilde luisteren. In het begin waren de mensen sceptisch. Op school hadden ze geleerd dat de draak-tiran niet te verslaan was en dat het offer dat hij vroeg als onderdeel van het leven gezien moest worden. Toen ze echter hoorden over het nieuwe samengestelde materiaal en de ontwerpen van de projectielen, werden ze nieuwsgierig. In steeds grotere getale kwamen de inwoners naar de lezingen van de antidrakovisten. Activisten organiseerden openbare bijeenkomsten ter ondersteuning van het voorstel.

Toen de koning over deze bijeenkomsten las in de krant, riep hij zijn adviseurs bijeen en vroeg hen wat zij ervan vonden. Zij vertelden hem over de verzoeken die ingediend waren, maar vertelden ook dat de antidrakovisten oproerkraaiers waren die onrust zaaiden onder de mensen. Het was beter voor de samenleving, zeiden ze, als de mensen het onvermijdelijke offer aan de draak-tiran accepteerden. De draakadministratie leverde veel banen op die verloren zouden gaan als de draak gedood werd. Er zou voor de samenleving niets goeds van komen als de draak werd verslagen. In ieder geval was de schatkist van de koning bijna leeg na de twee militaire campagnes en de financiering van de tweede spoorweg. De koning, die op dat moment een grote populariteit genoot doordat hij de ratelslangen verjaagd had, luisterde naar de argumenten van zijn adviseurs. Hij maakte zich echter wel zorgen dat hij aan populariteit zou inboeten als hij geen aandacht zou schenken aan het verzoek van de antidrakovisten. Hij besloot daarom om een openbare hoorzitting te houden. Belangrijke drakologen, ministers en geïnteresseerden werden uitgenodigd.

De bijeenkomst vond plaats op de donkerste dag van het jaar, net voor de kerstdagen, in de grootste zaal van het koninklijk paleis. De zaal zat helemaal vol en de mensen stonden in de gangpaden. De sfeer was geladen met een serieuze intensiteit die normaal gesproken hing bij cruciale oorlogsbesprekingen.

Nadat de koning iedereen had verwelkomd, gaf hij het woord aan de belangrijkste wetenschapper achter het voorstel van de antidrakovisten, een vrouw met een serieuze, bijna strenge uitdrukking op haar gezicht. Zij legde in heldere taal uit hoe het apparaat zou werken en hoe de benodigde hoeveelheid samengesteld materiaal geproduceerd zou worden. Met de aangegeven financiering zou het mogelijk zijn het werk in vijftien tot twintig jaar te voltooien. Met een nog groter bedrag zou het zelfs binnen twaalf jaar kunnen. Er kon echter niet met zekerheid gezegd worden dat het zou werken. Het publiek volgde ingespannen haar uiteenzetting.

De volgende die aan het woord kwam, was de hoofdadviseur voor moraal van de koning, een man met een bulderende stem die de zaal met gemak vulde:

‘Laten we aannemen dat deze vrouw gelijk heeft wat betreft de kennis en dat het project technologisch mogelijk is, hoewel dit volgens mij niet daadwerkelijk bewezen is. Het is haar wens dat we ons bevrijden van de draak. Vermoedelijk vindt zij dat ze het recht heeft niet opgegeten te worden door de draak. Hoe eigenzinnig en arrogant. De eindigheid van het menselijk leven is een zegen voor ieder mens, of hij het nu weet of niet. Het doden van de draak lijkt misschien goed maar het zou onze menselijke waardigheid ondermijnen. Als we ons alleen bezighouden met het doden van de draak, zal dat ons afleiden van de volledige realisatie van de aspiraties waar ons leven vanzelfsprekend naar wijst, dat is goed te leven in plaats van alleen in leven te blijven. Het is vernederend, ja vernederend, als een mens zo lang mogelijk zijn middelmatige leven wil blijven leven zonder zich bezig te houden met enkele van de hogere vragen over waar het leven voor dient. Maar ik zeg u, het is de aard van de draak om mensen te eten en onze eigen aard wordt oprecht en groots vervuld door door hem opgegeten te worden…’

Het publiek luisterde met respect naar deze hoog onderscheiden spreker. De zinnen waren zo welsprekend dat het moeilijk was het gevoel tegen te houden dat er diepere gedachten achter moesten zitten, hoewel niemand er achter kon komen wat die precies waren. Ongetwijfeld moeten de woorden van zo’n voorname aangestelde van de koning wel ergens op gestoeld zijn.

De volgende spreker was een geestelijke wijze man die alom gerespecteerd werd om zijn vriendelijke en zachte aard en om zijn toewijding. Toen hij naar het podium liep, schreeuwde een jongetje uit het publiek: ‘De draak is slecht!’

De ouders van het jongetje werden vuurrood en probeerden het kind tot stilte te manen. Maar de wijze man zei, ‘Laat hem praten. Hij is waarschijnlijk wijzer dan een oude gek als ik.’

Eerst was het jongetje te bang en te verward om zich te bewegen. Maar toen zag hij de gemeende vriendelijke glimlach op het gezicht van de wijze man en zijn uitgestrekte hand. Hij legde gehoorzaam zijn hand erin en volgde de wijze man naar het podium. ‘Dit is een heel dapper mannetje’, zei de wijze man. ‘Ben jij bang voor de draak?’

‘Ik wil mijn oma terug’, zei het jongetje.

‘Heeft de draak jouw oma weggenomen?’

‘Ja’, zei het jongetje terwijl er tranen in zijn grote, bange ogen sprongen. ‘Oma had beloofd dat ze me zou leren speculaasjes te bakken voor kerst. Ze zei dat we een klein huisje van speculaas zouden maken en kleine speculaaspoppetjes die er dan konden wonen. Toen kwamen die mensen in witte kleren en die namen oma mee naar de draak… De draak is slecht en eet mensen op… Ik wil mijn oma terug!’

Nu huilde het kind zo hard dat de wijze man hem naar zijn ouders terug moest brengen.

Er waren die avond nog enkele sprekers, maar de eenvoudige getuigenis van het jongetje had de retorische ballon die de ministers van de koning probeerden op te laten, doorgeprikt. De mensen waren het eens met de antidrakovisten en aan het eind van de avond was zelfs de koning overtuigd van de redelijkheid en menselijkheid van hun motief. Aan het eind zei hij eenvoudigweg: ‘Laten we het doen!’

Toen het nieuws zich verspreidde, vierden de mensen feest op straat. Zij die campagne hadden gevoerd voor de antidrakovisten, klonken met elkaar en dronken op de toekomst van de mensheid.

De volgende ochtend werden een miljard mensen wakker en realiseerden zich dat hun beurt zou komen om naar de draak gevoerd te worden voordat het projectiel klaar zou zijn. Er was een keerpunt bereikt. Tot dan werd de zaak van de antidrakovisten eerder actief ondersteund door een kleine groep zieners, nu werd het de belangrijkste prioriteit en zorg van iedereen. De abstracte notie van de ‘algemene wens’ nam nu een bijna tastbare intensiteit en concreetheid aan. Massabijeenkomsten werden gehouden om geld op te halen voor het projectielproject en drongen bij de koning aan op meer ondersteuning. De koning ging in op deze verzoeken. In zijn nieuwjaarsrede kondigde hij aan dat hij een extra wet zou aannemen om het project te steunen met grotere geldbedragen. Daarnaast zou hij zijn zomerpaleis en wat land verkopen en een grote persoonlijke gift doen. ‘Ik vind dat dit land zich moet inzetten om het doel te bereiken voordat dit decennium voorbij is, om de wereld te bevrijden van de aloude kwelling van de draak-tiran.’

Dus begon een grote technologische race tegen de klok. Het concept van een antidraakprojectiel was eenvoudig, maar het werkelijkheid te maken vereiste oplossingen voor zo'n duizend kleinere technische problemen. Hiervoor waren vele tijdrovende stappen en misstappen nodig. Proefraketten werden afgevuurd maar vielen op de grond of gingen de verkeerde kant op. In een tragisch ongeluk kwam een dwalende raket op een ziekenhuis terecht waardoor enkele honderden patiënten en personeelsleden gedood werden. Maar nu werd men gedreven door een serieus doel en gingen de proeven door, zelfs toen de lichamen uit het puin werden gehaald.

Ondanks de bijna ongelimiteerde geldstroom en het feit dat de technici bijna dag en nacht werkten, kon de deadline van de koning niet gehaald worden. De tien jaar waren voorbij en de draak was nog steeds gezond en levend. Maar het einde kwam steeds meer in zicht. Een prototype van het projectiel werd met succes afgevuurd. De productie van de kern, gemaakt van het dure samengestelde materiaal, lag op schema en zou klaar zijn samen met het volledig geteste omhulsel waarin hij gestopt moest worden. De lanceerdatum werd vastgesteld op de avond van Oud en Nieuw van het volgende jaar, precies twaalf jaar na de officiële huldiging van het project. Het meest verkochte kerstcadeau dat jaar was een kalender die de dagen terugtelde tot nul, de opbrengst van de verkoop ging naar het projectielproject.

De koning had een persoonlijke transformatie ondergaan en was niet meer lichtzinnig en onbezonnen. Hij was zo vaak als hij kon te vinden in de laboratoria en de fabrieken waar hij de werkers aanmoedigde en hun inzet prees. Soms nam hij een slaapzak mee en bracht hij de nacht door op de grond in een luidruchtige fabriek. Hij studeerde zelfs en probeerde de technische aspecten van hun werk te begrijpen. Maar hij beperkte zich tot het geven van morele ondersteuning en hield zich niet bezig met de technische en bestuurlijke kwesties.

Zeven dagen voor Nieuwjaar kwam de vrouw, die bijna twaalf jaar eerder voor het project had gepleit en nu de hoogste baas was, naar het koninklijk paleis en verzocht om een dringende audiëntie bij de koning. Toen de koning haar briefje kreeg, verontschuldigde hij zich bij zijn buitenlandse gasten die hij met tegenzin had uitgenodigd voor het jaarlijkse kerstdiner en haastte zich naar het privévertrek waar de wetenschapster op hem wachtte. Zoals altijd de laatste tijd zag zij bleek en uitgeput vanwege haar lange werktijden. Die avond dacht de koning ook een glimp van opluchting en tevredenheid in haar ogen te kunnen ontdekken.

Zij vertelde hem dat het projectiel was opgesteld en dat de kern geladen was. Alles was drie keer gecontroleerd en zij waren klaar voor de lancering. Wilde de koning zijn uiteindelijke goedkeuring geven? De koning zakte in zijn leunstoel en sloot zijn ogen. Door het projectiel vanavond, een week eerder, af te vuren, zouden zevenhonderdduizend mensen gered kunnen worden. Maar als er iets fout zou gaan, als hij zijn doel zou missen en in plaats daarvan de berg zou raken, zou dat een ramp betekenen. Een nieuwe kern zou dan weer helemaal opnieuw gemaakt moeten worden en het project zou dan met zo’n vier jaar uitgesteld worden. Hij zat bijna een uur lang helemaal stil. Net toen de wetenschapster dacht dat hij in slaap was gevallen, opende hij zijn ogen en zei met een vaste stem: ‘Nee. Ik wil dat je terug gaat naar het laboratorium. Ik wil dat je alles controleert en nog eens controleert.’ De wetenschapster kon een zucht niet onderdrukken, maar knikte en vertrok.

Op de laatste dag van het jaar was het koud en bewolkt, maar er was geen wind wat duidde op goede lanceeromstandigheden. De zon ging onder. De technici schuifelden rond en controleerden alles nog eens. De koning en zijn dichtste adviseurs keken toe vanaf een platform dicht bij de lanceerplek. Verder weg stonden, achter een hek, grote menigten die deze grote gebeurtenis wilden meemaken. Een grote klok telde terug: nog vijftig minuten.

Een adviseur tikte de koning op zijn schouder en vestigde zijn aandacht op het hek. Er was enig tumult. Iemand was blijkbaar over het hek gesprongen en rende in de richting van het platform waar de koning zat. De bewakers hadden hem snel te pakken. Hij werd geboeid en weggeleid. De koning vestigde zijn aandacht weer op de lanceerplek en op de berg op de achtergrond. Ervoor kon hij het profiel van de draak onderscheiden. Hij was aan het eten.

Zo’n twintig minuten later was de koning verrast de geboeide man op korte afstand van het platform te zien. Zijn neus bloedde en hij werd begeleid door twee bewakers. De man leek uitzinnig. Toen hij de koning zag, begon hij hard te roepen: ‘De laatste trein! De laatste trein! Stop de laatste trein!’

‘Wie is deze jongeman?’, vroeg de koning. ‘Zijn gezicht komt me bekend voor, maar ik kan hem niet plaatsen. Wat wil hij? Laat hem hier komen.’

De jongeman was een jongere bediende bij het ministerie van vervoer, de reden van zijn onrust was dat hij had ontdekt dat zijn vader aan boord van de laatste trein naar de berg zat. De koning had bevolen de treinen door te laten rijden omdat hij bang was dat de draak van de plek voor de berg, waar hij de meeste tijd doorbracht, zou verdwijnen als er iets anders was dan anders. De jongeman smeekte de koning om de laatste trein, die vijf minuten voor de lancering bij de berg zou aankomen, niet te laten rijden.

‘Dat kan ik niet’, zei de koning, ‘dat risico kan ik niet nemen.’

‘Maar de treinen hebben vaak vijf minuten vertraging. Het zal de draak niet opvallen! Alstublieft!’

De jongeman knielde voor de koning en smeekte hem om het leven van zijn vader en dat van de andere duizend passagiers die aan boord van de laatste trein zaten, te redden.

De koning keek neer op het smekende, bebloede gezicht van de jongeman. Maar hij beet op zijn lip en schudde zijn hoofd. De jongeman bleef, zelfs toen de bewakers hem van het platform droegen, smeken: ‘Alstublieft! Stop de laatste trein! Alstublieft!’

De koning stond stil en bewegingsloos totdat na een tijdje het smeken plotseling ophield. De koning keek op en keek naar de terugtelklok: nog vijf minuten.

Vier minuten. Drie minuten. Twee minuten.

De laatste technicus verliet de lanceerplek.

30 seconden. 20 seconden. Tien, negen, acht…

Toen een vuurbal de lanceerplek bedekte en het projectiel naar voren schoot, gingen de toeschouwers instinctief op hun tenen staan en keken ze naar de voorkant van de witte vlam die uit de nabranders van de raket kwam die naar de berg in de verte vloog. De menigte, de koning, de jonge en de oude mensen, het was alsof zij op dit moment een bewustzijn deelden, een enkele ervaring: die witte vlam, bewegend door het duister, vertegenwoordigde de menselijke geest, zijn angst en zijn hoop… gericht op het hart van het kwaad. Het silhouet aan de horizon helde over en viel om. Duizenden stemmen van puur geluk rezen vanuit de menigte omhoog en werden seconden later gevolgd door een oorverdovende klap van het omgevallen monster. Alsof de aarde een zucht van verlichting sloeg. Na eeuwen van onderdrukking was de mensheid eindelijk bevrijd van de wrede tirannie van de draak.

Het gegil ging over in een blij geroep: ‘Lang leven de koning! Lang leven ons allemaal!’ De adviseurs van de koning waren, net als iedereen die avond, zo blij als kinderen. Ze omarmden elkaar en feliciteerden de koning: ‘Het is gelukt! Het is gelukt!’

Maar de koning antwoordde met een gebroken stem: ‘Ja, het is gelukt, we hebben vandaag de draak gedood. Maar waarom zo verdomd laat? Dit hadden we vijf misschien wel tien jaar eerder kunnen doen! Dan zouden miljoenen mensen nog leven.’

De koning stapte van het platform af en liep op de geboeide jongeman af die op de grond zat. Daar viel hij op zijn knieën. ‘Vergeef me! O mijn God, vergeef me alsjeblieft!’

Het begon te regenen, met grote, zware druppels. De grond werd modderig. De paarse kleren van de koning raakten doorweekt. Het bloed op het gezicht van de jongeman spoelde weg. ‘Het spijt mij zo van je vader’, zei de koning.

‘Het is niet uw schuld’, antwoordde de jongeman. ‘Weet u nog twaalf jaar geleden in het paleis? Dat huilende kleine jongetje dat wilde dat u zijn oma weer terug zou brengen – dat was ik. Ik wist toen niet dat u niet kon doen wat ik u vroeg. Vandaag wilde ik dat u mijn vader zou redden. Ja, dat was onmogelijk zonder de lancering in gevaar te brengen. Maar u hebt mijn leven gered en dat van mijn moeder en zus. Hoe kan ik u ooit bedanken hiervoor?’

‘Luister naar hen’, zei de koning en gebaarde naar de menigte. ‘Zij bejubelen mij om wat er vanavond gebeurd is. Maar jij bent de held. Jij liet van je horen. Jij hebt ons gered van het kwaad.’ De koning gebaarde naar een bewaker om de handboeien te verwijderen. ‘Ga nu naar je moeder en je zus. Jij en je familie zijn altijd welkom aan het hof en alles wat je maar wenst – binnen mijn macht - zal ik je geven.’

De jongeman ging weg en het koninklijke gevolg, opeengepakt in de regen, verzamelde zich om hun vorst die nog in de modder knielde. Tussen de mooie kleding, die geruïneerd werd door de regen, vertoonde een stel bepoederde gezichten een mengeling van geluk, opluchting en verwarring. In het afgelopen uur was er zoveel veranderd: het recht op een open toekomst was herwonnen, een fundamentele angst was verdwenen en vele, eeuwenoude veronderstellingen waren omvergeworpen. Onzeker van wat er van hen in deze onbekende situatie verwacht werd, stonden ze daar wat onwennig. Alsof ze uitprobeerden of de grond ze nog kon houden. Ze wisselden blikken en wachtten op een soort teken.

Uiteindelijk stond de koning op en wreef zijn handen af aan zijn broek.

‘Uwe majesteit, wat moeten we nu doen?’, vroeg een oude hoveling.

‘Mijn lieve vrienden’, zei de koning, ‘we zijn van ver gekomen… maar onze reis is nog maar net begonnen. Ons soort is nog maar net op deze aarde. Vandaag zijn we net kinderen. De toekomst ligt voor ons. Wij zullen deze toekomst tegemoet gaan en het proberen beter te doen dan in het verleden. Nu hebben we de tijd – tijd om alles goed te doen, tijd om volwassen te worden, tijd om van onze fouten te leren, tijd voor het langzame proces om een betere wereld te maken en tijd om erin te leven. Laat vanavond alle klokken in het koninkrijk luiden tot middernacht, ter nagedachtenis aan onze dode voorvaderen en laat ons dan na middernacht feestvieren tot de zon opkomt. En in de komende dagen… denk ik dat we wat moeten reorganiseren!’

 

* * *

 

MORAAL

Verhalen over ouder worden zijn traditioneel gericht op de behoefte om zonder gebreken oud te worden. De aanbevolen oplossing voor de verminderde vitaliteit en de naderende dood was berusting gekoppeld aan de inspanning in het bereiken van een afsluiting in praktische zaken en persoonlijke relaties. Gezien het feit dat er niets gedaan kan worden om het ouder worden te voorkomen of vertragen, was dit reëel. In plaats van te piekeren over het onvermijdelijke, kan men zich beter richten op gemoedsrust.

Vandaag de dag hebben we te maken met een andere situatie. Terwijl we nog steeds geen doeltreffende en acceptabele manier hebben om het ouderwordingsproces te vertragen [1], kunnen we onderzoeksrichtingen vaststellen die kunnen leiden tot het ontwikkelen van dergelijke middelen in de nabije toekomst. ‘Doodse’ verhalen en ideologieën die uitgaan van passieve aanvaarding, zijn niet langer onschuldige bronnen van troost. Het zijn fatale barrières waar snel iets tegen gedaan moet worden.

Veel gerenommeerde technologen en wetenschappers vertellen ons dat het mogelijk zal zijn om beginnende ouderdom bij mensen te vertragen en uiteindelijk stop te zetten en om te keren.[2] Op dit moment is men het niet eens over de tijdspanne of de specifieke middelen. Er is ook geen overeenstemming over het feit of het doel in principe haalbaar is. Met betrekking tot de fabel (waar het ouder worden, natuurlijk, wordt vertegenwoordigd door de draak), zijn wij dus nu ergens tussen de fase waarin de eenzame wijze man voorspelde dat de draak uiteindelijk gedood zou worden en die waarin de iconoclastische drakologen hun collega’s overtuigden door een samengesteld materiaal te laten zien dat harder was dan de schubben van de draak.

Het ethische argument van de fabel is simpel. Er zijn duidelijke en boeiende morele redenen voor de mensen in de fabel om de draak te doden. Onze situatie met betrekking tot de beginnende ouderdom van de mens komt overeen met en is ethisch gelijk aan de situatie van de mensen in de fabel met betrekking tot de draak. We hebben daarom boeiende morele redenen om beginnende ouderdom uit te bannen.

Het argument is niet per se gericht op het verlengen van het leven. Een aantal extra jaren gevuld met ziekte en zwakte aan het einde van het leven zou nutteloos zijn. Het argument is erop gericht om de gezondheid van de mens zo lang mogelijk te rekken. Door het verouderingsproces te vertragen of te stoppen, zou de gezondheid van de mens verlengd worden. Mensen zouden dan gezond, vitaal en productief blijven op leeftijden waarop ze anders dood zouden zijn.

Naast deze algemene moraal zijn er een aantal specifiekere lessen:

(1)  Een terugkerende tragedie werd een onontkoombaar feit, een statistiek. In de fabel pasten de verwachtingen van de mensen zich aan het bestaan van de draak aan. Zelfs zo sterk dat ze zijn slechtheid niet konden zien. Het ouder worden is ook een onontkoombaar feit geworden – ondanks dat het de hoofdoorzaak is van een onmetelijke hoeveelheid menselijk leed en dood.

(2)  Een statische opinie over technologie. Mensen beredeneerden dat het nooit mogelijk zou zijn om de draak te doden omdat alle pogingen in het verleden gefaald hebben. Zij hebben het versnellende technologische proces over het hoofd gezien. Zal een zelfde soort fout ervoor zorgen dat wij de kans dat ouderdom genezen wordt, ondergewaardeerd blijft?

(3)  Besturing werd doel op zich. Een zevende van de economie ging naar de draakadministratie (dat ook overeenkomt met het gedeelte van het BNP dat de V.S. kwijt is aan gezondheidszorg). Beperking van schade werd zo’n groot focuspunt dat mensen de onderliggende oorzaak verwaarloosden. In plaats van een groot, met publieke gelden gefinancierd onderzoeksprogramma om het ouder worden te stoppen, geven we bijna het hele gezondheidsbudget uit aan gezondheidszorg en het onderzoeken van individuele ziekten.

(4)  Het sociale goed kwam los te staan van het goed voor de mensen. De adviseurs van de koning waren bang voor mogelijke maatschappelijke problemen die zouden worden veroorzaakt door de antidrakovisten. Ze zeiden dat er geen maatschappelijk goed zou komen uit het doden van de draak. Sociale klassen bestaan echter voor het goed van de mens en over het algemeen is het goed voor de mens als er levens worden gered.

(5)  Het gebrek aan een gevoel voor verhoudingen. Een tijger doodde een boer. Een plaag van ratelslangen teisterde een dorp. De koning versloeg de tijger en de ratelslangen en dient dus zijn volk. Maar hij zat fout, omdat hij zijn prioriteiten verkeerd stelde.

(6)  Prachtige zinnen met holle retoriek. De adviseur van moraliteit was welbespraakt en had het over de menselijke waardigheid en onze aard, in zinnen die bijna letterlijk overgenomen zijn van zijn eigentijdse gelijken.[3] Maar de retoriek was een rookgordijn dat de morele realiteit eerder verborgen hield dan onthulde. De onsamenhangende maar eerlijke getuigenis van de jongen wijst als contrast in de richting van het centrale feit van het geval: de draak is slecht, hij eet mensen. Dit is ook de basiswaarheid van beginnende ouderdom bij mensen.

(7)  De urgentie niet kunnen inzien. Pas heel laat in het verhaal realiseerde men zich wat er te verliezen viel. Pas toen de koning in het bebloede gezicht van de jonge, smekende man keek, werd de omvang van de tragedie duidelijk. Het zoeken naar een behandeling voor het ouder worden is niet wat moois dat we ooit eens moeten doen. Het is een urgente, schreeuwende morele verplichting. Hoe sneller we beginnen met een gericht onderzoeksprogramma, des te sneller zien we resultaten. Het doet er toe als we het pas in 25 jaar kunnen genezen in plaats van 24 jaar: een bevolking groter dan die van Canada zou kunnen sterven als gevolg hiervan. In dit geval is tijd gelijk aan leven, tegen een snelheid van ongeveer 70 levens per minuut. Terwijl de meter zo snel loopt, moeten we niet langer tijd verdoen.

(8)  ‘En in de komende tijd…denk ik dat we wat moeten reorganiseren!’ De koning en zijn volk zullen tegenover enkele grote uitdagingen komen te staan als zij klaar zijn met feestvieren. Hun samenleving was zo geconditioneerd en gedeformeerd door de aanwezigheid van de draak, dat er nu een gapend gat is ontstaan. Ze zullen creatief moeten zijn, zowel op individueel als op maatschappelijk niveau, om omstandigheden te ontwikkelen waardoor het leven dynamisch en betekenisvol wordt. Gelukkig kan de mens zich goed aanpassen. Een andere kwestie waar ze mee te maken zullen krijgen, is overbevolking. Misschien moeten mensen leren om later en minder kinderen te krijgen. Misschien vinden zij een manier om een grotere bevolking te onderhouden door effectievere technologie. Misschien ontwikkelen ze ruimteschepen en zullen ze andere planeten gaan koloniseren. We laten de mensen uit de fabel nu alleen om met deze nieuwe uitdagingen aan de slag te gaan, terwijl wij proberen enige vooruitgang in ons eigen avontuur te maken.[4]

 

Hoe kunt u helpen

1. Geef het door. Als u een website of een blog heeft, kunt u een link naar deze pagina plaatsen. Deel uw gedachten met vrienden en collega’s. Schrijf brieven aan de redacteur met opmerkingen over krantenartikelen over levensverlenging. Ga in op kortzichtige opmerkingen over het ouder worden.

2. Overweeg geld te geven aan de Methuselah Mouse Prize. Dit is een prijs voor het verlengen van de resterende levensduur van oudere muizen. Wetenschappelijke prijzen staan erom bekend dat ze prestaties stimuleren. Successen met muizen kunnen de weg vrij maken voor een groter programma om de methodes toepasbaar te maken op mensen.

3. Als u actief bent binnen een organisatie (bijv. een politieke partij, een religieuze groepering, een bedrijf), kunt u overwegen of er een manier is waarop u ondersteuning kunt krijgen voor het verlengen van een gezond leven en het onderzoek dat nodig is om het te bereiken.

4. Als een groot filantroop heeft u de mogelijkheid iets te veranderen. Voel u vrij om contact op te nemen om ideeën te bespreken. Als u bijv. een journalist, opinieleider, regeringsfunctionaris bent of in het bestuur zit van een grote onderzoeksinstelling, dan bevindt u zich in de unieke positie om invloed uit te oefenen en hebt u dus ook de verantwoordelijkheid initiatief te tonen.

5. Denk na over wat de beste manier zou zijn waarop u iets kunt bijdragen.



[1] Caloriebeperking (een dieet met weinig calorieën maar veel voedingsstoffen) verlengt het leven en vertraagt de ontwikkeling van ziekten die verbonden zijn met ouderdom. Dit is aangetoond in alle onderzoeken. De eerste resultaten van een langdurig onderzoek bij resus- en doodshoofdaapjes laten vergelijkbare invloeden zien. Het lijkt waarschijnlijk dat caloriebeperking ook bij de mens werkt. Er zijn echter maar weinig mensen die bereid zijn zichzelf levenslang op een hongerdieet te zetten. Sommige onderzoekers doen onderzoek naar het nabootsen van caloriebeperking - bestanddelen die de wenselijke gevolgen van verminderde calorie-inname teweegbrengen zonder honger te hoeven leiden (zie bijv. Lane, M. et al. (1999), ‘Nutritional modulation of aging in nonhuman primates’, J. Nutr. Health & Aging, 3(2): 69-76.)

[2] Tijdens een stemming bij het 10de Congress of the International Association of Biomedical Gerontology werd duidelijk dat de meerderheid van de deelnemers het waarschijnlijk of ‘niet onwaarschijnlijk’ achten dat zichtbare functionele verjonging bij oudere muizen mogelijk zou zijn binnen 10-20 jaar (de Grey, A. (2004), ’Report of open discussion on the future of life extension research’, (Annals NY Acad. Sci., < namespace="" prefix="st1" ns="urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" xml="true">1019, in press)). Zie ook bijv. de Grey, A., B. Ames, et al. (2002) ‘Time to talk SENS: critiquing the immutability of human aging’, Increasing Healthy Life Span: Conventional Measures and Slowing the Innate Aging Process: Ninth Congress of the International Association of Biomedical Gerontology, ed. D. Harman (Annals NY Acad. Sci. 959: 452-462); en Freitas Jr., R. A., Nanomedicine, Vol. 1 (Landes Bioscience: Georgetown, TX, 1999).

[3] Zie bijv. Kass, L. (2003) ‘Ageless Bodies, Happy Souls: Biotechnology and the Pursuit of Perfection’, The New Atlantis, 1.

[4] Ik ben de vele mensen dankbaar die eerdere versies van commentaar hebben voorzien, vooral Heather Bradshaw, Roger Crisp, Aubrey de Grey, Katrien Devolder, Joel Garreau, John Harris, Andrea Landfried, Toby Ord, Susan Rogers, Julian Savulescu, Ian Watson en Kip Werking.