Gebed tot de Muzen
Solon (ca. 640-Ca. 560 v Chr.)
vertaald uit het grieks door Paul Claes
Solon (ca. 640-Ca. 560 v Chr.)
vertaald uit het grieks door Paul Claes
O dochters van Mnemosyne en Zeus Olymiër, verhoor mijn bede,
Muzen uit Piëria, vergun me dat ik van de zalige goden voorspoed en van mijn medemensen altijd aanzien krijg, dat ik mijn vrienden blij maak en mijn vijanden boos en beurtelings word geëerbiedigd en gevreesd.
Ik streef naar weelde, maar wil die niet onrechtmatig verwerven. Vroeg of laat komt de vergelding toch.
De rijkdom die de goden schenken is een blijvend bezit voor allen, van de bodem tot de top, maar overdreven rijkdom voert de mensen op het verkeerde pad. Ten onrechte verworven goed is geen gewillige vriend en leidt weldra tot onheil. Aanvankelijk is dat alleen een stro-vuurtje maar wat er eerst onschuldig uit zag, blijkt rampzalig.
Wat stervelingen zich aanmatigen houdt geen stand.
Houdt de uitkomst in het oog en onverhoeds als de wind die de lente plots het wolkendek doorbreekt, die van de barre zeevlakte vol golven de diepte omwoelt, die het welige gewas op het veld, die oprijst naar de hemel, de zetel van de goden, en hem helder maakt milde zonnegloed beschijnt de vette aarde en van de wolken is opeens niets meer te zien-komt ook Zeus'vergelding.
Hij is niet in alles zo licht geprikkeld als de sterfelijke mens, maar hij laat toch nooit iemand met een slecht geweten ontsnappen: Alles komt ten slotte aan het licht. De ene boet onmiddellijk, een ander later. Indien ze zelf de goddelijke straf ontgaan, worden ze toch getroffen: voor hun daden boeten hun schuldeloze kroost en heel hun nageslacht. Of wij nu goed of slecht zijn, wij verwachten allen dat ieder mens ten slotte krijgt wat hij begeert -tot ons iets overkomt. Dan klinkt geklaag.
Voorlopig verheugen wij ons graag in ijdele hoop. Wie door verschrikkelijke kwalen wordt getroffen, verwacht dat hij weldra opnieuw gezond zal zijn. Een lafaard ziet zichzelf als een heldhaftige strijder, een onaantrekkelijke man vindt zichzelf knap. Al wie behoeftg is en arm, moet lijden: verwacht dat hij met rijkdom overladen wordt. Elk mens jacht weer iets anders na. De ene zwerft rond op zee om met zijn vissersvloot een rijke vangst naar huis te brengen, door de ruwe winden laat hij zich voortdrijven zonder zijn leven te ontzien.
Een ander klieft als dagloner het hele jaar door een bosrijk land: hij denkt slechts aan de kromme ploeg. Een leert de kunsten van athene en Heifaistos om in zijn onderhoud met handwerk te voorzien. Een laat zich door Olympia's Muzen onderrichten en leert de kust van het begeerde dichterschap. Een maakt de ver treffende God Apollo ziener: hij ziet het onheil al van verre aankomen als goden hem terzijde staan, maar geen voorspelling of offergave kan het noodlot afwenden.
Een ander bedrijft de heelkunde van Paion als arts , al blijft ook hem de uitkomst onbekend: een kleine pijn groeit dikwijls uit tot een groot lijden, dat niet met medicijnen is te lenigen, terwijl wie kampt met erge vreselijke kwalen gezond wordt door een simpele handoplegging.
Het noodlot brengt een sterveling geluk en onheil en wat de goden geven valt niet te ontgaan. In elke onderneming schuilt gevaar en niemand weet hoe de zaak die hij begint zal aflopen.
Wie poogt de dingen goed te doen, maar niet vooruitziet, belandt soms in een vreeselijk ongeluk, terwijl de oppergod een slordig ondernemer soms helpt en zo zijn onbezonnenheid beloont. Mensen bepalen nooit de grenzen van hun rijkdom.
Zij die het meest gefortuneerd zijn onderons, doen eens zo hard hun best. Wie stelt elkeen tevreden?
De Goden schenken stervelingen winstbejag. Daaruit ontstaat het ongeluk dat Zeus wanneer hij zijn straffen stuurt laat neerkomen op ieders hoofd.