Academia Lugduno-Batava


De universiteit van Leiden werd opgericht door Willem van Oranje in het jaar 1575. In een roerige tijd was het van groot belang voor de Noordelijke Nederlanden dat er een universiteit zou komen die zich net als Leuven in de Zuidelijke Nederlanden kon richten op het theologische onderwijs en ook de burgers een aanzienlijk voordeel zou kunnen opleveren in de vorm van bekwame mannen. Leiden was de tweede grote stad in Holland met een aanzienlijke industrie.  De stad speelde bij de opstand tegen Spanje een belangrijke rol. Aangenomen wordt dat de keuze voor Leiden een geschenk was van Willem van Oranje aan de stad na het Leidens ontzet. Hij financierde de universiteit met de geconfisqueerde katholieke geestelijke bezittingen zoals de schenking van de Sint-Adelbertabdij die in zijn opdracht door de watergeuzen was verwoest. De universiteit werd op 8 februari 1575 opgericht in de Pieterskerk. Rector magnificus van de universiteit werd Justus Lipsius, in de beginjaren van de universiteit een belangrijk bestuurder. De stichtingsbrief van de universiteit staat nog op naam van Filips II. Het is echter de secretaris van Filips die de oprichtingsakte ondertekent. Filips had immers het gezag over de gehele Nederlanden. Pas na 1581, wanneer de Staten-Generaal zich afkeren van Filips II met het Plakkaat van Verlatinghe, worden de universiteiten opgericht door de Republiek zelf. Na het verlaten liet Filips II op 26 maart 1582 een openbaar manifest uitgaan dat een ieder die studeerde aan de universiteit van Leiden als ketter zou worden beschouwd, of in ieder geval verdacht zou worden van ketterij, en overigens niet bevoegd was enig ambt of enige waardigheid te verkrijgen. Over de Latijnse naam kan men nog toevoegen dat het vreemd oogt de stad London en de Betuwe bij elkaar te zien staan.

De oprichtingsakte van de universiteit van Leiden uit 1575

De universiteit was aanvankelijk gehuisvest in het Sint Barbaraklooster, maar verhuisde in 1577 naar het Faliede Bagijnhof aan het Rapenburg, om in 1581 onderdak te kiezen in het geconfisqueerde klooster van de dominicaanse Witte Nonnen aan de overkant van de gracht, dat in 1616 door brand werd verwoest, maar herbouwd werd. Dit gebouw doet nog steeds dienst als het Academiegebouw van de Universiteit Leiden. Het heeft diverse verbouwingen ondergaan, de recentste in 2007. Basis van de universiteit vormden de drie faculteiten theologie, rechten en medicijnen. Daarnaast werd er onderricht gegeven in onder andere filosofie, letteren, wiskunde en in de zeven vrije kunsten. Dit is een vrij curriculum bestaande uit de vakken grammatica, dialectica, retorica, arithmetica, geometrica, musica en astronomica. Deze vakken werden in die tijd op vrijwel elke universiteit gegeven. Ook was er in Leiden een sportschool waar men leerde schermen. Het schermen diende een nauwkeurig wiskundig patroon te volgen. Hieruit volgde, op instignatie van prins Maurits, de oprichting van de ingenieursschool. De prins had behoefte aan hooggeschoolde ingenieurs die zich bekwaamden in de krijgstechniek en in de vestingbouw in verband met de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje. De meeste afgestudeerden werden voor de Republiek echter landmeter. Hoewel deze vakken vooral op vaardigheden waren gericht had het onderricht ook opmerkelijke wetenschappelijke consequenties. Zo wist Ludolf van Ceulen, die was aangesteld tot schermgrootmeester, het getal pi tot op 35 decimalen nauwkeurig te berekenen, zonder calculator.

Een promotie in Leiden omstreeks 1715

De aanwezigheid van hele grote geleerden als Justus Lipsius, Josephus Justus Scaliger, Franciscus Gomarus, Hugo de Groot, Jacobus Arminius, Daniël Heinsius, Willebrord Snellius en Gerard Vossius, verschafte de Leidse universiteit een enorm aanzien en vanuit heel Europa kwamen studenten om er onderwijs te genieten en vooraanstaande geleerden om er les te geven. Deze positie werd nog behouden tot het einde van de 18e eeuw door de reputatie van hele grote geleerden als Herman Boerhaave. Door de Napoleontische oorlogen hadden alle universiteiten in de republiek te kampen met sterk teruglopende aantallen. Begin 19e eeuw liep ook de internationale reputatie enigszins terug, omdat enkele buitenlandse universiteiten, vooral in het Duitse taalgebied, veel bekende geleerden aan zich wisten te binden. Toch bleef Leiden in het jonge koninkrijk nog steeds een van de voornaamste universiteiten. Bekende 19e-eeuwse alumni waren Johan Rudolph Thorbecke, de bedenker van de Nederlandse grondwet, en Matthias de Vries, de vader aller vaders van de Nederlandse taalkunde. In 1860 werd Robert Fruin de eerste bekleder van de leerstoel Vaderlandse Geschiedenis, waarmee men voortvarend van start ging met de professionele beoefening van de geschiedwetenschap in Nederland.

Het academiegebouw aan het Rapenburg
Aan het eind van de 19e eeuw werd de Leidse universiteit weer een van Europa's meest toonaangevende universiteiten, en dan vooral op het gebied van fundamenteel onderzoek in de natuurkunde. In het eerste universitaire laboratorium ter wereld voor lage temperaturen, bereikte hoogleraar Heike Kamerlingh Onnes een temperatuur van slechts één graad boven het absolute nulpunt (–273 graden Celsius). In 1908 slaagde hij er als eerste in helium vloeibaar te maken. Bovendien ontdekte hij het verschijnsel van supergeleiding in metalen. Voor deze revolutionaire ontdekkingen in de techniek ontving hoogleraar Kamerlingh Onnes in 1913 de Nobelprijs voor natuurkunde. Ook de Leidse hoogleraar Hendrik Lorentz ontving deze prijs, samen met Pieter Zeeman van de Universiteit van Amsterdam, voor de beschrijving en verklaring van het zogenaamde Zeemaneffect. Tot slot ontving de fysioloog Willem Einthoven de prijs ook, maar dit keer de Nobelprijs voor de geneeskunde. Zijn uitvinding van de snaargalvanometer maakte de ontwikkeling van de elektrocardiografie mogelijk.

Naast deze Nobelprijswinnaars waren ook de natuurkundigen Albert Einstein en Paul Ehrenfest, arabist en islamexpert Christiaan Snouck Hurgronje en de rechtsgeleerde Cornelis van Vollenhoven van belang voor het aanzien van de universiteit in de jaren '20. Verder hield de hoogleraar Rudolph Cleveringa, decaan van de juridische faculteit, op 26 november 1940 een vlammend betoog in het Academiegebouw om te protesteren tegen het ontslag van de joodse werknemers, onder wie de jurist Eduard Meijers, de latere grondlegger van het nieuwe Burgerlijke Wetboek. Op dezelfde dag trok de medisch hoogleraar Ton Barge fel van leer in een college over de onhoudbaarheid van de theorie van de rassenleer. Ook staakten de studenten op gelijke wijze door zich af te keren van de hoogleraren. De universiteit werd daarop door de bezetter gesloten. In september 1945 werd zij heropend. Om de toespraak te herdenken benoemt de universiteit elk jaar een Cleveringahoogleraar. Verder organiseert het Leids Universiteits Fonds (LUF) jaarlijks de Cleveringalezingen welke over de gehele wereld plaatsvinden. Tot slot nog enkele andere beroemde Leidse geleerden uit de 20e eeuw zoals wij eren de historicus Johan Huizinga, een vooraanstaand historicus en de auteur van Herfsttij der Middeleeuwen, en de beide astronomen Willem de Sitter en Jan Hendrik Oort voor hun bijdragen aan de kosmologie.

Copyright © 2016 F.N.Heinsius. All rights reserved.