In de eerste koude nacht zijn onze tenten gestolen
terwijl we buiten wachtliepen.
We hebben een vuur van dode struiken aangelegd
en gezongen uit het boek van ons geheugen.
Toen het licht opkwam zagen we onze schaamte liggen
als een dunne schaduw aan onze voeten.
Tegen de middag sneden we twijgen
en vlochten een berrie
voor de ouderen als ze moe waren
maar de dagtocht niet ten einde
en na nog een nacht onder de sterren
zijn we voort gegaan.
Sinds wij ons vestigden in de bergen
eten we minder en magerder
we leerden de taal van de wind
en spreken glazen woorden.
We lachen minder luid, we luisteren doodgraag
met ons oor aan de rotswand, stug en zacht als leder.
Van hieruit zien we op heldere dagen
nog ons pad tussen de moerassen slingeren.
De verhalen vormen zich al onder de jongsten.
Naar het schijnt wisten wij waarheen,
zogezegd waren wij sterke krijgers.
Tot wij zelf sterven weten wij dit:
wij waren de beste tentenmakers
wij vlochten een berrie
wij zijn het volk van de bergen.