I.
Hun blik maakt lawaai tussen mijn ogen
hun reistas zetten ze neer in mijn schedel.
En ze denken te blijven. Hun motoriek beitelt
één stevig antwoord op eender welke vraag;
ikzelf klink als het weerbericht met wol in mijn mond.
II.
Ik leef een gevecht tegen de waanzin,
de rest is het werk van de etalagist.
Mijn hart hangt tussen vier tractoren en ik
bezing hardop de overwinning. Dat de bezetter zich
maximaal verzekert, versierd met al die liefde van hem.
De vrienden hebben zich naar het achterland gestolen,
wat blijft is de angst voor de hebzucht van
vrouwen. Er hangen witte sluiers in de bomen.
Hun schors bloedt zijn hars en de zijde vergroeit met
hun stammen. De uil hangt ondersteboven en weet
dat hij niet meer waardig is nu nog
symbool te gaan spelen. Er kondigt zich een luid
zwijgend einde aan.
III.
Waarschijnlijk heb ik de foute bemind
met iemands vingers in mijn oren,
de kamer niet goed afgeschermd voor
de blikken van de stad. Zoiets.
De weg naar hier gaat steil omhoog en eindigt
in een bad van gistend eiwit, hier geen
ophaalbruggen, men begint die altijd te beklimmen,
men doet maar wat men blijkbaar
onmogelijk laten kan.