Als het leven zich per uitzondering eens van zijn beste zijde toont, haalt het brein steevast dezelfde truc met ons uit: we gaan geloven dat heel ons bestaan één grote kick is. We denken terug aan de keren dat we gekniesd hebben, en we besluiten dat we onrechtmatig kniesden. De anderen die kniezen verdienen onze honende spotlach. We noemen hen kniesoren. Een brede grijns siert ons gelaat en het zou ons geen fluit kunnen schelen als alle andere opties plots zouden wegvallen. Allemaal overbodige luxe, zo luidt onze filosofie. De grijns zou standaard in iedere smoel gebeiteld moeten staan.
Niet dat het vaak gebeurt. Maar toen ik fluitend de veters van mijn wandelschoenen losmaakte, zou ieder waarnemer direct zijn diagnose gesteld hebben: deze kerel gelooft in de standaard grijns. Puur hypothetisch natuurlijk, want toeschouwers waren er op geen mijlen na. Ik bevrijdde me van het schoeisel in volmaakte afzondering. Ver van het gejoel van de massa. En dat was verdraaid de bedoeling ook. Ik had er een tocht van een paar uren voor over gehad. Waarnemers om mijn grijns te beoordelen waren totaal ongewenst. Ik was net op een zonovergoten weide aangekomen, compleet met grazend melkvee, en had op de rand tegen het bos een bunker gezien. Het duurde niet lang of ik zat er bovenop en was me aan het installeren voor een dagje eersteklas egoïsme. In het midden mijn deken, en binnen handbereik alles wat maar ongezond en aangenaam is. Om de nieuwsgierige lezer te plezieren noem ik de busjes frisdrank, de flutromannetjes, de chocoladewafels en de kist sigaren.
Terwijl ik het zand van de schoenen klopte en ze naast mijn rugzak zette, bedacht ik dat de Duitsers zich de afgelopen eeuw misschien niet erg geliefd hadden gemaakt in onze streken, maar dat dit souvenir van hun aanwezigheid er best mocht wezen. Om de dag niet te vermoeiend te beginnen nuttigde ik een blikje bosvruchtendrank en spreidde de ledematen over de deken. Door het zonnebrilletje naar de blauwe luchten gapend en luisterend naar de tafelgeluiden van de koeien beneden mij, raakte ik danig bevangen door een slaperig gevoel. De luchten en de geluiden werden vager en vager, tot ik ze uiteindelijk niet meer zag resp. hoorde: ik was zoals men pleegt te zeggen, vertrokken.
X X X
Normaal hoort iemand in die omstandigheden wakker te worden door iets heel banaals: een vogel die wat veel kabaal maakt, of een koe die communiceert met een kennis in een verderop gelegen wei. Eventueel een stortbui. Maar zelden, zoals bij mij het geval was, door een kerel die vraagt: "Jij een hardgekookt eitje, schat?". Ik was nog wat suf en wilde zeggen: "Nee, dank je lieverd, ik neem wel een beschuitje", toen het tot me doordrong dat hij het niet tegen mij had. Een meisjesstem antwoordde dat een eitje er nog wel bij kon, en ik realiseerde me dat een koppeltje zich tijdens mijn slaap voor mijn bunker had genesteld voor een picknick.
Ik kan niet zeggen dat de situatie me aanstond. Als ik een socialer wezen was had ik over de rand kunnen gaan hangen en na een korte voorstelling van mijn persoon kunnen zeggen dat ze een chocoladewafel mochten hebben in ruil voor een stukje salami. Maar je weet hoe dat gaat met verliefde paartjes: je wordt bekeken als een indringer, en voor je het weet sturen ze je naar de winkel voor een pakje sigaretten. Bovendien lag het helemaal niet in mijn bedoeling om een soort bosklas te organiseren met diepzinnige gesprekken en groepsspelen en 's avonds gezangen bij het kampvuur. Een sombere stemming maakte zich van mij meester.
"Stel je voor", zei het meisje vrolijk, "dat er iemand op die bunker zit en alles heeft afgeluisterd". Ik staarde wild in het rond in de hoop dat er ondertussen een boom was gegroeid waar ik me achter kon verstoppen. Ik beheerste me echter, want ik wist dat ze me toch niet konden zien. Zelf was ik alleen maar boven geraakt doordat ik een touw met een ankertje had meegebracht. Als ik plat bleef liggen zouden ze me nooit kunnen ontdekken. Een rustgevende gedachte.
"Ik zou er wel eens op willen klimmen", zei het meisje peinzend, en ik voelde dat ze naar boven keek. "Heb je dat touw met dat ankertje niet bij je?" Mijn haren rezen ten berge. Als die idioot zo'n touw bij zich had, Heilige Maagd...
"Nee", antwoordde de idioot, "Ik had niet gedacht dat we bunkers zouden gaan beklimmen. Het zal voor een andere keer zijn. Hier, neem een tomaat."
Mijn getraind oor ving het geslabber op van het meisje dat zich blijkbaar toch een tomaat had laten aansmeren.
"Toch spijtig, ik zou er echt graag eens bovenop staan. Heb jij geen idee hoe ik boven kan geraken? Mag ik op je schouders staan?"
"Wat? Met je modderschoenen?"
"Toe, voor mij dan... “
Ik bad vurig dat de kerel een ijzeren wil had en zich niet zou laten ompraten. Hopelijk had hij daar nog kilo's zware kost bij zich zodat ze zich zo ziek zou eten dat de bovenkant van een bunker haar geen zier meer zou interesseren.
"Ik denk er nog niet aan", zei de kerel, en ik begon zijn standvastig karakter te waarderen. Als ik hem was zou ik haar nog wat te eten aanbieden dacht ik, en ja hoor, hij deed een suggestie: "Wat dacht je van een banaan?"
"Ach, je begint maar over bananen omdat je denkt dat ik dan niet meer op de bunker wil. Maar ik wil op de bunker.”
"Wat denk je daar eigenlijk te vinden? Ik kan je verzekeren, er is daar helemaal niks te zien. Het dak van een bunker is gewoon een hoop beton."
Gelijk had hij. Het dak van een bunker, daar is geen moer aan te zien. Een hoop beton. Zo saai als de pest.
Maar het meisje had een antwoord klaar:
"Ik wil op de bunker."
“Je zal je kleren vuil maken."
"Ik wil op de bunker."
"Een bunker is vies!"
"Ik wil op de bunker."
“Maar schat, ik..."
"Ik wil op de bunker."
De kerel bezweek. Ik hoorde hem kreunen als onder een gewicht, er verscheen een hand, nog een hand, en dan een verwonderd meisjeshoofd.
X X X
“Sigaar?”, vroeg ik.
“Hallo!”, zei ze, “Hijs me eens naar boven."
“Hé, wat gebeurt daar?”, vroeg de kerel, en ik verloste hem van zijn last.
“Jij zit hier goed zeg”, zei het meisje. “Ben jij hier al lang?”
“Toch al een paar uur. Ik heb, eh, een uiltje geknapt.”
“Wat tof! Ik heb altijd al eens op een bunker willen zitten."
“Je mag gerust nog wat blijven. Ik heb frisdrank, chocoladewafels, romannetjes...”
De kerel vond het nodig om zich in het gesprek te mengen. Kon het niet hebben dat iemand even met zijn lief babbelde. Sommige mensen kunnen daar echt heel onsportief in zijn.
“Gaat het zo' n beetje daar boven?” trachtte hij met een ironische noot.
Ik leunde over de rand en glimlachte beminnelijk.
“Sigaar?”
“Hé, pipo, hoe ben jij daar boven geraakt?”
Dat had hij beter niet gezegd. Het zijn zulke kleine dingen waar ik nu juist gevoelig aan ben. Pipo! Als er hier één kerel de pipo was, dan hij toch wel zeker? Afhankelijk als hij was van mijn goede wil, had hij me wel eerbiediger mogen aanspreken. Vind ik toch.
“Hé, pipo, hoe ben jij daar boven geraakt?”
Smalend verhief ik de mondhoeken.
"Oefenen jongen, veel oefenen. Elke dag een paar uur atletiek. En een beetje aanleg ook natuurlijk.”
Het meisje keek giechelend naar mijn ankertouw. Ze scheen de grap wel aardig te vinden. Hartverwarmend. Vind ik altijd als meisjes giechelen om mijn grapjes. Niet dat ze dat zo vaak doen. Maar ik dwaal af.
De snuiter van zijn kant straalde niet bepaald van geluk. Zijn opvattingen over humor gingen duidelijk een andere richting uit. Situatiehumor, zo moet hij gedacht hebben, dat is mijn meug niet. Personen X en Y op een bunker en persoon Z op de grond, proberende zich bij X en Y te vervoegen, en X en Y die plezier hebben omdat Z geen schijn van kans heeft om zijn poging tot een succesvol einde te brengen, daar is iets primitiefs aan. Iets van die aard ging naar mijn schatting om in zijn brein. Maar ik dwaal weer af. De kerel hield ondanks alles het hoofd koel en richtte zich tot zijn hartendief.
“Zeg, schat, je hebt nu je zin gehad. Kom je weer naar beneden?"
“Maar ik ben er nog maar net!”
“Je wil toch niet bij die halve gare blijven zitten?”
“Ik wil nog wat rondkijken. Ik blijf nog wat.”
"Goed. Fijn. Als jij niet naar beneden komt, kom ik naar boven.”
Ik kon het zo van zijn wijzerplaat aflezen: hij had zijn krasse zin nog niet afgemaakt of de waarheid staarde hem weer hol lachend in de oogbol. Hij had me juist nog als een halve gare bestempeld, en verplichtte zich al dadelijk om een beroep te doen op mijn barmhartigheid.
"Als je dan toch zo'n atleet bent, kan je me vast wel naar boven trekken. "
Bij één neusgat, ja. Met mijn ankertje. Neen, mijn hart bloedde voor hem, maar deze knaap had naar mijn gevoel met een forse zwaai zijn eigen ruiten ingegooid. Soms is het in dit leven nodig dat men een grens trekt, en mijn persoonlijke trots gebood mij hier onverbiddelijk te zijn.
X X X
En wat het onderwerp van persoonlijke trots aangaat, had deze omhoogstarende knul ook het een en ander met zichzelf uit te vechten. Want hoe zwaar het me ook valt, ik moet erkennen dat de jongen het niet gemakkelijk had. Hij stond voor de keuze tussen twee zaken. Hij kon zich schikken in zijn lot en toertjes lopen rond de bunker tot zijn lief het spelletje beu was. Uiterst slecht voor ’s mans waardigheid, zou ik zo zeggen. Men cijfert zichzelf weg en hoopt op betere tijden, het eigen initiatief als waardeloos en irrelevant terzijde schuivend. Dodelijk voor de creativiteit en het zelfvertrouwen.
De andere mogelijkheid vereist een enorme wilskracht. Voorbehouden aan de onversaagde held. Als de kerel zich niet wilde laten kennen, zat er voor hem niets anders op dan zijn lief van een pathetisch gebaar en een paar denderende afscheidswoorden te dienen, en vervolgens breedgeschouderd van het toneel te verdwijnen. En, bliksems, de helden zijn de wereld nog niet uit. Hij snoof ongelofelijk viriel, en zijn warme bariton galmde over de beemden:
"Zo gij, mijn aanbedene, geen warmte koestert in uw hart / zo gij niet voelen kunt het gloeien mijner smart / geen woord van haat komt over mijne lippen / Adieu, ik ga nu, denk aan mij !" Hij pakte zijn picknick bijeen en gooide het hoofd op getroffen wijze in de nek om zijn lief nog een laatste keer aan te kijken. "Trut!" siste hij tussen zijn tanden, en ik vond het een beetje spijtig dat hij dàt er nu nog aan toevoegde. Maar het geheel bleef niettemin indrukwekkend. Er heerste een uiterst pijnlijke stilte toen de gozer zich in gang zette om misschien wel de meest fatale honderd meter van zijn leven af te leggen. En ja, ik moet een kat een kat noemen, hij klaarde de klus met gepaste stijl. Zo iets moet men zien natuurlijk. Het effect gaat totaal verloren in een beschrijvend relaas. Ik doe een beroep op de goede wil van mijn fijnbesnaarde lezer om zich in te leven in deze zeer emotionele situatie. Stel u de jonge blaag voor, zich tussen de koeien door verwijderend van de bunker, met voor zich de groene vlakte. Concentreer u op de akt zelf van het zich verwijderen, en breng in uw gemoed een smeltkroes tot stand van hetgeen nu volgt.
Niet te traag - niet te snel - onstuitbaar - het hoofd fier rechtop houdend - wijdbeens - de neiging om achterom te kijken bedwingend - zijn gekwetste liefde met korte trekjes van de rechterschouder verradend - waarschijnlijk met van woede trillende neusvleugels maar dat kon ik niet zien - lichtjes knikkend door de knieën...
Ach, ik had het wel gedacht. Het werkt niet met woorden.
Ik zou zeker hebben blijven gapen tot de kerel aan de horizon verdwenen was, als ik niet was opgeschrikt door het jammerlijk gekerm van het meisje. "Begrijp jij dat nu," vroeg ze beverig, "dat hij me zo maar in de steek laat? Het was toch maar een mop!"
De knaap was al een behoorlijk eind weggeëbd, dus het leek me dringend dat ik voor hem een goed woordje deed. Ik legde haar bondig uit dat hij nu al spijt had dat hij was vertrokken, maar dat ons cultuurpatroon hem in de onmogelijkheid stelde op zijn beslissing terug te komen. Ik voegde er aan toe dat de bal in haar kamp lag, en dat er haast bij was ook. Haar ogen lichtten op.
“Denk je dat ik hem moet terugroepen?”
"Absoluut. "
"Zou hij nog van mij houden?"
"Daar twijfel ik geen ogenblik aan."
"En als ik zeg dat ik het niet zo bedoelde, zal hij dan stoppen?”
"Reken maar."
Ze veerde recht. "Jeroen, Jeroen ! Wacht! Ik zal het niet meer doen! Hou je nog van mij?"
Jeroen kwam abrupt tot stilstand. Hij bleef vooruit kijken en wachtte op meer. Het was duidelijk dat hij zijn oren niet kon geloven.
"Jeroen ! Hou je nog van mij? Het was maar een grapje!"
Jeroen draaide zich om. Er was een bries opgestoken en hij had die bries nu tegen. Zijn antwoord kwam dan ook sterk gedegenereerd bij ons aan.
"Wat zegt hij?", vroeg het meisje gespannen.
"Hij zei: “Jeanine, wil je met me trouwen?” of zoiets .”
"Jeanine? Ik heet Katrien."
“Katrien. Dat zei hij ."
"Jaaa! Wacht!", brulde ze hem toe. Ik greep naar mijn ankertouw. Het meisje was buiten haar zinnen. Ze trok nerveus aan mijn arm.
"Ik wil eraf. Ik wil eraf. Ik wil eraf. Ik wil eraf.”
In één vlotte beweging stond ze op de begane grond - druppels op vensterramen doen het bij mijn weten niet mooier -, en een beetje later was ik getuige van een waarlijk pakkend tafereel. En dat in zo'n landelijke omgeving! Het blijft een mens aanspreken.
"Ik wens jullie het allerbeste in het leven!" wilde ik hen uitbundig toejuichen, maar ik moest mijn opzet staken want mijn keel zat vol fluimen van pure ontroering. Ik stak dan maar een sigaar op om dit mooie moment te vieren. Vredig op mijn rug liggend probeerde ik kringetjes te blazen. De bries was echter al vervaarlijk toegenomen, en het leek me een mooi idee om met gesloten ogen paffend, rustig op de storm te wachten. De bomen ruisten heviger en heviger, en ik luisterde vol verwachting om de eerste heldere donderslag te horen.