Ik stapte gezwind de winkel binnen, en het meisje sloot de ogen in een moment van existentiële twijfel. Somtijds zijn woorden zodanig overbodig! Waarom, zo vroeg zij zich onmiskenbaar af, waarom komt deze aardworm uitgerekend in deze zaak binnen? Er zijn zo veel bakkers! En met veel beter brood!
Dat vroeg de arme drommel zich absoluut zeker af, hoewel ze het presteerde om er geen geluid bij te maken. Het antwoord op dit vraagstuk is natuurlijk glashelder voor eenieder die een hoofd op zijn schouders heeft staan. Ik zou uiteraard alleen een andere winkel binnen stappen als deze lieve snuiter in een andere winkel zou werken! Vanzelfsprekend! Dat zou overigens geen kwaad idee zijn geweest, want het brood dat hier gebakken werd was een gevaar voor het milieu. In die periode ben ik dan ook fel vermagerd. Uitgezonderd mijn tong. Die is op vreemde wijze beginnen zwellen.
Een blik op de felgekleurde taartjes in de toonbank werpend, zong ik een nogal komisch jazzy melodietje. Vervolgens viel er een stilte, en nòg vervolgens begon zij: “Kan ik u helpen?”
Ik grijnsde mijn allerbreedste exemplaar tevoorschijn. “Ja!”, zei ik.
“Zegt u maar.”
“Wel”, zei ik, even ernstig. “Ik had graag brood gehad.”
“Dat kan ik mij voorstellen”, zei het meisje. “Wat voor iets?”
Normaal zegt men dan bijvoorbeeld “een wit”. Of, bijvoorbeeld, “een grof”. Ik niet. Ik zei: “Wat hebt u zoal?”
Zij aan haar kant van de toonbank, en ik, aan mijn kant van de toonbank. Ieder zijn kant. Het was een mooi symbool, vond ik, voor de muur die nog tussen ons stond. Zij zou hem natuurlijk terstond tot aan het plafond gemetseld hebben, maar ik had hem liever weg gehad. Het was een duidelijk verschil in attitude jegens de muur die –zij het symbolisch- nog tussen ons stond.
“Dat vraagt u elke keer”, zei het prachtige ding. “Ik heb wit, grof, zeven granen, stokbrood en rozijnenbrood.”
“Suikerbrood?”, vroeg ik met het hoofd lichtjes scheef en de wenkbrauwen omhoog.
“En suikerbrood.”
Ik stak mijn wijsvinger omhoog en aarzelde even. Ik gebaarde eigenlijk dat ik aarzelde. Zij wist dit, maar dat kwam door haar vrouwelijke intuïtie.
“U gebaart altijd dat u even aarzelt”, zei ze. “Maar uiteindelijk zegt u toch: ‘Doe maar een grof’”. En voor ik het wist plofte zij een zak brood voor mijn neus.
Ik haalde mijn wijsvinger uit de lucht, en zei, met stille ontroering in mijn stem: “Het is fijn om te zien dat iemand je kleine ritueeltjes kent. Somtijds zijn woorden zodanig overbodig!”