Mijn vijand weet dat ik op een dag
met zijn bovenkaak mijn geurig veld omploeg.
Er zal een dunne streep mist hangen
die de aarde net niet raakt.
De patrijzen zullen roepen
als altijd.
Langs de bomenrij aan de noordkant
loopt soms een stroper, soms het meisje
dat weet van de binnenweg
recht naar de school.
Een tak breekt.
Ik denk aan mijn groenten
mijn kinderen
en duw met mijn hiel.
Mijn adem versmelt met de ochtend.
01/12/2014