Tijd, u heeft mijn
lichaam niet gebroken.
Mijn voorhoofd praat met bomen
langs de weg. De richting
zal van bronnen moeten komen diep
onder hun wortels. Ik luister als een blinde.
De jagers hebben midden in de wei
een dier gevonden, pas geboren met een
oog van achter in zijn hoofd. Ze willen het
hun toekomst zien voorspellen. Het kijkt hen
lang en minzaam aan.
Mijn schouders zijn ontroerd. De bodem laat zich
horen. Een trilling vaart omhoog
tot in de stammen. Zij fluisteren, ik luister.
De kiezel duwt een stempel in mijn voeten.
15/06/2014