Meneer Storms verliet de supermarkt met een fles wijn waar hij niet voor had betaald.
Hij laadde de groente en het vlees in zijn wagen en hield toen de fles in zijn hand. Het was erg gewone wijn, Cabernet van Californië, maar hij was niet bang voor eenvoud. Hij legde de fles tussen een pak keukenrol en een doos melkkartons, zodat ze niet zou rollen bij het rijden.
Terwijl hij voor het verkeerslicht wachtte op een teken, keek hij naar twee schoolmeisjes die hun sigaretten opstaken. Ze inhaleerden even moedig als waarschijnlijk hun grootmoeders deden, en hun moeders geloofden niet dat de grootmoeders ooit zo waren en niemand van hen wilde het weten van haar dochters. Maar de vrouwen bleven onschuldig geboren worden.
Thuis las meneer Storms de krant die hij na het werk gekocht had. Hij leerde dat de baas van een productiehuis van kinderprogramma’s nu voor de tweede maal een zangeres van dezelfde driekoppige meidengroep intiem had leren kennen. De relatie werd omschreven als pril. Verder pleegden in Zuid-Europese landen meer zaakvoerders zelfmoord dan in de afgelopen jaren. Dit kwam volgens de krant door de slechte economische toestand (en door niets anders).
Bij het eten bestudeerde hij de fles Cabernet, die hij net ontkurkt had. Een oude vrouw op een dieet van sigaretten had bij de kassa gezworen dat ze hem kende.
‘Van dat kookprogramma. Was u niet één van de gasten in het restaurant?’
Hij had haar beleefd teleurgesteld.
‘Bent u zeker?’
Ondanks vele dingen was de heer Storms daar zeker van: hij was het niet geweest toen op de tv.
‘U lijkt heel erg op hem.’
‘Ik denk eerder’, had hij galant gezegd, ‘dat die andere op mij leek.’
De vrouw, duidelijk straatarm, nam zijn fles wijn uit zijn kar, betaalde ervoor en gaf ze hem terug.
‘Het is ongelooflijk’, verklaarde ze het gebaar, ‘hoe u op die man lijkt in dat restaurant.’