Voor de rest van de nacht zet ik je vast
in het licht van de straatlantaarn.
ik herken nu je zwartgeverfde ogen
die ooit boven het woord van generaals hebben gestaan.
Ze gloeien nog, ze druipen neer op het asfalt.
Dit zwijgende uur spreidt zijn vlerken
zij kraken als droge varkensblaas
en een wirwar van roestbruine aders
licht op.
De Door Niemand Uitgenodigde, niet anders dan de motten,
zoekt troost achter het geelwitte zeil,
de elektrische toorts,
het knipperend oog van de straat.
Morgen is er zon.
Morgen ruik je de humus.
Vannacht dekt de duivel zijn sloeries.