Ik ben het gewend om het storende nieuws te bezorgen
dat iedereen kent maar atletisch ontwijkt
uit instinct en uit nood
aan een weinig comfort.
Mijn kleren zijn zwart. Mijn oorbel een krachtig
symbool van iets of iets anders, ruig zilver en imponerend
simpel gestileerd als een cijfer.
In de zestiger jaren bloeide mijn winkel
bij gratie van de glazen bol
die zo wel functioneerde
dat ik toen heb besloten
-op doktersadvies-
deze tic af te zweren.
Want te veel, wist de arts,
is te veel, zij het drank, verzadigd vet of de waarheid.
Sinds die dag drijf ik louter op intuïtie.
Mijn angsten namen toe, mijn ego,
begrijpe wie zoiets kan,
kreeg een naam.
Een begrip onder dezen
die op feesten graag buiten gaan roken
en de mazelen tellen rond de maan.
Wie geld heeft gestolen, kijkt nooit in mijn ogen.
Wie in ademnood leeft stelt mijn schaduw op prijs.
Wie wil mijn talenten? Ik had geen ongelukkige jeugd,
ik beleefde mijn jeugd ongelukkig.
Ik ben bijna niets. Ik ben die ik ben,
niet de clown met de tranen,
voor u ben ik graag
de aanstekelijk lachende doodgraver.