Roepend op de priesters van zijn tijd
zorgt de zondaar onbewust
voor rust en orde hier op aarde.
Uit angst, niet uit geweten,
verdwijnt hij in de bossen en keert
psalmen zingend terug
met in de ene hand een herdersstaf
en aan de andere, godbetert,
een toevallige voorbijganger.
Beduusd ontvangt de wandelaar
de handgesneden scepter,
schraapt formeel de keel en zegt:
‘Wees niet bevreesd, voor u ben ik gezonden’.
De zondaar buigt wat dieper en stort tranen om zijn jeugd.