Wij kwamen daar binnen en wisten van vreugde met onze ledematen geen blijf. Overal vlogen jassen en petten in de lucht. Drank werd besteld, vriendschap was zo al voorhanden.
En praten dat wij begonnen te doen. Lettergrepen alom, en we herhaalden soms degene die net gesproken waren omdat we ze goed vonden en niet dadelijk wilden vergeten. Zo smeedden wij het materiaal van de herkenning, we spaarden voor later. We duwden duimen in schouders en vonden het bed van het sleutelbeen, even daaronder voor duimen gebouwd om te rusten.
We waren lelijk als de nacht, we hadden schrik voor de geesten, maar de muren hielden de warmte voor ons, en de regen bleef buiten staan huilen. Naar huis gingen wij nog niet. En stilaan werden we rustig.