Diender van de vijand,
ik ben u nu een woord of twee verschuldigd.
Uw keizer stuurde u mijn land in.
Ge hebt hem op zijn woord geloofd.
Een mooi en treffend woord zal het geweest zijn.
Geen mens kruipt anders dit moeras in.
Uw daden neem ik u niet kwalijk,
wat gij met onze vrouwen hebt gedaan noem ik
ter verontschuldiging
de zwakte van bange mannen.
Het bloed aan uw mouwen
het zal zeker beschreven zijn
door de beste dichters van uw land,
uw profeten zijn romantici.
Ik zie het zo,
hier in de loopgraven liepen wij verloren
gij zowel als ik
als in de groeven van ons eigen stervend gezicht.
Voor deze oorlog moet ik u niet hebben.
Maar gisteren, op deze zelfde plaats,
met uw jongensogen wijd open
en mijn Engelse sigaretten rokend
hebt gij uzelf mijn broer genoemd.
En daarom heb ik u vernietigd.