Gesopt in zelfgestookte wijn
schuifelt de vernieuwer door
een filmdecor van lege dozen.
De hoop brandt veters in zijn ogen-
hij stopt en vreest dat God hem ziet.
Vertrekt, vertraagt, verkreukt zijn plan,
verspeelt zijn trots aan zijn geheugen.
Verkruimelt brood, verbrijzelt knoken
verdraait zijn woord, verdoet zijn tijd
aan verzen, vroeger uitgesproken
tegen licht dat witter was dan hij verdroeg.
Het zand begint omhoog te klauwen.
Zweet benevelt de vernieuwer,
zijn visie kantelt radicaal,
hij wil dat God hem ziet.
Hij huilt van gratie en erbarmen,
brult de teksten van zijn moeder
toont zijn wonden, scheurt zijn hemd.
De hemel daalt, de bodem breekt,
de planten spuwen gal-
en voor een man die zo kan knielen
wordt alles nieuw en groen en stil
zijn schedel galmt van zeegeluiden,
dankbaar buigt hij door.
Dorst. Lege dozen. Dorst.