Wij werden een waarheid gewaar nu wij eindelijk stonden. Voor het eerst achter ons, als een donkere, vriendelijke kuil, lag het ziekenhuisbed van ons volste vertrouwen. Onze rug was gekromd, wij klauwden in de gordijnen en krasten geluiden met onze keel. Heel veel verhaal stond te wachten om de tuin in te stormen, maar wij wisten beter, wij hadden nog velden vol woorden te leren. De dauw stond aan onze kant van het glas, hij kroop als insecten omlaag naar de drempel. Wij kraaiden een soort van blijdschap uit en voelden elkaars gespannen vel en heel vaak zouden wij nog huiveren. Koud beven van liefde en geen weg meer terug.