De kunstenaar in mij is dood,
gewurgd door gezelligheid.
Ik eet ijs met nootjes. Ik luister naar pop.
De trambestuurder is mijn beste vriend.
Wie redt mij met een affront,
een trap onder mijn roestig klokkenspel,
een satansboleet die de moeite waard is dat ik er kwaad op word?
Dit is geen leven, dit is een kapsalon.