De meisjes hebben het weer te bont gemaakt, het heeft mij verblind. Ik loop met tintelende vingertoppen langs de gevels, maar mijn huis is er niet bij. Niettemin: ze zijn van steen en ze houden de vliegtuigen weg die mij zoeken. Ik heb gemerkt dat de vliegtuigen een beetje omlaag komen als ze mij zien.
Mijn adem blaast warme gaten in de lucht. Het is weer zo fel hier buiten, de wereld is te sterk. Een paal is van metaal en ik leg mijn hand er tegen, maar ik vertrouw hem niet. Ik wil mijn jas over mijn hoofd trekken om niet te zien. Mijn ogen draaien naar hun hoeken en mijn benen dansen een eindje weg. Daar is ook het verkeer om me bang te maken, en het einde
is weer zoek.
En ik stap, maar is het weg van iets of is het ergens naartoe, en waar is dan thuis, de vraag vermoordt waarschijnlijk het antwoord. Alles is te ver. Blijven staan kan niet. Van overal de vijand. Het centrum zijn van iets wat ik nooit zal kennen. Is er misschien een hand om tegen mijn hoofd te drukken. Het andere, het andere, ik ben het andere, ik kan niet blijven staan want ik durf niet verder.