I.
Ik wil het niet op mijn geweten
dat u morgen implodeert
uw gespannen vel dat scheurt
en al de lucht binnenlaat
die al eeuwen terug wil op zijn plaats
Laat niet toe
dat iemand wijst op uw gesprekzaamheden
en vraagt of u dat geluid
welbewust bepaalde richtingen uitstuurt
Het idee
dat u stilvalt en staat te roesten
en niemand die zich nog
herinnert waartoe dit tuig gediend heeft
In die zin
schuilt in u een gruwelijke dreiging
de nakende openbaring
van helemaal, helemaal niets
Ik wil daar niet betrokken bij zijn
de autopsie van de afwezigheid
Voor de vrede, u zo lief
Laat mij nu
gerust.
II.
Klappen in de handjes
voor de grote tovenaar
nietwaar
en stappen met de voetjes
grote pluim op onze hoedjes
want vandaag
voelen wij ons allemaal
(allemaal samen)
één
(allemaal)
twee
(samen)
drie
hooladi-jee.
III.
Bemin uw naaste
tot hij niet meer beweegt
het is voor uw eigen hoge goed.
Hand op de bijbel
de andere op uw hart
en dan heel hard
meedogenloos eigenlijk
beminnen
Het helpt.
Nooit de fout begaan
dat u hem uit het oog verliest
of uw naaste
wordt de andere
en u
tsja
alleen.
IV.
Jongeman,
uitvinder buskruit
zkt kennism.
met meisje
met zwavelstokjes
voor peperkoeken huisje.
Niet ernstig
gelieve zich absoluut
te onthouden.
Wegens tijdsgebrek.
V.
Meervoud ontsiert.
Geef ons een waarheid
en wij kunnen alweer verder.
Wij vragen niet meer
wij vragen minder
en minder en minder
het minste is goed
De zon op ons gelaat
de geur
van gebakken
hamburgers
met ajuinen.