Ik besliste dat het tijd was om naar buiten te lopen en de zon te bedanken. Het was een goed idee: ze verwelkomde mij op het grote plein, en de geur was er ook al, voorzichtig. Winter, en splinters van veel geel en blauw. De lucht nam dan plaats in mijn spieren.
Sloot ik mijn ogen tot bijna dicht, dan zag ik dat rode duiveltjes tussen de droge boomtoppen over en weer schoten. Ze deden een spel waar voor de rest niemand zaken mee had, en één duivel vertrok met ronde borst en armen opwaarts naar boven om een grote cirkel te maken, rond de zon die lachte, zo brutaal het hof gemaakt.
En ik dacht, waar hebben we dat nu verdiend, dat het melkzuur uit ons lijf is verdampt, worden we kinds of trakteren de goden? Mij was het aangenaam onduidelijk, terwijl ik opstond van mijn bank, en in een mens aan de overkant zag ik dat ik een mens was die een mens zag aan de overkant.
Ik was een duivel, rood en in een baan om de zon.