Stinzenplanten

tekst: Jetze Kamerling (bijgewerkt in januari 2015).

Stinzenplanten

Deze groep planten bloeit voornamelijk in het voorjaar en is voor het eerst in de omgeving van historische gebouwen in Friesland herkend. Vandaar de naam , want het Friese woord ‘stins’ betekent 'stenen huis’. In het algemeen gaat het om soorten die vroeger op buitenplaatsen en kloostertuinen, oude boerenhoeven zijn uitgeplant en vervolgens zijn verwilderd en ingeburgerd.

Stinzenplanten zijn over het algemeen planten die in Nederland niet inheems zijn. Het eigenlijke vaderland van veel soorten moet in zuidelijker en oostelijker landen gezocht worden, soms ver weg (Knikkende vogelmelk uit Zuid Europa en Kleine Azië), soms dichtbij (Wilde hyacint uit Groot-Brittannië). Soms valt het verspreidingsareaal samen met het uiterste zuiden of oosten van ons land, of de binnenduinrand in het westen.

De stinzenplanten bloeien vooral in de vroege lente. Ze overwinteren door hun ondergrondse delen: een knol (crocus, voorjaarshelmbloem), een bol (wilde hyacint, daslook), of een wortelstok (winterakoniet, gele anemoon). Dit soort planten hoort thuis in bossen, waar ’s zomers weinig licht is. Na de bloei sterven de bovengrondse delen af, zodra de bomen vol in blad staan.

Het milieu van stinzenplanten bestaat uit een bodem die kalkrijk en erg voedselrijk is. Daarnaast moet de grond los en luchtig zijn en in het voorjaar vochtrijk, maar niet te nat.

De gemengde loofbossen in het Beatrixpark voldoen, dankzij de kalkrijke en voedselrijke klei grotendeels aan de voorwaarden. Waar de grond niet los en luchtig is, zie je dat de planten zich minder goed ontwikkelen. Dat roeren van de grond gebeurt niet alleen door de BBB, maar ook door bodemdieren, zoals woelmuizen, mollen, regenwormen en mieren. Maar ook symbiose met bodemschimmels is van belang. Bijvoorbeeld de Boshyacint is afhankelijk van mycorrhiza voor de opname van fosfaat, zelfs als extra oplosbaar fosfaat wordt toegevoegd. Boshyacint kan daarom niet overleven in bodems waar geen mycorrhizanetwerk voorkomt.

Daarom is het niet zinvol om stinzenplanten in erg jonge bossen te planten. Het voordeel van oudere bossen is ook dat de ondergroei van brandnetels, riet, wilgenroosje en andere ruigpoten sterk afgenomen is, waardoor de concurrentie voor de stinzenplanten minder groot is.

Mieren zijn behalve voor de losse grond, ook van belang als verspreider van zaden. Heel veel stinzenplanten maken daar gebruik van, vaak door middel van het ‘mierenbroodje’. Dat is een voedselrijk aanhangsel van het zaad, een lekkernij voor mieren. Mieren verslepen bij voorkeur dergelijke zaden. Door het afbijten van het mierenbroodje wordt de kiembereidheid van de zaden vergroot.

Behalve onderstaande soorten, kunnen in het park ook andere stinzenplanten gevonden worden b.v.:

- akelei

- gele kornoelje

- Italiaanse aronskelk

- judaspenning

- longkruid

anemoon

daslook

donkere ooievaarsbek

gele anemoon (1)

gele anemoon (2)

gele dovenetel

gulden sleutelbloem

knikkend nagelkruid

lievevrouwebedstro

maarts viooltje (paars)

maarts viooltje (wit)

pinksterbloem (met vlinder oranjetip)

slanke sleutelbloem

voorjaarshelmbloem