Een ster is een soort zon. Een ster is superheet. Aan de kleur van een ster kun je zien hoe heet hij is. Gele sterren zijn ongeveer 6000 graden Celsius, rode sterren zijn ongeveer 3000 graden Celsius. Blauwe sterren zijn het heetst, deze sterren kunnen heter zijn dan 30.000 graden Celsius. Elke ster heeft een zwaartekrachtsveld rond om zich heen. Omdat elke ster een zwaartekrachtsveld heeft, trekt hij alles aan wat er op een bepaalde afstand omheen zit. Op grotere afstand gaan dingen, zoals planeten of meteorieten, in een baan om de ster heen draaien. Een ster geeft energie. Sterren geven een bepaalde energie uit (elektromagnetische straling). Hierdoor geeft een ster licht en is deze zichtbaar voor ons vanaf de aarde.
Sterren schijnen omdat ze heel veel energie maken. De energie die ze uitstralen, komt als licht naar ons toe. Dit licht is zo sterk dat we het van heel ver weg kunnen zien, zelfs als de ster miljoenen kilometers van ons verwijderd is!
De meeste sterren staan heel ver weg. De ster die het dichtst bij de aarde staat, is de zon. Die is “slechts” 150 miljoen kilometer van ons verwijderd. Maar de andere sterren zijn veel verder weg, soms wel duizenden of zelfs miljoenen lichtjaren!
Sterren zijn niet alleen, ze vormen groepen die sterrenstelsels worden genoemd. Ons sterrenstelsel heet de Melkweg, en daarin zitten miljarden sterren, waaronder de zon.
Sterren ontstaan uit grote wolken van gas en stof die samensmelten door zwaartekracht. Als die wolken warm genoeg worden, begint de ster te branden en komt er licht en warmte. Dit gebeurt allemaal in een sterrenkraamkamer, waar nieuwe sterren geboren worden!
Sterren leven lang, maar niet voor altijd. Ze worden oud en veranderen in andere vormen, zoals rode reuzen, en uiteindelijk kunnen ze in supernova’s exploderen.