Ruim 100 vrouwen liepen mee in de Vrouwenmars van 11-14 april 1945 van Westerbork naar Grijpskerk (Groningen), terwijl om hen heen de bevrijding in volle gang was. Sommigen hebben zelf verzetswerk verricht, anderen werden opgepakt vanwege verzetswerk van hun verloofde, man of ouders.
Hieronder de namen van deze vrouwen en waarmogelijk contacten in het nu, zoals kinderen, kleinkinderen of geinteresseerden.
De vrouwen zijn op volgorde van binnenkomst 'genummerd'. Dit nummer stond in rode letters op de rug van blauwe strafunivormen genaaid. (...) is het gevangennummer in Westerbork. Er is vlak na de oorllog in 1945 al een lijst opgesteld met de 116 namen, waarvan er 1 helemaal onbekend is en sommigen onvolldig of wellicht schuilnamen van 'foute' vrouwen. Deze lijst is in de loop der tijd aangevuld met nieuwe informatie.
ZOEKEN: zoek met de buttons CTRL+F op nummer, naam, woonplaats etc.
Oranje namen van familie-namen of adressen komen vaker voor op de lijst.
Details: Aantal vrouwen per provincie/woonplaats
Details: Details in Excel
Bindert:
Jongere zus Mevr. Drost-Edauw
Buys Ballotstraat 30
7316 LC Apeldoorn
---
Dochter van no 3.: Agatha Edauw-Van Biezen
---
OVCG:
https://www.online-begraafplaatsen.nl/graf/134076/209364/Cornela-Edauw-1921-1990
Naam: Cornelia Edauw
Geboren: 15 februari 1921 te Apeldoorn
Overleden: 30 oktober 1990 te Apeldoorn
Ouders: Herman Christiaan Edauw en Agatha van Biezen
Broers/zussen:
Huwelijk: Jan Johannes Schakel (12 mei 1917 te Utrecht - 4 maart 1968 te Apeldoorn)
Kinderen:
Oorlogsgegevens:
Vader:
Edauw, Herman Christiaan
Geboortedatum:
26 maart 1892 ('s-Gravenhage)
Overlijdensdatum:
8 maart 1945 (Woeste Hoeve, gemeente Apeldoorn)
Nationaliteit:
Nederlandse (1815-heden, Koninkrijk)
Biografie
Woonde in Apeldoorn, Brinklaan 62. Zoon van banketbakker Johannes Dirk Anton Edauw (14 september 1866 Gouda – 12 april 1953 Oldekerk) en Tjitske Hellinga (9 juli 1868 Hallum – 5 april 1959 Zwolle). Huwde op 22 april 1920 met Agatha van Biezen (14 januari 1892 Sassenheim - 1 mei 1971). Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren. Fabrikant/boekhouder. Gereformeerd. Lid verzet behorend tot de LO-Apeldoorn en omstreken. Hij was koerier en verzorgde joodse medeburgers en onderduikers met bonkaarten. Samen met zijn vrouw en zijn twee oudste dochters werd hij op 26 februari 1945 gearresteerd. Edauw is overgebracht naar de Willem-III kazerne in Apeldoorn. De vrouwen werden in het interneringskamp Westerbork opgesloten. Na een mars naar Grijpskerk kwamen zij vrij. Edauw is gefusilleerd als represaille voor de aanslag op Höherer SS- und Polizeiführer Hanns Albin Rauter in de buurtschap Woeste Hoeve. Postuum werd hem op 12 juli 1952 het Mobilisatie-Oorlogskruis toegekend. Zijn naam is gegraveerd op het oorlogsmonument bij Woeste Hoeve.
Begraven in een massagraf op Begraafplaats Heidehof Ugchelen (Apeldoorn). Op 30 april 1945 herbegraven op Heidehof, grafnummer 205.
Heeft u zelf meer informatie over deze persoon? Lever het aan!
Bronnen
Henk Berends, Woeste Hoeve 8 maart 1945, Uitgeverij Kok Voorhoeve, Kampen, 1995; Rogier van Aerde e.a., Het Grote Gebod. Gedenkboek van het verzet in LO en LKP, deel I en II, J.H. Kok NV, Kampen en H. Nelissen, Bilthoven, meerdere drukken; Oorlogsgravenstichting; Erelijst van Gevallenen 1940-1945; site wiewaswie.nl (waaronder overlijdensakte 724/1945 gemeente Apeldoorn); site genealogieonline.nl (Koek en enkele aanverwante families).
Nadine = achterkleindochter
Jesper = achterkleinzoon
Henk-Jan Klooster vader
--
Kleindochter: Carola Zum Vörde Sive Vörding - carola.zumvorde@gmail.com - 0620022280
Bestelde boekje op 11 dec 2025.
---
Dries werkte bij de PTT.
Ondergedoken boerderij Nijkerk.
---
Bedankbrieven piloten, Eisenhouwer, Wilhelmina.
----
Vrouw van Dries Klooster.
Johanna Geertruida (Jo) Klooster-Kohnhorst - gescheiden van Georg Hendrik Bakker 1-12-1927 en op 21-12-1928 opnieuw gehuwd met Dries Klooster. Groep Hein.
Vader Jannes was 15 jaar in de oorlog. Heeft ook vastgezeten. Vrijgekocht door sigarenhandelaar?
https://www.archieval.nl/detail.php?id=426675
26-05-1962
leder jaar inviteert de RAF Escaping Society leden van de illegaliteit, die geallieerde vliegeniers geholpen hebben met onderduiken en ontvluchten, voor een week vakantie in Engeland. In, 1960 was dit een internationale Rally, het vorig jaar was dit een groep uit Frankrijk. Dit jaar zal een groep Nederlanders van 30 mei tot 6 juni a.s. de gast zijn. Hun namen zijn voorgedragen door RAF en ex-RAF leden, die in Nederland waren ondergedoken. Onder de genodigden bevonden zich vijf Twentenaren.
Een uitnodiging ontvingen de heer en mevr. P .J. Jongens te Zutphen. de heer en mevr. G. Bloem te Hoenderloo. de heer en mevr. Wolterink te Enschede; mevr. F. Memelauer te Hengelo (O.); da heer en mevr. W. Poorterman te Nijverdal; de heer en mevr. A. Godden Boelaars te Venlo; mevr. A I. van Grinsven te Venlo; de heer en mevr. M. van der Kinderen te Rosmalen; de heer en mevr. J. Gevers te Berlicum. de heer en mevr. Volman te Rosmalen, de heer en mevr. .T. Ket te Den Dolder, mevr. D. Klooster te Barneveld, mevr. W. Mok-Daale te Rotterdam, de heer. F .A. van der Hoeven te Rotterdam, de heer P. Prins te Rotterdam, de heer Ch. P. J. v.d. Sluis te Rotterdam en de heer D. Berghout te Rotterdam.
Het gezelschap verblijft de eerste dagen in het Eccleston Hotel te Londen. Op het programma staat o.a. een gast-diner bij de Royal Air Force in Uxbridge; de tweede dag geeft de 38e luchtmachtgroep een vliegdemonstratie en andere demonstraties op de RAFbasis in Odiham, ’s middags zal een bezoek worden gebracht aan het Koninklijk kasteel te Windsor, waar ’s avonds in het Castle Hotel een diner wordt aangeboden. Vrijdags wordt o.a. een bezoek gebracht aan de RAF-kerk van St. Clement Dane en het stadhuis van Londen, met daaraan verbonden een ontvangst door de Lord Mayor van Londen. ’s Middags vertrekken de gasten naar verschillende bestemmingen in Engeland en Schotland. Woensdag 6 juni komt het gezelschap weer bijeen voor een afscheidslunch in de RAF-club in Londen, waarna de terugtocht per vliegtuig wordt aanvaard. Het gezelschap vertrekt woensdagmorgen om half tien vanaf Schiphol per vliegtuig.
https://oorlogsgravenstichting.nl/personen/79442/dries-klooster#gallery-contribution-994459
Albert van Meerveld alias "Ab Prins" is gearresteerd op 21 november 1944 (dag oppakken oma en anderen) bij zijn vriend Dries Klooster. Dries is omgekomen op 17-4-1945 door een beschieting. Ouders Jannes Klooster.
https://www.oorlogsbronnen.nl/tijdlijn/Albert-van-Meerveld/02/101061
Op 8 december 1944 is Albert van Meerveld gearresteerd in Barneveld/ten huize van Klooster.
Albert van Meerveld heeft gevangen gezeten in Kamp Amersfoort
Tussen 15 december 1944 en 2 februari 1945 zat Albert van Meerveld gevangen in Kamp Amersfoort.
Albert van Meerveld is getransporteerd naar Neuengamme/Wobbelin.
Op 4 februari 1945 is Albert van Meerveld getransporteerd vanuit Amersfoort naar Neuengamme.
Zelfde transport: Albert van t Riet (Albert van 't Riet is gearresteerd in Veenendaal/Hoofdstraat)
Op 21 november 1944 is Albert van 't Riet gearresteerd in Veenendaal/Hoofdstraat.)
Tussen 28 november 1944 en 2 februari 1945 zat Albert [Ab] van 't Riet gevangen in Kamp Amersfoort. Op 4 februari 1945 is Albert van 't Riet getransporteerd vanuit Amersfoort naar Neuengamme. Op de Duitse Overlijdensakte wordt gesteld dat Albert van 't Riet op 12 maart 1945 is omgekomen in Wöbbelin. Veenendaal wordt genoemd als verblijfplaats. De gegevens op de Duitse Overlijdensakten zijn niet altijd correct qua inhoud en/of notatie. Hij is dan 31 jaar oud.
https://oorlogsgravenstichting.nl/personen/101061/albert-van-meerveld
Albert van Meerveld werd op 1 oktober 1909 in Nijkerk geboren als zoon van Teunis van Meerveld en Antje Jonker. Hij trouwde op 11 maart 1943 in Barneveld met Hendrika van 't Hof, geboren op 3 december 1918 te Barneveld. Uit dit huwelijk werd op 30 oktober van dat jaar een zoon geboren: Teunis Hendrikus. Van Meerveld verrichtte zijn verzetswerk op het grondgebied van de gemeenten Nijkerk en Barneveld, met name in de omgeving van Zwartebroek en Terschuur. Hij vervulde een belangrijke rol bij de verzorging van onderduikers en het verlenen van hulp aan geallieerde piloten. Hij werkte onder de schuilnaam “Ab Prins” en stond ook wel bekend als "de man met de leren jas". Hij vormde met enige andere verzetstrijders, waaronder de Nijkerker Hein Sietsma en de Barnevelder Dries Klooster, de groep “Hein”. Deze groep, min of meer voortgekomen uit het kerkelijk jongerenwerk, is nooit bij een landelijke verzetsorganisatie aangesloten geweest maar opereerde op zichzelf. Als contactadres fungeerde de NV J.L. Robertus Zaadhandel in de Kampstraat in Barneveld waar Van Meerveld bedrijfsleider was. Daar lagen ook de wapens van de groep opgeslagen. In het aangrenzende pand van bedrijfsleider Nieuwstad lagen de bonnen in een grote kist midden tussen het gereedschap: "We wilden de spullen zoveel mogelijk verspreid hebben liggen. Dit om te voorkomen dat alles in één keer in handen van de Duitsers zou vallen". Over dat kantoortje schreef een zekere "Piet" in het blad "de Zwerver' van 2 februari 1946: "Daar werden de middelen besproken ter herberging van talloze onderduikers, verzorging van piloten, vervalsing van bescheiden en het organiseren van kraakjes. Steeds was het zijn opgewekte stem, met het Veluwse accent, dat de anderen stimuleerde".Van Meerveld onderhield contacten met de op de Veluwe opererende verzetsgroepen zoals die in Barneveld en Terschuur. De eerste oorlogsjaren waren het vooral personen die niet voor de Arbeidsdienst in Duitsland wilden werken en die aan onderduikadressen geholpen moesten worden. Later hielp Van Meerveld mee aan de voorbereiding en uitvoering van overvallen op distributiekantoren en op personen die bonkaarten transporteerden. In september 1944 zou Van Meerveld hebben voorkomen dat de Duitsers paarden hebben kunnen vorderen. Toen de Duitsers op het bureau aankwamen waar de administratie van de paarden werd bijgehouden bleek deze te zijn verdwenen. Ab en een paar verzetsvrienden hadden het bureau – waarschijnlijk dat in Nijkerk – gekraakt en de administratie meegenomen. In september 1944 nam Van Meerveld mede het initiatief tot de uitgave van ondergrondse blad ”Voor Vrijheid, Waarheid en Recht”. Albert van Meerveld werd op 8 december 1944 ten huize van zijn verzetsvriend Dries Klooster aan de Amersfoortsestraat in Barneveld gearresteerd en overgebracht naar de Willem III-kazerne in Apeldoorn. Daar is hij afschuwelijk gemarteld en een week later op transport gesteld naar het kamp Amersfoort. Op 2 februari 1945 werd hij overgebracht naar Wöbbelin, een afdeling van het concentratiekamp Neuengamme, waar hij op 14 maart 1945, als gevolg van dysenterie zou zijn overleden. Na de oorlog werden aan de heer Van Meerveld postuum diverse onderscheidingen verleend. Op verzoek van de vereniging “Plaatselijk Belang” en van particulieren werd in Zwartebroek een straat naar hem vernoemd.
Moeder van Corrie Schakel-Edauw (1)
Moeten 2 (ousdte) dochters zijn: Corrie + Tjitske?
Jongste is mevrouw Willy Drost-Edauw (heeft contact geahd met Bindert). Middelste is Tjitske.
---
Biografie vader Edauw, Herman Christiaan
Woonde in Apeldoorn, Brinklaan 62. Zoon van banketbakker Johannes Dirk Anton Edauw (14 september 1866 Gouda – 12 april 1953 Oldekerk) en Tjitske Hellinga (9 juli 1868 Hallum – 5 april 1959 Zwolle). Huwde op 22 april 1920 met Agatha van Biezen (14 januari 1892 Sassenheim - 1 mei 1971).
Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren.
Fabrikant/boekhouder. Gereformeerd. Lid verzet behorend tot de LO-Apeldoorn en omstreken. Hij was koerier en verzorgde joodse medeburgers en onderduikers met bonkaarten. Samen met zijn vrouw en zijn twee oudste dochters werd hij op 26 februari 1945 gearresteerd. Edauw is overgebracht naar de Willem-III kazerne in Apeldoorn.
De vrouwen werden in het interneringskamp Westerbork opgesloten. Na een mars naar Grijpskerk kwamen zij vrij. Edauw is gefusilleerd als represaille voor de aanslag op Höherer SS- und Polizeiführer Hanns Albin Rauter in de buurtschap Woeste Hoeve. Postuum werd hem op 12 juli 1952 het Mobilisatie-Oorlogskruis toegekend. Zijn naam is gegraveerd op het oorlogsmonument bij Woeste Hoeve.
Man: Herman Christiaan Edauw
Herman werd geboren op 26 maart 1892 in Den Haag.
Hij was boekhouder van beroep en woonde in Apeldoorn. Door het verspreiden van bonkaarten hielp hij mee aan het verzorgen van joodse en andere onderduikers. Daarnaast was hij ook koerier voor het verzet.
Op 25 februari 1945 werd hij samen met zijn vrouw en twee oudste dochters thuis gearresteerd.
Ze werden opgesloten in de Koning Willem III-kazerne in Apeldoorn. Mevrouw Edauw en haar dochters werden later naar kamp Westerbork overgebracht en zijn daar bevrijd.
Op de dag van de executie was Herman 52 jaar oud, hij was gehuwd en had 3 kinderen.
Overlijdensdatum: 8 maart 1945 (Woeste Hoeve, gemeente Apeldoorn)
https://www.monumentwoestehoeve.nl/023EdauwH.html
Naam: Agatha van Biezen
Geboren: 14 januari 1892 in Sassenheim
Overleden: 1 mei 1971
Ouders: Willem van Biezen en Cornelia Westerbeek
Huwelijk: Herman Christiaan Edauw (26 maart 1892 in ’s Gravenhage - 8 maart 1945 Woeste Hoeve) op 22 april 1920 te Sassenheim
Kinderen: 3 kinderen
Cornelia (Corrie) Schakel-Edauw geboren: 15 februari 1921 te Apeldoorn - Vrouwenmars
Tjitske Edauw - (22 oktober 1923 - 9 februari 1951) - 27 jaar, omgekomen in Leysin Zwitserland dioor een ongeval
Willy Drost-Edauw (1931-2015) - Zus later contact Bindert,- adres 1995 : Buys Ballotstraat 30 - 7316 LC Apeldoorn. Getrouwd met Co Drost.
Dochter van Willy = Tjitske: https://mensenlinq.nl/overlijdensberichten/willy-drost-edauw-6192799/
Oorlogsgegevens:
Herman Christiaan Edauw was boekhouder. Actief bij LO Apeldoorn. Gefusilleerd te Woeste Hoeve als represaille voor de aanslag op Hans Albin Rauter
Zij is getrouwd met Herman Christiaan Edauw.
Zij zijn getrouwd op 22 april 1920 te Sassenheim, zij was toen 28 jaar oud.
Getuigen: Nicolaas Visser, 71 jaar, wonende te 's Gravenhage, oom van de bruidegom, Cornelis Arnold Johan Hellema, 26 jaar, bakker, wonende te Zaandam, neef van de bruidegom, Cornelis Westerbeek, 66 jaar, oom van de bruid en Pieter Westerbeek, 57 jaar , bloemist, wonende te Sassenheim oom van de bruid
.
Op dit adres woonde in de oorlog familie/alleenstaande ouder? "Bakker" die meerdere malen om een hulp vroeg voor kleine kinderen. Larter ook woningsruil en verkopen van spullen.
---
In 1955 woonden er Willem Philip Peletier en C.W. Dresselhuys
In 1958: mevrouw S.A. Keyser-Pet
---
https://www.probos.nl/images/pdf/rapporten/SAGA_08_Verborgen_verleden_digitale_versie.pdf
Exodus monument Beekbergen Aan de rand van het onderzoeksgebied ligt het Exodusmonument. Het monument is op 25 september 2014 bij de kruising van de Arnhemseweg en de Engelanderweg in Beekbergen onthuld door drs. C.J.G.M. Berends, burgemeester van Apeldoorn en de heer F. Reinders, voorzitter van de Stichting evacuatie 1944 -1945. Het ligt tegenover Hotel Restaurant ‘De Smittenberg’ en werd gemaakt naar een ontwerp van Ingrid Hamster Harris. Het monument is 3.70 m hoog en uitgevoerd in cortenstaal, de letters zijn uitgesneden en daarachter is een roestvast stalen plaat aangebracht. Naast het monument staat een informatiepaneel dat in het Nederlands, Engels en Duits het verhaal achter het monument weergeeft. De OBS Beekbergen heeft het monument geadopteerd. Het verhaal achter het monument begint met Operation Market Garden. Die begint in de regio Arnhem op zondag 17 september 1944 met zware bombardementen op het centrum van de stad. Als na de luchtlandingen ten westen van Arnhem de parachutisten oprukken naar de Rijnbrug, verandert de stad in een oorlogsgebied. De bewoners in de buurt van de Rijn kunnen geen kant op. Ze schuilen in kelders, terwijl de gevechten zich in hun straat afspelen. In gevechtspauzes probeert de brandweer brandende huizen te blussen, maar het is een hopeloze strijd. Centraal gezag ontbreekt, enkele mensen van het Rode Kruis nemen de leiding en proberen de hulpverlening te organiseren; ze worden daarbij gehinderd door gebrek aan informatie en communicatiemiddelen. De situatie is volstrekt onoverzichtelijk, ook voor de strijdende partijen. Op maandag begint de uittocht van burgers uit de meest getroffen stadsdelen; velen proberen onderdak te vinden in de betrekkelijk veilige noordelijke wijken of in omringende plaatsen. Op dinsdag neemt het aantal vluchtelingen verder toe. De Engelse soldaten bij de brug blijven een geïsoleerde groep en op donderdag 21 september is de slag verloren. Andere parachutisten die nog onderweg waren naar de brug, worden door de Duitsers teruggedreven naar Oosterbeek. Op zaterdag geven de Duitsers het bevel dat heel Arnhem moet evacueren voor maandagavond 25 september. De vluchtelingenstroom, die al op gang was gekomen uit de zwaarst getroffen wijken, groeit aan tot enorme proporties. In een paar dagen tijd gaan 95.000 mensen uit Arnhem en omgeving onderweg, bepakt en bezakt, te voet, met gammele fietsen en karretjes, volgeladen kinderwagens. Ze lopen bijvoorbeeld naar Velp, maar vooral naar Apeldoorn en omgeving. Over de Apeldoornseweg rijden ook Duitse legervoertuigen. Veel vluchtelingen zijn voorzien van witte doeken om de geallieerde vliegtuigen duidelijk te maken dat zij burgers zijn. Toch zijn er dramatische vergissingen: bij een geallieerde luchtaanval op 26 september in Beekbergen worden tientallen burgers dodelijk getroffen. Ongeveer 50.000 vluchtelingen vinden een onderkomen in Apeldoorn en omliggende dorpen. Velen worden ondergebracht bij particulieren, anderen vinden een woonplek in kippenhokken en schuren. Bijna iedereen denkt dat de evacuatie hooguit een paar weken gaat duren. Maar pas na acht maanden mogen de vluchtelingen naar huis. Tot die tijd is de stad verboden gebied. Een aantal evacués trekt door naar de Noord-Veluwe of nog verder naar het noorden, tot in Friesland. Een grote groep blijft in Apeldoorn en de dorpen. Ongeveer 2000 ‘Arnhemmers’ worden in die acht maanden in Apeldoorn geboren en honderden ouderen en zieken sterven er. Tijdens de gevechten in Arnhem vallen 188 burgerslachtoffers en na de oorlog komen de evacués terug in een bijna volledig verwoeste stad: Door oorlogsgeweld en plundering zijn er van de 25.000 huizen nog geen 200 onbeschadigd. Het aantal gesneuvelde militairen is enorm: ongeveer 1500 Engelsen, 100 Polen en 1500 Duitsers. Het Exodusmonument in Beekbergen herdenkt de evacués, maar ook diegenen die de vluchtelingen opvingen en onderdak verschaften in een heel moeilijke periode van de oorlog. Het monument ‘De Boom’ verwijst naar de tienduizenden mensen die volledig onwetend waren waarheen ze zouden worden geleid. De stalen boom verwijst naar de hardheid van de oorlog, de vertakkingen symboliseren de diverse evacuatie-oorden in de gemeente Apeldoorn. Afbeelding 13.3 Exodus monument.
Bindert:
Joodse
Ander adres: Waterlooscheweg 2 - Ede
Later teruggegaan naar Israel
--
Contact (geen familie): Ruurt Hut ruurt.hut@msn.com
Ander veelweter: Ed van Seters
---
Naam: Rachel (Didi) Hertz Roos
Geboren: 13 april 1921 te Rotterdam
Overleden: 16 november 1989 te Herzliva.
Ouders:
Broers/zussen:
Huwelijk: Marcel Ernest Hertz ( later Moshe Harel ) (13 oktober 1920 Sittard - 5 april 2001 Kefar Sava, Israel) op 9 mei 1945 te Ede.
Kinderen:
Oorlogsgegevens:
De joodse Rachel Roos werd op 13-4-1923 in Rotterdam geboren. Zij gaf zich uit als niet-joods. Zij was onder meer koerierster voor Derk (Bill) Wildeboer, leider van het verzet in Ede. Op 18-11-1944 werd de 21-jarige Rachel opgepakt op de boerderij van Thomassen in Ede. Ze werd naar Lunteren werd gebracht en via de SD Apeldoorn (18-11-1944?) belandde ze in De Kruisberg in Doetinchem. Vervolgens werd ze op 27 maart 1945 overgebracht naar Kamp Westerbork. Zij was een van de 116 vrouwen van de vrouwenmars van 11 tm 14 april 1945.
Rachel Herz-Roos overleed op 16-11-1989 in Herzliyya in Israel.
Lees meer: Van de Kruisberg naar Westerbork
---
Ruurt Hut mailde ons.
Marcel Herz en Didi Roos gingen toch praten hun laatste levens.
Marcel heeft een trilogie geschreven voor zijn kinderen. Zijn er maar een paar exemplaren van. Kinderen hebben er een e-book van gemaakt.
---
Koerierster voor Derk Wildeboer, leider van verzet in Ede.
Op 17 november 1944 gearresteerd, terwijl ze boerderij van Evert Thomassen bezocht. Adres was verraden na arrestatie Berend Dijkman, districtleider van Binnenlandse Strijdkrachten van Westelijk Veluwegebied.
Tijdens een vluchtpoging in haar been geschoten.
Naar hoofdkwartier van SD in Apeldoorn gebracht. Gemarteld en verhoord.
In maart 1945 samen met andere gevangenen van Apeldoorn overgebracht naar Westerbork.
Tijdens het vrouwen transport ontsnapte ze de tweede nacht en vond onderdak bij een boer.
Emigreerde in 1950 naar Israel.
----
Rachel (Didi) Hertz-Roos (Rotterdam, 13 april 1923 – Herzliya, 16 november 1989) was een Nederlandse verzetsstrijdster. Zij dook aanvankelijk onder vanwege haar Joodse afkomst en werd daarna actief als koerierster.
Roos werd geboren in Joods gezin in Rotterdam. Haar vader overleed toen ze vier was, drie jaar later hertrouwde haar moeder. Haar ouders vonden dat hun kinderen na de basisschool financieel moesten bijdragen aan het gezinsleven en moesten gaan werken. Roos wilde echter doorstuderen en kreeg haar zin. Zij volgde een opleiding tot kinderjuffrouw.
In augustus 1941 – ruim een jaar na de Duitse inval in Nederland - verloofde Roos zich met de, eveneens Joodse, architect Marcel Hertz. In juli 1942 ontving diens familie een oproep voor transport naar het oosten. Op aandrang van Martha Nagtegaal, een vroegere werkneemster van de familie-Hertz, dook de hele familie inclusief Roos en haar moeder onder. Zij vonden onderdak bij verschillende familieleden van Nagtegaal. Hertz kwam terecht in Bennekom
Roos – die zich uitgaf als niet-Joodse - raakte betrokken bij het verzet als koerierster voor Derk Wildeboer, de leider van het verzet in Ede. In mei 1943 sloot deze groep zich aan bij drie andere groepen die in die buurt actief waren in Bennekom, Lunteren en Ederveen. Het was Roos' verantwoordelijkheid het contact te onderhouden tussen de commandanten van de ondergrondse en de activisten, die voornamelijk plaatsen voor Joodse onderduikers zochten en voor diegenen die geen verklaring van solidariteit met de Duitsers wilden afleggen. In augustus 1944, toen de verzetsgroepen zich verenigden in de Binnenlandse Strijdkrachten, kreeg Rachel meer werk te doen en nam ze ook deel aan andere niet-gewelddadige activiteiten, met de bedoeling de officiële instructies van de Duitsers te dwarsbomen door ze te verdraaien.
Na de Slag om Arnhem in september 1944 bleven veel geallieerde soldaten steken achter de Duitse linies, gedeeltelijk gewond en zonder uitrusting en voedsel. De verzetsgroepen hielpen mee om deze soldaten te verbergen en te verzorgen, en ze zelfs de Rijn over te zetten om zich weer bij hun troepen te voegen. Ook Roos nam deel aan deze activiteiten naast haar andere taken, die voornamelijk bestonden uit het koken en verzorgen van gewonden, en nu werkte ze ook mee als koerierster voor het overzetten van de soldaten over de Rijn om zich weer bij hun troepen te voegen.
Op 17 november 1944 werd Roos door de Duitsers opgepakt terwijl ze de boerderij van Evert Thomassen bezocht. De Duitsers waren achter dit adres gekomen na de arrestatie van Berend Dijkman, districtsleider van de Binnenlandse Strijdkrachten van het westelijke Veluwegebied. De Duitsers troffen ook Dijkmans archief aan. Tijdens de verhoren sloeg hij volledig door en gaf zijn ondervragers alle informatie die waar ze naar vroegen.[1]
Tijdens Roos' arrestatie lukte het haar de brieven van de commandant van de ondergrondse verzetsgroep die ze bij zich had te vernietigen. Ook slaagde ze er in de Sicherheitsdienst (SD) ervan te overtuigen dat ze iemand zou ontmoeten op een openbare plaats in Lunteren. Haar vluchtpoging mislukte. Ze werd in haar been geschoten en naar het regionale hoofdkwartier van de SD in Apeldoorn getransporteerd. Ondanks dat ze gemarteld werd liet Roos geen informatie los. Zij werd onder andere verhoord door de SD-ers Theodoor Verhulsdonck, Eugeen Dirckx en Emiel Thonon.[1] Haar vluchtpoging was wel waargenomen door een lid van het verzet, waardoor de leiding van het Edese verzet snel op de hoogte was van Roos' arrestatie. Dat leidde tot grote zorgen, omdat zij op de hoogte was van de plannen voor Operatie Pegasus II.[1] Ironisch genoeg was Wildeboer er van overtuigd dat Dijkman kon zwijgen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld "dat jonge meisje Didi"[2]
In Apeldoorn werd Roos gedwongen om de executie van tien verzetsleden, waaronder Tonny Amsens te aanschouwen.[3] Omdat haar joodse wortels niet bekend waren en ook omdat haar betrokkenheid bij het verzet niet bewezen kon worden, werd ze niet ter dood veroordeeld. Na drie maanden in gevangenschap en met het oprukken van de geallieerden in Nederland, werd ze in maart 1945 samen met andere gevangenen van Apeldoorn overgebracht naar Kamp Westerbork in Drenthe. Begin april, toen de kanonnen van de geallieerden al te horen waren, begonnen de Duitsers hun terugkeer naar het thuisland voor te bereiden en moesten de jonge vrouwen te voet een lange weg afleggen. Tijdens de tweede nacht slaagde ze erin te vluchten en vond onderdak bij een boer. De volgende dag hoorde ze dat ze zich in inmiddels bevrijd gebied bevond. Ze keerde terug richting Ede, waar ze op 9 mei 1945 in het gemeentehuis van Ede met Marcel Hertz trouwde.
Samen met haar man en inmiddels twee kinderen emigreerde Roos in 1950 naar de nieuw gevormde staat Israël waar ze in Holon kwamen te wonen. In 1954 kreeg het paar een derde zoon. Roos overleed in 1989 toen ze terugkwam van een bezoek uit Nederland, waar de familie-Nagtegaal de Yad Vashem-onderscheiding Rechtvaardige onder de Volkeren ontving.
https://nl.wikipedia.org/wiki/Didi_Roos
https://www.joodsmonument.nl/nl/page/405962/rachel-harel-hertz-roos-verzetsstijdster
https://erfgoedfestival.nl/verhalen/gelderlanders-over-grenzen/verzetsstrijdster-in-bennekom-en-ede/
Marcel Hertz, waarnaar in de toespraak verwezen wordt, heeft zijn ervaringen in detail beschreven in Metamorfose, als e-book te verkrijgen bij de Vereniging Oud Ede.
Dit verhaal is verzameld in het kader van de tentoonstelling 'Gelderlanders over Grenzen' van het Erfgoedfestival 'Over grenzen van Gelderland', 23 mei t/m 22 juli 2018.
https://mijngelderland.nl/inhoud/verhalen/verzetsstrijdster-in-bennekom-en-ede
Aartjen Simon
AARTJEN SIMON (2 oktober 1924 - 1952)
https://verhaalvanputten.nl/aartjen-simon
VERMOEDEN DAT ONBEKENDE DAGBOEK VAN HAAR IS - ze lijkt thuis te komen in de bioscoop
Vader: Christiaan Johan (Chris) Simon - metselaar (geboren op 7 september 1879).
Getrouwd 24 juni 1903 met
Moeder: Aartjen Luttikhuizen (geboren - 15 december 1966 te Putten)
Ze hadden een bioscoop in Putten - opgegeven door NSB ér.
Aartjen was negende van rij aan broers/zussen:
Hendrik Simon, geboren op 3 januari 1904 te Puttente Putten, 39 jaar oud, stucadoor van beroep, getrouwd 19 feb 1943 Hendrina Johanna Beekhuizen
Jan Simon, geboren op 5 juli 1905 te Putten , getrouwd 11 juni 1936 met Johanna van Lith, geboren te Opmeer, 26 jaar oud, kapster van beroep
Gerard Simon, geboren op 17 oktober 1907, 21 jaar oud, metselaar van beroep, getrouwd met Francina Brunekreeft, geboren te Barneveld
Evert Simon, geboren op 28 april 1910 te Putten, getrouwd op 8 nov 1940 met Beerdje van Heuvelen, geboren te Putten, 26 jaar oud
Jacob Simon, geboren op 1 januari 1912 te Putten, getrouwd met Elizabeth Catharina de Vries op 2 okt 1942
Klaas Simon, geboren te Putten, geboren op 22 november 1914, 30 jaar oud, electricien van beroep | partner Maria Juliana Tichelaar | Klaas is overleden op 28 februari 1945 te Soest, Duitsland/ / Op 14 december 1944 is Klaas Simon gearresteerd in Postweg Putten / Tussen 19 december 1944 en 2 februari 1945 zat Klaas Simon gevangen in Kamp Amersfoort. / Tussen 2 februari 1945 en 4 februari 1945 is Klaas Simon getransporteerd van Amersfoort naar Neuengamme. > Kamp 11e SS-EBB om Duitse Soest
Trijntje Simon, geboren op 16 oktober 1917 te Putten
Willem Simon, geboren op 10 mei 1920 te Putten | Overlijden op 6 maart 1945 te Neuengamme/Wobelin | bakker van beroep.
AARTJEN SIMON (2 oktober 1924 - 1952 verdronken)
Vier leden van EEN [CHECK] familie Simon, allen werkzaam als slager, werden tijdens deze razzia opgepakt en afgevoerd naar Kamp Amersfoort en vervolgens naar concentratiekamp Neuengamme:
Oorlogsbronnen +1
Marinus Simon (30-03-1897): Overleed op 3 februari 1945 in Neuengamme.
Gerard Simon (05-09-1898): Ook hij was een van de weggevoerde mannen uit Putten.
Gerrit Simon (30-07-1916): Overleed op 28-jarige leeftijd op 14 december 1944 in Buitencommando Ladelund, een onderdeel van Neuengamme.
Gerrit Simon (15-11-1897): Hij is een van de weinige Simons die de oorlog heeft overleefd en overleed pas in 1972.
Oorlogsbronnen +4
https://verhaalvanputten.nl/aartjen-simon
Aartjen (“Aartje”) Simon werd geboren aan de Postweg. Na haar lagere school ging ze werken op het christelijke vakantieoord “De instuif” in Veenhuizerveld. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd dit een plek waar verzetsmensen ongezien bij elkaar konden komen. Ook Aartjen werd actief binnen het verzet. Als koerierster speelde ze een belangrijke rol bij het verspreiden van berichten tussen de verschillende verzetsgroepen op de Veluwe. Aartjen overleefde de oorlog, maar stierf desondanks jong: ze verdronk op 27-jarige leeftijd in de Noordzee tijdens een uitstapje naar Texel.
In het gezin van Christiaan Johan (Chris) Simon, die gehuwd was met Aartjen Luttikhuizen, werd op 2 oktober 1924 Aartjen geboren. Haar wieg stond aan de Postweg 10 en ze was het negende en jongste kind in het gezin Simon. Zij kreeg de naam van haar moeder. Haar vader was de eigenaar van een zaal aan het begin van de Postweg, waar nu de Jumbo staat. In die zaal werden veel feesten en partijen gegeven en er werd gedanst en er werden zelfs films vertoond. Voor velen in Putten waren deze activiteiten in die tijd een doorn in het oog. Kort na de oorlog heeft de Hervormde Gemeente het complex gekocht en werd het een kerkelijk centrum met de naam ‘Rehoboth’.
Vader Simon moest niets hebben van de Duitsers en nog minder van de NSB’ers, die in zijn ogen echte landverraders waren. Met name kreeg hij grote problemen met Piet Goedvree, een van de leiders van de NSB in Putten. Goedvree loerde op verzetsmensen en ondergedoken Joden in onze gemeente. Toen de April/Mei-staking in 1943 uitbrak als protest tegen de tewerkstelling van Nederlanders in Duitsland, trad de Duitse bezetter keihard op. Er werd met scherp geschoten op stakende arbeiders en er werden gijzelaars gevangengenomen, om eventueel als strafmaatregel geëxecuteerd te worden. Ook in Putten moest er van de Duitse bezetter een lijst van 10 inwoners uit Putten opgesteld worden, die als gijzelaar gearresteerd zouden worden. Piet Goedvree belastte zich maar al te graag met deze taak en op de lijst stond als eerste genoteerd Chris Simon. Ook de kunstschilder J. Bezaan en de latere auteur Tj. Wouters van het gedenkboek ‘Opdat het nageslacht het wete’, stonden op de bewuste lijst. Ze werden op 2 mei 1943 gearresteerd en zaten tot 12 juni 1943 vast in Vught.
Aartjen ging na de lagereschooltijd werken. Ze kwam terecht op “De Instuif’, een christelijk vakantieoord aan de Bato’s-weg in Veenhuizerveld. De beheerder Evert de Jong nam haar in dienst en liet haar in de keuken werken en de vakantiehuisjes schoonmaken. Later betrok hij haar al gauw bij het verzetswerk. ‘De Instuif’ werd een plaats waar verzetsmensen ongemerkt bijeen konden komen en plannen konden maken voor aanslagen op de spoorlijn Amersfoort – Zwolle en op Duitse soldaten. De gewestelijk commandant Berend Dijkman belegde op ‘De Instuif’ op 23 september 1944, bijna een week na het begin van de Slag om Arnhem, een grote vergadering van het verzet, de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (NBS). Meer dan honderd mannen kwamen daar bijeen en ze hadden het doldrieste plan om de Duitsers in de rug aan te vallen. Doordat een wapendropping niet doorging, werd deze ‘aanval’ afgeblazen. Maar goed ook, want de Slag om Arnhem draaide uit op een groot fiasco voor de geallieerden. Het werd de enige nederlaag voor hen in de Tweede Wereldoorlog. De jonge Aartjen Simon werd gevraagd als koerierster dienst te doen. Haar taak was om in opdracht van Berend Dijkman (Piet van de Veluwe) uit Ermelo berichten over te brengen naar ‘De Instuif’, waar Evert de Jong de leiding had. Op de fiets bezocht ze ook Nol Burger in Garderen, die een verzetsgroep leidde.
Na 23 september 1944 werd het hoofdkwartier van het verzet verplaatst naar de Enny’s Hoeve aan de Hunnenweg. In de bossen, op de grens met de gemeente Barneveld, op het terrein van de familie Pouw, stond een eenzame boerderij, de uitvalbasis van een groep verzetsmannen onder leiding van Albert Witvoet. Het was Aartjen Simon die met een bericht van Berend Dijkman eind september arriveerde op de Enny’s Hoeve. De verzetsgroep kreeg de order om Duitse ordonnansen, koeriers en stafauto’s te overvallen, om achter de plannen van de Duitse legerleiding te komen en die vervolgens door te spelen naar de Geallieerden en ook om verwarring te stichten achter de Duitse linies. Op de Enny’s Hoeve werden de plannen beraamd voor de aanslag op een auto van de Wehrmacht. Helaas mislukte deze slecht voorbereide aanslag met alle noodlottige gevolgen van dien voor Putten. Daar werd in het holst in de nacht van 1 oktober 1944 de zwaargewonde Frans Slotboom binnen gebracht. Hij was bij de aanslag door een kogel, hoogstwaarschijnlijk van een van de verzetsmensen, getroffen en overleed er ter plekke. Het was Aartjen Simon die Frans Slotboom op het laatst bijstond en toen hij overleden was, moest afleggen. In een interview met een medewerker van het NIOD verklaarde ze: ‘Het was een kogel van Witvoet die Frans door zijn bastje kreeg’.
Na de arrestatie van Dijkman op 14 november 1944 in Ermelo bij bakker Drost, overvielen een maand later op 13 december 1944 fanatieke Belgische SD’ers op Drie de bunker van het verzet, vlak bij het huis van de familie Born.
Abraham Born was voorwerker bij Staatsbosbeheer en woonde met zijn gezin in een dienstwoning op Drie. Daar, vlak bij de woning, hadden twee verzetsmannen, Hermann Leus, de marconist, en Corneille du Corbier, de hulpmarconist, een zender geïnstalleerd in de bunker, een ondergrondse hut. Ze maakten gebruik van de houten brandtoren, die normaal als uitkijk werd gebruikt bij het signaleren van bosbranden, maar door de verzetsmensen werd benut om daar de antenne van de zender te plaatsen. Na het middageten gingen de twee marconisten en zoon Jannes Born naar de bunker om de accu op te laden. Ze liepen in de val die door de SD was opgezet. Drie wrede Belgische SD’ers speelden een hoofdrol in dit drama op Drie. Ze hadden Berend Dijkman, de commandant van het verzet, zover gekregen dat hij na zijn arrestatie een Judasrol ging vervullen. Hij wilde de verzetsmensen in handen spelen van de Duitsers, om zo zijn eigen leven te redden. Zo leidde hij de SD’ers naar de zender op Drie. Jannes Born werd op de vlucht neergeschoten, maar leefde nog wel een paar uur. Ook Corneille de Corbier, schuilnaam Sjaak, werd neergeschoten en Herman Leus gaf zich over. In het huis van de familie Born hoorde men schoten en direct ging zoon Willy Born op de fiets naar de bunker en ook hij werd gevangen genomen. Hij werd vastgebonden aan een boom waar hij moest toezien hoe zijn broer Jannes stierf. Jannes liet men dood achter, liggend op de bosweg, waar hij van woensdag tot zondag gelegen heeft als afschrikwekkend voorbeeld wat je zou kunnen overkomen als je je bij het verzet aansloot. Nog diezelfde dag werden bij het huis van de familie Born de volgende mensen gearresteerd en in eerste instantie in de kelder opgesloten: vader en moeder Born, hun zoons Hans, Bram, Willy en Evert.
Ook Aartjen Simon, die een koeriersopdracht uitvoerde, bakker J. Dooijenwaard uit Ermelo, mevrouw R. Mulder en Bram Eikenhorst uit Ermelo werden gevangengenomen en gedeporteerd naar de Willem III-kazerne, het hoofdkwartier van de SD in Apeldoorn. Het huis van de familie Born werd vervolgens in de as gelegd. Van de familie Born kwamen naast de doodgeschoten Jannes ook nog zijn vader en zijn broer Evert om in Duitse concentratiekampen, net als bakker Dooijenwaard en Eikenhorst. Hulpmarconist Corneille du Corbier overleed in Apeldoorn en zijn vriend Herman Leus werd uit wraak met 116 andere mannen terechtgesteld op 8 maart 1945 bij de woeste Hoeve na de mislukte aanslag van het verzet op Hanns Albin Rauter, de hoogste SS’er in Nederland.
De volgende dag, 14 december, deed een van de SD’ers Tonny Tonseul zich voor als verzetsman en meldde zich bij het huis van de familie Simon aan de Postweg in Putten. Ook dit adres had Dijkman hen doorgespeeld. Tonseul vroeg of men de verzetsman Piet Oosterbroek wilde waarschuwen, want die moest hij dringend spreken. Bij de familie Simon aangekomen werd hij direct aangehouden. Oosterbroek probeerde nog te ontsnappen, maar werd van dichtbij in zijn rug geschoten. Zijn leven lang is hij als gevolg daarvan invalide gebleven. Later die dag werd er ook een inval gedaan bij de familie Tijssen aan de Garderenseweg. Ook die arrestanten werden afgevoerd naar Apeldoorn. Daar werden de koeriersters op een zeer wrede wijze verhoord door de SD’ers Verhulsdonk en Tonseul. Ook Aartjen Simon onderging die misdadige mishandelingen, om zo van hen de namen van verzetsmensen los te krijgen. Na enige tijd werden ze afgevoerd naar kamp Westerbork.
Check: Berend Dijkman stond erbij te roken?
Op de dag dat kampcommandant A. Gemmeker op de vlucht sloeg voor de naderende geallieerde bevrijders, 11 april 1945, vertrok er een groep van 116 mannen en vrouwen uit het kamp, onder begeleiding van een aantal bewakers. Het werd een barre tocht richting de provincie Groningen. Daar werden ze op 13 april 1945 bevrijd door de Canadezen. Ze werden zelfs direct na hun bevrijding opgezocht door prins Bernhard, die zich met hen liet fotograferen en hen bemoedigend toesprak. Onder de 69 vrouwen bevonden zich maar liefst 14 vrouwen uit Putten. Naast de koeriersters Janny en Henny Tijssen en hun moeder, ook nog de koeriersters Jeanne Bosz en Corrie de Haan. Ook de vrouw van de afzette burgemeester, jonkvrouw C. van Geen - van Holthe tot Echten en haar dochter Lia bevonden zich onder de gevangengenomen vrouwen.
De drie jongste zoons Bram, Hans en Willy Born moeten onder zware bewaking de nacht in het ouderlijk huis doorbrengen. De volgende dag, als een oom de jongens heeft opgehaald, steekt de SD het huis in brand. Vader Abraham Born en zijn zoon Evert gaan in februari 1945 op transport naar concentratiekamp Neuengamme, waar ze allebei overlijden. Moeder Born blijft gevangen in Nederland (Willem III Kazerne?) en wordt pas in maart 1945 vrijgelaten. (https://www.75jaarvrijheid.nl/artikel/2151207/het-drama-van-drie)
Na de bevrijding keerde Aartjen Simon weer terug naar Putten. Ze was onder meer werkzaam als verpleegster in het Psychiatrisch Ziekenhuis Veldwijk in Ermelo. Ze maakte ook deel uit van de Puttense boerendansers, die in Puttense klederdracht en op klompen optraden. Begeleid door een trekharmonica voerden ze hun klompendansen uit in Putten en ver daarbuiten. Tijdens een uitstapje op 20 juli 1952 naar het eiland Texel verdronk Aartjen in de Noordzee. Een noodlottig einde van een moedige jonge vrouw, die in haar jonge leven heel veel had meegemaakt tijdens de Duitse bezetting van ons land.
Bronnen:
Drama van Drie - kleindochter Anne Born, kleindochter van Willy heeft boek geschreven over opa. "Alles sil reg kom" https://www.75jaarvrijheid.nl/artikel/2151207/het-drama-van-drie
"Verzetsholen" in de bossen van Drie. Opa bij Staatsbosbeheer. Heel actief in verzet.
Willy schreef zijn verhaal ook eenmalig op.
----
Klaas Friso, Putten 1940 – 1945 Kroniek, Putten, 1990
Madelon de Keizer, Putten. De razzia en de herinnering, Amsterdam, 1998
Veluwse Kroniek, Historisch Maandblad voor Ermelo, Putten en omgeving, juni 1999
Th. A. Boeree, Brief van 3 januari 1950
NIOD, dossier Putten
Evert de Graaf (2019)
Stgraatnaam Putten - https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/vrouwen-zijn-van-groot-belang-geweest-in-het-gelovige-putten-daarom-wordt-er-een-hele-wijk-vernoemd-naar-lokale-helden~b857efc6/
https://www.opzij.nl/2019/03/28/hele-wijk-vernoemd-naar-vrouwen-en-putten-he/
---
WAS ALS JONG MEISJE KOERIERSTER VOOR HET VERZET
https://www.opzij.nl/2019/03/28/hele-wijk-vernoemd-naar-vrouwen-en-putten-he/
https://www.online-familieberichten.nl/pers/264230/Aartje-Simon-2006
Kwam ook familie mee op een later transport 27 maart:
Zus Janny Tijssen (1919-1996) (no.44)
Moeder Jannetje/Jans (no. 43)
of KiTS-Tijssen?
https://verhaalvanputten.nl/de-dames-tijssen
---
Latere adres: Van Pallandtstraat 2 Putten
--
MOEDER EN DOCHTERS T(H)IJSSEN HADDEN TIJDENS DE OORLOG EEN PENSION DAT EEN VERZAMELPLEK WERD VAN VERZETSMENSEN. DE DOCHTERS T(H)IJSSEN WAREN BEIDEN OOK KOERIERSTERS.
https://www.opzij.nl/2019/03/28/hele-wijk-vernoemd-naar-vrouwen-en-putten-he/
https://mijngelderland.nl/inhoud/specials/putten-vertelt/dochter-van-een-verzetsstrijdster
https://mijngelderland.nl/inhoud/specials/putten-vertelt/zwerftocht-door-nederland
Kroniek 1940-1945 van Klaas Friso
De Puttense verzetsman Piet Oosterbroek werd op 14 december gearresteerd naar aanleiding van de arrestaties op 13 december 1944. Hij raakte gewond in een vuurgevecht, maar overleefde de oorlog. Later volgden meer arrestaties in Putten, waaronder die van de koeriersters Jeanne Bosz en Jannie Thijssen.
https://nl.wikipedia.org/wiki/Berend_Dijkman
Naam: Emma Clara Margarete Heinrich
Geboren: 19 januari 1901 te Berlijn
Overleden: 22 juni 1964 te Ermelo
Ouders: Karl August Heinrich en Anna Paulina Maria Stock
Huwelijk: Alfred/Alfredt Emile/Emil Hickel (17 december 1898 in Echterdingen – Stuttgart - …) op 17 november 1927 te Schiedam
Kinderen/kleinkinderen:
A.H. Hickel (…. – 12 augustus 2008) en Maria Elisabeth Hickel Grootenboer (14 september 1932 – 5 november 2010 Gorinchem) , Elma en Dedi.
Oorlogsgegevens:
Alfred Emile Hickel betrokken bij verzet, de Raad van Verzet (RVV) onder Piet van de Veluwe/ Berend Dijkman.
Op 28 februari 1945 werd Alfred samen met Gerrit Grootenboer gearresteerd vanwege het verbergen van wapens.
In de nacht 6 op 7 maart [8 maart?] gefusilleerd bij Woeste Hoeve als represaille voor de aanslag op Hans Albin Rauter.
https://www.monumentwoestehoeve.nl/042HickelA.html
----
Emma Clara Margarete Heinrich getrouwd met Alfred Emil Hickel.
Geboren in Berlijn. Zij is op 22 juni 1964 gestorven op de leeftijd van 63 jaar.
https://snv.courant.nu/issue/SNA/1964-06-26/edition/null/page/3
Alfred Emile Hickel geboren Echterdingen-Stuttgart, 17-12-1898, gestorven 08-03-1945, Beekbergen
Alfred werd geboren op 17 december 1898 in Echterdingen-Stuttgart.
Hij woonde met zijn gezin in Ermelo, waar hij bij het verzet betrokken raakte, samen met Gerrit Grootenboer (zie: Grootenboer, G.). Hij kwam uiteindelijk terecht bij de RVV (Raad van Verzet) onder Piet van de Veluwe (Berend Dijkman), de plaatselijk leider van de RVV.
Op 28 februari 1945 werd Alfred samen met Gerrit gearresteerd omdat zij wapens verborgen hadden.
Hij werd opgesloten in de Koning Willem III-kazerne in Apeldoorn.
Op de dag van de executie was Alfred 46 jaar oud, hij was gehuwd en had een zoon.
https://www.monumentwoestehoeve.nl/042HickelA.html
Woonde in Ermelo, Harderwijkerweg 104. Zoon van orgelbouwer Theodor Emil Hickel en Friedrike Maier. Huwde op 17 november 1927 in Schiedam met Emma Clara Margarete Heinrich (9 januari 1901 te Berlijn, Dld. - 22 juni 1964 Harderwijk). In dit huwelijk zijn drie kinderen geboren. Orgelmaker/chauffeur. Evangelisch Luthers. Lid verzetsorganisatie Raad van Verzet. Volgens Berends werkte Hickel met verzetsmakker Gerrit Grootenboer(1*) in RVV-verband samen met Piet van de Veluwe (2*). De beide mannen zijn op 28 februari 1945 door de SD na verraad gearresteerd wegens het verbergen van wapens. Zij werden overgebracht naar waarschijnlijk de Jan van Schaffelaarkazerne in Ermelo (3*) en vervolgens vervoerd naar het concentratiekamp Amersfoort. Van daaruit volgde overbrenging naar de Koning Willem III-kazerne in Apeldoorn. Hickel en Grootenboer zijn doodgeschoten als wraak voor de aanslag op Höherer SS- und Polizeiführer Hanns Albin Rauter in de nacht van 6 op 7 maart 1945 bij Woeste Hoeve. Hun namen werden in de glazen gedenkplaat van monument Woeste Hoeve gegraveerd. Na de oorlog zijn kinderen van Hickel (zoon) en Grootenboer (dochter) met elkaar getrouwd. Hickels weduwe verkreeg in 1954 de Nederlandse nationaliteit.
(1*) Gerrit Grootenboer (4 januari 1912 Willemstad, NB).
(2*) Schuilnaam voor Berend Dijkman (14 oktober 1904 Assen – 29 maart 1945 Wierden).
(3*) Berends schreef dat Hickel en Grootenboer enkele dagen hebben vastgezeten in de Nassaukazerne in Ermelo. De Nassaukazerne is echter in Harderwijk gevestigd.
http://www.wo2slachtoffers.nl/bio/53967/Hickel-Allfredt-Emil.htm
https://www.geni.com/people/Maria-Elisabeth-Grootenboer/6000000030554649230
Archief Bindert- briefje van kleindochter Els Sandijk 1985
https://www.collectiegelderland.nl/
Er zaten ook dochters van mevrouw Sandijck gevangen in Willem III Kazerne maar die zijn rond Pasen vrijgelaten (ref. Cornelia van der Woerd-Moll)
---
Jacoba (Cootje) van den Berg, geboren 15 September 15 1887 in Arnhem
Getrouwd op 15 mei 1912 in Arnhem met:
Anthonie Sandijck, geboren 15 juli 1883 in Goes, later in Rotterdam gaan wonen en werken.
directeur postkantoor Barneveld (per 1 juli 1935 , Delpher - daarvoor directeur PTT in Arnhem) - Vondellaan 62 Barneveld. In dienst PTT op 11 december 1901.
Kinderen van Cootje en Anthonie:
Dochter = Maria Francisca (Marietje) Sandijck, 6 april 1913 - 14 mei 1916
Zoon = vader van Els - Johannes Hendrik Willem (Jo) Sandijck (27 december 1914 in Rotterdam - 1976 Leeuwarden)
Dochter - Wilhelmina (Mies) Jacoba Sandijck 5 april 1918, Rotterdam
Dochter - Francisca (Cis) Antonia Sandijck (30/11/1920 Arnhem) - getrouwd op 9 april 1946 met Cornelis van den Broek (1920 Arnhem)
Geen link met juffrouw Gerritsen die ook in de Willem III heeft gezeten Ref. dagboek Cornelia van der Woerd-Moll.
---
Gezin van herkomst Jacoba:
Vader: Johannes Hendrikus (Jo) van den Berg (1863-1922) - werkmeester
Moeder: Willemina Hendriks (1961-1946) - begraafplaats Moscowa in Arnhem
Trouwdatum : 03-11-1886, te Arnhem
Kinderen:
[F] Willemina Johanna Hendrika van den Berg
[F] vrouwenmars: Jacoba (J. Cootje) Sandijck -van den Berg ∞ [M] Anthonie Sandijck
[F] Andrea Willemina (W.A) Schaub-van den Berg ∞ [M] Max Ludwig Schaub
Gezin van herkomst Anthonie Sandijck:
Vader: Franciscus Sandijck (spoorweg beambte)
Moeder: Maria Dronkers
Zoon: Anthonie Sandijck (15 juli 1883)
Meer broers en zussen
---
Telefoongesprek 30 april 2025 Ika van Doorn met Els Sandijck
Werkte in Grijpskerk, liep in 1985 langs de molen waar tentoonstelling van Bindert was.
Zag daar naam van haar oma: Jacoba (Cootje) Sandijck-van den Berg - officieel Sandijck, maar Sandijk op de orginele lijst.
Oma leefde toen al niet meer, overleden toen Els 10 jaar was.
Zoon Jo, Els’vader was ook al overleden toen hij 62 was. Er leefden nog wel 2 dochters (tantes van Els - waarvan 1 zoon (neef Els) nog leeft).
Familie kwam uit Barneveld. Opa was directeur van postkantoor.
Zij hadden onderduikers in huis en zijn verraden. Waarschijnlijk door de overburen.
Opa had opgepakt moeten worden maar werd beschermd als directeur, dus moesten moeder en 2 (van 3, Marietje was al overleden) dochters naar Willem III Kazerne. Moeder ging naar Westerbork, dochters zijn vrijgelaten.
Ook oorlogsverleden van vader van Els = Johannes Hendrik Willem (Jo) Sandijck. Els heeft weinig details. Ouders hebben ook in Apeldoorn Willem III gezeten. Kwam voor in het dagboek dat Jo aan hek van Willem III kazerns met zijn zussen sprak.
Jo studeerde theologie en kreeg in 1947 zijn eerste ‘gemeente’ in Jukwerd bij Appingedam, toen Coevorden, later Leeuwarden (De Regenboog).
Els ging in Groningen studeren en later in Grijpskerk werken. Els woont nu in Zuidwolde.
Moeder Sandijck-Dekker, was ook in Barneveld, koerierster, geen details over bekend bij Els. Wel even in Apeldoorn gevangen gezeten, net als vader.
Els heeft met haar broer Tom een boekje geschreven over Willem Dijk, overgrootvader die directeur was van de zeevaartschool op Schiermonnikoog. https://theerenfeer.nl/willemdijk/
Ze doet nu met name stamboomonderzoek.
In bezit:
Officiële vrijgeleide van de Verzetsgroep Grijpskerk met Els Sandijck - klein briefje. Vrije doorgang briefje...
Namenlijst
Brief van Maria Hermanides-Haagmans (no. 24, 4 september 1945, Hierbij de namen. Kop op en voorwaarts, aan alle vrouwen gestuurd), direct gestuurd aan oma op[ adres Nieuwstraat in Barneveld (niet aan/van Bindert)
Els zag dit jaar (2024) een aankondiging voor de Vrouwenmars, en een 2e keer in Dagblad van het Noorden en heeft zich opgegeven.
Ze kreeg nummer 9. Kort contact met Wilma Stoelinga gehad omdat zij ook no. 9 droeg.
Wil graag in contact komen.
Trauma:
Een tante/dochter heeft later alleen gezegd dat zij depressief is geweest. Werd niet over gepraat.
Actie/opzoeken:
Zussen Mies en Cis, en de zussen Sandijck genoemd in dagboek dat er tijdens tentoonstelling 2024 lag.
---
FOTO - Met Coortje en Dries Klooster - PTT medewerkers bij een viering. Uit 1942/43.
FOTO: Bevrijding Barneveld.
Dochter van Jacob (Jaap) Veerman en Aaltje Bakker.
Krantenartikel op website.
https://monument.vriendenkringneuengamme.nl/person/404900/jacob-veerman
https://www.collectiegelderland.nl/ > https://www.archieval.nl/detail.php?id=495697
Foto te checken (Johanna Maria Veerman) : https://www.archieval.nl/detail.php?id=495697
Groninger Archief
Naam: Johanna Maria Veerman
Bijnaam: “Jopie”
Geboren: 1 december 1927 (of 12 januari 1927?), Achterveld
Overleden 9 september 1977, Limbeek, Halle, Belgie.
Ouders: Jacob (Jaap ) Veerman ( 3 augustus 1900 Den Haag – 3 mei 1945 ) en Aaltje Bakker ( 22 december Landsmeer).
Broers/zussen: Ze was een van 7 kinderen.
Huwelijk: Jean Baptiste Vanhaelen ( 17 september 1925 Anderlecht – 26 november 1998 Pepingen) op 17 november 1950 te Barneveld.
Oorlogsgegevens:
24 februari 1945 gearresteerd door de SD Apeldoorn
Kinderen:
Marianne Vanhaelen 1959–2003
Joseph Vanhaelen 1951–1974 • Male
Bindert:
Zus: Van t Vliet-Veerman
Veluwseweg
Kootwijkerbroek
https://www.collectiegelderland.nl/
Is bij de familie Sandijck opgepakt. Mogelijk betrokkenheid bij de Haagse Groep Hein die in Barneveld werd verraden? Zie Klooster.
P. 36 Dagboek Cornelia van der Woerd-Moll > rechtschapen, wilde dat we bleven werken.
Naam: Jacqueline Theodora Kuyck
Alias: Tante Jacqui
Gevangenisnummer: 12
Geboren: 21 februari 1892 te Amsterdam
Overleden: 19 mei 1973
Ouders: Otto Hendrik Kuyck en Joanna Adriana Vandevelde
Uit gevangenis: Willem III Kazerne, Apeldoorn
Broers/zussen:
Wouter Gerhard Kuyck ( 21 november 1886 - 28 december 1944 te Linz (concentratiekamp))- Wilhelmina Gerhard Kuyck
Gerardine Kuyck - Philippus Johannes Roosegaarde Bisschop
Joanna Adriana Kuyck - Cornelis Adriaan Simon Hamelink
Huwelijk:
Kinderen:
Geadopteerde dochter: Els Hageman (Amersfoort) - Fok Hageman. Zoon: Piet Hageman
Oorlogsgegevens:
Ving Joodse kinderen op met Antoinette Verkerk in de Lichthoeve in Santpoort totdat ze verraden werden. Weken uit naar Zonneland in Garderen.
Daar ook gesnapt, maar net op tijd ingelicht door goede politieman De Vries. Tante Jacqui toch opgepakt.
Onderscheiding: 2 november 2011 Yad Vashem onderscheiding gekregen.
Boek: “Partisanenvrouwen”, J.Th. Kuyck
Bijzonder: ik kreeg een handgeschreven briefje van de verkoper van dit tweedehandsboek = overbuurman van Zonneland in Garderen.
--
Check Ika: er gaan geruchten in/rond Ermelo dat Jacqueline Kuyck niet perse alleen helpend zou zijn geweest in de oorlog. Dat het boek bij heeft gedragen aan een soort wit-wasserij. Geen bewijs van. Bron: Wilma Stoelinga uit Putten, nabestaande.
---
Artikel:
https://nieuwsbladdeband.nl/lokaal/joodse-onderduikers-even-terug-garderen-9932
https://www.digibron.nl/search/detail/0546a2d8bb826a999a8783ad12090371/diepgelovige-heldin
https://www.digibron.nl/search/detail/013eaaac652b6e5dbd51bb28/rechtvaardig-volk
https://www.collectiegelderland.nl/organisaties/gemeentearchiefbarneveld/voorwerp-409192
Groot artikel over de Lichthoeve met foto’s
https://nha.courant.nu/issue/DZP/2009-09-01/edition/null/page/13?query=
Boek: Partisanenvrouwen
Boek: http://db.yadvashem.org/righteous/family.html?language=en&itemId=9427814
----
Diepgelovige heldin
Els Hageman: ,,Alles wat mijn moeder in de oorlog deed, was op haar weg geplaatst''
Behalve een diepgelovige vrouw was Jacqueline Kuyck ook een stille heldin. Ze redde in de Tweede Wereldoorlog onderduikers en verzetsmensen van de dood en stelde haar leven in de waagschaal voor dertien Joodse kinderen. „Dat vond ze vanzelfsprekend”, zegt haar dochter Els. Bang om te sterven was ze niet. Ze wist waar ze heen ging.
Els Hageman (84) uit Amersfoort heeft het over haar moeder maar eigenlijk was Jacqueline Kuyck haar echte moeder niet. Wie dat wel was, heeft ze nooit geweten. Ze was nog maar een baby van tien dagen toen ze aan de zorgen van Jacqueline Kuyck werd toevertrouwd. Ongewenst was ze want haar moeder was ongehuwd en woonde nog thuis. Een kleintje erbij was onmogelijk in het propvolle huisje.
Jacqueline Kuyck (1892) runde samen met haar vriendin Netta Verkerk het opvanghuis De Lichthoeve in Santpoort. Het gros van de zestig kinderen die hier onderdak vonden, kwam uit ontwrichte gezinnen.
De instelling kon bestaan dankzij een vriendenkring, waarvan Jacquelines familie een belangrijk onderdeel vormde. Haar ouders waren vermogend en vonden dat ze als baptisten de christelijke naastenliefde in praktijk moesten brengen door het opvangwerk van hun dochter financieel mogelijk te maken.
„Eindelijk van mij”
De eerste herinneringen van Els Hageman aan De Lichthoeve gaan terug naar de dag dat Jacqueline en “tante Netta” terugkwamen uit Haarlem. „Nu ben je eindelijk helemaal van mij”, had haar moeder gezegd.
Pas veel later werd haar duidelijk dat de twee dames naar het gerecht waren geweest om haar adoptie officieel te regelen. Waarom het oog op haar als een van de zestig was gevallen, heeft ze nooit geweten.
In 1942, toen Els 15 was, braken er turbulente dagen aan voor De Lichthoeve. Een plaatselijke NSB’er vertrouwde Jacqueline en Netta niet en wist bij de Duitsers gedaan te krijgen dat de instelling moest worden gesloten. Al snel rees bij de vriendinnen het plan naar de Veluwe te verhuizen. Ze hadden een zomerhuisje in Garderen, Zonneland, en konden daar niet ver vandaan gratis een groot buitenhuis gebruiken van particulieren uit Hilversum, Heidebloem.
Het werd een opvangcentrum voor Joodse kinderen.
Eentje had Jacqueline als baby onder haar jas meegenomen uit een ziekenhuis en zo in veiligheid gebracht.
„Zoiets vond ze vanzelfsprekend”, zegt dochter Els. „Alles wat ze deed, was op haar weg geplaatst.”
Op het terrein van Zonneland had ze ook een onderaards hol laten graven, waarin een tiental jonge mannen zich schuilhield. Zij onttrokken zich zo aan tewerkstelling in Duitsland of waren Joods. Anderen zaten in het verzet en gebruikten het hol als uitvalsbasis voor acties en wapendroppings. Daar deden de andere holbewoners vervolgens ook weer aan mee, net als Jacqueline, die opereerde onder de naam “tante Jacq”.
Verraad
Op 26 oktober 1944 kwam er een waarschuwing van de politie. Els weet het nog als de dag van gisteren. „De tip was afkomstig van politieman De Vries, de enige goede in Garderen.”
Het hol bleek te zijn verraden. De Duitsers zouden de volgende dag een inval doen om de onderduikers in te rekenen. Met veel militair materieel reden ze ’s ochtends in alle vroegte het terrein van Zonneland op.
Maar tot groot chagrijn van de bezetters troffen ze een verlaten hol aan. Alle onderduikers hadden tijdig de benen kunnen nemen.
Wel vonden ze bij toeval de tientallen geweren die de holbewoners uit voorzorg in de buurt hadden verstopt. holbewoners uit voorzorg in de buurt hadden verstopt. Omdat Jacqueline Kuyck niets wilde loslaten over het hol en het ontdekte wapenarsenaal, moest ze mee naar de Willem III-kazerne in Apeldoorn. „Net als de jongens had ze de vorige avond kunnen ontsnappen maar dat wilde ze niet”, vertelt Els. „Ze dacht er niet over. De Duitsers zouden haar op Heidebloem gaan zoeken en dan zouden ze de Joodse kinderen wellicht ontdekken.”
Als represaille lieten de Duitsers Zonneland tot de grond toe afbranden. Eerst ging de garage in vlammen op. “Tante Netta” en Els werden gedwongen toe te zien.
Toen vervolgens het huis werd aangestoken, mochten ze weg.
Els werd liefderijk opgenomen in het gezin van een schoolvriendin. Ze had het er goed maar miste de onderduikers.
Vooral die ene, Fok Hageman. Hij liep op krukken want hij was bij een eerdere ontsnapping door de Duitsers in zijn been geschoten. „Ieder smoesje greep ik indertijd aan om in het hol te komen”, lacht Els. Er was iets gegroeid tussen die twee, dat niet meer over zou gaan.
Er kwam bericht dat Els op vrijdag schone kleren mocht brengen bij haar moeder in Apeldoorn. Ze moest op de fiets want de bussen reden niet meer.
Els: „De familie had een advocaat in de arm genomen en die had gezegd: Jank maar zo hard je kunt, daar zijn de Duitsers gevoelig voor.”
Zo gezegd, zo gedaan. En inderdaad, Els werd bij haar moeder toegelaten. Dat was een blij weerzien. Ook was het voor Jacqueline een grote opluchting dat iedereen in veiligheid was. „Ik vertelde dat de kleine kinderen oké waren. En ook de grote kinderen. Moeder wist genoeg. Haar Joodse kindertjes waren niet gevonden en de onderduikers waren ontkomen”, zegt Els.
Dicht bij God
Voor Jacqueline breekt een moeilijke periode aan. Ze wordt ziek en moet naar het ziekenhuis. Als ze is opgeknapt, kan ze zomaar ontsnappen. Een verpleegkundige heeft bewust de vergrendeling van de buitendeur afgehaald. Maar Jacqueline overweegt de consequenties en blijft. De Duitsers zullen bij de zoekactie naar haar onmiddellijk Heidebloem binnenvallen en daar allerlei kinderen met donker haar aantreffen. Dat risico wil ze niet nemen.
Het betekent dat ze terug moet naar de kazerne, in de wetenschap dat het lichamelijk heel zwaar wordt voor haar. Maar ze is niet bang om te sterven. „Ik weet waar ik heenga”, schrijft ze in “Partisanenvrouwen”, het boek van haar hand dat na de oorlog verschijnt. Ze leeft dicht bij God, getuigt ze in dit boek.
In maart 1945 wordt ze samen met andere gevangenen overgeplaatst naar kamp Westerbork. Daar moet ze smerig werk verrichten. Intussen is het gedreun van de naderende Canadese troepen al hoorbaar. En nog geven de Duitsers niet op. Ze weigeren in te zien dat ze kansloos zijn. Met paard en wagen vertrekken de bewakers met de gevangenen naar het noorden van het land, met de bedoeling de vrouwen naar het kamp Ravensbrück te brengen. Na een week volgt dan toch de Bevrijding.
Het tijdelijk bestuur dat na de Bevrijding aantrad, regelde dat Zonneland weer kon worden herbouwd. Het werd nu in steen opgetrokken. Na vijf jaar trouwde Els met Fok, waarna ze verhuisde naar Nieuw Guinea, omdat hij zich had aangemeld voor Indië. Na allerlei omzwervingen en na zijn dood keerde Els in de jaren negentig terug naar Nederland. Haar adoptiefmoeder was toen al lang overleden. Jacqueline Kuyck werd 81 jaar.
Verrassing
Els heeft nog steeds contacten in Garderen. „Ik kom er nog steeds. Daar wil ik begraven worden, daar liggen mijn roots.” Ook haar moeder en tante Netta zijn in het Veluwse dorpje naar hun laatste rustplaats gebracht.
Een erg grote verrassing voor Jacqueline was het feest toen ze 75 werd. In het geheim waren alle oud-bewoners van het hol uitgenodigd om de verjaardag van “tante Jacq” bij te wonen. Eentje kon niet, de anderen waren er allemaal. „Geweldig was dat. Wat vond ze dat mooi,” vertelt Els.
Haar zoon Piet, die zich sterk interesseert voor de geschiedenis van zijn familie, heeft nog foto’s van het feest. „Kijk, zegt hij, Herman Brood toen hij jong was.”
De vader van de veelbesproken zanger en kunstschilder hoorde ook bij de onderduikers en de kleine Herman mocht die middag mee naar Garderen.
Vorig jaar heeft Piet Hageman enkele Joodse vrouwen kunnen opsporen die als kind in Heidebloem ondergedoken hebben gezeten. Een van hen is Eeje Erwtenman-Groen uit Amsterdam. Ze vertelt dat ze in maart 1943 als baby in Garderen terechtkwam. Het hele gezin moest onderduiken en naar ze later heeft begrepen, wist haar oom haar via het artsenverzet in veiligheid te brengen.
Haar vader werd in Auschwitz vermoord maar haar moeder en de twee andere kinderen uit het gezin overleefden de oorlog. Haar moeder vertelde haar naderhand dat ze Eeje herkende omdat ze op haar broer leek.
„Ze had mij meer dan twee jaar niet gezien en vanwege de ondervoeding zagen we er niet uit. Maar alle dertien kinderen waren nog in leven. Dat was heel bijzonder.”
Ze is “zuster Kuyck” tot op de dag van vandaag dankbaar voor wat ze deed. „Een ontzettend dappere vrouw. Deze vrouw heeft mijn leven gered.”
Onderscheiding
Een ander Joods meisje uit Heidebloem is de nu 72-jarige Channa Spangenthal, die sinds 1948 in Israël woont.
Garderen neemt bij haar een speciale plek in. „We baden altijd: Lieve Vader in de hemel”, vertelt ze in een mengelmoes van Nederlands en Engels. Wat ze zich vooral nog herinnert, is de honger en de benauwde ruimte.
„We zaten er in totaal met achttien kinderen maar daar was het huis helemaal niet op berekend.”
Haar ouders hebben “zuster Kuyck” en “tante Netta” na de oorlog nog opgezocht om hen persoonlijk te bedanken. „Maar daar wilden ze niets van weten”, zegt Channa. „Ze hadden slechts gedaan wat ze moesten doen. Alleen hun Vader in de hemel kwam de dank toe.”
Channa ijvert nu voor een postume onderscheiding voor Jacqueline van het Yad Vashem Centrum in Jeruzalem. Eerder, in 1952, kreeg “tante Jacq” het militair verzetskruis van burgemeester Des Tombe van Apeldoorn. Bij Yad Vashem gaat het om de eretitel “Rechtvaardige onder de Volken”. Channa: „Ze heeft het meer dan verdiend.” Dan wordt het even stil aan de andere kant van de lijn. De ontroering wordt haar te machtig.
Ze luistert: „Wat een dappere vrouw!”
Gepubliceerd 27 april 2011, Jan van Klinken
https://www.digibron.nl/search/detail/0546a2d8bb826a999a8783ad12090371/diepgelovige-heldin
---
Joodse onderduikers even terug in Garderen
30-09-2015, 06:15
WhatsAppFacebookTwitterLinkedInE-mail
GARDEREN Daar staan ze dan, de 2 Joodse vrouwen - 70 jaar na afloop van de Tweede Wereldoorlog - bij het graf van Jacqueline Kuyck en Antoinette Verkerk op de begraafplaats in Garderen. Dankzij de ongelofelijke moed van Kuyck en Verkerk, die ervoor zorgden dat zij en nog 11 andere Joodse kinderen konden onderduiken in hun kindertehuis in Garderen, konden zij na de oorlog verder met hun leven en een gezin stichten.
Gonny Livestroo
De twee Joodse vrouwen, Dorothea Clara Adelaar ('40) en Sientje Broer-van Bever ('38) staan niet alleen bij het graf. Kuyck's geadopteerde dochter Els Hageman-Kuyck ('28) en diens zoon Piet Hageman zijn ook aanwezig. Deze laatste heeft er voor gezorgd dat Sientje en haar echtgenoot en Dorothea met kinderen en kleinkinderen hier bijeengekomen zijn. Sientje, wonende in Apeldoorn, heeft het graf al vaker bezocht. Voor Dorothea is het de eerste keer. De dag voor de samenkomst op de begraafplaats is zij uit Israël gekomen met haar familie. Al vanaf 1958 woont zij daar. Hoewel vooral Dorothea's familie erg heeft aangedrongen op een bezoek aan Garderen, was dat niet de reden voor hun komst naar Nederland. Twee dagen na de bijeenkomst op de begraafplaats was er namelijk een Stolpersteine-ceremonie voor Dorothea's ouders en grootouders die vanuit Zwolle zijn gedeporteerd. De Stolpersteine zijn een initiatief van de Duitse kunstenaar Gunter Demnig. Het zijn gedenktekens in de vorm van een steen met daarop een messing plaatje, die in het trottoir worden gemetseld voor de huizen waaruit in de Tweede Wereldoorlog Joden werden weggevoerd naar de vernietigingskampen. Op deze messing plaatjes staan de naam, geboorte- en sterfdatum van de slachtoffers van de Holocaust.
Sientje, Dorothea en ook haar zusje Clara Catharina werden aan het begin van de oorlog op tijd door het verzet ondergebracht in Huize De Heidebloem in Garderen. Niet lang voor hun komst moesten Kuyck en Verkerk kindertehuis De Lichthoeve in Santpoort, dat zij samen als voormalig verpleegkundigen hadden opgezet, noodgedwongen verlaten. Een hen vijandig gezinde NSB -er had de Duitsers daartoe weten over te halen. Er waren al wel plannen om te verhuizen, maar niet zo plotsklaps. Het kindertehuis in Santpoort werd te klein en Kuyck, die een groot deel van haar jeugd op de Veluwe had doorgebracht, koos voor Garderen. Daarbij telde mee dat zij daar al een klein houten zomerhuisje bezaten, genaamd Zonneland. Al voor de oorlog was er in Garderen, met financiële ondersteuning van donateurs, een stuk land aangekocht voor de bouw van een nieuw en groter tehuis. Door de gedwongen sluiting besloten de 2 vrouwen dan maar eerder naar Garderen te vertrekken. Door de dreigende bombardementen op de nabijgelegen Hoogovens werden de meeste kinderen in gezinnen buiten de gevarenzone geplaatst. Een deel ging mee naar de Veluwe, waar zij werden ondergebracht in 2 huizen: De Heidebloem aan de Hoge Steeg en Heidevreugd aan de Putterweg in Garderen. Ook in deze 2 huizen werd het uiterst kindvriendelijke beleid van de 2 vrouwen voortgezet. Zelf trokken zij in het zomerhuisje, samen met Kuyck's dochter. Al snel na hun komst werd hen door het verzet gevraagd Joodse baby's en kinderen op te nemen. Er werd gezorgd voor vervalste papieren, waarop echte Hollandse namen prijkten om de Duitsers om de tuin te leiden. In totaal werden op deze wijze 13 kinderen gered van deportatie.
Sien kan zich nog goed herinneren dat zij door een meneer bij haar kleuterschool opgehaald werd en naar De Heidebloem werd gebracht. Een 'oom' werd haar verteld. Pas vele jaren later heeft zij te horen gekregen, wat er voorafgaand aan haar vertrek, is voorgevallen. Sien's vader, die bakker was, werd al in het begin van de oorlog naar Duitsland gedeporteerd. Bij de Hollandia fabriek, waar haar moeder werkte, werd kort daarna een inval gedaan door de Duitsers. Zij sommeerden het personeel zich in 2 groepen te op te stellen. Een groep met Joodse en een met niet-Joodse mensen. Omdat Sien 's moeder er niet Joods uitzag, raadden haar collega's haar aan bij de niet-Joodse groep te gaan staan om deportatie te voorkomen. Sien 's moeder hoopte echter vurig met haar echtgenoot herenigd te worden en koos voor de Joodse groep.
Naast de verzorging van de kinderen, zorgden het drietal op Zonneland ook nog voor een lange reeks onderduikers in het hol onder de grond achter het zomerhuis. Ook werd hier op de heide munitie, wapens en zelfs dynamiet verborgen. Natuurlijk kregen de vrouwen hulp van mensen uit de omgeving. Er werd geholpen met de verzorging van de kinderen, zo'n 30 in totaal, en ook werden er regelmatig voedselbonnen gebracht om alle extra monden te kunnen voeden. Hoewel een tijd waarin alle betrokkenen bang waren voor verraad, hadden de kinderen, gelukkig maar, geen enkel besef van het gevaar dat hen boven het hoofd hing. Dat blijkt wel uit het verhaal van Sien als het gezelschap ruim 70 jaar later, op uitnodiging van de huidige bewoners, de familie Van Lagen, De Heidebloem bezoekt. Voor het huis is er geen enkele herkenning bij de 2 vrouwen. Pas achter het huis komen de verhalen los en dan vooral van Sien die zich nog veel kan herinneren uit die tijd. Dorothea is gesloten als een oester. Vriendelijk, dat zeer zeker, maar praten over het verleden wil zij bijna niet. Sien: "Achter het huis was een klein bos waarin een groep Duitsers bivakkeerden in een grote tent. In de tuin van De Heidebloem was een hekje en ik maakte dat weleens open en liep dan het bos in. Telkens werd ik door de Duitsers teruggestuurd. De derde keer liep er een Duitser met mij mee en zei tegen de verzorgster dat ik de volgende keer doodgeschoten zou worden!". Sien had het geluk blond te zijn. De Duitsers hadden geen flauw benul van het feit dat er vlak voor hun neus 13 Joodse kindertjes speelden. Eén was zelfs als baby door zuster Kuyck, de toen gebruikelijke aanspreekvorm, meegesmokkeld uit een ziekenhuis in Haarlem.
In oktober 1944 kregen de vrouwen van de politie te horen dat hun illegale activiteiten op Zonneland bekend waren bij de Duitsers. De volwassen onderduikers vertrokken inderhaast. De 3 vrouwen bleven. Zij wilden niet dat de Duitsers in het kindertehuis naar hen zouden gaan zoeken en dan de Joodse kindjes zouden vinden. Omdat de Duitsers, terecht, vermoedden dat Jacqueline Kuyck veel wist over het verzet, werd Zonneland door hen in brand gestoken en werd Kuyck naar de Willem III kazerne in Apeldoorn gebracht. Daar werd zij regelmatig verhoord, maar liet niets los. Na een paar maanden werd zij naar Kamp Westerbork getransporteerd waar zij vele ontberingen moest doorstaan. Op weg naar de gevangenis in Leeuwarden met zo'n 100 vrouwen werden zij op 16 april 1944 plotsklaps door de Duitse commandant vrijgelaten en keerde Kuyck terug naar Garderen.
Na de oorlog vertrokken de Joodse kinderen uit Garderen. Hun echte namen waren bij (Joodse) artsen in Nederland bekend. Zij keerden terug naar hun familie, zoals Sien die bij een tante terechtkwam of, als er geen familie meer was, in een pleeg- of adoptiegezin werden geplaatst. Dat verliep destijds wel een beetje vreemd vertelt Dorothea. Dorothea: "Wil je nieuwe ouders? werd mij toen gevraagd. Ons werd helemaal niets verteld! Je moest dan blijkbaar zelf maar begrijpen dat je ouders niet meer leefden". Dorothea en haar zusje Clara werden overigens geplaatst bij een Joods echtpaar in Driebergen.
De grootste vraag die de nakomelingen van Dorothea zich vooral stellen, vertelden zij tijdens hun bezoek aan Garderen, is het waarom. Waarom hebben deze 2 vrouwen, die later een nieuwe Lichthoeve in Garderen lieten bouwen, hun leven voor de Joodse kinderen in de waagschaal gesteld? Een antwoord op deze vraag kan niemand meer geven. Wel staat vast dat hun rotsvaste christelijke geloof hen daarbij gesteund heeft. Dorothea's zoon geeft aan te beseffen dat zij er zonder de 2 vrouwen waarschijnlijk helemaal niet geweest zouden zijn. Als dank hebben de door Piet Hageman opgespoorde 'kinderen' er een paar jaar geleden voor gezorgd dat de zusters postuum de hoogste onderscheiding is toegekend door de staat Israël: de Yad Vashem.
30-09-2015, 06:15 Gonny Livestroo
https://nieuwsbladdeband.nl/lokaal/joodse-onderduikers-even-terug-garderen-9932
Genoemd in Dagboek Cornelia van der Woerd-Mool P. 39
Wilde van 'waarzegster' van der Wal weten hoe het met haar zoon zou gaan. Ze kreeg te horen dat ze elkaar weer zouden zien, maar hij bleek bij de bevrijding te zijn 'gevallen' op 13 april n de ochtend om 6 uur bij de brug in Heerde.
---
Naam: Marie Madeleine Speet
Geboren 18 augustus 1894
Overleden: 19 juni 1985
Ouders:
Huwelijk: (Latere burgemeester) Frederik Lodewijk Johan Eliza Rambonnet (19 februari 1885 – 28 januari 1935)
Adres "Olde Putten" - Zuiderzeestraatweg Oost 65
Kinderen:
Oorlogsgegevens:
----
Marie Madeleine Speet getrouwd met Frederik Lodewijk Johan Eilza Rambonnet
VERZETSGROEP 'OLD PUTTEN'
Door het mislukken van Operatie Market Garden kwamen er talloze geallieerden her en der op de Veluwe terecht, àchter de vijandelijke linies. Deze militairen wilden zo spoedig mogelijk terug naar hun eigen troepen aan de àndere kant van de Rijn en werden daarbij vaak geholpen door de lokale bevolking en door leden van het verzet. Rondom Elburg was verzetsgroep 'Old Putten' actief.
Hulp aan gestrande militairen
In Elburg was een verzetsgroep "Olde Putten", genoemd naar het landgoed van de familie Rambonnet. Na de mislukte Slag om Arnhem in september1944 werden Britse militairen op "Olde Putten" opgevangen. Tijdens de operatie Pegasus 1 op 22 oktober waren 149 Britten over de Rijn naar het bevrijdde zuiden ontsnapt. In november 1944 werd een tweede poging gewaagd. Twintig militairen werden verzameld bij de boerderij van Norel in Doornspijk om met een vrachtauto naar Lunteren gebracht te worden. De auto kwam die avond niet. De volgende avond werd verzameld in de villa Olde Putten. Met een auto, geleend van de organisatie Todt, ging men naar de boerderij Westenrode ten zuiden van de weg Ede-Otterlo om zich daar bij de overigen aan te sluiten. Men stapte echter te vroeg uit en miste de aansluiting. Toen ze in de verte hoorden schieten bleek de operatie mislukt. De groep verstopte zich en werd vervolgens door het verzet op diverse plaatsen ondergebracht. Een aantal van hen kwam in de volgende maanden via de Biesbosch alsnog naar het bevrijde Zuid-Nederland.
https://spannendegeschiedenis.nl/liberation-route/elburg-old-putten
https://www.bunkerinfo.nl/2017/11/verzetsgroep-old-putten-deel-1_8.html
https://liberationroute.nl/the-netherlands/pois/o/old-putten-resistance-group
https://www.online-begraafplaatsen.nl/zerken.asp?g=878922
Han en Nico Rambonnet?
Henri Elisa (Han) Rambonnet en Nicolaas Samuel Rambonnet (13 januari 1921 te Rockanje – 13 april 1945 te Heerde)
https://oorlogsgravenstichting.nl/persoon/125205/nicolaas-samuel-rambonnet
https://www.online-familieberichten.nl/pers/169451/Henri-Elisa-Han-Rambonnet-1923-2004
Man Christiaan Johan Simon (overleden 12 dec 1958 / getrouwd 24 juli 1903)
Latere adres: Bijlokeplein 2 - 4571 JJ Axel (zeeuw vlaanderne)
Aantekeningen Bindert op namenlijst: verhuisd naar Australie met zussen?
Dagboek Cornelia van der Woerd- kon mooi zingen
--
Cornelis Simon (broer van vader Chris?) and Janneke Verberkmoes, 5 kinderen, 3 dochters ook gevangen: Zie no 14, 17, 18.
Jakobje [Koos] Simon (1923 - 2007), August 20, 1923 in Axel, Terneuzen, Zeeland, Netherlands, Death: May 10, 2007 (83) - Gehuwd 30 september 1948 (donderdag), Axel, Zeeland, The Netherlands, met Adriaan François Rinn - https://gw.geneanet.org/rvijver?lang=nl&p=jacobje&n=simon
Fietje Simon (August 18, 1920, Putten - April 19 2006), getrouwd met Willem Jan Jansen
Krina Maria Simon, October 05, 1921, Axel
Levinus Simon, June 18, 1925, Axel, Terneuzen, Zeeland,
Hendrika [Henny] Simon
Jacob Simon, 5 mei 1911 te Putten
Bron: Dagboek Cornelia van der Woerd-Moll - p42 - Hans was een vroolijke meid, wanneer zij haar lachende tanden liet zien, knapte iedereen daarvan op." P47 - ze zond aldoor. P48 - Zo moe, ze viel bjna om.
----
[Zus van Annie? of gebruikte ze de andere koosnaam 'Hans' van Johanne?] Johanna Carolina (Annie) van de Weem. Getrouwd met Klaas Vastenburg
https://www.genealogieonline.nl/stamboom-familie-van-den-brink/I1067346987.php
Woonde in Nijkerk, Lazarussteeg 2. Zoon van landarbeider Jan Vastenburg (19 maart 1867 Nijkerk – 7 april 1931 Nijkerk) en Aaltje van den Brink (30 augustus 1870 Nijkerk – 29 juni 1949 Nijkerk). Huwde op 4 augustus 1926 in Nijkerk met sociaal werkster gezinsverzorgster Johanna Carolina – Annie – van de Weem (6 juni 1902 Amersfoort - 30 augustus 1984 Amsterdam). Het huwelijk bleef kinderloos. Boekbinder (1919)/reiziger naaimachines/meteropnemer Provinciale Geldersche Electriciteits Maatschappij. Vastenburg was van 1 september 1931 tot 4 september 1939 raadslid voor de SDAP gemeente Nijkerk. Nederlands Hervormd. Lid verzet onder de schuilnaam Kees. Hij was actief bij de LO Epe en de LO Amsterdam. Samen met zijn vrouw verleende hij huisvesting aan een groot aantal onderduikers. Hun woning fungeerde als contactadres voor de koeriersdienst Rolls Royce. Van september 1944 af gingen zij ook spioneren voor de afdeling Amsterdam van deze verzetsgroep. Het echtpaar had voorts een drukkerijtje, waar onder meer pamfletten werden gedrukt. Op 1 maart 1945 is Klaas Vastenburg, net als zijn echtgenote en een groep anderen, gearresteerd (1*). De volgende dag zag Annie haar man nog een keer bij de Willem III-kazerne in Apeldoorn. Zijzelf was al twee maal eerder opgepakt. De eerste keer was tijdens de razzia in Putten, maar na vier dagen werd ze weer vrijgelaten. In februari 1945 belandde ze opnieuw in Duitse handen (2*). Ook ditmaal kwam ze weer vrij. Na overbrenging naar Kamp Westerbork en een mars naar Grijpskerk is ze door de stoottroepen bevrijd. Haar man leefde toen al niet meer. Op 8 maart 1945 was hij met 116 anderen in de buurtschap Woeste Hoeve doodgeschoten als represaille voor de aanslag op Höherer SS- und Polizeiführer Hanns Albin Rauter. Postuum is Vastenburg het verzetsherdenkingskruis verleend. (1*) Berends schreef dat de arrestatie van Vastenburg en anderen het werk van de verrader Anton van der Waals was. De naam Vastenburg is niet terug te vinden in het boek 'De zaal Anton van der Waals' van de hand van de auteur Frank Visser. In die periode was zijn rol als V-Mann trouwens al uitgespeeld. (2*) In de jaren 1945/1946 is mevrouw Vastenburg-van de Weem belast geweest met de leiding van een gevangenkamp in Amersfoort.
Begraven in een massagraf op Begraafplaats Heidehof in Ugchelen (Apeldoorn). Herbegraven op 29 mei 1945 op de Algemene Begraafplaats in Nijkerk.
Henk Berends, Woeste Hoeve 8 maart 1945, Uitgeverij Kok Voorhoeve, Kampen, 1995; Nationaal Comité Verzetsherdenkingskruis/C.C van den Heuvel, W.J.C. Tensen (samenstellers), Gedenkboek Verzetsherdenkingskruis, waarin opgenomen Register Dragers Verzetsherdenkingskruis, Samson Uitgeverij, 1985; Frank Visser, De zaak Antonius van der Waals, Zuid-Hollandsche Uitgeversmaatschappij BV, Den Haag, 1974; Oorlogsgravenstichting; Erelijst van Gevallenen 1940-1945; site wiewaswie.nl (waaronder overlijdensakten 873/1945 gemeente Apeldoorn en 197/1945 gemeente Nijkerk); Stadsarchief Amsterdam; site genealogieonline.nl (stamboom Van den Brink); site gjvandepol.nl.
http://www.wo2slachtoffers.nl/bio/54803/Vastenburg-Klaas.htm
https://www.wiewaswie.nl/personen-zoeken/zoeken/document/a2apersonid/628710349/srcid/28782176/oid/24
https://www.librarything.com/work/13311393
Foto!! https://www.archiefeemland.nl/bronnen/foto-s/detail/1e45f6ba-dc46-11df-a9e7-7590f0316edd
Kamp Amersfoort - mei 1945 - Commandant Annie Vastenburg-van de Weem van de vrouwenafdeling van het Bewarings- en interneringskamp Laan 1914 loopt met bezoekers langs een aantal sjofel geklede vrouwen dat is opgepakt omdat ze in de oorlog de kant van de Duitsers hadden gekozen.
[CHECK Niet te verwarren met Aartjen Simon-Luttikhuizen, de moeder van Aartjen no. 6 - familie Hans van Beek-Simon kent Koos, Hennie en Kriena niet]
Janneke Simon-Verberkmoes geboren in Axel (4 juni 1900- 14 sept 1984)
https://www.geni.com/people/Janneke-Verberkmoes/6000000202332223850
Getrouwd met Cornelis Simon, geboren in Putten en overleden op 14 april 1945. https://www.tracesofwar.com/persons/54377/Simon-Cornelis.htm - Sources
- Cornelis Simon
- Further: Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, inventarisnummer 527 II, Karl Peter Berg; Leen Bogers, Ontsnapping uit de bunkercel, InBeeld, magazine Nationaal Monument Kamp Amersfoort, nr. 46, april 2017, pag. 9; Nationaal Monument Kamp Amersfoort, (voorlopige lijst) In Memoriam; voormalige site Genlias/site wiewaswie.nl (waaronder overlijdensakten 27/1946 gemeente Putten en 243/1945 gemeente Leusden).
Kinderen:
Jakobje [Koos, 17] Simon (1923 - 2007), August 20, 1923 in Axel, Terneuzen, Zeeland, Netherlands, Death: May 10, 2007 (83)
Fietje Simon (August 18, 1920, Putten - April 19 2006), getrouwd met Willem Jan Jansen
Krina Maria Simon [no. 14], October 05, 1921, Axel - getrouwd met Adriaan François Rinn, ref.
Levinus Simon, June 18, 1925, Axel, Terneuzen, Zeeland,
Hendrika [Henny - no. 18] Simon
Jacob Simon, 5 mei 1911 te Putten
--
1. Cornelis Simon (Vader)
Rol: Verzetsdeelnemer. Hij bood onderdak aan onderduikers en was betrokken bij lokale verzetsactiviteiten.
Arrestatie: Hij werd gearresteerd en naar Kamp Amersfoort gebracht (gevangenennummer 3064).
Lotgevallen: Hij verbleef in de 'Bunker' (de gevangenis binnen het kamp). Op 14 april 1945, terwijl de bevrijding nabij was, waagde hij een vluchtpoging en werd hij door de bewakers neergeschoten.
Bronnen:
Oorlogsgravenstichting - Cornelis Simon
Slachtofferregister Kamp Amersfoort
2. Janneke Simon-Verberkmoes (Moeder)
Rol: Zij hield het gezin en de verzetsactiviteiten thuis draaiende. Uit getuigenissen blijkt dat het huis aan de Peppelscheweg een knooppunt was voor hulp aan onderduikers.
Overleving: Zij overleefde de oorlog en bleef tot haar dood in 1984 een centrale figuur voor de nagedachtenis van haar man.
3. Jakobje (Koos) Simon (Dochter, geb. 1923)
Rol: Koerierster. "Koos" Simon was zeer actief in het verzet in Putten en omstreken. Koeriersters vervoerden illegale kranten, wapens en berichten.
Documentatie: Zij komt voor op lijsten van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Na de oorlog is zij vaak betrokken geweest bij herdenkingen rondom de Razzia, hoewel haar vader technisch gezien geen 'razzia-slachtoffer' was maar een politiek gevangene.
4. Krina Maria Simon (Dochter, geb. 1921)
Nummer op uw lijst: No. 14.
Rol: Ook zij wordt genoemd in verzetsgerelateerde documenten. Gezien de locatie van het huis (nabij de bossen) hielpen de dochters waarschijnlijk bij het verplaatsen van geallieerde piloten of onderduikers naar veilige plekken.
5. Hendrika (Henny) Simon (Dochter)
Nummer op uw lijst: No. 18.
Details: Net als haar zussen was zij betrokken bij de ondersteuning van het verzet. De nummers op uw lijst (14, 17, 18) verwijzen hoogstwaarschijnlijk naar een specifieke registratie van de lokale BS of een naoorlogse inventarisatie van verzetsvrouwen in Putten.
6. Jacob Simon (Zoon, geb. 1911)
Opmerking: Hoewel hij op uw lijst staat, is hij mogelijk de zoon uit een eerder huwelijk of een nauw verwant familielid (gezien het geboortejaar 1911, toen Janneke pas 11 jaar oud was). In Putten woonden meerdere takken Simon; het is aannemelijk dat hij bij het gezin aan de Peppelscheweg woonde of daar nauw mee samenwerkte.
Waarom staan ze op uw lijst?
De lijst die u heeft (met nummers zoals 14, 17, 18) is zeer waarschijnlijk een ledenlijst van de RVV (Raad van Verzet) of de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) afdeling Putten.
Het huis als 'Haard': De Peppelscheweg 101 was een "veilig adres".
Groep 'Old Putten': De familie werkte nauw samen met de verzetsgroep die de aanslag bij de Oldenallerbrug pleegde. Dit verklaart waarom de Duitsers specifiek Cornelis Simon in de bunker van Kamp Amersfoort plaatsten (voor zware gevallen).
Bronnen om verder te zoeken:
Gelders Archief: Zoek op "Toegang 0510" (Provinciaal Bestuur van Gelderland, dossiers over steun aan verzetsdeelnemers).
Arenttho (Tijdschrift van de Puttense Historische Stichting): Zij hebben uitgebreide artikelen geschreven over de specifieke rol van vrouwen in het Puttense verzet.
Netwerk Oorlogsbronnen: Zoek op de namen van de dochters in combinatie met "Putten" voor scans van BS-registratiekaarten.
---
Persoonlijke gegevens en gezin
Cornelis Simon woonde aan de A 101 Pipperischeweg in Putten. Hij was de zoon van landarbeider Jacob Simon (6 februari 1868, Putten – † 28 maart 1943, Putten) en Fietje van de Wal (11 januari 1874, Putten – † 11 december 1946, Ermelo).
Op 20 februari 1920 trouwde hij in Putten met Janneke Verberkmoes (4 juni 1900, Axel – † ?). Cornelis werkte als los arbeider.
Om onbekende redenen kwam Cornelis terecht in het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort (PDA), waar hij werd geregistreerd als gevangene nummer 3064. Ook is niet duidelijk waarom hij werd opgesloten in de bunker van het kamp.
Op de avond van 14 april 1945 behoorde hij tot de gevangenen die uit deze bunker wisten te ontsnappen. De Duitse bewakers zouden nog slechts enkele dagen in het kamp blijven voordat zij zich terugtrokken richting Den Haag.
Cornelis betaalde zijn vluchtpoging met zijn leven.
Uit verhoren in het dossier van kampcommandant Karl Peter Berg (SS-Hauptsturmführer) – bewaard in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) in het Nationaal Archief – blijkt dat die nacht zeven gevangenen uit de bunker ontsnapten. Twee van hen zouden later opnieuw zijn opgepakt.
Tijdens de zoektocht naar de voortvluchtigen zag bewaker Karl Weinand Feuerstein (SS-Unterscharführer) beweging in het gras bij de schietbaan. De gevangene smeekte hem niet te schieten. Hij werd naar de wachtruimte van de Blockführer gebracht. Een andere bewaker, Zorsch, die op dat moment de wacht aanvoerde, greep nog een van de gevluchte mannen.
Commandant Berg nam zelf ook deel aan de achtervolging. Achter de bunker hoorde hij schoten in het bos en keerde daarop terug. Plotseling zag hij iemand zich verschuilen achter een schuilplaats. Volgens zijn eigen verklaring schoot hij eerst in de lucht, maar de man – Cornelis Simon – bleef rennen en probeerde langs de bunker te ontkomen. Berg zette de achtervolging in en vuurde vier à vijf schoten, waarna Cornelis neerviel.
Hij werd gevonden in een greppel waarin hij zich probeerde te verbergen. Op de vraag of hij geraakt was, kreunde hij dat hij meerdere keren in de rug was geschoten.
In de administratiebarak gaf de kampcommandant opdracht aan zijn plaatsvervanger Joseph Johan Kotälla (SS-Oberscharführer) om de gewonde op te halen en naar de ziekenbarak te brengen. Toen Berg met twee gevangenen naar de plek terugging, zag hij bewaker Edmund Brahm (SS-Oberscharführer) nog twee schoten afvuren in de richting van de greppel waar Cornelis lag.
In de ziekenbarak stelde kamparts Boerma vast dat Cornelis was overleden.
De officier die Berg verhoorde, twijfelde of Brahm daadwerkelijk verantwoordelijk was voor de dodelijke schoten en vermoedde dat Berg zelf Cornelis had doodgeschoten. Ondanks herhaalde, harde verhoren bleef Berg bij zijn verklaring.
De dossiers van Berg vermelden niet wat er met de overige vier ontsnapten is gebeurd. Vrijwel zeker is dat twee van hen waren:
Abraham Hofboer (29 december 1925, Amsterdam), groenteman, sinds 29 januari 1945 in het kamp (gevangenenummer 10425), tewerkgesteld op vliegbasis Deelen.
Willem Balder (12 november 1926, Ouder-Amstel), melkbezorger, sinds 5 februari 1945 in het kamp (gevangenenummer 10637).
In het aprilnummer van het kampblad In Beeld werd om meer informatie over hen gevraagd. Leen Bogers schreef daarbij:
“Als ze het maar tot 19 april hadden volgehouden, waren ze waarschijnlijk zo naar buiten gelopen. Rond die tijd was de bewaking al lang niet meer zo streng.”
Opmerkelijk detail: één van de mannen zou de dag na de ontsnapping worden vrijgelaten.
Cornelis Simon werd begraven op de (oude of nieuwe) Algemene Begraafplaats in Putten, graf nr. 725.
Aantekeningen Bindert op namenlijst: verhuisd naar Australie met zussen?
https://gw.geneanet.org/rvijver?lang=nl&p=jacobje&n=simon
Aantekeningen reunie, Jakobje Simon (1923-2007) getrouwd met Adriaan François Rinn? > moet zijn: Kriena?
Oospronkelijke spelling "Hennij"
Naar Australie verhuisd? Ref. aantekeningen Bindert op namenlijst.
Bron Bindert: Latere woonadres: Hugo de Grootlaan 20 - 3818 TB Amersfoort
Zie ook schoonmoeder Constantia Jacoba no. 64 en Lia no. 65 (stiefdochter van Constantia).
Getrouwd met: Alexander James van Geen (oudste zoon van Jongvrouwe Constantia Jacoba van Holthe tot Echten (overleden 24 mei 1986) - nummer 64)
Kind(eren) nu levend/in contact: Sandra Laane-Van Geen, was op lezing Evert de graaf feb 2025. laanevangeen@gmail.com (Ika heeft telno)
---
Mail van Renéé van der Schalk-Van Lynden (geportretteerd Het Verhaal in Vries) februari 2026:
De geboortedatum (en sterfdatum) van mijn tante Lia (Elisabeth Jacqueline Marie van Geen 04-03-1911 – 11-09-2003). Zij was de dochter uit het eerste huwelijk van mijn grootvader. Zijn vrouw overleed in het kraambed van hun 2e kind. Tante Lia bleef vrijgezel.
Later op 28-7-1919 trouwde mijn grootvader Mathieu Lambert van Geen (30-08-1883 – 04-03-1970) met mijn grootmoeder Constantia Jacoba van Geen-van Holthe tot Echten (10-08-1893 – 24-05-1986) en zij kregen samen 5 kinderen: eerst 3 zoons (Alexander, Henri, x), toen 2 dochters (Cocky en Liline). Mijn grootmoeder was slechts 18 jaar ouder dan tante Lia.
Anneliese Versteegh is de schoondochter, die na de oorlog op 22-8-1946 trouwde met mijn oudste oom Alexander James van Geen.
De 3 vrouwen (en de jongste dochter Liline, toen 14 jaar) zijn op 2 februari 1945 in Huize Bijstein in Putten gearresteerd en afgevoerd naar de Kon. Willem III Kazerne in Apeldoorn. Al na paar dagen werd Liline vrijgelaten. De gehele familie Van Geen was inmiddels gevangengenomen of zaten ondergedoken, dus zij keerde alleen terug naar Bijstein en bleef daar (wrsch?) tot dat haar moeder, Lia en Anneliese naar huis terugkeerden na de bevrijding uit de Vrouwenmars.
Fragment dagboek Nonny:
[1] Annelies was verpleegster in de ziekenbarak en was verloofd met een zoon [Alexander James] van mevrouw Van Geen uit Putten". (p 42) - Ze rookte met Dokter Schreuder en Anneke de Windt.
https://www.openarch.nl/hua:30B3E244-5892-454A-A048-70C91DB29140/nl
Marnixlaan 61 Amersfoort in 1950 : F.H. Zegers - zelfde adres als Anneke de Windt (21)
GA
Naam: Dina Magdalena Joostina Reijers
Geboren: 15 september 1891 te IJlst
Overleden:
Ouders: Johannes Cornelis Reijers en Aafke de Vries
Huwelijk:
(1e huwelijk) Johannes van der Schouw (27 januari 1887 te Schiedam - 12 juli 1929 te Ijsselmonde) op 15 september 1923 te
(2e huwelijk) Frederik Hendrik Zegers ( 1892 geboren te Dolok(Noi) - …) op 27 juli 1931 te Amersfoort
Kinderen:
Oorlogsgegevens:
??? Broer van Frederik Hendrik Zegers betrokken bij Binnenlandse Strijdkrachten: Julianus Lucius Zegers
??? Johan Gerrit Willem Zegers zat in Engeland tijdens de oorlog??
Van Marnixlaan 61
Amersfoort
Zelfde adres als Dina Zegers-Reyers (20)
[1] Cornelia van der Woerd - p42 - ze rookte met Annelies (later van Geen) een Dokter Schreuder.
Naam: Clasien Henriette Schreuder
Bijnaam:
Geboren: 29 maart 1904 ‘s Gravenhage
Overleden:
Ouders: Pieter Hendrik Schreuder (Ridder in de orde van Oranje Nassau, schoolhoofd) en Sibbeltje Hofstra > http://www.humanitarisme.nl/personen/index.php?m=family&id=I338025
Broers en zussen:
Anton Gerrit Schreuder (21 augustus 1908 ‘s Gravenhage - 25 februari 1971) - Margaretha Elisabeth Schoorl (26 december 1904 - 3 jan 1993)
Selma Schreuder (1935- 1991) - Thomas Vermeer
….
….
Pieter Hendrik Schreuder (27 december 1901 - …..)
RELATIE VAN VERZETSSTRIJDER PIETER MEINDERT SCHREUDER? https://nl.wikipedia.org/wiki/Pieter_Meindert_Schreuder
Interessant stuk over verzet in Noorden.
Huwelijk:
(1e huwelijk 27 februari 1924 - 30 december 1932): Johan Hendrik Frans Hiemstra
(2e huwelijk) : Pieter Schut (.... - 24 oktober 1957)
Beroep: Arts
Kinderen/kleinkinderen:
Oorlogsgegevens:
Broer Anton Gerrit met zijn vrouw betrokken bij verzet. Hadden een hotel op landgoed de Leperkoen in Lunteren. (Link met Derk Wildeboer)
https://www.genealogieonline.nl/parenteel-laverne/I40281.php
Naam:??? Jacoba Hendrika Kamsteeg
Geboren: 25 oktober 1916 te Stavenisse
Overleden: 9 september 1952 te Wassenaar
Ouders: Jan Hendrik Cornelis Kamsteeg en Hendrika van Hoeve??
Broers/zussen: Johanna Kamsteeg (7 september 1906 te Oosterland - 8 juli 2004) -Johannes Jacobus Preuniger ( 29 juni 1886 - 22 december 1962)
Huwelijk:
Kinderen:
Oorlogsgevens:
[1.] Mevrouw Hermanides - hoofd van onze huishouding in Westerbork barak
-----
Naam: Maria Antonia Sara Wilhelmina Haagmans
Geboren:
Overleden:
Huwelijk: Suffridus Renicus Hermanides
Kinderen:
Renicus - Bindert: 8 Rue de la Tramontae - 11510 Fitou France
Charlotte
Oorlogsgegevens:
Mevrouw Hermanides Haagmans werd op 6 Januari 1945 in haar huis gearresteerd door de SD. Hierbij werden de ondergedoken joodse mensen ook ontdekt.
Onderscheiding: Ontving 23 februari 1984 Yad Vashem. Verzetsherdenkingskruis
----
M.C.A.W. Haagmans getrouwd met Suffridus Renicus Haagmans
https://www.genealogieonline.nl/stamboom-boerstra/I4583.php
Hermanides, Suffridus Renicus & Maria Antonia Sara Wilhelmina (Haagmans)
Zaal van der, Albertus & Jacomina (Smit)
In 1940, Suffridus and Maria Hermanides were living in Apeldoorn, Gelderland, with their young daughter, Charlotte. Their elder son, Renicus, was studying in Delft at the Technical University. Once a week, the couple went to the Apeldoorn Bridge Club, where they became acquainted with Marcus and Seraphine van Son, a Jewish couple. In October 1942, the van Sons and their 23-year-old son, Salomon, and 17-year-old daughter, Emmy, left home in search of a place to hide. After wandering for some time between hiding places, they were eventually taken in by the Hermanides family, in early 1943. Seraphine and Emmy remained there; Marcus and Salomon moved on to other addresses. In the spring of 1943, Renicus was among the students who refused to sign a pledge of allegiance to the German occupiers and he had to go into hiding. His parents’ home was no longer safe and so the two van Son women had to find a new hideout. Maria Hermanides secured them a safe shelter with the van der Zaal family, who lived across the street. After Renicus was sent to Germany in June 1943, the Hermanideses took in Marcus van Son and his son Salomon. In the summer of 1944, they took in Seraphine van Son too. Emmy remained with the van der Zaals. The van Sons were given quarters of their own on the second floor, consisting of a living room, bedroom, bathroom, and an attic room for Salomon. In addition to hiding Jews, the Hermanideses also cooperated with the neighbors opposite them by hiding weapons. In November 1944, the fugitives survived a raid in the neighborhood thanks to Maria Hermanides’s presence of mind. Nevertheless, things began to go wrong soon after and on January 6, 1945, the SD surrounded the house, discovered the hidden Jews, and arrested everyone on the premises. Suffridus Hermanides and Charlotte were not at home at the time. The prisoners were taken to SD headquarters in Apeldoorn, where Seraphine was interrogated and beaten. The van Sons were sent to Westerbork on January 25, and, soon after, Maria Hermanides was also sent there. In early April 1945, just before the Canadian army reached the camp, the Germans evacuated the non-Jewish Resistance fighters to the environs of the city of Groningen. Maria Hermanides and the van Son family were liberated separately in April 1945.
On February 23, 1984, Yad Vashem recognized Suffridus Renicus Hermanides and his wife, Maria Antonia Sara Wilhelmina Hermanides-Haagmans, and Albertus van der Zaal and his wife, Jacomina van der Zaal-Smit as Righteous Among the Nations.
http://db.yadvashem.org/righteous/family.html?language=en&itemId=4039554
[1] Cornelia van der Woerd - "Er waren ook een paar spionnen, meisjes die wij niet vertrouwden. [...] No .30, 33 en 25 mochten mij nooit nieuws vertellen. Uit Groningen kwam een meisje voor wie ik direct gewaarschuwd werd: Hannie Sneijder, no. 99. Dochter van Riek van Dijk.
Gevlucht met 6: Gonnie van Goor, Adrie Kleekamp, Sophie Townsend en Lia van Geen + Tiny Bolhuis en Miny van der Saag
Opgepakt, in NSB gevangenis gezeten?
--
Link met deze familie?
G. van Goor-Schotanus gestrouwd met J. van Goor
Naam: Mecheline Henriëtte Maria Ribberink, geboren 27 mei 1921 in Amersfoort, overleden 25 sept 2006 Amersfoort.
Ouders: Willem Johannes Franciscus Agatha Ribberink en Henriette Christina Cornelia Maria Cornelissen
https://www.openarchieven.nl/hua:90B06F72-4A15-0B65-E053-4701000AA24B
Maggie komt voor in de Duitse 'Arolsen Archiven' / Yad Vashem Archives met Westerbork als laatste verblijfplaats:
https://talk.arolsen-archives.org/t/cli-part-21-132132139/10257
Bekende van Didi Roos?
Getrouwd met: Alphonsus Maria Meuwese (geb 26-2-1913 Amsterdam, overleden 21 sept 1968)
Bindert: adres later:
M.H.M. Meuwese-Ribberink
Molenwijck 409
Loon op Zand
04166-2052
Geboren: Zutphen, 13 februari 1925
Overleden: Oegstgeest, 14 februari 2017
Vader: Jacob Henricus Cornelis Maria van der Kun (1882-1962)
Moeder: Wilhelmina Emilia Maria Regout (1892-1986).
Ze groeide op als jongste in een gezin van drie kinderen.
Liep met oma Nonny en de zusjes Sandberg vanuit Visvliet naar Apeldoorn!
Zie dagboek.
---
Vriendschap Fenny Tebbenhof, Truus Bresser en Jacoba van der Kun
--
https://www.genealogieonline.nl/stamboom-stoffels/I761.php
https://nl.wikipedia.org/wiki/Jacoba_Theodora_van_der_Kun
Jacoba Theodora van der Kun (Zutphen, 13 februari 1925 - Oegstgeest, 14 februari 2017) was een Nederlands verzetsstrijder. Ze maakte tijdens de Tweede Wereldoorlog deel uit van de Zutphense LO-verzetsgroep.
Jeugd[bewerken | brontekst bewerken]
Jacoba van der Kun werd in Zutphen geboren als dochter van Jacob Henricus Cornelis Maria van der Kun (1882-1962) en Wilhelmina Emilia Maria Regout (1892-1986). Ze groeide op als jongste in een gezin van drie kinderen.
Tweede Wereldoorlog[bewerken | brontekst bewerken]
Tijdens de oorlog was ze actief voor het verzet in Zutphen. Als koerierster voor de Binnenlandse Strijdkrachten 'Gewest 5 Achterhoek' van commandant William van den Wall Bake gaf ze berichten door aan Gerhard Wolsink, die radiocontact had met de geallieerden. Bijvoorbeeld over de locatie van een Duitse munitietrein in Zutphen, die vervolgens een paar uur later werd gebombardeerd.
De Kruisberg[bewerken | brontekst bewerken]
Jacoba van der Kun werd op 28 december 1944 in haar ouderlijk huis door de Duitsers opgepakt. Eerst werd ze vastgehouden in het huis van bewaring in Zutphen, maar nog diezelfde dag plaatsten ze haar over naar de De Kruisberg, een gevangenis van de Sicherheitsdienst, in Doetinchem. Uit het dagboek, dat ze gedurende haar hele gevangenschap in het geheim bijhield, blijkt dat ze al snel ontdekte dat veel bekenden uit het verzet, waaronder Edzard Bosch van Rosenthal en William van den Wall Bake, hier ook zaten. Hierdoor groeide het vermoeden dat de hele groep verraden was, zeker toen bij de verhoren ook nog bleek dat de Duitsers van alles al op de hoogte waren.
Kamp Westerbork[bewerken | brontekst bewerken]
Toen de geallieerden de grens bij Doetinchem naderden werden op 26 maart 1945 onverwachts 22 mensen uit De Kruisberg vrijgelaten. Een dag later gingen de 63 overgebleven verzetsmensen, waaronder Jacoba van der Kun, per vrachtwagen naar Kamp Westerbork. Hier werd ze als politiek gevangene in een van de strafbarakken geplaatst. Net als de andere vrouwen moest ze hier elke dag batterijen uit elkaar halen.
Op 11 april 1945 verlieten de vrouwen onder begeleiding van de Wehrmacht het kamp, na een voettocht van 70 kilometer werden ze uiteindelijk op 14 april 1945 in Visvliet vrijgelaten.
Bevrijding van Zutphen
https://www.contactzutphen.nl/nieuws/algemeen/307886/dichter-bij-de-oorlog-kun-je-niet-komen-
Bronnen
doetinchemherdenkt.nl - Jacoba T. van der Kun, Gevangenis dagboek Doetinchem - Westerbork -Visvliet (Archief NIOD)
Menno Tamminga, Wij zijn vrij!: ooggetuigen van toen en nu over de bevrijding van Warnsveld, Zutphen en De Hoven
W. Hermans, 'Gerrit Wolsink in Kamp Wöbbelin omgekomen', Oud Hengelo (11-20-2020)
Nederland's Patriciaat
Jacoba was koerierster in het verzet. Ze werd eind december 1944 in Zutphen gearresteerd en een dag later in Doetinchem in een cel gestopt.
Eind maart 1945 werd zij doorgestuurd naar kamp Westerbork. Bij binnenkomst moest zij haar kleren inleveren voor een overall met het nummer 27. Ze kreeg ook klompen, die twee maten te groot waren. In het kamp moest in de batterijensloperij werken: ‘We waren zwarter dan mijnwerkers’.
Op 11 april 1945 moet ze met meer dan 100 andere vrouwen onder begeleiding van bewakers kamp Westerbork verlaten. De vrouwenmars was begonnen. 4 dagen later werd de groep door de bewakers in de steek gelaten bij het plaatsje Visvliet. De groep werd vervolgens in Grijpkerk in een boerenschuur ondergebracht.
Tijdens deze gedwongen evacuatie mars heeft Jacoba geprobeerd te ontsnappen. Ze vond echter geen uitweg. Na haar ‘bevrijding’ is Jacoba met drie andere vrouwen lopend en liftend terug naar huis gegaan. Ze was vijf dagen onderweg.
Bindert: getrouwd met Paul Bresser (schoonzus van Truus Bresser no. 29)
Latere adres:
Waterbergseweg 27
6815 AL Arnhem
---
Bron Bindert Kort telef. verslag van mevr. Bresser-Tebbenhof nr. 28.
---
Bron; OVCG:
Naam: Fenny Tebbenhof
Geboren: 10 maart 1920
Overleden:
Ouders: Fenna Tebbenhof-Prins (overleden 10dec 1958)
Vader Jacobus Tebbenhof overleed op 11 maart 1944
Broers/zussen:
Schoonzus: Truus Bresser
Huwelijk: Paul Bresser (23 juli 1920 te Arnhem - … )
Kinderen:
Oorlogsgegevens:
Verzetsblad Daily World New, uitgegeven in Arnhem.
Vriendschap Fenny Tebbenhof, Truus Bresser (= schoonzussen) en Jacoba van der Kun
--
https://www.geldersarchief.nl/bronnen/archieven?mizig=210&miadt=37&miaet=1&micode=2867&minr=2524360&miview=inv2
Paul Bresser;
Oud verzetsman Arnhem. Drukte de krant: The Daily World News. Was aangesloten bij de groep van Jannes van de Bergh, Leo Blok, Wietse Steenstra. In 1942 verhoord door Becker in huis van dr. Hartog. Ontsnapt en weer gepakt door Johny de Droog. Vrij Nederland werd verspreid door Wim Speelman en Henk Hos. Berends, Hoekstra, Grin en Wameling waren Nederlanders die fout waren.
Zijn vrouw Fenny Tebbenhof was bevriend met Hans Logjes. Klaas Schuttinga was actief saboteur en hoorde bij de groep Jannes van de Berg. Klaas Schuttinga, Nico van de Oever en Paul Bresser zaten bij de L.K.P. Doodgeschoten bij de Pinkenberg door Huhn waren Harry Kuipers, Charles Mozes en Klaver. Zij werkten voor het Rode Kruis. Niet Penseel maar Klaas en Nico hebben Bob Peatling uit het politiebureau gehaald. Kraayenbrink zat bij het Pompstation van de waterleiding hiervan kregen zij papieren dat zij in dienst waren van de Gemeentelijke waterleiding. Even bij de fam. Looyen (JOHAN? OPZOEKEN - evacué opgepakt met oma) gezeten en toen opgepakt op 4 januari 1945. Ondergedoken op de Veluwe.;
Latere adres: Obrechtstraat 44 6815 BS Arnhem
Reunie - 28 Tebbenhof en 29 samen
---
Bron Bindert: Kort telef. verslag van mevr. Houwerzijl-Bresser nr. 29.
----
Naam: Truus Houwerzijl-Bresser
Nummer: 28
Andere gevangen familie: schoonzus Fenny Bresser-Tebbenhof (nummer 28)
Geboren: 26 september 1921, Arnhem
Overleden: 30 april 2003, Netterden
Ouders: Hermanus Johannes Bresser (1884-1970) en Wilhelmina Maria Schoenmeijer.
Broers/zussen:
Paul Bresser (getrouwd met Fenny Bresser-Tebbenhof no. 28)
Herman Bresser.
Check: omgekomen in Neuengamme na transport van De Kruisberg tussen 2-5 feb 1945 = Bresser, D. J. G. (16-6-1894 * 1-4-1945)
Echtgenoot: Jan Jacob Houwerzijl (1911 Rotterdam - 1999 Arnhem)
Kinderen:
Oorlogsgegevens:
2 Januari 1945 werd Truus Bresser samen met haar schoonzus gearresteerd. Eerst naar opvoedingsgesticht de Kruisberg in Doetinchem gebracht en daarna Westerbork.
Zeshonderd Arnhemmers veranderden Openluchtmuseum halve eeuw geleden in een vluchtelingendorp
Zenuwendrank en hoestsiroop waren verkrijgbaar op de zolder van het Goedjaarshuis. Het Marker vissershuisje was ingericht als winkel. De meeste andere gebouwen deden dienst als woning. Zeshonderd Arnhemmers vonden een halve eeuw geleden een veilig onderdak in het Openluchtmuseum. „Iedereen dacht dat het met een paar dagen wel afgelopen zou zijn. Het duurde drie maanden".
Een statig pand aan het Stationsplein vormde tot september 1944 de veilige tliuishaven van Truus Bresser. Aan het eind van de oorlog was het veranderd in een puinhoop. Operatie Market Garden was nog maar net begonnen, toen het bevel kwam dat de inwoners van de Gelderse hoofdstad hun biezen moesten pakken. Arnhem zou dagenlang het toneel van hevige strijd worden. Het stadshart werd weggevaagd.
Tal van Arnhemmers kwamen in de omgeving van Apeldoorn of Ede terecht. De familie Bresser trok naar Velp en vandaar naar het Openluchtmuseum. Het wandelgebied, dat karakteristieke panden uit alle delen van het land tentoonstelt, veranderde in een compleet dorp, dat volledig afgesloten was van hulp van buiten. Binnen tien dagen vonden zeshonderd Arnhemmers er onderdak. „Het was de eerste dagen een chaos. Huizen, boerderijen, het zat allemaal vol. In de molen woonden op elke verdieping mensen. In de drie tentoonstellingsgebouwen zaten tweehonderd vluchtelingen. Ze sliepen naast elkaar in het stro".
Truus Bresser sliep met vijftien anderen op de grond in een blokhut van boomstammetjes, „''s Avonds moesten we beurtelings een poosje draaien aan een fietswiel om de lamp brandende te houden. En overdag scharrelden we maar wat rond".
Vuurtje
Het Openluchtmuseum was geen luilekkerland. Iedereen moest meedoen aan de corveediensten. Er werd hout gehakt en er moest voor zeshonderd mensen eten bij elkaar gescharreld worden. De mannen groeven loopgraven en schuilkelders, de vrouwen schilden aardappelen. Een groep mannen moest voedsel zien te bemachtigen in de verlaten stad, die door de Duitsers leeggeroofd werd.
Op de plaats waar nu het parkeerterrein van het museum is, werd groente verbouwd. De bewoners maakten er vrijelijk gebruik van. Aardappelen kwamen van omliggende landerijen, waarvan de eigenaren geëvacueerd waren.
Er kwam een distributiebureau en in de blekerij werd een centrale keuken gevestigd. Maar velen kookten liever zelf, eerst op een vuurtje buiten, en toen dat niet meer mocht, werden in de huizen kacheltjes neergezet. De pijpen staken door de ramen naar buiten. „We kregen eieren uit waterglas; niet te eten".
In het kamp was al gauw een bestuur gevormd. Korte tijd verscheen er zelfs een kampkrant. Dokter Nieveen leidde als ''burgemeester'' de openluchtbijeenkomsten waar de dorpsaangelegenheden geregeld werden. Dr. Glazema werd aangesteld als waarnemend museumdirecteur. Hij moest de kunstschatten beschermen en voerde daarover een ware strijd met de dokter-burgemeester, die meer oog had voor de belangen van de museumbewoners. Behalve voor burgemeester speelde Nieveen op 5 december ook voor Sinterklaas.
Granaten
Ongevaarlijk was het niet in het museumdorp. Er kwamen nogal wat granaten over, en soms kwam er één naar beneden. ,jKan het geluid kon je horen of een granaat gevaarlijk was". Op zaterdag 7 oktober werd een zeventienjarige jongen dodelijk getroffen door een granaatscherftoen hij op weg was om bij een bron water te halen.
In sommige gebouwen heerste een ware muizenplaag. Er was nóg een plaag: ook de Duitsers die op gezette tijden het museum aandeden waren niet erg plezierig. Een groepje soldaten had er bijzonder pi. if-mm veel aardigheid in om met handgranaten rondzwemmende eenden dood te gooien.
Onverwachts weerklonk soms de waarschuwing: „Razzia!" Ook de vier broers van de tweeling Riek en Alie Otten moesten zich verschuilen als er Duitsers in de buurt kwamen. Ze vlogen dan de vliering van het tentoonstellingsgebouw op waar vader en moeder Otten met tien kinderen onderdak gevonden hadden. Andere mannen zochten tussen de bonenstokken in de groentetuin een goed heenkomen. Veel succes hadden de Duitsers niet, want het bericht van hun komst ging als een lopend vuurtje rond.
Mina Bakgraag
„Voor de kinderen was de museumtijd een beetje wildwest", herinnert L P. J. Vroemen zich. School was er niet, ze hadden wat taken in het museum, ze moesten in het bos eikels gaan zoeken voor de varkens, maar verder was het vrijheid, blijheid. Aan speelruimte geen gebrek. Schoon bleef je toch niet, dus vuile handen en modderkleren waren opeens niet erg meer. Hun ouders maakten zich grote zorgen over hun veiligheid, over de familie met wie ze geen contact hadden en over hun verlaten huis, maar voor de kinderen was het „een machtig interessante tijd".
De museumbevolking bestond niet uit louter helden. Eén vrouw, „Mina Bakgraag" in de wandeling, vermaande de jongelui niet te luidruchtig te zijn, „anders horen de vliegtuigen het".
De museumbewoners probeerden zich schoon te houden in de vijver rond de Zaanse buurt. ledere morgen ging dr. Glazema, de waarnemena museumdirecteur, hier poedelnaakt te water terwijl zijn vrouw op de uitkijk stond. Voor de grote beurten werden in de loodsen "baduren" ingesteld: een vaste middag voor de dames en kinderen, en een middag voor de heren. Met het vriendelijk verzoek aan de andere sekse om uit de buurt te blijven.
Kerken stonden er in het Openluchtmuseum niet, maar ook in de open lucht kun je een samenkomst houden. De bewoners timmerden een altaar en een priester kwam de mis opdragen. Hij had ook niet-rooms-katholieken onder zijn gehoor.
V-1
Wachten duurt lang. Na een paar maanden was Arnhem nog steeds verboden terrein. De Bressers besloten echterom terug te gaan naar hun huis.
Truus broers hielpen er geallieerde parachutisten ontsnappen. Ook de Duitsers kregen daar lucht van. Op 2 januari pakten ze Truus en haar schoonzus op. De broers kregen ze niet te pakken. De beide arrestantes werden eerst naar het Doerinchemse opvoedingsgesticht Kruisberg gebracht en daarna naar Westerbork. Half april werden ze vrijgelaten, nadat de vluchtende Duitsers hen eerst tot bij Groningen meegenomen hadden. Toen Truus begin mei in Arnhem terugkeerde, was er van haar ouderlijk huis niets meer over.
De meeste museumbewoners moesten begin 1945 vertrekken. De tweeling Riek en Alie Otten ging naar Deventer. Het was net op tijd: op 11 februari viel er een V-1 tussen twee van de tentoonstellingsloodsen, waar tot voor kort honderden evacués hadden gewoond. Het ene gebouw was helemaal verdwenen, het andere zwaar beschadigd.
BabyNOM
Een deel van de evacués bouwde na de oorlog hun stad weer op. Velen zagen elkaar tientallen jaren niet weer. In 1984 werd voor het eerst een reünie gehouden, waarbij de tentoonstelling "Gesloten wegens bewoning" te bezichtigen was. Een zeventigtal oud-museumbewoners kwam op 1 juli dit jaar opnieuw bij elkaar. Zij kregen in het Openluchtmuseum als eerste de expositie "OverLeven; evacués in het Openluchtmuseum na de Slag om Arnhem" in de Delftse Windkorenmolen te zien. „Als u weg bent, mag de rest van Nederland erin", werd hen verteld.
In de „museumtijd" werden drie baby''s geboren. Eén van hen was tijdens de reünie aanwezig. Vingers priemden naar een grijzende dame: „Dat is de baby". Ze slaakte haar eerste schrille kreten in de oliemolen.
Een andere boreling werd Nora Olga Marijke genoemd. De initialen N.O.M, stonden voor Nederlands Openluchtmuseum. Als herinnering aan het toevluchtsoord.
Gepubliceerd op: 2 september 1994
L. Vogelaar
Bronnen:
Gelders Archief
https://www.digibron.nl/search/detail/012df26d34da690fa6fb438a/mina-bakgraag-was-een-beetje-bang
Truus Bresser werkte in de oorlogsjaren met haar broers Herman en Paul mee aan de vervaardiging van het illegale tijdschrift DAILY WORLD NEWS in Arnhem.
Pagina 97/98 (nr 134) De Ondergrondse Pers van Lydia Winkel
https://www.geni.com/people/Truus/6000000055755797342
https://www.vriendenkringneuengamme.nl/downloads/downloads/neuengamma-bulletin-maart-2014_989.pdf
Bindert: Aan paal gebonden bij een boerderijk en kaalgeknipt?
[1] Cornelia van der Woerd - "Er waren ook een paar spionnen, meisjes die wij niet vertrouwden. [...] No .30, 33 en 25 mochten mij nooit nieuws vertellen. Uit Groningen kwam een meisje voor wie ik direct gewaarschuwd werd: Hannie Sneijder, no. 99. Dochter van Riek van Dijk.
+ Aduard vrij
Bron Bindert: Het verhaal door zuster J.L. Scholten nr. 31.
Zus van 32.
Werd 1 dag voor Visvliet vrijgelaten met 12 andere vrouwen. P 52 [1]
--
Johanna Lamberta Scholten
Geboren: 19-09-1903
Overleden: 20-08-1993
---
In 2024 liep Ellen Middelwijk uit Meppel mee met een nummer van Scholten, zij deed daarna onderzoek en mailde ons vanuitemiddelwijk@middelwijk.nl
(zie mailbox, 2 juli 2024)
Hallo Ika,
Ik heb nieuwe informatie gekregen over de zusters Scholten.
Ik ben verder aan het zoeken omdat de zusters scholten contact hadden met Guillette Douwes,
de zus van Arnold Douwes (verzet Nieuwlande)
Guillette hielp joodse kinderen onderduiken...
Guillette Douwes had ook contact met Johan Langkamp die volgens mijn tante bevriend was met mijn opa.
Guillette had ook contact met Henriette Zeehandelaar die in het verzet zat... en haar zus Heintje roepnaam Hennie
zat ondergedoken bij 2 buren van mijn opa en oma....
Dus wel heel toevallig dan mijn man en ik dit jaar mochten lopen voor de gezusters Scholten.
Groetjes,
Ellen
Zus van 31.
Lamberta Johanna
Geboren: 28-05-1908
Overleden: 07-05-1967
Berth Scholten (zuster)
Dedemsvaart
Verborg een joodse man in haar woning.
Zij deelde een cel met Jan Adams, Truus Bresser, Iet Gerritsen en Minie Rietman
Lees meer op deze pagina: Adams, Jantje; Bresser, Truus; Scholten, x; Rietman, Minie.
Lees meer: Van De Kruisberg naar Westerbork
Genoemd door Cornelia van der Woerd P41 als spion. Was wel op reunie in 1995?
[1] Cornelia van der Woerd - "Er waren ook een paar spionnen, meisjes die wij niet vertrouwden. [...] No .30, 33 en 25 mochten mij nooit nieuws vertellen. Uit Groningen kwam een meisje voor wie ik direct gewaarschuwd werd: Hannie Sneijder, no. 99. Dochter van Riek van Dijk.
---
Bindert: Valeriusstraat 167 - 7604 CM Almelo - 05490-20022
Geboren: ~1923
Overleden: juli 2029 (Vriezenveen) - 96 jaar oud.
Getrouwd met Gerrit Schipper (overleden 1984)
Kinderen:
Jaap Schipper, getrouwd met en Lidy Prenger
Margreet Schipper, getrouwd met Werner Roozenboom
https://www.mensenlinq.nl/overlijdensberichten/jantje-schipper-adams-8406856
---
OVCG:
Oorlogsgegevens:
Koerierster.
December 1944 gearresteerd in Enter door SD-ers Holbeck, Rüting, Neubacher, Campman en Veefkind.
Naar SD gebouw aan Bornsestraat gebracht. Eind maart op transport naar Westerbork.
----
Stenendijk 5 Beerzerveld, Ommen
De boerderij Oldambt (Stenendijk 5) is een moderne kop-rompontginningsboerderij uit omstreeks 1930.
https://www.dbnl.org/tekst/sten009monu03_01/sten009monu03_01_0011.php
http://hethistorischportaal.nl/wp-content/uploads/Twente-en-de-Tweede-Wereldoorlog.pdf
Referentie: Mevrouw Lucy Bakker - heeft meegelopen en verdiepend onderzoek gedaan.
Contact gezocht via Rixt.
Dorus van ingen 1892-1921 &1916 Catharina van Wijgerden 1895-1992 (27. September 1895 in Brakel)
Getrouwd op 27-01-1916
Doorgestuurd 6. Oktober 1943 naar Vught?
---
Niet kloppend verhaal
Interview Trouw (3 juli 1993) met zoon "Peter van Ingen" geboren in 1950. Is geen zoon, want moeder trouwde pas na de oorlog met een Van Ingen.
Zondag begint een nieuwe reeks 'Zomergasten' met gastheer Peter van Ingen (42), een van de meest prominente VPRO-programmamakers van dit moment. Openhartig onderhoud over zijn afkeer van politici ('allemaal leugenaars'), de commotie in de VPRO ('twee mensen in vaste dienst wilden de macht grijpen') en zijn joodse afkomst ('ik ben met wantrouwen opgegroeid').
PIETER WEBELING3 juli 1993, 00:00
Van Ingen zou teveel vragen naar de bekende weg, 'ongeinteresseerd' zijn en zelfs 'eloquentie, alertheid en ervaring' ontberen. “Bij 'Zomergasten word ik door sommige tv-recensenten neergezet als een afstandelijke, arrogante klootzak,” beaamt de programmamaker. “Dat gebeurt als ze je niet in een hokje kunnen plaatsen, want bij symposia op televisie zien ze me juist niet 'afstandelijk': ik ben brutaal, provoceer, vraag alles, zweep de discussie op. Ik denk dat mensen zich niet verdiepen in de rol die ik bij 'Zomergasten' speel. Ze zijn gewend aan talkshows, waarbij het vooral draait om de presentator. Maar ik hoef niet op de voorgrond, daar is het programma niet voor, het is geen showbizz. Mijn gast is weerbaar en intelligent genoeg om zichzelf te tonen. Dit seizoen schotelt de VPRO achtereenvolgens voor: 's werelds meest vermaarde Rembrandt-kenner Ernst van de Wetering, schrijver Ian Buruma, schrijfster Lieve Joris en publicist, columnist en oud-voetballer Jan Mulder. Van Ingen waarschuwt zijn sneerders & schimpscheuters alvast: geen van deze uitzendingen zal een spetterend bloed aan de paal-treffen worden.
“Kijk, ik voel mij journalist. Nieuwsgierigheid drijft mij, verbazing drijft mij. Ik nodig een gast uit om zijn ideale televisieavond samen te stellen, waarbij het de bedoeling is dat de keuze van het beeldmateriaal een sluier oplicht van zijn persoon. Nou, in die opzet zou het oneigenlijk zijn iemand te vloeren vanwege 'schandelijk gedrag' ofzo. Bovendien sluit een gast zich bij zo'n confronterende aanpak af. Tijdens die drie uur 'Zomergasten' kun je beter iemand uit zijn schulp laten komen, zodat je hem langzaam ziet groeien.
Op zo'n avond ben ik op zoek naar huiselijkheid. Als een gast nerveus is laat ik hem of haar vooraf wennen aan de entourage, de camera's, het licht. Ik creeer een 'met z'n allen'-sfeertje, de gast moet een deel van het team worden, we gaan iets leuks doen. Ik zeg altijd: met pa en moe naar de speeltuin toe. Die gemoedelijkheid moet van het scherm afkomen. Het verschrikkelijke van 'Zomergasten' is alleen dat ik steeds wakker word geschud, dan moet je na vier, vijf minuten weer door naar het volgende fragment. Soms heb ik iets van: Godverdomme ik wil doorpraten, ik wil zo graag doorpraten''.
Waar richt je je op, tijdens de voorbereiding van een gesprek?
“Ik ben op zoek naar het scheurtje, haha. Waar zit bij iemand de tegenstrijdigheid, het contraire? Dan heb je 't. Dat maakt die persoon fascinerend.
Cliches en vooroordelen probeer ik te doorbreken. Om iemand echt te begrijpen ben ik in de voorbereiding als een bezetene met een gast bezig.
Is die nieuwsgierigheid puur professioneel? Of komt daar ook persoonlijk getinte interesse bij?
“Dat loopt door elkaar heen.”
Hoe merken we het verschil?
“Nauwelijks te zeggen. Je moet wel afstand houden. Het mogen nooit mijn kameraden worden, want je maatjes spaar je.”
Je zoekt een ontspannen sfeer met een zekere intimiteit, tegelijkertijd wil je distantie houden. Wrikt dat nooit? .. ja. Maar is het intiem? Dat is mijn punt. Het absurde van televisie is dat je in een aantal uren een eigen wereld probeert te creeeren. Sommige mensen zullen in zo'n uitzending toch de behoefte hebben iets vertrouwelijks te vertellen. Rene Soutendijk had dat. Die intimiteit was ongedwongen, niet artificieel, heel mooi vond ik. Dat is wat anders dan de meeste talkshows, waar de onoprechtheid vanaf druipt. Het gaat alleen maar om de uitspraken.
Mooi zo, dan weten we dat deze meneer het met zijn geit doet, so what? Dat is exhibitionisme, vies doen op televisie.''
“Op het moment dat je gaat doorvragen voor het effect in de huiskamer, terwijl je zelf eigenlijk niet echt in dat onderwerp geinteresseerd bent, overschrijd je de grens. Maar het blijft moeilijk, hoor. Televisie is voyeurisme. Iedere vraag is daar in feite een onderdeel van. Ik ben zelf een voyeur, maar ik noem dat deel liever 'nieuwsgierigheid'. Ik beloer niet iemand.”
Jouw VPRO-collega Wim Kayzer zei ooit: “Je stelt vragen, waarop jezelf ook het antwoord niet echt weet, aan een ander. En intussen blijf je zelf buitenspel. Je moet onderscheid maken tussen een straathoertje en een prijzig escort-madammeke, maar het blijft hoererij. Herkenbaar?”
“Ja, ik ben het met Kayzer eens. Ik ben ook verbaasd over die wetmatigheid: de journalist stelt vragen maar blijft zelf buiten schot.
Kayzer vond ook dat er 'een zekere lafheid' in die journalistenhouding zit. .. je hebt een beroep gekozen waarin je anderen graag laat vertellen hoe iets voelt. Daarbij hoop je antwoorden te krijgen waar je zelf naar op zoek bent. Dat is een van de redenen waarom je dat vak inrolt. Ik noem het vaak hoernalistiek. Natuurlijk voel ik me af en toe een hoertje. Niet alleen tijdens een gesprek. Als ik iemand achterna loop om hem of haar in mijn programma te krijgen, als ik echt moet slijmen... dan kots ik van mezelf.
Verschrikkelijk. Daarom ga ik nu niet meer zo ver dat ik een gast coute que coute wil hebben.''
“Vooral met politici is het hoererij. Rottenberg. Fantastisch voorbeeld. Die hoefde je maar te bellen en hij stond hijgend voor je klaar, bepoederd en wel. Maar als je hem nu belt over Ter Veld of In 't Veld, dan heeft hij toevallig een feestje, snap je? Het is van beide kanten hoererij. Voor een groot deel is dat soort journalistiek gewoon misbruik maken van elkaar.
Politici moet je nooit vertrouwen.''
Van Ingen wordt gezien als een exponent van de typische non-conformistische en eigenzinnige VPRO-familie, die naar de buitenwacht toe bij voorkeur opereert als een gesloten fort. Een paar jaar geleden stond dat bastion evenwel te trillen op zijn grondvesten: interne ruzies en wrevel binnen de VPRO werden breed uitgemeten in NRC Handelsblad en de Haagse Post. Het contact met de tv-leiding - Roelof Kiers en Cherry Duyns - zou volgens medewerkers 'teleurstellend en ontmoedigend' zijn.
Hoe stond jij tegenover die onvrede?
“Die kritiek was vooral geent op persoonlijke relaties. Een aantal freelancers probeerden brandje te stichten bij de VPRO, omdat er een programma van ze was afgekeurd ofzo. Waar ik me ontzettend aan geergerd heb is dat anonieme gedrag, want intern is er nooit openlijke discussie geweest, he? Die publicaties in NRC en die gemakzuchtige HP waren bijna uitsluitend gebaseerd op anonieme bronnen. Om zo de boel te verlinken... dat vind ik het ergste wat er bestaat. Verraad”.
Tegelijkertijd is zo'n handelwijze een indicatie voor de vermeende slechte sfeer. .. nu ga ik me daar weer over opwinden. Die sfeer werd juist door hun gecreeerd!''
Wie zijn naar jouw idee dan de 'kwaadwillenden'?
“Er waren twee mensen in vaste dienst die heel graag wilden dat Roelof ging moven, omdat ze de macht wilden grijpen, ze wilden graag directeur televisie worden: Emile Fallaux en Feike Salverda. Ja, zij zaten volgens mij ook achter dat gegossip en die stoelpoten-zagerij. Het feit dat die twee zijn weg gegaan, is heel goed geweest voor de VPRO. Fallaux is later door zijn talent heel goed terecht gekomen bij het Rotterdams filmfestival, maar kijk eens naar Salverda? Die is onder andere bij AT-5 toch ook weer stennis gaan schoppen?” “Juist door die affaire werd mij duidelijk dat 't niet altijd zo positief is, de VPRO als familiebedrijf, waarin dingen zo informeel konden worden benaderd. Want als het in een familie knalt, knalt het ook goed, begrijp je? Ik moest er zelf ook aan wennen, maar we zijn in de laatste jaren uitgegroeid tot een echt, professioneel bedrijf. Die vernieuwende en tegendraadse VPRO-indentiteit is er nog steeds. Wat me wel zorgen baart is de samenwerking met andere omroepen: het spelletje Lingo op de VPROavond, weetjewel? Voor je 't weet zit je met z'n allen aan tafel bij NOVA. Maar goed, toekomst voorspellen is nooit mijn sterkste kant geweest.”
Noem eens een paar andere, minder briljante eigenschappen?
“Ik neem teveel hooi op mijn vork. Een voorbeeld: vier jaar lang heb ik 'Belevenissen' gemaakt, bijna in m'n eentje, om de week. Ik merkte dat mijn televisietechniek ook in het gewone leven op de voorgrond kwam. In de spaarzame tijd die ik over had ging ik gesprekken met vrienden monteren: 'Wat-ie nu zegt, kan er wel uit'. Ik zat in de bioscoop naar een film te kijken en dacht even dat ik in de montagekamer zat: 'Spoel maar door'. Ik kon er niet meer van loskomen. Daar ben ik ontzettend van geschrokken.”
“Wat ik voor mezelf ook mis is analytisch denken. In een mooie documentaire het verhaal over iets maken, dat is voor mij onderontwikkeld gebied. Ik kan het moeilijk opbrengen om lange tijd met een onderwerp bezig te zijn, daar word ik hypernerveus van. Ik wil met een paar dingen tegelijk bezig zijn. Die multi-inzetbaarheid vind ik wel aardig, ik organiseer bijvoorbeeld ook tv-debatten, zoals laatst met de generaals. Ik hoef niet per se op de buis.
En misschien is het valse bescheidenheid, maar ik denk dat de mensen bij een programma als 'Zomergasten' meer geinteresseerd zijn in de gast dan in mij.
Daarom geef ik niet zoveel interviews. Het gaat niet om mij.''
“Weet je, ik voel me vaak een buitenstaander. Ik ben altijd beobachter geweest. Zoals elk enig kind was ik sterk op mezelf gericht, tegelijkertijd had ik behoefte aan contacten. Ik moest degene zijn die dat initieerde: zo leerde ik sociale vaardigheid. Maar ik blijf aan de kantlijn.
Heeft jouw Duits-joodse afkomst daarmee te maken?
Luchtig: “Dat kan het zijn. Mijn moeder is inderdaad Duits-joods, zij is eind jaren dertig van Berlijn naar Amsterdam gevlucht. Tijdens de oorlog dook ze onder bij een Nederlandse man, met wie ze later trouwde. Het klassieke verhaal, dus. Ik werd in mijn jeugd meer gezien als kind van een Duitse, dan kind van een jodin.”
Van Ingen werd in 1950 geboren. De oorlog had zijn spoor getrokken in huize Van Ingen; zijn moeder heeft in het concentratiekamp Westerbork gezeten.
“Maar ik ben geen 'tweede-generatieslachtoffer', zoals dat heet,” zegt hij met klem.
och kan ik me voorstellen dat je als kind onbewust wel degelijk iets meekrijgt van die oorlog.
”Mja, dat is ook zo, dat is ook zo. De oorlog was wel aanwezig bij mij thuis, maar nooit uitgesproken.” Denkpauze. “Kijk, ehm... moeilijk op te reageren. Ernst van de Wetering, mijn eerste gast, is een kind van foute ouders. Dat onderwerp komt zeker aan de orde. Hij wil ook een uitzending van 'Rondom Tien' laten zien, waar kinderen van foute ouders en kinderen van joden met elkaar worden geconfronteerd. Nou, die avond zitten wij dus ook bij elkaar. Dat krijgt een persoonlijke lading. Interessant.” Zonder overgang: “Ik woonde in de Gerrit van der Veenstraat in Amsterdam. Daar zat ook de SD, in het meisjeslyceum. Er was een razzia. Mijn moeder en mijn grootmoeder werden getipt, maar m'n grootmoeder wilde nog even snel geld halen dat ze achter de spiegel had verstopt. Op de hoek van de straat zijn ze opgepakt.
Die buurt, bij het Olympiaplein, gingen wij nooit in. Dat is heel beladen voor mijn moeder. En daarom ook voor mij. Maar... je komt al gauw in cliches terecht.''
“Ik betrap mezelf vaak op: vertrouw ik iemand of vertrouw ik iemand niet? Ik heb dat heel erg sterk. Dat is de basis voor al mijn interviews. Is-ie kraakhelder? Nee, niemand is kraakhelder, maar waar zit dan het scheurtje?
Daarom kan ik nauwelijks politici interviewen. Dat zijn allemaal leugenaars.''
“Het vreemde feit doet zich voor dat mijn vrouw nog geen kilometer van mij vandaan bleek te wonen. Haar moeder woonde ook een kilometer van mijn moeder in Berlijn, nog voor de oorlog. Maar dat wisten ze niet van elkaar. Haar moeder heeft ook in Auschwitz gezeten, met mijn grootmoeder. Mijn schoonmoeder heeft het overleefd, mijn grootmoeder dus niet. Heel vreemd, allemaal. En ik heb mijn vrouw gewoon in een cafe ontmoet, hoor. Zo van: 'Is deze kruk nog vrij?' ”
“Maar goed, je bent met wantrouwen opgegroeid. Dat wel. Je bent grootgebracht in een milieu dat zich bewust was waar mensen toe in staat zijn. Dat is je wel ingeprent. Duitsland stond in de jaren twintig en dertig cultureel gesproken bovenaan de ladder in Europa, en dat land kon zo verworden. Mijn moeder en mijn schoonouders zagen het in tien jaar tijd gebeuren. Ze leefden die laatste jaren in een jungle, ze moesten uit Berlijn vertrekken. Je leert iets over de menselijke natuur, dat is iets wat je meekrijgt. Onbewust.”
Is het misschien zo dat je sluimerend mensen beoordeelt in de zin van: zou jij fout zijn in de oorlog of niet? .. heel duidelijk! Ook met mijn vrouw, daar hebben wij het vaak over, eigenlijk altijd! Het is een soort slogan van ons: 'Die kan je vergeten, hoor, daar kunnen we niet naartoe in de oorlog, daar kunnen we niet onderduiken.' Is ook een grapje, natuurlijk.''
Maar ondertussen.
“Maar ondertussen. Ik zie nu die antiracisme demonstraties tegen Duitsland.
Dan denk ik toch van: wat zijn die mensen waard als het er echt op aan komt?
Daarom loop ik niet mee.''
Van Ingen wordt opgepiept. Na het gepleegde telefoontje loopt hij terug en zegt: “Dat wantrouwige, he... ik zou het liever 'afwachtend' willen noemen.
Dat uit zich vooral als mensen iets van mij moeten. Wat willen ze? Een interview. Waarom wil iemand mij interviewen? Het leuke van de journalistiek is dat ik heel goed kan omgaan met andermans scepsis, dat herken ik. Maar als journalist moet ik juist dat wantrouwen doorbreken. Naar mijn gasten toe ben ik dan ook nooit afwachtend. Dat contact is ook niet echt intiem, he. En dan kom ik weer terug op wat ik eerder zei: met pa en moe naar de speeltuin toe.
Kom op! Er doorheen! Als je het puur psychologisch bekijkt: daarmee overschreeuw ik natuurlijk mijn eigen wantrouwen.'' .. het is zoeken naar een evenwicht, daar ben ik nog niet helemaal uit. Critici zullen wel iets van die afwachtende houding herkennen, dat irriteert ze dan. Ach, da's ook wel aardig. Dat moeten ze dan vooral blijven doen, haha.''
Bron: Een paar brieven van nr. 35, van mevr. A. de Hartog aan de familie Bijleveld
--
Man: Jacob (Jaap) Hermanus den Haan (1936-17 september 2008, 76 jaar)
in 2019 al overleden: zussen Cobi en Willy haar zwagers Cor en Jan
Zus? Gré van Bommel - den Hartog
Zus?: Corrie Schipper - den Hartog • x Leo Schipper
Broer?: Willem den Hartog + Schoonzus Willy den Hartog - Bernhart
Overlijdens advertentie:
https://mensenlinq.nl/overlijdensberichten/annigje-cornelia-(anja)-den-haan-den-hartog-800452
Maar wij vertrouwen op Gods belofte en zien uit naar een nieuwe herel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont. 2 Petrus 3 vers 13
Dankbaar voor alles wat zij voor ons heeft betekend, geven wij u met droefheid kennis dat de Heere tot Zich heeft genomen onze lieve moeder, schoonmoeder en oma
Annigje Cornelia den Haan-den Hartog (Anja)
sinds 17 september 2008 weduwe van Jacob Hermanus den Haan in de leeftijd van 76 jaar.
Atlanta (USA): André en Ardy
Strijen: Jeroen en Danielle + Dennis, Lisette
Numansdorp: Marcel en Manja + Brenda, Brian, Tessa
Rijswijk: Johan en Krista + Benthe
8 februari 2019
Nieuwestraat 55 3291 AP Strijen
De begrafenisplechtigheid heeft vandaag, woensdag 13 februari, plaatsgehad op de Algemene Begraafplaats te Strijen.
---
Website De Kruisberg: verpleegster Annigje den Hartog die al sinds november, het mislukken van Pegsus II, gevangen zit.
https://mensenlinq.nl/overlijdensberichten/annigje-cornelia-%28anja%29-den-haan---den-hartog-800452
---
Karel Berghuysen, directeur Kruisberg
Pegasus mislukt.
3 Nederlandse gidsen gevangen genomen die de weg moesten wijzen, die de buurt kenden. Ook in Kruisberg gezeten. - gefussilleerd bij woeste Hoeve 8 maart. Annigje was daar bij. Ook een vliegenier (Johan Heinen).
----
[1] Zwanger. Zat in Grijpskerk. P53 "Moest bij de BS komen en werd op het gemeentehuis verhoord, maar weer vrij gelaten."
Mogelijk:
Berendina Dientje Voerhuis
Gehuwd: met Schnitger
Komt daarom ook voor als Berendina Dientje Voerhuis-Schnitger
Bekende gegevens (publieke genealogische bronnen):
Naam: Berendina Dientje Voerhuis
Geboorte: 22 juni 1900
Plaats: Zwolle
Overlijden: 10 februari 1988
Plaats: Zwolle
Huwelijk:
Echtgenoot: Hendrik Schnitger
Geboren: 1893 in Groningen
Gehuwd: 21 maart 1921 in Amsterdam met
Jan Cornelis Hendrik Fleer (1897–1945, Rademakersbroek)
Overleden: 1962
Kinderen:
Jan Cornelis Hendrik Fleer jr. (1921–1945) - 46 Rademakersbroek
Max Fleer (1922–1945) - zelfmoord in 1945
In de jaren dertig ging haar man bij het gezin weg, maar er kwam geen officiële scheiding.
Afina voedde de jongens grotendeels alleen op.
"De Waarzegster" - wordt een paar keer genoemd in Dagboek Cornelia van der Woerd-Moll. Oa. P39
Had 2 zoons (P38) waarvan er een zelfmoord had gepleegd in de gevangenis. Jan en Max.
P39 = "Mevrouw van der Wal had een meisje bij zich die een kindje verwachtte van een Duitse desserteur [no. 73 Grietje Offringa]. ze was opgepakt omdat ze hem had geherbergd." "Ze was de enige die haar haar nog had, ze had een klein knotse in de nek'.
https://ikgeefeengezicht.nl/themas_events/getroffenen/fleer/
Op 27 maart 1921 wordt Jan Cornelis Hendrik Fleer geboren in het huis van zijn grootouders aan vaders kant in Amsterdam-Oost, een paar dagen na het huwelijk van machinist op de koopvaardij Jan Cornelis Hendrik Fleer (Amsterdam 1897) en Afina Trijntje van der Wal (Groningen 1893). Jan krijgt het jaar daarop een jongere broer Max. Vanaf begin jaren dertig leeft vader apart van zijn gezin, maar Fien en hij scheiden niet officieel. Fleer senior verlaat Amsterdam en moeder voedt haar zoons alleen op. Ze is fanatiek communist, wat zorgt voor een verwijdering tussen haar en haar schoonfamilie. De jongens worden ook communist en ze zijn actief lid van de Amsterdamse atletiekvereniging AAC, waar ze aan hardlopen doen. Na de hbs kiezen Jan en Max om onderwijzer te worden. Ze gaan naar de Hervormde Kweekschool aan de Plantage Middenlaan 27 bij Artis. Hun directeur Johan van Hulst is in de oorlog fel gekant tegen de nazi’s en werkt mee aan het redden van zo’n 600 Joodse kinderen uit de vlakbij gelegen Hollandsche Schouwburg.
De bezetter verbiedt bij zijn aantreden de CPN direct en Afina, Jan en Max gaan bij het verzet. Vanaf het najaar van 1940 vervaardigen en verspreiden ze vanuit huis – Jan Evertsenstraat 55-ii in Amsterdam-West – de illegale partijkrant De Waarheid. De jongens leveren kopij en stencilen de krant in grote hoeveelheden. Samen met moeder brengen zij het blad rond in West. Hun vader daarentegen gaat in 1941 bij een hulporganisatie van de Luftwaffe: het Nationaalsozialistische Kraftfahrkorps (NSKK), oorspronkelijk een paramilitair onderdeel van de NSDAP, dat het gebruik van auto’s en motoren populair moet maken. Van zijn loon stuurt hij elke maand 120 gulden naar zijn gezin. Moeder en zoons leven van een valse stamkaart. Die van henzelf hebben ze aan het verzet gegeven.
In ’43-’44 verzorgen de jongens het technische apparaat van De Waarheid in sectie West
Ook houden ze zich bezig met het bezorgen van bonkaarten bij onderduikers en
werken samen met Het Parool
en de verzetsorganisatie Groep 2000 van Jacoba van Tongeren, die aan het einde van de oorlog zo’n 4500 onderduikers verzorgt.
In 1944 gaan de Fleers ook op grote schaal het illegale blad Ons Volk verspreiden.
Tijdens de Hongerwinter besluit Afina in december naar haar zus in Slagharen te gaan, omdat daar meer te eten is. Jan en Max zijn op dat moment gearresteerd en zitten vast in Amersfoort, maar ze weten te vluchten en naar hun moeder te komen. Vader Jan is er waarschijnlijk ook, want hij is rond Dolle Dinsdag gedeserteerd en ondergedoken, vermoedelijk bij zijn oude gezin (wat persoonlijk en politiek de nodige spanning zal hebben opgeleverd).
In Slagharen zetten moeder en zoons wellicht hun verzetsactiviteiten voort, want een plaatselijke NSB’er geeft hen aan als communisten.
Op 24 januari wordt het hele gezin gearresteerd en tijdens verhoor zwaar mishandeld.
Max wil alle schuld op zich nemen en doet op 8 februari in de gevangenis in Almelo een zelfmoordpoging, waaraan hij de volgende dag overlijdt.
Jan junior en senior belanden in De Kruisberg; moeder waarschijnlijk ook.
Vader en zoon worden op 2 maart gefusilleerd. https://de46vanhetrademakersbroek.nl/man/jan-cornelis-hendrik-fleer-2/
46 mannen "Van Rademakersbroek" worden gefussilleerd als represaille
https://de46vanhetrademakersbroek.nl/man/
Op 2 maart 1945 worden rond 8 uur ‘s ochtends 46 mannen gefusilleerd op een akker aan het Rademakersbroek bij Varsseveld in de Achterhoek. Allen zijn zogenaamde Todeskandidaten uit gevangenis De Kruisberg van de Sicherheitsdienst in Doetinchem. Ze zijn pas in de laatste maanden van de oorlog opgepakt, maar zullen de bevrijding net niet halen: slechts 4 weken na hun dood wordt Aalten en omgeving bevrijd. Tot onnoemelijk leed van de families die zij achterlaten: (zwangere) vrouwen, kinderen, ouders, broers en zussen. Ook volgende generaties zullen onder dit trauma gebukt gaan. Onder deze 46 mannen die nooit uit de oorlog zouden terugkeren zijn kopstukken van het verzet uit de randstad, Gelderland en Overij
(Ex) Man: https://de46vanhetrademakersbroek.nl/man/jan-cornelis-hendrik-fleer-2/
Zoon Jan: https://de46vanhetrademakersbroek.nl/man/jan-cornelis-hendrik-fleer/
Afina komt bij de bevrijding met de schrik vrij, maar moet na de oorlog enige tijd worden verpleegd in een psychiatrisch ziekenhuis in Santpoort.
Om het graf van haar man in Lutten (bij Hardenberg) bekommert ze zich niet. De kinderen worden in 1948 herbegraven op Eerebegraafplaats Bloemendaal. Er vindt dan een korte verzoening plaats tussen Afina en haar schoonfamilie. Zo logeert een jonger neefje een tijd bij haar om gezelschap te houden. Hij slaapt in het bed van zijn oudere neven en speelt met hun speelgoed. Maar als een communistische kennis er vandoor gaat met de verloofde oudere zus van dit jongetje wordt het contact weer verbroken.
Afina Fleer-van der Wal overlijdt in 1962.
--
Afina was:
fanatiek communistisch
samen met haar zoons actief in het verzet
Vanaf 1940:
maakten en verspreidden zij De Waarheid vanuit hun woning in de Jan Evertsenstraat in Amsterdam
werkten samen met:
Groep 2000
Het Parool
bezorgden bonkaarten aan onderduikers
➡️ Dit was dus een gezin dat als eenheid in het verzet zat.
Haar man:
ging in 1941 bij het NSKK (Luftwaffe-hulporganisatie)
vocht aan het Oostfront
deserteerde pas rond Dolle Dinsdag en dook toen bij zijn gezin onder
Dat betekent:
⚡ Binnen één gezin zaten verzet én collaboratie.
Dat is historisch gezien zeer uitzonderlijk en zwaar belastend.
Tijdens de Hongerwinter ging Afina naar haar zus in Slagharen voor voedsel.
Daar:
werden zij verraden als communisten
24 januari 1945 gearresteerd
zwaar mishandeld tijdens verhoren
Max:
probeerde alle schuld op zich te nemen
pleegde zelfmoord in de gevangenis van Almelo
overleed op 9 februari 1945
Dit is een cruciaal trauma in haar levensverhaal.
Man en zoon kwamen terecht in De Kruisberg.
Beiden:
gefusilleerd op 2 maart 1945
bij de executie van De 46 van het Rademakersbroek
Dus in één maand verloor zij:
haar zoon door zelfmoord
haar man door executie
haar andere zoon door executie
Afina:
overleefde de oorlog
moest worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis in Santpoort
leefde daarna vrij geïsoleerd
In 1948:
werden haar man en zoon herbegraven op de Eerebegraafplaats Bloemendaal
korte verzoening met schoonfamilie
maar die brak later weer.
Latere adres: Graanvisch 15113 - 2132 EH Hoofddorp
Vrouwen van Trouw
Emilie Claus (28-5-1921) was een Nederlandse verzetsvrouw uit Amsterdam. Ze was als stadskoerierster actief voor de illegale krant Trouw. In de Trouw-groep werd het gerucht verspreid dat ze zou zijn gefusileerd, wat niet op waarheid berustte. Wel heeft Claus vastgezeten in kamp Westerbork.
B.C.J. ter Weer getrouwd met Gijsbertus Schaftenaar. Man was horlogemaker.
Naam: Berendina Catharina Jenneken Ter Weer
Bijnaam: Dini
Geboren: 1905
Overleden: 2006
Ouders:
Huwelijk:
(1e huwelijk) Gijs Albertus Schaftenaar in 1937
(2e huwelijk) J. Kranenburg in 1962 - Clarendallaan 12 Harderwijk
Kinderen:
Oorlogsgegevens: Gijs Albertus Schaftenaar is 2 maart 1945 gefusilleerd te Varsseveld.
------
(Dinie/Diet)
Achter u is de juwelierswinkel van Schaftenaar. In de oorlog was Gijs Albertus Schaftenaar de eigenaar van de juwelierswinkel op de Markt in Harderwijk. Gijs Albertus Schaftenaar woonde in de oorlog samen met zijn vrouw Dini Schaftenaar ter Weer boven de winkel. In de loop van de oorlog groeide de winkel uit tot een onderduikadres en een uitvalsbasis van het verzet. Begin 1945 namen de Duitsers vele illegalen gevangen en bij de verhoren werd ook de winkel van Schaftenaar genoemd als illegaliteitsadres. In Harderwijk werden Gijs Albertus en Dini Schaftenaar gearresteerd samen met hun zwager Gerrit Jan Schutten en de bij hen inwonende eerste luitenant Perelaer van wie zijn vrouw met rust gelaten werd ondanks dat zij Joodse was. Een stuk of dertig Duitsers stormden met een hoop geschreeuw het huis binnen en arresteerden de heer en mevrouw Schaftenaar, Gerrit Jan Schutten en luitenant Perelaer. Ze werden met een drietonner naar de Willem III kazerne gebracht in Apeldoorn. Dini Schaftenaar werd ondergebracht in een oud schoollokaal en Gijs Albertus Schaftenaar en Gerrit Jan Schutten gingen vervolgens naar de Kruisberg (opvoedingsgesticht ingericht als gevangenis) in Doetinchem. Schaftenaar werd samen met zijn zwager Schutten op 2 maart 1945 samen met nog 44 anderen (onder wie Wouter van Dam) in de buurt van Varseveld op een boerenerf gefusilleerd als represaille voor een aanslag op een Duitse auto bij Aalten. Op 4 mei 1945 kwam het stoffelijke overschot van Gijs Schaftenaar samen met dat van Wouter van Dam terug in Harderwijk.
http://www.fietsenindeachterhoek.nl/monvaschaftenaar.html
Berendini Catharina Jenneken Schaftenaar ter Weer (1915-2006) Trouwde in 1962 met J. Kranenburg.
Gijs Albertus Schaftenaar: Verzetsstrijder, die vanwege zijn juwelierswinkel een verzamelpunt was van berichten voor de koeriersdienst Rolls Royce. Samen met zijn zwager Gerrit Jan Schutten, die bij hem ondergedoken zat en ook bij Varsseveld is gefusilleerd, verzorgde hij de verspreiding van Vrij Nederland in Noordwest Veluwe. Vermoedelijk ging het om een regionale uitgave van VN. Daarnaast was Schaftenaar betrokken bij het Verscholen dorp. Zijn vrouw had contacten met de bekende dominee Overduin in Enschede. Via Overduin zijn er onderduikers uit Enschede in Harderwijk gekomen
https://www.stiwotforum.nl/viewtopic.php?p=172281&sid=ca55d7361d602bf72ebc0176b14b5488
https://www.juwelierschaftenaar.nl/ontstaan-van-juwelier-schaftenaar
-
Omgekomen met 46 van Rademakersbroek Varsseveld 2 maart 1945
Gijs Albertus (Bert) Schaftenaar - https://de46vanhetrademakersbroek.nl/man/gijs-albertus-schaftenaar/
Op 3 oktober 1909 wordt Gijs Albertus Schaftenaar geboren in Harderwijk als zoon van horlogemaker Hendrik Schaftenaar (Harderwijk 1874) en Gesina Mouw (Epe 1869). Hij heeft twee oudere zussen: Hendrika (1905) en Dirkje (1907). De eerste zal 13 jaar oud overlijden. Schaftenaar volgt in de jaren dertig zijn vader op in de zaak, die hij in 1901 is begonnen. In 1937 trouwt Bert met Berendina – Dini – Catharina Jenneken ter Weer (Enschede 1914). Hun winkel met huis erboven is op Markt 16 in Harderwijk.
In de oorlog komt Schaftenaar via gemeentesecretaris en verzetsman Wouter van Dam – ook gefusilleerd bij het Rademakersbroek – in aanraking met de illegaliteit. De goudsmid verspreidt de verzetskrant Vrij Nederland, die eind augustus 1940 voor het eerst verschijnt. Waarschijnlijk is het een regionale versie voor de Noordwest-Veluwe. Markt 16 is postadres en verzamelpunt voor berichten. Ook wordt het een uitvalsbasis voor het verzet: de winkel dient als dekmantel, terwijl de Concertzaal er schuin tegenover een ontspanningsplek is voor de Duitsers. Schaftenaar en zijn vrouw hebben veel tijdelijke logees en onderduikers in huis. Verzetsmensen vergaderen en slapen in de werkplaats en zijn vaak ’s ochtends vroeg alweer vertrokken. Een van de onderduikers is Gerrit Jan Schutten uit Hengelo, die zich als ex-militair later in de oorlog niet wil melden voor krijgsgevangenschap. Hij is verloofd met Dini’s zus Fredi – die in Hengelo woont – en gaat deelnemen aan de illegale activiteiten op Markt 16. Dini verzorgt ook bonkaarten en plekken voor onderduikers buitenshuis. Ze heeft bijvoorbeeld contact met dominee Leendert Overduin – initiatiefnemer van de landelijke verzetsgroep Overduin – uit Enschede, die zich inzet voor de Joden. Zo komt een aantal van hen in Harderwijk terecht, waar Dini een deel van de zorg op zich neemt. Ook is het echtpaar Schaftenaar betrokken bij het Verscholen Dorp in de bossen bij Vierhouten. Dini verzorgt vaak levensmiddelen en verzetskranten, zoals Vrij Nederland en Strijdend Nederland. Vanaf najaar ‘44 is Markt 16 ook postadres voor de koeriers- en inlichtingendienst Rolls Royce: een landelijk netwerk dat opereert vanuit de randstad, om de spoorwegstaking te omzeilen. Rolls Royce-lid en Rademakersbroek-slachtoffer Leendert Hohoff uit Amsterdam kent Schaftenaar en heeft Harderwijk in het laatste oorlogsjaar bezocht. Schaftenaars vrouw is koerierster: haar adres in Nunspeet is begin 1945 het huis van Rademakersbroek-slachtoffer Dionisius Bakker, bij wie een nieuwe posthouder van de Rolls Roycelijn in Nunspeet een tijd verblijft. Dat adres wordt op 13 februari binnengevallen: posthouder Harry ontkomt, maar Bakker wordt gearresteerd.
Begin 1945 rolt de SD namelijk de tak Amersfoort – Zwolle van de Rolls Roycelijn op. Verraad kan een oorzaak zijn of loslippige medewerkers. Via het volgen, arresteren en verhoren van een koerier of posthouder wordt telkens een nieuw adres ontdekt. En zo komt de SD ook uit bij de juwelierswinkel in Harderwijk. Koerierster Eddy Kiel uit Nunspeet heeft onder dwang Bakkers adres losgelaten en waarschijnlijk ook Markt 16 genoemd. Op 15 februari 1945 valt de SD de winkel binnen. Schaftenaar, zijn vrouw, Schutten en hun evacué reserveluitenant Perelaer worden gearresteerd. Perelaers Joodse vrouw wordt daarbij over het hoofd gezien. De arrestanten worden naar de Willem III-kazerne in Apeldoorn gebracht. Dini zal haar man voor het laatst zien als zij naar haar verhoor gaat en Schaftenaar er net vandaan komt. Hij ziet er slecht en zwaar mishandeld uit en vraagt of zij mishandeld is. Ze antwoordt nee om hem verdriet te besparen. Schaftenaar zal onder dwang van de SD vanuit de auto een andere posthouder aanwijzen. Een paar dagen na de arrestatie rooft de SD de winkel en woning leeg. Schaftenaar en Schutten belanden in De Kruisberg. Perelaer sterft door uitputting op treintransport in Duitsland. Dini’s weg leidt naar Westerbork. Als de geallieerden naderen moet ze met 100 vrouwen op transport naar het noorden. Ze fungeren als menselijk schild voor de Duitsers, maar worden bij Grijpskerk bevrijd. Dini keert eind april terug naar Harderwijk.
Haar moeder en zus fietsen op 1 mei vanuit Hengelo naar haar toe. Het weerzien is gelukkig en droevig tegelijk. Op 4 mei wordt Schaftenaar samen met Wouter van Dam in zijn woonplaats herbegraven. De belangstelling is groot en Bert wordt begraven onder een vlag van het Rode Kruis en veel bloemen. Een paar dagen later op 9 mei wordt Schutten begraven in Enschede.
Dini zet de juwelierszaak van haar man voort met steun van haar zus, die bij haar komt wonen. Fredi trouwt uiteindelijk met een groenteboer in Harderwijk. Dini zal in 1962 hertrouwen. Na de oorlog zal ze vertellen: “Ik weet dus uit bittere ervaring, hoe de verhoren bij de SD waren, maar wil hierover liever zwijgen. Alleen wil ik nog toevoegen, dat het voor mij steeds een heerlijk en rustig gevoel is, dat het mij gegeven is geweest geen namen te noemen, niettegenstaande alles dat ik daarvoor heb moeten doorstaan.” (T.A. Boeree, Het verzet op de Veluwe deel 2). De nacht voor hun arrestatie heeft Schaftenaars vrouw alles in een droom gezien, maar Perelaer overtuigde de anderen dat dit “overspannen zenuwen” waren. Anders waren ze die rampzalige dag van 15 februari 1945 ondergedoken.
Gevlucht met 6: Gonnie van Goor, Adrie Kleekamp, Sophie Townsend en Lia van Geen + Tiny Bolhuis en Miny van der Saag.
--
Oud adres familie Townsend: Groeneweg 17 in Ermelo - bron:Bommerwerper Townsend
Bindert: Verhuisd naar Nieuw-Zeeland
---
Bron: Boek Apeldoorn Voorbij
---
Naam: Sophia Anja Townsend
Bijnaam:
Geboren: 27 Februari 1915 te Ede
Overleden: 31 July 1996 9check Erik Post) - Waikumete Cemetery, Auckland
Ouders: Edward Townsend (Geboren: 23 januari 1873, Batavia - overleden: 14 februari 1938, Ermelo). Gehuwd: 22 april 1909 in Ede met Petronella Wilhelmina van Krui(s)tum (19 juni 1887, Ede – 24 december 1970, Utrecht)
Broers en zussen:
Just Townsend (9 januari 1910 te Apeldoorn - 3 april 1945 te Brandenburg) Concentratiekamp Sachsenhausen.
Edward Townsend ( 23 februari 1911 te Apeldoorn - ….)
Sophia / Sophie (27 Februari 1915 te Ede)
William Townsend (15 maart 1916 te Amsterdam - ….)
Austin Edward Townsend (29 januari 1920 te Veenendaal - ….) - ??? Jeanne Bosz >
Pieter Townsend (29 juli 1922 te Ermelo - …..)
Children:
Just Townsend. b. 9-1-1910 in Apeldoorn, d. 3-4-1945 in Brandenburg, Germany. Buried in Oranienburg, Germany. Appears to have died in Sachsenhausen concentration camp.
Edward Townsend b. 23-2-1911 in Apeldoorn, d.? No further details.
Sophia Townsend b. 27-2-1915 in Ede, d. ? in New Zealand. Migrated to New Zealand on 18th May 1951. Possible death on 31 July 1996 of a Sophia Anja Postma, born on the 27 February 1915, who can be found by searching for Sophia Townsend in the NZ BDM. Retired poultry farmer, buried in Waikumete Cemetery, Auckland. Did she marry (and was she widowed?) before she left the Netherlands?
William Townsend b. 15-5-1916 in Amsterdam, d. ? in New Zealand. Migrated to New Zealand on 18th May 1951. Possible death and cremation on 6th June 1989 for a William Townsend, retired poultry farmer, in Waikumete Cemetery, Auckland.
Austin Edward Townsend b. 29 -1-1920 in Veenendaal, d.?. Married on 8th November 1945. Spouse appears to still be living. No further details.
Pieter Townsend b. 29-7-1922 in Ermelo, d. 9-3-1923 in Ermelo.
Huwelijk: Henricus Postma in 1957
In de oorlog verloofd met Willem Adolfs - Willem Frederik Joseph Hendrik Adolfs
Kinderen/kleinkinderen:
Oorlogsgegevens:
Ze maakte samen met haar moeder Petronella en haar vier (vijf?) broers deel uit van het verzet in Ermelo en omgeving.
De Townsendgroep. Aanvankelijk verzorging van onderduikers, later pilotenhulp.
BroerJust (1910) werd in1940 gearreseerd en kwam in 1945 in kamp Brandenburg om. Edward (1911) en Austin Edward (1920) ontsnapten begin 1945 uit de gevangenis in Ede.
Sophia Townsend b. 27-2-1915 in Ede, migrated to New Zealand on 18th May 1951.
William Townsend b. 15-5-1916 in Amsterdam, d. ? in New Zealand. Migrated to New Zealand on 18th May 1951.
These individuals were the third and fourth children of: Edward Townsend, b. 23-1-1873 in Batavia, Netherlands East Indies, d. 14-2-1938 in Ermelo, Netherlands. Married to Petronella Wilhelmina van Kruistum on 22nd April 1909 in Ede, Netherlands. Petronella was born in Ede on 19 June 1887, and died in Utrecht on 24th December 1970.
ErikPost
10-04-2015, 8:31 PM
Sophia Townsend was married to my uncle Henricus Postma, born in Ermelo (The Netherlands) in 1924. He emigrated with the Townsends on 18 May 1951 to New Zealand. He died in 1964 in a car accident. The lived in Whakatane but it seems she moved in with one of the other Townsends after his death. This is what I know right now, I will talk to my mother (Henricus' youngest sister, aged 82 now) to see if she has more details, but there is no more contact between the Postma and Townsend families.
Sophia Townsend was married to my late uncle Henricus Postma. My uncle died in a car crash in New Zealand on 29 September 1964. Sophia and Henricus married in 1957 (don't know the date). As far as I know, Sophia died on 31 July 1996. Please feel free to contact me for more information: erikpost@home.nl
--
Reactie Verzetsmuseum, opgevraagd door Joanda Meindertsma:
Objectnummer 16384 Beschrijving Archief van Edward Townsend (Geboren 1911 - overleden 2004. Verzetsdeelnemer. Edward Townsend werkte met drie broers en een zus samen in het verzet in Ermelo en omgeving. Aanvankelijk hield dit verzorging van onderduikers in, later vooral pilotenhulp. Broer Justin was al in 1940 gearresteerd en zou in een kamp omkomen. Zus Sophie werd in kamp Westerbork gevangen gezet, maar wist te ontsnappen. Edward en Austin Townsend wisten begin 1945 uit de gevangenis van Ede te ontsnappen, wat hen het leven redde. De vier Townsends zijn rond 1948 naar Indonesië, vervolgens naar Nieuw-Zeeland geëmigreerd. Het archief bevat persoonlijke documenten. Trefwoord TOWNSEND, E.; ONTSNAPPING; ERMELO; ONDERDUIK; STRIJDMACHT, GEALLIEERD Objectcategorie Collectie Townsend Inventaris Documenten - Getuigschrift van de Prov. Voedselcommissie dat E. Townsend tot volle tevredenheid tot eind juli 1941 gewerkt heeft, zd. - Oorkonde en dankbetuiging van D. Eisenhower aan E.T. voor de hulp aan gealliëerde piloten. - idem, van Air Chief Marshal, zd. - idem van prins Bernhard, bij uittreden uit BS, zd. - briefje van het Chr. Lyceum Harderwijk dat E.T. de 4 de klas HBS had doorlopen, dd. 21-08-1945. - Ontslagbewijs voor E.T. van Depot Territoriale Troepen, Den Haag, 28-03-1947. - 2 verklaringen van goed gedrag, Nunspeet, 04-05-1948. - Getuigschrift van Garuda Airways, Djakarta, 05-06-1950.
https://verhaalvanputten.nl/de-dames-tijssen
Jans Tijssen(1899-1971)
MOEDER EN DOCHTERS THIJSSEN HADDEN TIJDENS DE OORLOG EEN PENSION DAT EEN VERZAMELPLEK WERD VAN VERZETSMENSEN. DE DOCHTERS THIJSSEN WAREN BEIDEN OOK KOERIERSTERS.
https://verhaalvanputten.nl/de-dames-tijssen
Het gezin Tijssen-Tomassen was in de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw in Putten bekend vanwege hun handel in petroleum. Vader Gerrit trok met paard en wagen langs de huizen. Na zijn dood in 1938 werd de zaak voortgezet door zijn vrouw Jannetje (Jans) en de kinderen Janny, Henk en Henny. Om wat bij te verdienen werd ook een stenen schuur verbouwd tot pension voor toeristen. Tijdens de oorlog werden moeder en dochters (de Dames) Tijssen betrokken bij het verzetswerk. Hun huis was niet alleen een onderduikadres voor Joden, maar ook een ontmoetingsplek van verzetsmensen. De deur van mevrouw Tijssen stond altijd voor hen open. Dochter Janny verrichtte ook koerierswerk. Als gevolg van hun verzetsdaden moesten zij boeten met een maandenlange opsluiting, o.a. in Kamp Westerbork.
Ons dorp Putten was aan het begin van de 20e eeuw een agrarische gemeenschap. Kort na de Eerste Wereldoorlog telde Putten ongeveer 6500 inwoners. Verreweg de meeste inwoners waren werkzaam in de landbouw en de veeteelt. Ook in de bosbouw, op het landgoed Schovenhorst en Groot Spriel waren tientallen bosarbeiders werkzaam. Er was een kleine middenstand en een van die middenstanders, tegenwoordig ZZP’ers genoemd, was petroleumboer Gerrit Tijssen. Kort na afloop van de Eerste Wereldoorlog, die aan Nederland voorbijging, was hij in 1919 getrouwd met Jannetje (Jans) Tomassen. Gerrit Tijssen trok met paard en wagen de boer op om peterolie aan zijn klanten te verkopen. Elektriciteit kende men amper in Putten. De huizen en boerderijen werden verlicht met gas- en olielampen. De meeste kachels werden gestookt op kolen of hout, maar er werden ook al kachels op olie gestookt. De huismoeders kookten hun eten op petroleumstelletjes in de keuken en waren dus aangewezen op de leveranties van peterolie. Ook stromend water was er niet. Het water haalde men uit de pomp, die in de keuken stond, maar vaak ook nog buiten. Emmers vol met water moesten er gepompt worden voor de maaltijden, de was en de ‘grote wasbeurt’ op zaterdag in een grote teil.
In het gezin Tijssen werden drie kinderen geboren: Janny (1919), Henk (1926) en Henny (1927). Vader en moeder Tijssen hadden in 1924 aan de Garderenseweg 10, tegenwoordig 4, een vrijstaand huis laten bouwen. De kinderen werden al gauw betrokken bij het werk van hun vader. Na het doorlopen van de lagere school moesten ze bijspringen. Op de fiets vervoerden ze de petroleum in bussen naar de klanten. Ook verafgelegen boerderijen in het grote buitengebied van Putten moesten bediend worden. Juist in de crisisjaren 30 werd het gezin Tijssen getroffen door een zware tegenslag. Na een kort ziekbed overleed Gerrit Tijssen op 43-jarige leeftijd. Moeder Tijssen zette de zaak voort met behulp van haar kinderen. Ook besloot ze kamers in huis te gaan verhuren en een grote stenen schuur achter het huis te verbouwen tot vakantieverblijf om als bijverdienste pensiongasten te kunnen ontvangen.
Begin jaren 20 kwam er al een klein aantal toeristen naar het landelijke Putten, voor de gezonde boslucht. Mensen met geld lieten een vakantiehuisje bouwen in de bossen, mensen met minder geld huurden een kamer in een van de Puttense pensions. Vaak werden de kamers verhuurd aan gasten uit de grote steden. Een van die gasten in het pension van mevrouw Tijssen was de in die tijd al beroemde Nola Hatterman uit Amsterdam. Zij was zowel filmactrice als beeldend kunstenaar. Ze schilderde graag donkergekleurde Surinaamse mannen. Een zekere David poseerde ook wel eens voor haar in Putten. Als hij door ons dorp liep, baarde dat natuurlijk opzien. Een andere bekende kunstenaar was Henk Henriët, ook uit Amsterdam. Hij en zijn vrouw Tonia Sluijter waren geziene gasten van de familie Tijssen. Het was een flamboyant stel, dat ook nog enige tijd in de bossen tussen Putten en Garderen woonde.
De oorlogsdreiging hing na het aan de macht komen van Hitler op 30 januari 1933 al lange tijd in de lucht. Op vrijdag 10 mei 1940 was het zover. Zonder voorafgaande oorlogsverklaring vielen de nazi’s ons land binnen. De koninklijke familie en de regering konden nog bijtijds uitwijken naar Londen. Na het verwoestende bombardement op Rotterdam op 14 mei, moest generaal G.H. Winkelman de capitulatie ondertekenen. In het begin van de oorlog werden we nog redelijk behandeld. ‘De fluwelen handschoen’ werd echter na de Februari-staking van 1941 uitgetrokken. De nazi’s lieten hun ware gezicht zien. De eerste slachtoffers daarvan waren onze Joodse landgenoten. Ook begonnen zich al de eerste verzetsgroepen te vormen. Het waren vooral de communisten in Amsterdam die het voortouw namen. Een van hen was de kunstenaar Henk Henriët. Bij de volgende stakingen in ons land, de April/Mei-staking van 1943 en de Spoorwegstaking van september 1944, traden de Duitse bezetters steeds harder en wreder op. Dat leidde tot een toeloop naar het verzet. Met de in ons dorp wonende Piet Oosterbroek, ook een communist, maar een sympathieke man, had de familie Tijssen een goed contact. Regelmatig bezocht hij hun huis, vooral ook voor de bekende kunstenaars die er waren.
Het was Oosterbroek die in 1944 de familie Tijssen benaderde of zij wellicht koerierswerk wilden verrichten. Tijdens bijeenkomsten aan de Garderenseweg 10 zorgde moeder Tijssen voor de koffie en thee en als het nodig was ook voor eten. Ze had gelukkig een grote moestuin. Geroepen door hun plichtsgevoel en ook de christelijke plicht je naasten lief te hebben, besloten ze hun medewerking aan de verzetsgroep te geven. Meisjes konden veel beter ingezet worden voor het overbrengen van berichten dan mannen. Vooral mannen in de gevaarlijke leeftijd van 17 tot en met 50 jaar konden zo maar opgepakt en afgevoerd worden naar Duitsland om daar tewerkgesteld te worden. Regelmatig moesten er vanuit Ermelo, waar Dijkman (de gewestelijke districtscommandant van het verzet) zat ondergedoken bij bakker Drost, berichten overgebracht worden naar andere verzetsmensen in en rond Putten. Het was deze Berend Dijkman, die de opdracht gaf voor de aanslag op de auto van de Wehrmacht bij de Oldenallerbrug in de nacht van 30 september op 1 oktober 1944. Helaas mislukte de aanslag en dat leidde tot de vergeldingsmaatregel van de Duitsers: de razzia van 1 en 2 oktober 1944. Bij die gebeurtenis wist Dijkman, verzetsnaam ‘Piet van de Veluwe’, nog de dans te ontspringen. Dijkman was de commandant van het gewest VI (Harderwijk). Een aantal weken later was het wel raak. In de vroege ochtend van 15 november 1944 vielen een aantal fanatieke Belgische SD’ers binnen bij bakker Drost. De verzetsman Tonny Ansems was elders gearresteerd en had na zware mishandelingen de naam en het adres van Dijkman prijsgegeven. Na de arrestatie van Dijkman, waarbij het archief van het verzet door de SD’ers was buitgemaakt, werkte hij mee met de vijand om zijn leven te redden. Van verzetsman was hij verrader geworden. Er volgde op de Veluwe een ware arrestatiegolf, die begon bij zijn arrestatie bij bakker Drost. Naast de familie Drost werd ook Janny Tijssen daar gearresteerd. Zij was er voor een opdracht, maar wist zich eruit te redden door zich voor te doen als een klant die brood kwam halen. Weer gingen enige weken voorbij, voordat de SD’ers toesloegen. Ditmaal op Drie, bij de familie Born, die ook bij het verzetswerk betrokken was. Begeleid door Dijkman, overvielen ze op 13 december 1944 de familie Born. Iets verder in het bos, vlak bij de bunker, waar een geheime zender was ondergebracht, werd de jongen Jannes Born op de vlucht doodgeschoten. Zijn ouders en broer Evert en twee verzetsmensen, maar ook twee andere Puttense koeriersters, Aartjen Simon en Corry de Haan werden toen opgepakt. Drie andere zoons van de familie Born gingen vrijuit, omdat ze te jong waren. Vader Born en zijn zoon Evert zijn later gedeporteerd naar Duitsland en daar omgekomen. Een dag later werden door de SD’ers meerdere invallen in ons dorp gedaan. Allereerst bracht Dijkman ze naar het woonadres van de koerierster Aartjen Simon aan de Drieseweg. Met een list wisten ze Piet Oosterbroek daar naartoe te lokken. Toen Oosterbroek probeerde te vluchten werd hij in zijn rug geschoten en overmeesterd. Als gevolg daarvan bleef Oosterbroek de rest van zijn leven invalide. Elders in het dorp werden nog enige leden van het gezin Simon gearresteerd. Nog op dezelfde dag vielen ze binnen aan de Garderenseweg 10. Behalve moeder Tijssen werden ook Henny en Janny, die ze nog herkenden van de inval bij bakker Drost, gearresteerd. Zoon Henk was op dat moment niet thuis en hij ontsprong de dans. Ook de toevallig aanwezige Henk Henriët, op hongertocht met zijn 14-jarige zoon, viel in de handen van deze fanatieke Belgen, net als een commensaal en de melkboer Steven van de Pol. Al de arrestanten werden eerst overgebracht naar een kazerne in Ermelo, maar al snel overgeplaatst naar het hoofdkwartier van de SD in Apeldoorn: de Koning Willem III-kazerne. Daar werden ze op sadistische wijze verhoord, met name Janny Tijssen en Aartjen Simon, de koeriersters. Namen werden er niet prijsgegeven. Henny had in haar jaszak een klein notitieblok en daar kon ze aantekeningen in maken van hun 4 maanden durende gevangenschap, niet alleen van hun verblijf in Apeldoorn en Doetinchem, maar ook van de korte tijd die ze nog doorbrachten in Kamp Westerbork. Ruim veertien dagen zaten ze daar opgesloten. Bij het naderen van de geallieerde troepen vluchtte de kampcommandant Konrad Gemmeker op 11 april 1945. Op diezelfde dag werden vanuit Kamp Westerbork 116 vrouwen, waaronder de dames Tijssen, onder bewaking, lopend op transport gesteld richting Groningen, dat toen nog als laatste bolwerk gold van de Duitse bezetter. In de buurt van Grijpskerk werden ze door de Canadezen bevrijd. In haar notitieboekje noteerde Henny Tijssen: ‘Vrijdag 13 en zaterdag 14 april om half zes vrij (onderstreept!) Zondag 15 april naar de kerk. Foto gemaakt van de Tommies. Een warm bad gehad. Naar de kapper, 3 moffenmeiden geknipt en volop eten. Slapen bij de weduwe H. Oldenkamp, gegeten, feest. […] Woensdag 18 april foto’s met Prins Bernhard, de bevelhebber van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten.’ Op deze 18e april werd ook ons dorp door de Canadezen bevrijd. De terugreis verliep weer over Westerbork, dat toen dienstdeed als opvangkamp.
Op 21 april waren Jans Tijssen en haar beide dochters weer in Putten en werd het gezin herenigd. Hun huis was leeggeplunderd, maar de woning was gelukkig wel gespaard gebleven tijdens het in brand steken door de Duitsers van een deel van Putten. In hun buurt waren de nodige huizen in de as gelegd. Koningin Wilhelmina was zeer begaan met het lot van Putten, ‘het dorp van de weduwen en de wezen’. Hare Majesteit bezocht op 4 juli 1945 op haar eigen verzoek ons dorp. Eerst werd er een bezoek gebracht aan het toenmalige gemeentehuis aan het begin van de Stationsstraat. Daar werd koningin Wilhelmina opgewacht door waarnemend burgemeester G.J. Numan, zijn voorganger de veearts C. Vervoorn en de waarnemend wethouders W. van Ganswijk en K. Bos. Een grote menigte was samengestroomd om onze koningin hartelijk te verwelkomen. Uit volle borst werd het volkslied gezongen. Later op de dag bezocht de koningin meerdere mensen in het dorp. Zo werd er een bezoek gebracht aan de verzetsman Piet Oosterbroek, die invalide geworden was. Ook enige teruggekeerden werden aan haar voorgesteld. Tot slot bezocht ze de weduwe Van Koerten, die naast het verlies van haar man ook haar huis verloren had, en bracht ze een bezoek aan de familie Tijssen. Voor moeder Tijssen en haar kinderen was dit een grote verrassing. De koningin had te horen gekregen dat zowel mevrouw Tijssen als haar beide dochters gearresteerd waren en de gevangenkampen hadden overleefd. Zeer geïnteresseerd luisterde ze naar de verhalen van de dames Tijssen.
Na de oorlog probeerde de familie Tijssen de draad weer op te pakken. Dochter Janny trouwde met politieman Bertus Kiks en verhuisde naar Utrecht. Zoon Henk huwde Corry Fraanje en bleef in Putten wonen en werken als postbode. Dochter Henny trouwde met groenteboer Jan Smink en trok in bij haar moeder. Moeder Tijssen en Henny hebben nog een tijdlang de petroleumzaak voortgezet. Mevrouw Tijssen kreeg steeds meer klachten en dochter Henny werd jarenlang haar liefdevolle mantelzorger.
Jans Tijssen en haar beide dochters wisten van aanpakken. Deze moedige vrouwen voelden zich geroepen te strijden tegen het onrecht van de nazi’s. Als gevolg van hun verzetsdaden moesten ze boeten met een maandenlange opsluiting, o.a. in Kamp Westerbork, die ze gelukkig alle drie hebben overleefd. Jaren later kregen de dames Tijssen alsnog het Verzetsherdenkingskruis uitgereikt.
Bronnen:
Interview met Nant Smink op 6 juli 2017 en 21 februari 2018 in Putten
Madelon de Keizer, Putten de razzia en de herinnering, Amsterdam, 1998
Th. A. Boeree, brief van 3 januari 1950
Th. A. Boeree, Kroniek van Ede gedurende de bezettingstijd, Arnhem, 1983
Klaas Friso, Putten Kroniek 1940 – 1945, Barneveld, 1990
Auteur: Evert de Graaf
https://verhaalvanputten.nl/de-dames-tijssen
Zie moeder (43)
----
Nant Smink werd in 1956 geboren in ‘De Tijssenhof’ aan de Garderenseweg in Putten. “Daar woonden toen behalve mijn ouders ook mijn oma en oom. Mijn grootouders Jans en Gerrit Tijssen hebben dit huis in 1924 laten bouwen. Zij hadden drie kinderen. Janny (geboren in 1919), Henk (geboren in 1926) en Henny (geboren in 1927). Henny Tijssen is mijn moeder. Mijn vader, Jan Smink, was groenteboer. Hij kwam bij mijn oma aan de deur en zo hebben mijn ouders elkaar leren kennen.”
“Mijn vader had samen met zijn broer een groentezaak in Putten. Hij leverde o.a. aan de horeca en bejaardentehuizen in Putten en had ook diverse klanten in Harderwijk. In de schoolvakanties ging ik wel eens met hem mee. Mijn moeder deed wat administratie voor de groentezaak en zorgde voor mijn oma en voor mij. Veel sociale contacten buiten het werk en de familie om hadden ze niet, maar ik weet wel dat de minder bedeelden bij mijn moeder een goed heenkomen vonden.
Ik vond het leuk om in Putten op te groeien. Het was natuurlijk al lang na de oorlog, dus de moeilijke tijd was eigenlijk wel voorbij. Ik kreeg volop aandacht van mijn ouders en natuurlijk ook van mijn oma en oom. En ik had een buurjongen waar ik graag mee speelde. Ik was enig kind, dus aan hem had ik veel aanspraak.
Van mijn familie heb ik over de oorlog gehoord. Er werd niet veel over gesproken, maar het werd af en toe wel benoemd.
Mijn oma is in 1938 weduwe geworden en moest toen dus zelf voor inkomen zorgen. Haar man was petroleumventer en dat heeft zij voortgezet. Daarnaast begon ze kamers te verhuren, zowel in huis als in de achterliggende schuur, die er nog steeds staat. Zelf sliepen ze op zolder.
Ze verhuurde veelal aan mensen uit de stad, over het algemeen kunstenaars uit Amsterdam. Op die manier kwam mijn oma in aanraking met mensen die werk deden in het verzet, zoals Henk Henriët (een Amsterdamse kunstenaar), maar ook met Piet Oosterbroek, die in Putten in het verzet zat. Via die lijntjes heeft ze denk ik besloten hand- en spandiensten te gaan verrichten.
Het huis van mijn oma fungeerde als post- en contactadres van de illegaliteit en ook als doorgangsadres voor mensen op de vlucht, waaronder Joden. Mijn tante Janny, de oudste dochter, was koerierster. Over de rol van mijn moeder weet ik niet veel, zij was pas dertien toen de oorlog uitbrak.
Tegen het einde van de oorlog, op 14 december 1944, zijn mijn oma, mijn tante en mijn moeder na verraad opgepakt. Er is een inval geweest in huis. Mijn oom was toevallig net weg om hout te halen. Bij terugkomst zag hij militaire voertuigen staan en is hij weggevlucht. Hij is vervolgens ondergedoken.
Oom Henk is bij de inval in december 1944 zijn arrestatie dus ontlopen, maar tijdens de razzia in oktober is hij in eerste instantie wel meegenomen. Mijn oma is toen nog snel met wat eten naar het station van Putten gegaan. Ze herkende zijn hand aan z’n ring en kon hem zo nog wat toestoppen.
Via het verzet had mijn oma contact met ene Wim Bartling, die ook banden onderhield met de Duitsers. Hij is naar Amersfoort gegaan en heeft om de vrijlating van mijn oom gevraagd omdat hij nodig zou zijn voor het houthakken in Garderen. Toen de groep opgepakte mannen stond opgesteld werd ‘Tijssen’ naar voren geroepen. Eerst stapte een andere Tijssen naar voren, maar hij werd weer teruggezet en is ook niet teruggekeerd… Daarna kwam mijn oom naar voren en zo is hij gered.”
MOEDER EN DOCHTERS THIJSSEN HADDEN TIJDENS DE OORLOG EEN PENSION DAT EEN VERZAMELPLEK WERD VAN VERZETSMENSEN. DE DOCHTERS THIJSSEN WAREN BEIDEN OOK KOERIERSTERS.
EEN VRIJGEZELLE VROEDVROUW DIE IN DE JAREN VIJFTIG EN ZESTIG VEEL PUTTENSE KINDEREN TER WERELD HIELP.
WAS EEN ZEER GELOVIGE BOERENVROUW DIE OP HAAR BOERDERIJ VERZETSSTRIJDERS ONDERBRACHT. TEVENS DE LAATSTE VROUW IN PUTTENSE KLEDERDRACHT.
HAD ALS ONDERWIJZERES EEN GROTE MAATSCHAPPELIJKE BETEKENIS. ZE WAS POLITIEK ACTIEF EN SPANDE ZICH IN VOOR HET BEHOUD VAN HET PUTTENS DIALECT.
NADAT HAAR MAN IN DE PUTTENSE RAZZIA WAS WEGGEVOERD, WERD ZIJ IN ZIJN PLAATS DE KLOKKENLUIDER VAN PUTTEN. DRIEMAAL PER DAG LUIDDE ZE DE ZWARE KLOKKEN VAN DE HERVORMDE OUDE KERK.
WAS ALS JONG MEISJE KOERIERSTER VOOR HET VERZET
Contact met kleinzoon Daan Aalders en schoonzoon Maarten Alders.
Schreven in eigen beheer een boekje.
http://www.mjaalders.nl/images/stories/pdf/verzetsleven.pdf
Willem van Rees en zijn echtgenote Neeltje Wilhelmina van Geest waren beiden betrokken bij het verzet van onder meer de Ordedienst in de omgeving van Nunspeet. Na de bevrijding werd Wim valselijk beschuldigd van heling en zat bijna een maand vast in het Rotterdamse huis van bewaring.
https://www.archieven.nl/nl/zoeken?miview=inv2&mivast=0&mizig=210&miadt=298&micode=509&milang=nl
In vught gezeten….
[1) Cornelia van der Woerd - "Er was ook Oma Vos, zij had allemaal kromme vingers, van het slaan en uit het lid trekken, of kapot slaan. Zij heeft haar man ook niet weer mogen zien.".
https://www.genealogieonline.nl/stamboom-lustig/I1297.php
---
Getrouwd met Jakob Vos. >
Jakob Vos werd op 14 maart 1884 te Huizen geboren. Hij woonde in de oorlog in Utrecht en was kaashandelaar. Zijn activiteiten voor het verzet hield hij zo geheim, dat zelfs zijn vrouw niet wist wat voor illegaal werk hij deed. Verzetsstrijders die op 22 november 1944 uitgenodigd waren voor een vergadering in het gebouw van de Kamer van Koophandel te Utrecht, verzamelden zich rond 14.00 uur op het adres van Vos in Utrecht om van daaruit naar de bijeenkomst te gaan. De SD was op de hoogte van de bijeenkomst en deden een inval in het gebouw. Vos werd tijdens de overval door de SD opgepakt en samen met zijn vrouw naar de Koning Willem III kazerne in Apeldoorn gebracht. Op 2 december 1944 werd hij met nog 13 andere verzetsstrijders naast de Koning Willem III kazerne geëxecuteerd.
Bron: Brochure "Het Keienmonument" Uitgave van Fred Klijndijk in samenwerking met het Opleidings-, Trainings- en Kenniscentrum van de Koninklijke Marechaussee op de de Koning Willem III kazerne te Apeldoorn.
Geplaatst op 6 maart 2017
https://oorlogsgravenstichting.nl/persoon/163086/jakob-vos
http://bevrijdingvandeveluwe.nl/keienmonument-apeldoorn/
Aantekeningen Bindert op namenlijst: contact met mevrouw Van Roekel/Boonzaaijer (58)
Naam: Adriana Maria Meijer
Geboren: 27 juni 1904
Overleden: 7 oktober 1993
Ouders: Johannes Meijer en Wilhelmina Alberdina Schuuring
Broers/zussen:
Hendrikus Johannes Pieter Meijer.
Huwelijk: Karel Bartolomeus Weimar (20 augustus 1900 – 31 mei 1945 )
Kinderen:
Oorlogsgegevens:
Op 21 november 1944 werden Adriana en Karel gearresteerd door de SD na het vinden van het persoonlijke archief van Berend Dijkman (Piet van Veluwe)
Onderscheiding: Verzetsherdenkingskruis
Karel Bartholomeus Weimar (Arnhem, 20 augustus 1900 - Wöbbelin, 31 mei 1945) was een Nederlandse verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog.
Weimar was een handelaar in elektrische apparaten. Hij had een eigen winkel aan Maandereind 19 in Ede. Hij begon al in de zomer van 1940, kort na de Duitse inval in Nederland, met het verzamelen van militaire inlichtingen. Zijn zwager Joop Meijer zond deze gegevens via een zelfgebouwde zender naar Engeland.[1] In 1942 trad Weimar toe tot de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers. Samen met enkele anderen hield hij zich bezig met de verzorging van een groot aantal ondergedoken Joden in Ede en omgeving. In juni 1943 werd hij gearresteerd wegens "Jodenhulp", maar na vier weken weer vrijgelaten.[2]
Begin september 1944 verenigden de verschillende Edese verzetsgroepen zich in de Binnenlandse Strijdkrachten. Weimar trad toe de plaatselijke stafleiding.[3] Eerder had hij al samengewerkt met Derk Wildeboer, die aangesteld werd als plaatselijk commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten.[4]
Op 15 november 1944 was Berend Dijkman door de Duitsers gearresteerd. Dijkman was de RVV-districtscommandant van de westelijke Veluwe, waar Ede onder viel. Bij zijn arrestatie was zijn persoonlijke archief aangetroffen. Tijdens de verhoren sloeg Dijkman volledig door en vertelde de Sicherheitsdienst tal van namen, waaronder het adres van Weimar dat door het verzet vaak werd gebruikt als vergaderadres. Op 21 november 1944 viel de SD binnen en arresteerden Weimar en zijn vrouw. Zij namen daarbij twintigduizend gulden in beslag dat naar hun oordeel geld van de ondergrondse was. De kinderen van het echtpaar werden onverzorgd achtergelaten.[5]
Tijdens de verhoren bekende Weimar dat hij zijn huis meerdere malen ter beschikking had gesteld voor illegale bijeenkomsten en meerdere keren wapens had ontvangen en doorgegeven. Hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van de oorlog.[2] Via Kamp Amersfoort kwam hij terecht in concentratiekamp Wöbbelin, een tijdelijk subkamp van Neuengamme. Daar overleed hij op 31 mei 1945.
Zijn vrouw werd gedwongen huishoudelijk werk te verrichten in het gebouw van de Sicherheitsdienst in Apeldoorn. Zij werd later overgebracht naar Kamp Westerbork. Begin april, toen de kanonnen van de geallieerden al te horen waren, begonnen de Duitsers hun terugkeer naar het thuisland voor te bereiden en moesten de jonge vrouwen te voet een lange weg afleggen. Mevrouw Weimar maakte de bevrijding mee in Grijpskerk.
Op 21 november 1944 hield de SD de Edese verzetsman Karel Weimar aan, samen met zijn vrouw. Weimar was lid van de staf van de Edese BS-afdeling. Hij overleed op 31 mei 1945 in het concentratiekamp Ludwigslust, een subcamp van Neuengamme. Zijn vrouw overleefde de oorlog.
https://nl.wikipedia.org/wiki/Berend_Dijkman
https://wwiinetherlandsescapelines.files.wordpress.com/2016/09/vertregt-zijtvelt-pg-232-253.pdf
https://www.geni.com/people/Adriana-Maria-Meijer/6000000079133975911
https://nl.wikipedia.org/wiki/Karel_Weimar
Vincent Lagerwij en Gert Plekkringa (1990). Ede 1940-1945. Barneveld: BDU
https://www.online-begraafplaatsen.nl/zerken.asp?command=showgraf&bgp=1273&grafid=1375768&char=S
Telefonisch contact gehad op 4 sept 2024 met zoon Henk Hesseling
Hermina Jozina (Miny/Minie) Hesselink-van der Saag (gevangenisnummer 49)
Ouders: vader Hessel van der Saag, moeder Jacomina Polet
Geboren: 31 maart 1924
Gehuwd na de oorlog: 20 sept 1946 met Hendrik Jan Hesselink
Overleden: 7 mei 1958
Verzetsgroep: [weet Henk - Nunspeet]
Opgepakt: januari 1945 in Nunspeet met Emmy Vroege. Deze kreeg roodvonk en werd daarop vrijgelaten. Miny probeerde het ook nog te krijgen.
Datum naar De Kruisberg: ? [weet Henk - 7 maart 1945, aanslag Rauter?]
Datum naar Westerbork: 27 maart 1945 (https://doetinchemherdenkt.nl/vrouwen-kruisberg > wordt een Minie Rietman genoemd = anders)
Met 6 gevlucht op 11 april 1945 - 3x 2 personen - Tiny en Miny vluchtten als duo > met zes naar Grolloo > Ekenhaar (slapen in turfschuur) > Assen.
De andere vier: Gonnie van Goor, Adrie Kleekamp, Sophie Townsend en Lia van Geen
Henk Hesselink:
was 10 jaar toen zijn moeder overleed in 1958 - er werd thuis weinig over de oorlog verteld
informatie:
Tiny Bolhuis (57, ook Vrouwen van Trouw) > Henk heeft contact met dochter Ineke Bats-Bolhuis (en haar zus Marga) > Tiny Bolhuis overleed in 2000 > Tiny heeft een brief geschreven aan Westerbork (Copa?, voorganger van Guido Abuys) oa met meer details/namen
Emy Vroege is later getrouwd met John van Taak - zijn naar Canada geemigreerd
Gemmeker heeft geweigerd de vrouwen op transport te zetten
Contact met Asser stadshistoricus Martin Hiemink [contactgegevens?]
Contact (van Martin Hiemink) met Lucie Egberts die veel over Zwolle weet
Jaren geleden gesproken met mevrouw Kranenborg-Van Weerden (uit Grijpskerk)
3 artikelen:
interview met zijn moeder uit 1945/46 in regionaal blad (Nunspeet?)
Interview met vriendin van moeder
Nunspeets courant - serie "Uit de doos van tante Cor" [referentie naar opa Bakker en tante Cor van het Verscholen Dorp Vierhouten? https://oorlogsverhalen.com/themas/onderduikersdorp/) [ check Henk]
Antonia van der Pol, 1905-1962. Getrouwd met Teunis van Zwetselaar , 1901-1945.
Drie kinderen. Zoon: Willem Teunis van Zwetselaar. 1926-1945. Neuengamme.
https://www.genealogieonline.nl/stamboom-van-melzen-van-melsen/I36230.php
https://monument.vriendenkringneuengamme.nl/person/405601/willem-teunis-van-zwetselaar
1945, 2 mrt., In Varsseveld wordt verzetsstrijder Teunis van Zwetselaar (Radiopost nr. 2 van de Raad van Verzet) uit Terschuur door de Duitsers terechtgesteld. Met 46 anderen in Rademakersbroek. https://de46vanhetrademakersbroek.nl/man/teunis-van-zwetselaar/
ook Fleer.
https://gemeentearchief.barneveld.nl/fileadmin/Gemeentearchief/Documenten/kroniek_20e_eeuw.pdf
Zie zus Kiek (no 74)
Oma Nonny, Jacoba van der Kun en zus Kiek vanuit Visvliet richting Zwolle gelopen.
FOTO MEchteld: https://www.adelinnederland.nl/de-laatste-freule-van-leuvenum/
--
Naam: Mechteld Aleyda Johanna Sandberg van Leuvenum
Geboren: 23 november 1919
Overleden: 22 januari 2014
Vader: Cornelis Johan Jonkheer Sandberg van Leuvenum (1883 – 1945) - omgekomen in Neuengamme. Vader was tot 1922 burgemeester van Diepenveen. Heeft groot treinongeluk overleefd in de jaren daarvoor bij Weesp.
Moeder Ernestine Ferdinande de Beaufort (1886 – 1985) - woonde tot haar dood op Leuvenum met Kiek en Mechteld
Broers/Zussen:
Anna Maria Ernestine Louise Sandberg van Leuvenum - NIET OPGEPAKT? Staat wel in dit artikel, net als moeder. https://www.adelinnederland.nl/de-laatste-freule-van-leuvenum/ - zat bij UVSV in Utrecht rond 1929
Antonia Catharina (Kiek) Sandberg van Leuvenum (1916 – 2006) - ook opgepakt
Rudolph Antoni Peter Sandberg (1912-1945) - omgekomen in Neuengamme
Huwelijk: ongehuwd - met Kiek de Stichting opgericht voor behoud van het landgoed
--
Kinderen: Nee
Oorlogsgegevens:
Freule Mechteld Sandberg werd geboren op 23-11-1919 in Colmschate. Zij woonde in een afgelegen woning in Leuvenum. Haar vader Cornelis Johannes en broer Rudolph Antoni Peter maakten deel uit van het verzet. Na een Duitse inval werd het hele gezin meegenomen.
Mechteld Sandberg stierf op 22-1-2014 in Leuvenum.
Lees meer: dagboek Jacoba van de Kun (vanaf 25 februari)
Lees meer: Van de Kruisberg naar Westerbork.
Eerst naar Apeldoorn gebracht, daarna naar Westerbork.
Mechteld Aleida Johanna Sandberg van Leuvenum
https://www.genealogieonline.nl/west-europese-adel/I124557.php
https://ermelovannu.nl/actueel/636-laatste-freule-in-leuvenum-overleden
In de Tweede Wereldoorlog nam de familie Sandberg evacués in huis. In 1944 werd het huis gevorderd door de Duitsers. Aan het einde van de oorlog, in januari 1945, deden de Duitsers een inval in het huis. Sandberg, zijn vrouw Ernestine Fernande de Beaufort (1886-1985) en hun zoon jhr. mr. Rudolph Antoni Peter Sandberg (1912-1945) werden gevangengenomen en weggevoerd. Vader en zoon kwamen beiden om in Duitse concentratiekampen.
https://nl.wikipedia.org/wiki/Huis_te_Leuvenum
https://monument.vriendenkringneuengamme.nl/person/404168/cornelis-johannes-van-leuvenum-sandberg
FOTO Kiek en Mechteld https://beeldbank-ermeloo.nl/cgi-bin/beeldbank.pl?ident=008559&search=VELD%20keyword1%20OVE&inword=2&display=list&istart=8251
---
Ika:
Voorzitter stichting Jhr. Dr.
Historische buitenplaats Huize Leuvenum
https://mijngelderland.nl/inhoud/canons/ermelo/historische-buitenplaats-huize-leuvenum
https://www.gelderlandinbeeld.nl/beeldbank/detail/6ee8e318-b7fe-411b-bef3-9086579e34ce
https://www.kennisbankfilantropie.nl/anbi/sandberg-van-leuvenum
Landgoed Leuvenum & De Bannink |
https://landgoedleuvenumdebannink.nl/
https://www.gelderlandinbeeld.nl/beeldbank/detail/6ee8e318-b7fe-411b-bef3-9086579e34ce
Bindert: man SS'er/Duitser/verrader?
Adres in 1994 - Mevr. Th. Jansen-Huschka - Medisch centrum Dekkerswald - afdeling Nijmeegsebaan 31 Groesbeek - 08895-59911
---
Ika: Bron over Huschka: https://www.oorlogsbronnen.nl/bronnen?term=Het+kruis+op+de+berg
--
andere optie/link
Ika: ? https://otgb.nl/wp-content/uploads/2013/10/otgb_pdf_wortels_in_de%20_achterhoek_1996_02.pdf
Gelders Archief: Aleida Maria Slavenbrug getrouwd met Gerrit Esselink ?
Holland Amerika lijn vanuit Rotterdam op 8 juli 1946
https://www.archieven.nl/nl/zoeken/?mivast=0&mizig=231&miadt=184&miview=tbl&milang=nl&misort=voo%7Casc&mistart=20&mif3=Blommersdijk
Overleden 17-09-1947
Eerder gehuwd met Dirk Frederik Ott?
http://ott-herrel.blogspot.com/2018/06/parentelen-zoons-ott-wegman.html
Naam: Aleida Maria Slavenburg
Geboren: 15 mei 1887 te Rotterdam
Overleden: 17 september 1947 te Hengelo
Ouders: Jan Leendert van Slavenburg en Apolonia van Dijk
Huwelijk:
(1e huwelijk) Dirk Frederik Ott (1881 te Veenhuizen - ….) op 21 juli 1910 te Rotterdam
(2e huwelijk) Gerrit Esselink (20 januari 1886 - ….) op 7 november 1919 te Soerabaja
Kinderen:
Oorlogsgegevens:
Dochter van no. 56 - Johanne Beute-Banis
Cornelia van Woerd, kennis (al eerder of daar geworden?) van Moeder en dochter Tini Beute (p. 35)
---
Kleinzoon en 2 achterkleinzonen hebben recontructie gemaakt van leven van opa Jan Hendrikus Beute
Jan Hendrikus Beute, een marechaussee die zijn leven gaf voor onze vrijheid Gemeentearchief Barneveld
https://storage.pubble.nl/96897487/content/2019/4/7011f9b4-bbbf-4a0b-a3a7-4b9dcb3f62ff_thumb840.webp
2 mei 2009 om 09:17 lokaal
BARNEVELD Dat Barnevelder Jan Hendrikus Beute op 53-jarige leeftijd overleed in een Duits concentratiekamp, was lange tijd het enige wat zijn familie wist. Tot kleinzoon Jan Beute in 2007 samen met zijn twee zonen op zoektocht ging. In Duitsland reconstrueerden zij de laatste maanden van de Barneveldse verzetsstrijder. Nu doen ze hun verhaal. ,,Het is belangrijk dat de geschiedenis levend blijft."
Rick Borkent
https://storage.pubble.nl/96897487/content/2019/4/7011f9b4-bbbf-4a0b-a3a7-4b9dcb3f62ff_thumb840.webp
Het was eigenlijk stom toeval. Als de Duitse soldaten die decemberdag in 1944 niet per ongeluk de verkeerde woning onder vuur hadden genomen aan de Verlooplaan, zou iedereen in huize Beute zijn opgepakt. Nu hadden de verraden verzetsstrijders die verscholen zaten bij de Barnevelder nog de tijd om te ontsnappen via de achterdeur. Jan Hendrikus Beute zelf kon echter geen kant meer op toen de soldaten onder aanvoering van de beruchte Amersfoortse kampcommandant Kotella even later alsnog bij hem voor de deur stonden.
Ja, een wapen had de groepscommandant van de marechaussee wel. Maar daarmee zou hij toch niets kunnen uitrichten tegen de Duitse overmacht. Het zou zijn gezin slechts in gevaar gebracht hebben. En dus werd hij samen met zijn vrouw en dochter gearresteerd en afgevoerd. Zij naar Westerbork, hij eerst naar kamp Doetinchem, later naar Neuengamme bij Hamburg en uiteindelijk naar het honderd kilometer oostelijker gelegen Wöbbelin. Daar zou hij op 23 februari 1945 overlijden.
GEEN GRAF Dat was jarenlang het enige wat de familie Beute wist over het verleden van hun man, opa en vader. Geen graf, geen afscheid. Zoektochten op internet leverden nauwelijks iets op. Maar wat 'De baas', zoals zijn bijnaam luidde, precies doormaakte tijdens zijn gevangenschap, bleef altijd een open vraag. Tot zijn kleinzoon Jan Beute samen met zijn twee zonen in oktober 2007 op zoek naar antwoorden ging in Duitsland.
,,Het verlies van onze opa heeft de familie altijd bezig gehouden. Zeker omdat mijn oma en tante wel terugkwamen", zegt de Barnevelder. ,,Maar het blijft iets ongrijpbaars. Iets dat je niet kan vatten. Ik zei daarom altijd al dat ik een keer op zoek zou gaan in Duitsland, maar dat kwam er steeds niet van. In 2007 zeiden mijn zonen dat ze het nu ook wilden weten. Dus zijn we gegaan."
MAP Aan de hand van de rouwadvertentie wisten de Beutes dat ze in Wöbbelin moesten zijn. Daar was Jan Hendrikus Beute uiteindelijk overleden, in kamp Reierhorst. ,,We kwamen daar in 2007 aan en toen we onze naam noemden schrok de mevrouw van het informatiecentrum. Ze wist meteen waar we voor kwamen en leidden ons naar een map aan een lange tafel", zegt Beute. ,,Daar zat alle informatie in over mijn opa."
Via het bekende concentratiekamp Neuengamme kwam Jan Hendrikus Beute op 15 februari 1945 aan in Wöbbelin, samen met vijfhonderd anderen. Hun opdracht? Het bouwen van een kamp voor gevangen Amerikaanse soldaten. De omstandigheden waren erbarmelijk. ,,Ze moesten werken tot ze er bij neervielen. Werden continu getreiterd door SS'ers. Binnen de kortste keren liepen ze er als zombies bij, geestelijk kapotgemaakt", vertelt Beute.
KOU Drinkwater kwam uit de pomp, die geslagen was op een plek waar ook de lijken van eerder omgekomen gevangen waren gedumpt. Binnen de kortste keren liepen de gevangenen daarom rond met dysenterie. ,,Overnachten deden ze in barakken, maar daar zaten geen ramen en deuren meer in. Je kunt je niet voorstellen hoe dat geweest moet zijn. Winter 1944-1945 en dan alleen een veredelde pyjama om je lijf. Je kreeg het nooit meer warm."
Acht dagen nadat Jan Hendrikus Beute binnenkwam in Wöbbelin, overleed hij. De Barnevelder was de derde van zijn groep die stierf en werd begraven bij de plaatselijke kerk, meldt de punctueel bijgehouden Duitse administratie. ,,Dat gebeurde 's nachts", vertelt Beute. ,,Zodat de inwoners uit de dorpen uit de omgeving er niets van zouden merken."
Wrang genoeg is zijn snelle dood de reden dat zijn nabestaanden hem nu hebben kunnen achterhalen. ,,Daardoor is hij niet in een massagraf terecht gekomen. Daar zijn we heel blij mee. Het maakt het toch tastbaarder."
Helemaal precies weten ze niet waar hij ligt. In 1951 besloten de Duitsers, wellicht gedreven door schuldgevoel, om een monumentale begraafplaats in te richten. De zeventig lichamen rond de kerk werden opgegraven en opnieuw ter aarde besteld. Wie waar lag, wisten ze niet meer. En dus liggen er nu zeventig vierkante grafstenen zonder naam. Samen met een monument en een informatiecentrum in Wöbbelin herinneren zij de wereld aan wat er zich in de jaren veertig afspeelde in het landelijke Duitse dorpje.
ZOEKTOCHT De zoektocht naar het verleden van zijn opa is Jan Beute niet in de koude kleren gaan zitten. Verwachtingen had hij niet toen hij ging. ,,Als je daar dan ziet wat er gebeurd is. Alle details. Het was meer dan ik aan kon. Ook mijn zonen waren aangeslagen." Daarna kwamen de frustraties boven. Over het onmenselijke leed wat de gevangenen werd aangedaan door de SS'ers. ,,Je weet gewoon niet wat je moet denken als je daar op de begraafplaats staat."
Een dag later bezocht het drietal kamp Neuengamme. Ook daar was de herinnering aan hun opa en overgrootvader nog springlevend. Zijn naam staat er vermeld op grote banieren die de slachtoffers herdenken. Van de 106.000 gevangenen in het kamp kwamen er uiteindelijk 55.000 om. In de oorlogsjaren zaten er 5.500 Nederlanders in Neuengamme. Slechts 600 zouden terugkeren naar huis.
Nu, ruim anderhalf jaar later, is er de berusting. De Beutes zijn blij dat ze nu eindelijk een tastbare herdenkingsplek hebben. Een plek waar ze nog eens naar toe kunnen. ,,De zoektocht is afgesloten. We hebben er nu vrede mee."
Wat jammer blijft, vindt Beute, is dat er in Barneveld geen gedenkteken is waar zijn naam op staat. Dat niets herinnert aan de in totaal vier Barnevelders die hun leven gaven voor de vrijheid van anderen. ,,Dat is van belang voor de geschiedenis. Die moet blijven leven. Mensen moeten weten wat er gebeurd is."
-----
Foto LO/LKP Barneveld, kijk mevr. Woerd Moll
https://www.collectiegelderland.nl/
---
Vader: Jan Hendrikus Beute
https://www.oorlogsbronnen.nl/tijdlijn/Jan-Hendrikus-Beute/02/11535
Transport naar Neuengamme op 4 februari 1945 met Ab van t Riet en meer.
https://monument.vriendenkringneuengamme.nl/person/400342/Jan-Hendrikus-(de-Baas)-Beute
Op de Duitse Overlijdensakte wordt gesteld dat Jan Hendrikus Beute op 23 februari 1945 is omgekomen in Wöbbelin. Dysenterie wordt genoemd als doodsoorzaak
Moeder van Tini Beute no. 55
Moeder van Jan Beute (18-3-1918 tot 16-09-1987)
Catharina H. Beute-Derksen (16-2-1916 tot 11-04-1996)
--
[1] Cornelia van der Woerd -
(p40) Mevrouw Beute was zo geholpen - toen zij in de cel in Doetinchem longontsteking had gehad - door juffrouw Offringa en zuster Van der Schoot.
+ Dag voor Visvliet vrijgelaten met 12 vrouwen
---
Naam: Johanna Banis
Geboren: 17 december 1889 te Driene/Hengelo (NL)
Overleden: 18 feb 1958 Barneveld
Ouders:
Huwelijk: Jan Hendrikus Beute (21 maart 1891 te Avereest - 23 februari 1945 in Neuengamme) op 12 augustus 1916 te Hengelo
Kinderen:
Oorlogsgegevens:
Jan Hendrikus Beute was hoofdwachtmeester van de marechaussee en postcommandant van Barneveld.
---
Jan Hendrikus Beute, geboren 21 maart 1891 te Avereest, zoon van Jan Beute en Aleida Maria Otten, hoofdwachtmeester Staatspolitie te Barneveld, verzetsstrijder, overleden op 23 februari 1945 te Wöblin, Kreis Ludwigs-Arbeitslager;
---
Foto LO/LKP Barneveld, kijk mevr. Woerd Moll
https://www.collectiegelderland.nl/organisaties/gemeentearchiefbarneveld/voorwerp-422869
Johanna Banis, getrouwd met Jan Hendrikus Beute?
Man overleden 23-02-1945 in Neuengamme.
Beute was hoofdwachtmeester van de Marechaussee en postcommandant in Barneveld.
https://oorlogsgravenstichting.nl/persoon/11535/jan-hendrikus-beute
https://monument.vriendenkringneuengamme.nl/person/400342/jan-hendrikus-de-baas-beute
Naam: Trijntje Westerink
Geboren: 13 augustus 1919
Overleden: 12 november 2000
Huwelijk: Willem Bolhuis
Adres bij arrestatie: Azalealaan 1, Ermelo/GLD
Latere adres:
Marskramerbaan 7
3981 TJ Bunnik
Hebben ook in De Bilt gewoond.
---
Oorlogsgegevens:
Vrouwen van Trouw https://www.trouw.nl/vrouwen-van-trouw/wie-waren-de-288-vrouwen-van-trouw~b74d533e/
Tiny Bolhuis-Westerink (13-8-1919 tot 12-11-2000) was een Nederlandse verzetsvrouw, actief in Ermelo. In de drukkerij van haar familie werd de illegale krant Trouw gedrukt. Tiny haalde de zware, loden zetsels van de krant op bij het station en bracht ze naar de drukkerij door ze te verstoppen in de kinderwagen, die net niet bezweek onder het gewicht. Ook verspreidde ze de krant. Ze is in januari 1945 opgepakt en is uiteindelijk ontsnapt uit Kamp Westerbork. Ook hielp de familie Bolhuis geallieerde piloten.
Vader: (Ook, maar een andere) Pieter Bolhuis (29-12-1883 Uithuizermeeden - 6-1-1941)
Pieter Bolhuis was directeur eigenaar van Drukkerij Bolhuis in Ermelo waar de eerste illegale versie van Trouw werd gedrukt. Toen Pieter plotseling overleed nam zoon Henk het over en toen deze overleed in 1959 broer Han. https://beeldbank-ermeloo.nl/cgi-bin/beeldbank.pl?ident=3786
Moeder: Grietje van Loo
Getrouwd: 31-10-1912
Zij kregen vijf zoons:
1. A. (Andries) Bolhuis uit Apeldoorn (26 sept 1913-20 mei 1991), getrouwd met B.C. Montagne - hebben ook in Oegstgeest gewoond
2. Willem Bolhuis (1 mei 1916-25 feb. 2008) = man Tiny
3. A. (Arend) Bolhuis (13-1-1918-1992) uit Soest getrouwd met M. de Kam - hebben ook in Slikkerveer en Leersum gewoond. Arend Bolhuis heeft vanaf 6 oktober 1943 gevangen gezeten in Kamp Vught. https://www.oorlogsbronnen.nl/tijdlijn/Arend-Bolhuis/16/340429. Adres: van Oordtstraat 2, Ermelo.
4. Hendrik (Henk) Bolhuis getrouwd met B. Brijder (1919-1959 Steenwijk)
5. Johannes Dirk (Han / Johan) Bolhuis (18 juni 1921-22 aug 1985) getrouwd met M.C. (Rie) Rakers (Ermelo en daarvoor Bussum). Kinderen: Frouke (Muiden), Dirk (Amsterdam) en Herman (Harderwijk)
Navigator Joel. D. Punches zat van 21 tot 28 februari ondergedoken bij Willem en Tiny Bolhuis. Bron: Flevolanderfgoed.nl
Tiny is al ontsnapt met 5 anderen vóór de mars vanuit Westerbork begon.
De overlijdensadvertentie van Tiny:
https://www.online-familieberichten.nl/pers/1044784/Trijntje-%3Cb%3EWesterink%3C-b%3E-1919-2000
Te checken:
Relatie met verzetsman Jan Bolhuis uit Groningen (1917-1945)? Omgekomen voor Trouw dus er is vast een link.
André (= Andries?) Bolhuis, alias Cornelis Kwakkel, 13 jan 1918- was hoofd van de Ordedienst in Ermelo. Zwager van Tiny?
Naam: Jantje Boon
Geboren: 26 oktober 1900 te Ede
Overleden: 24 september 1986 te Veenendaal
Ouders: Wouter Boon en Lutje Veenschoten
Huwelijk: Steven Hendrik Boonzaaijer (17 juli 1897 te Ede – 14 april 1945 te Wöbbelin)(VHK)
Kinderen:
Louise Woutera (Wiesje) Boonzaaijer ( 7 maart 1923 te Ede – 6 oktober 2016 te Ede), getrouwd met Henk (H.) van Roekel. Bindert 1994: Wiesje wist eea over de anderen uit Ede: Weimar-Meyer (47) en Didi Roos (5). Latere adres Wiesje en Henk - Arthur van Schendellaan 1 Ede - 08380-51461
Brand van Roekel (24 juli 1946 - ?) - Jannetje (Janna) van Grootheest
Janienke van Roekel (10 juli 1968 - ?) https://www.linkedin.com/in/janienke-wagensveld-van-roekel-82634661
Henk van Roekel (14 september 1970 - ?) - https://www.linkedin.com/in/henk-van-roekel-1186b417
Evert van Roekel (27 juli 1974 - ?)
Janette Steveline van Roekel (12 december 1948 - ?)
Helena Brandina van Roekel (12 december 1948 - ?)
Steven Hendrik van Roekel (13 februari 1951 - ?)
Oorlogsgegevens:
Dochter Wiesje Boonzaaijer was actief in het verzet. Groep de Vries, verzetsgroep onder leiding van Evert Jan van Spankeren.
Op 18 november 1944 werden Jantje en Steven Boonzaaijer gearresteerd.
Jantje Boon getrouwd met Steven Hendrik Boonzaaijer
Man gestorven op 14 april 1945 Wöbbelin
https://monument.vriendenkringneuengamme.nl/person/403062/johan-arnoldus-looijen
http://www.bob-lindner.nl/Boomstam/Reunion/wc23/wc23_377.htm
Louise Woutera Boonzaaijer-van Roekel (Ede, 7 maart 1923 - 2016) was een Nederlandse verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog.
Boonzaaijer was de dochter van Steven Boonzaaijer die een boerderij had aan de Rijksweg 18 in Ede. Ze was tijdens de Tweede Wereldoorlog aangesloten bij Groep-De Vries, een verzetsgroep die viel onder leiding van Evert Jan van Spankeren. In september 1944 ging deze groep op in de Binnenlandse Strijdkrachten. In Ede onderhield zij het contact tussen de plaatselijke verzetsleiding en de verschillende koeriersposten. Op 14 november 1944 arresteerden de Duitsers in Ermelo de regionale districtcommandant Berend Dijkman. Daarbij trof de Sicherheitsdienst zijn persoonlijke archief aan. Tijdens de verhoren sloeg Dijkman door en vertelde dat het adres van de familie-Boonzaaijer functioneerde als koerierspost en dat Wiesje Boonzaaijer een van de koerierster was.
Een half uur voordat de Duitsers op 18 november 1944 binnenvielen werd de familie-Boonzaaijer door de verzetsman Evert Jan van Spankeren gewaarschuwd. Zij pakte gelijk haar gereedstaande koffer mee en vluchtte naar het adres van een broer van haar verloofde Henk van Roekel in Veenendaal. De Duitsers namen wel haar vader en moeder mee. Op het moment van huiszoeking arriveerden de twee koeriersters Nonny van den Bosch en Truus van Kuijk die beiden werden ingerekend. Zowel haar moeder als de twee koerierster overleefden de oorlog, vader Steven verloor het leven in het concentratiekamp Wöbbelin, een subcamp van Neuengamme.
Na de oorlog trouwde Boonzaaijer met Van Roekel en betrokken haar ouderlijke boerderij aan de Rijksweg 18. De boerderij maakte later plaats voor de nieuwe wijk Kernhem. Samen kreeg het echtpaar vier kinderen. In april 2017 werd bekend dat er een Wiesje Boonzaaijerstraat komt in de nieuw te bouwen verzetsheldenbuurt op het voormalige kazernecomplex Ede-Oost.[1]
https://nl.wikipedia.org/wiki/Wiesje_Boonzaaijer
Ook op 21 november werd de boerderij van de familie Boonzaaijer aan de Rijksweg 18 in Ede bezocht. Dijkman had bekend dat Wiesje Boonzaaijer, de dochter van het gezin, werkte als koerierster. Een half uur voor de overval werd de familie gewaarschuwd door Evert Jan van Spankeren. Wiesje Boonzaaijer dook snel onder bij de broer van haar verloofde in Veenendaal. Omdat zij afwezig was nam de SD haar vader en moeder mee. Vader Steven Boonzaaijer overleed op 14 april 1945 in het concentratiekamp Wöbbelin.
https://nl.wikipedia.org/wiki/Berend_Dijkman
https://fam-org-pater.nl/getperson.php?personID=I10362&tree=AMERONGEN
https://nl.wikipedia.org/wiki/Wiesje_Boonzaaijer
-
[0] In dagboek oma Nonny - Oma is op haar boerderij opgepakt.
[1] (p.40) "Haar had de SD zoo ontzettend hard geslagen, zij was de eerste week veel buiten kennis. Ze heeft drie weken op bed gelegen, terwijl zij niet wist, hoe zij van pijn moest liggen. De SD hadden haar ook een kap opgezet. die kap was van haar gemaakt en dat ging op de minuut als de kap gebruikt wordt. "Waar zit je dochter?" "Ik zeg het niet of ik weet het niet. " Dan zetten ze 4 minuten die harige kap op en trokken haar heen en weer. Het was om te stikken, zoo benauwd. Maar ze heeft haar dochter niet verraden. Zij had 3 maanden later nog dikke striemen op haar zitvlak, van al het slaan. Na het verhoor zag ze haar man, die kwam het bloed uit de mouw, zoo hadden ze hem geslagen. Ze heeft hem nooit weer gezien. Hij is in Neuengamme overleden aan dysenterie. Ik hield heel veel van juffrouw Boonzaaijer."
Naam: Nonny van Doorn-van den Bosch
Nummer: 59
Familie van: Johanna Cornelia van Doorn-Bos (nummer 62)
Actief als koerierst voor Groep Albrecht
Woonde in de oorlog: Kerkewijk, Veenendaal
Geboren: 2 oktober 1919, Zaandam
Overleden: 21 juli 2013, Deventer
Ouders: Kees Cornelis (24 mei 1887 - 31 aug 1964) + Clazina van Delft (16 januari 1889 - 31 december 1951)
Huwelijk: Anthonie Johannes (Tom) van Doorn
Kinderen:
Adam Barend (Ab) van Doorn - 2 februari 1947 = mijn vader
Barbera Jessica elisabeth (Basia) van Doorn - 26 juli 1948
Cornelis (Cees) van Doorn - 2 april 1950
Marianne Antoinette (Marianne) van Doorn - 26 november 1953
Oorlogsgegevens:
Actief als koerierster voor Groep Albrecht in Veenendaal. Haar toen verloofde Tom was daar actief.
Opgepakt op 21 november 1944 in Ede op de boerderij van Boonzaaijer.
Gevangen gezeten de WIllem III Kazerne van 21 nov 1944 - 24 februari 1945.
De Kruisberg: 24 februari 1945-27 maart 1945
Westerbork: 27 maart-11 april 1945
Vrouwenmars 11-14 april 1945
Naar Utrecht gelopen: eerste paar dagen met Jacoba van der Kun, Kiek en Mechteld Sandberg.
Daarna alleen naar Thea Rómer (vriendin / gevangenisgenoot uit Willem III kazerne) in Apeldoorn.
Daarna met mevrouw Brouwer naar Utrecht, aankomst 5 mei 1945. Trof daar verloofde Tom.
-----
http://www.hetverhaalbewaard.nl/art/uploads/2015/04/1430054497.pdf
https://www.rijnpost.nl/nieuws/column/359773/column-de-allerlaatsten-
https://www.mensenlinq.nl/overlijdensberichten/nonny-van-doorn-van-den-bosch-5197543
Aantekeningen Bindert op namenlijst: verhuisd naar Nieuw-Zeeland
https://nl.wikipedia.org/wiki/Berend_Dijkman
https://www.tracesofwar.nl/persons/64172/Bosz-Jeanne-EM.htm?c=aw
https://www.kampamersfoort.nl/wp-content/uploads/2017/04/ARTIKEL_Henk_Henriet-2.pdf
https://www.genealogieonline.nl/parenteel-lydia-koning/I11550.php
Naam: Willempje Boeve
Geboren: 13 september 1902 in Barneveld
Overleden: 23 november 1993 in Harderwijk
Ouders: Willem Boeve en Maartje Boeve
Broers/zussen:
Geurtje Boeve (13 januari 1910 - 28 mei 2000) - Johan Marie Burger (1909-1999) op 19 december 1968 te Barneveld
Gerritje Boeve (9 september 1914 te Barneveld - 9 juni 2006 te Garderen) - Hendrikus Pul ( 4 maart 1909 te Barneveld - 5 april 2002 te Garderen)
Willem Marinus Pul
Hendrikje Pul
Huwelijk: Arnoldus Jacobus (Nol) Burger (01-11-1907 - 24-05-1992 in Harderwijk) op 14 november 1930 te Barneveld
Kinderen: zoon J.W. Burger - heeft overall
Kleinkinderen: Wilma Stoelinga
Oorlogsgegevens:
Relatie met verzetstrijder Nol Burger (die verzetsgroep leidde?) Aartje Simon (no. 6) zat in die groep.
Zij heeft een interview gegeven aan "Dossier Boeree".
https://www.geni.com/projects/Koeriersters-van-het-verzet-40-45/2838063
Of Willempje Burger-Boeve uit Garderen. Ik spreek met haar dochter. Ze heeft haar moeder herkend op de foto die hangt aan het Huis van Bewaring. De Duitsers arresteerden haar eind 1944. Het was hen eigenlijk te doen om haar man, die in het verzet zat. Die wilden ze oppakken. Ook zij liep, met de dood voor ogen nachtenlang in een blauwe overall. Willempje Burger is de oma van drie vrouwen die vandaag meelopen. Wilma en Petra Stoelinga en Willie Mulderij.
----
Boschzicht, Putterweg 46 (1939) Garderen W. Boeve, pension (1936)
https://www.online-begraafplaatsen.nl/graf/26479/41370/Willempje-Boeve-1902-1993
https://www.genealogieonline.nl/stamboom-van-de-kolk-nunspeet/I17870.php
Schoonmoeder van mijn oma Nonny van den Bossch (no. 59) - zie details daar.
Overgrootmoeder van mij, de moeder van mijn opa Tom van Doorn. Tijdens de Vrouwenmars 56 jaar.
https://gw.geneanet.org/janbos1958?lang=en&pz=evert&nz=bos&ocz=1&p=johanna+cornelia&n=bos
https://gw.geneanet.org/janbos1958?lang=en&pz=evert&nz=bos&ocz=1&p=adam+barend&n=van+doorn
https://oorlogsgravenstichting.nl/persoon/35131/adam-barend-van-doorn
CONTACT? Jan Bos 1958 - https://en.geneanet.org/profil/janbos1958
[1] Dagboek Cornerlia van der Woerd-Moll: "In Westerbork maakte ik ook kennis met Mevrouw van Doorn uit Veenendaal. Haar man en zoon waren ook opgepakt. (p 37).
P46 - Mevrouw Van Doorn zorgde voor een deken en beker (p46). Gesprekje op P50.
Hendrika (H.) Formanij-van Aken
Geboren: 13-1-1881 Elspeet
Overleden 24 aug 1969 - https://oorlogsgravenstichting.nl/personen/43150/richardus-adrianus-formanoij
Ouders:
Reijer van Aken - Schilder, arbeider, huisschilder, zoon van Evert van Aken en Henderika Migchelsen, geboren 26-7-1854 Harderwijk, overleden 4-6-1936 Harderwijk
Trouwt 31-1-1877 Harderwijk
Hendrika van der Vegt, dochter van Hendrik Jan van der Vegt - schoenmaker en Reintje Leurink, geboren 25-4-1853 Deventer [201], overleden 4-3-1939 Ermelp
Kinderen:
Tenminste 1 kind: Johanna Jacoba Maria Formanoij - 11 September 1912 in Den Haag
Richard werd geboren op 23 september 1884 in Harderwijk.
Hij was hotelhouder in Putten en werd lid van de plaatselijke verzetsgroep. De illegaliteit van Putten en omgeving kwam vaak samen in zijn hotel. Hij verleende ook onderdak aan Baronesse van Holthe tot Echten, die door de SD (Sicherheitsdienst) werd gezocht.
Op 13 februari 1945 werd Richard gearresteerd en gevangen gezet in de Koning Willem III-kazerne in Apeldoorn.
Later werd hij overgebracht naar de Kruisberg in Doetinchem.
Op de dag van de executie was Richard 60 jaar oud, hij was gehuwd en had een dochter.
https://www.monumentwoestehoeve.nl/027FormanoyR.html
Richardus Adrianus Formanoij
born: 23 September 1884 - Harderwijk[20]
baptised: 23 September 1884 - Harderwijk Roman Catholic Church[74]
died: 8 March 1945 - Apeldoorn Gelderland[76]
Richardus' baptism entry
Richardus left Harderwijk for Rotterdam on 1 March 1907[28]. Later he lived at Westerbaenstraat 185 in Den Haag with his family[75].
[1] Cornelia van der Woerd p37. "Was 64 jaar. De Duitsers hadden haar huis afgebroken en haar man was opgepakt." "Ze was ook niet goed [dus mocht eerder vrij van straf-appèl toen we met de oudjes de ramen hadden opgedaan toen we parachutisten dachten te horen}.
(p45) Mocht een stuk met de wehrmacht meerijden omdat ze niet goed was. p45.
P51 - werd een dag voor Visvliet met 12 vrouwen vrijgelaten - te ziek/oud
Constantia Jacoba van Holten tot Echten, geboren 1893 -overleden 24 mei 1986 | nummer 64
Zie ook schoondochter Anneliese (no 19, toen verloofde van oudste zoon Alexander) en stiefdochter Lia (no, 65), vlak voor de mars gevlucht.
---
Stukje bij beeld "Het verhaal" in Vries:
Renée van der Schalk-van Lynden staat portret voor drie familieleden uit Putten: Constantia van Geen-van Holthe tot Echten (gevangenisnummer 64), Anneliese Van Geen-Versteegh (nummer 19) en Lia van Geen (nummer 65). De hele familie Van Geen was actief in het Puttense verzet en bood onderdak aan onderduikers. Na arrestatie zaten de vrouwen maanden gevangen in de Willem III-kazerne in Apeldoorn. In maart 1945 werden zij naar Westerbork overgebracht en werkten in een batterijfabriek tot de Vrouwenmars begon. De vrouwen werden bevrijd, maar bleken bij thuiskomst familieleden te zijn verloren en vele dorpsgenoten na de Razzia van Putten.
Stukje uit het boek (geverifieerd door Renéé):
– Het Verhaal – een boekenplank vol persoonlijke verhalen in het centrum van Vries aan de muur van het Ontmoetingshuis.
Renée van der Schalk-van Lynden staat portret voor drie betrokken familieleden uit Putten. Haar grootmoeder, jonkvrouwe Constantia van Geen-van Holthe tot Echten (no. 64), en de tantes Anneliese Van Geen-Versteegh (no. 19) en jonkvrouwe Lia van Geen (no. 65). Lia wist net voor de Vrouwenmars begon te vluchten. De hele burgemeestersfamilie was actief in het verzet; ze boden onderdak aan onderduikers op hun landgoed 'Bijstein’ en waren actief in het Puttense verzet. De moeder van Renée, Cocky van Geen-Van Lynden, zat ook gevangen in de Willem III-kazerne maar werd daar bevrijd. Oom Henri van Geen kwam op 2 maart om, net als Cocky’s verloofde Wiete Rengers Hora Siccama bij een represaille. Zij waren twee van de '46 van Rademakersbroek'. Grootvader Mathieu Lambert van Geen wist te ontvluchten uit de deportatiemars vanuit Neuengamme, net voor een afgrijselijke massamoord van gevangenen bij het Duitse Gardelegen.
---
De hele burgemeestersfamilie was actief in het verzet; ze boden onderdak aan onderduikers op hun landgoed 'Bijstein' [wordt op verschillende maniere geschreven - familie kiest deze spelling] en de mannen waren actief in het Puttense verzet. Oom Henri van Geen kwam op 2 maart om bij een represaille, hij was een van de '46 van Rademakersbroek'. Opa Mathieu Lambert van Geen wist te ontvluchten uit de deportatiemars vanuit Neuengamme, net voor een afgrijselijke massamoord van gevangenen bij het Duitse Gardelegen.
Bijstein (Beystein) - adres nu: Nijkerkerstraat 35, Putten.
14 januari: 2025 gebeld met Bijstein Gelre (bedrijf nu gevestigd), nu in bezit van Amsterdamse familie. Geen contact met eerdere bewoners.
--
Constantia was getrouwd met: Matthieu Lambert van Geen, 1883 – 1970 [heeft dochter uit eerste huwelijk, Lia no 65]
Kinderen:
Alexander James, 1920 – 2011, overleden 28 november in Amersfoort - getrouwd met A. E. (Anneliese) Versteegh (Amersfoort) = nummer 19
Hendrik Gerard, 1921 – 1945 (gefusilleerd met 46 mannen van Rademakersbroek - zie lezing Evert de Graaf)
Mathieu Constant (M.C) “Mat”, 1926 – 2016, overleden 4 april te Nijmegen, getrouwd met C.A.A. Carla Alfrieda Arda van Hoogstraten - woonplaats Nijmegen. https://www.vanhoogstraten.org/genealogie.htm
Maria Constantia Johanna “Cock(je)”, 1922-1993 = MCJ van Geen, getrouwd met F.W.B. van Lynden (Rotterdam) > dochter = Renée van der Schalk-Van Lynden van het beeld 'Het verhaal' in Vries. https://www.genealogieonline.nl/genealogie-richard-remme/I372612.php
Liline Alexandra (L.A) “Peet’ “Tuut” 1931-2009. - was even gevangen in Apeldoorn, werd vervroegd vrijgelaten met oma Van Geen.
---
Halfzus/stiefdochter:
Elisabeth (Lia) Jacqueline Marie (1911) = nummer 65. - Getrouwd met M. van Marwijk Kooy, dochter Liline (LinkedIn) - wp De Bilt = halfzus van een eerdere vrouw van Lambert van Geen. http://www.oorlogsslachtofferswestbetuwe.nl/dhr.-h.g.-van-geen-uit-waardenburg.html
Dochter uit 1e huwelijk van Matthieu Lambert van Geen, 1883 – 1970
https://www.genealogieonline.nl/genealogie-richard-remme/I372612.php
https://www.adelinnederland.nl/overleden-jonkheer-m-c-geen/
https://www.oorlogsslachtofferswestbetuwe.nl/dhr.-h.g.-van-geen-uit-waardenburg.html
---
BRON: https://de46vanhetrademakersbroek.nl/man/hendrik-gerard-van-geen/
Op 15 juni 1921 wordt Hendrik Gerard van Geen geboren in Waardenburg als de tweede zoon van burgemeester en luitenant ter zee 1e klasse Jhr. Mathieu Lambert van Geen (Maastricht 1883) en Constantia Jacoba Van Holthe Tot Echten (Assen 1893). Zijn ouders zijn in de zomer van 1919 getrouwd. Vader van Geen is op dat moment weduwnaar en hij heeft een dochter uit zijn eerste huwelijk. In 1927 wordt hij burgemeester van Putten en de familie verhuist naar Huize Bijstein aan de Nijkerkerstraat.
De oorlog
In de oorlog gaat het gezin in het verzet. Vader wordt in 1941 als burgemeester ontslagen, omdat Putten op 29 juni te openlijk de verjaardag van prins Bernard heeft gevierd. Hij duikt thuis onder. De familie biedt hulp aan piloten en onderduikers. Op de jongste dochter na verrichten de kinderen Van Geen koeriersdiensten en later in de oorlog zijn ze betrokken bij droppings en het onderbrengen en vervoeren van piloten, wapens, munitie en zenders. Ook helpen ze bij de sabotage van spoorlijnen. De kinderen Van Geen noemen zichzelf de Stootgroep. Henri zit bij de R.V.V. en zijn verzet is gemotiveerd door “vaderlandsliefde en haat tegen de onderdrukker,” aldus zijn vader na de oorlog. In 1944 zijn er in Putten een communistische verzetsgroep en een rond Arend Dunnewind – zoon van de stationschef – waar Van Geen bijhoort. Ze voeren opdrachten uit voor Berend Dijkman, alias Piet van de Veluwe. In de zomer van 1944 krijgt Henri de leiding. In september neemt de ondergedoken politieman Ab Witvoet het roer over. Op zaterdagavond 30 september pleegt deze groep – zonder Van Geen – een mislukte overval op een auto met twee Duitse Wehrmacht-officieren en twee korporaals, waarbij een verzetsman en een korporaal omkomen. Deze actie leidt de volgende dag tot de Razzia van Putten. Op zondag 1 oktober wordt een groot deel van de bevolking gegijzeld. Op maandag worden zo’n 660 mannen tussen de 17 en 50 jaar afgevoerd naar kamp Amersfoort en het grootste deel gaat op transport naar Neuengamme. Ruim 550 komen er om. In het dorp zelf steekt de bezetter meer dan honderd huizen in brand.
Op 9 november worden Van Geen en zijn vriend Wiete Rengers Hora Siccama – tevens verloofde van zus Cocky – gearresteerd, omdat ze zich niet hebben gemeld voor de Arbeitseinsatz. Ze belanden in kamp Amersfoort, maar op 31 januari 1945 worden ze samen voor verhoor teruggehaald naar de Willem III-kazerne in Apeldoorn. Door het doorslaan van verzetsstrijder Luther Kortlang uit Ermelo begrijpt de SD dat er piloten ondergedoken hebben gezeten op Huize Bijstein en dat de beide mannen meer op hun kerfstok hebben dan aanvankelijk gedacht. De jongens proberen onderweg naar de kazerne uit de auto te ontsnappen. Er ontstaat een gevecht met de SD’ers die hen bewaken, waarbij Wiete zwaar gewond raakt en de volgende dag overlijdt. Van Geen belandt op 24 februari na zeer zwaar verhoor als Todeskandidat in De Kruisberg. Cocky is al op 5 november 1944 gearresteerd, maar kan in februari vluchten. Vader Van Geen wordt begin februari gearresteerd en komt op 18 maart in Neuengamme aan. Hij zal zwaar ziek de oorlog overleven en in januari 1946 zijn taken als burgemeester hervatten. Tegen het laatste is in Putten wel weerstand, omdat zijn zoon onderdeel uitmaakte van de verzetsgroep die de razzia veroorzaakte. Het stoffelijk overschot van Henri wordt op 4 mei 1945 samen met Rademakersbroek-slachtoffers Evert van Grevengoed (ook uit Putten), Luther Kortlang (Ermelo), Wouter van Dam (Harderwijk) en Bert Schaftenaar (Harderwijk) uit Varsseveld opgehaald. Van Geen en Van Grevengoed worden naast elkaar op de Oude Gemeentelijke Begraafplaats (nu Oude Algemene Begraafplaats) van Putten begraven.
https://www.oorlogsslachtofferswestbetuwe.nl/dhr.-h.g.-van-geen-uit-waardenburg.html
---
Cocky al eerder op 5 november 1944 gearresteerd, maar kan in februari vluchten vanuit Willem III kazerne Apeldoorn.
[Zie ook een stukje in dagboek Nonny]
Maria Constantia Johanna (Cocky) van Lynden-van Geen (1922-1993)
Leeftijd in april 1945: 22 jaar
Woonplaats in de oorlog: Putten
Afkomstig uit: Willem III-kazerne
Verzetsgroep: Stootgroep Putten
Cocky van Geen was een actieve verzetsstrijdster binnen de Stootgroep Putten, samen met haar broer Hendrik Gerard en andere leden van haar familie. Ze was betrokken bij koeriersdiensten en sabotageacties. Op 5 november 1944 werd ze voor het eerst gearresteerd, maar in februari 1945 wist ze te ontsnappen. Kort daarna werd ze opnieuw opgepakt en gevangengezet in de Willem III-kazerne.
Vanuit de Willem III-kazerne werd ze overgebracht naar Kamp Westerbork, waar ze met de andere vrouwelijke politieke gevangenen verbleef. Ze moest in april 1945 de Vrouwenmars lopen, die via Assen en Groningen naar Visvliet leidde. Op 14 april werd ze daar bevrijd.
Na de oorlog trouwde ze met F.W.B. van Lynden en vestigde zich in Rotterdam.
https://de46vanhetrademakersbroek.nl/man/hendrik-gerard-van-geen/
--
https://de46vanhetrademakersbroek.nl/man/hendrik-gerard-van-geen/
Broer: Hendrik-gerard-van-geen/
Op 15 juni 1921 wordt Hendrik Gerard van Geen geboren in Waardenburg als de tweede zoon van burgemeester en luitenant ter zee 1e klasse Jhr. Mathieu Lambert van Geen (Maastricht 1883) en Constantia Jacoba Van Holthe Tot Echten (Assen 1893). Zijn ouders zijn in de zomer van 1919 getrouwd. Vader van Geen is op dat moment weduwnaar en hij heeft een dochter uit zijn eerste huwelijk. In 1927 wordt hij burgemeester van Putten en de familie verhuist naar Huize Bijstein aan de Nijkerkerstraat.
In de oorlog gaat het gezin in het verzet. Vader wordt in 1941 als burgemeester ontslagen, omdat Putten op 29 juni te openlijk de verjaardag van prins Bernard heeft gevierd. Hij duikt thuis onder. De familie biedt hulp aan piloten en onderduikers. Op de jongste dochter na verrichten de kinderen Van Geen koeriersdiensten en later in de oorlog zijn ze betrokken bij droppings en het onderbrengen en vervoeren van piloten, wapens, munitie en zenders. Ook helpen ze bij de sabotage van spoorlijnen. De kinderen Van Geen noemen zichzelf de Stootgroep. Henri zit bij de R.V.V. en zijn verzet is gemotiveerd door “vaderlandsliefde en haat tegen de onderdrukker,” aldus zijn vader na de oorlog. In 1944 zijn er in Putten een communistische verzetsgroep en een rond Arend Dunnewind – zoon van de stationschef – waar Van Geen bijhoort. Ze voeren opdrachten uit voor Berend Dijkman, alias Piet van de Veluwe. In de zomer van 1944 krijgt Henri de leiding. In september neemt de ondergedoken politieman Ab Witvoet het roer over. Op zaterdagavond 30 september pleegt deze groep – zonder Van Geen – een mislukte overval op een auto met twee Duitse Wehrmacht-officieren en twee korporaals, waarbij een verzetsman en een korporaal omkomen. Deze actie leidt de volgende dag tot de Razzia van Putten. Op zondag 1 oktober wordt een groot deel van de bevolking gegijzeld. Op maandag worden zo’n 660 mannen tussen de 17 en 50 jaar afgevoerd naar kamp Amersfoort en het grootste deel gaat op transport naar Neuengamme. Ruim 550 komen er om. In het dorp zelf steekt de bezetter meer dan honderd huizen in brand.
Op 9 november worden Van Geen en zijn vriend Wiete Rengers Hora Siccama – tevens verloofde van zus Cocky – gearresteerd, omdat ze zich niet hebben gemeld voor de Arbeitseinsatz. Ze belanden in kamp Amersfoort, maar op 31 januari 1945 worden ze samen voor verhoor teruggehaald naar de Willem III-kazerne in Apeldoorn. Door het doorslaan van verzetsstrijder Luther Kortlang uit Ermelo begrijpt de SD dat er piloten ondergedoken hebben gezeten op Huize Bijstein en dat de beide mannen meer op hun kerfstok hebben dan aanvankelijk gedacht. De jongens proberen onderweg naar de kazerne uit de auto te ontsnappen. Er ontstaat een gevecht met de SD’ers die hen bewaken, waarbij Wiete zwaar gewond raakt en de volgende dag overlijdt. Van Geen belandt op 24 februari na zeer zwaar verhoor als Todeskandidat in De Kruisberg. Cocky is al op 5 november 1944 gearresteerd, maar kan in februari vluchten. Vader Van Geen wordt begin februari gearresteerd en komt op 18 maart in Neuengamme aan. Hij zal zwaar ziek de oorlog overleven en in januari 1946 zijn taken als burgemeester hervatten. Tegen het laatste is in Putten wel weerstand, omdat zijn zoon onderdeel uitmaakte van de verzetsgroep die de razzia veroorzaakte. Het stoffelijk overschot van Henri wordt op 4 mei 1945 samen met Rademakersbroek-slachtoffers Evert van Grevengoed (ook uit Putten), Luther Kortlang (Ermelo), Wouter van Dam (Harderwijk) en Bert Schaftenaar (Harderwijk) uit Varsseveld opgehaald. Van Geen en Van Grevengoed worden naast elkaar op de Oude Gemeentelijke Begraafplaats (nu Oude Algemene Begraafplaats) van Putten begraven.
Elisabeth Jacqueline Marie van Geen, geboren 04-03-1911 – overleden 11-09-2003.
Ongehuwd gebleven.
Gevlucht met 6: Gonnie van Goor (25), Adrie Kleekamp (70), Sophie Townsend (42) en Lia van Geen (65) + Tiny Bolhuis (57) en Miny van der Saag
Familielid waarmee onctact: Renéé van der Schalk-Van Lynden
Mail van Renéé februari 2026 aan Rixt:
De geboortedatum (en sterfdatum) van mijn tante Lia (Elisabeth Jacqueline Marie van Geen 04-03-1911 – 11-09-2003). Zij was de dochter uit het eerste huwelijk van mijn grootvader [Mathieu Lambert van Geen]. Zijn vrouw overleed in het kraambed van hun 2e kind. Tante Lia bleef vrijgezel.
Later op 28-7-1919 trouwde mijn grootvader Mathieu Lambert van Geen (30-08-1883 – 04-03-1970) met mijn grootmoeder Constantia Jacoba van Geen-van Holthe tot Echten (10-08-1893 – 24-05-1986) en zij kregen samen 5 kinderen. Mijn grootmoeder was slechts 18 jaar ouder dan tante Lia.
Anneliese Versteegh is de schoondochter, die na de oorlog op 22-8-1946 trouwde met mijn oudste oom Alexander James van Geen.
De 3 vrouwen (en de jongste dochter Liline, toen 14 jaar) zijn op 2 februari 1945 in Huize Bijstein in Putten gearresteerd en afgevoerd naar de Kon. Willem III Kazerne in Apeldoorn. Al na paar dagen werd Liline vrijgelaten. De gehele familie Van Geen was inmiddels gevangengenomen of zaten ondergedoken, dus zij keerde alleen terug naar Bijstein en bleef daar (wrsch?) tot dat haar moeder, Lia en Anneliese naar huis terugkeerden na de bevrijding uit de Vrouwenmars.
Vader: Matthieu Lambert van Geen, 1883 – 1970 (1e huwelijk)
https://www.genealogieonline.nl/genealogie-richard-remme/I372612.php
Halfbroers/zussen:
Alexander James, 1920 – 2011, overleden 28 november in Amersfoort - getrouwd met A. E. (Anneliese) Versteegh (Amersfoort) = nummer 19
Hendrik Gerard, 1921 – 1945
Mathieu Constant (M.C) “Mat”, 1926 – 2016, overleden 4 april te Nijmegen, getrouwd met C.A.A. van Hoogstraten - woonplaats Nijmegen. https://www.vanhoogstraten.org/genealogie.htm
Maria Constantia Johanna “Cock(je)”, 1922-1993 = MCJ van Geen, getrouwd met F.W.B. van Lynden (Rotterdam) > 2 dochters bekend bij Evert de Graaf ehdegraaf@gmail.com
Liline Alexandra (L.A) “Peet’ “Tuut” 1931-2009
----
Landgoed Vollenhoven.
Putten - Nijkerkerweg 35, bewoners :1927 - M.L. van Geen
https://www.buitenplaatseninnederland.nl/putten-bystein.html
woonhuis van het burgemeestersgezin Van Geen
Het landhuis is wel de woning van jhr. mr. M. L. van Geen geweest, die de eigenaar was. Jhr. mr. Van Geen was van 1927 tot 1948 burgemeester van Putten.
https://www.digibron.nl/search/detail/012e969feb5f8aa9fcd6bff6/opgemerkt
In Memoriam
Jonkheer Mathieu Constant van Geen werd geboren op 16 juni 1926 te Waardenburg. Zijn vader, jonkheer Matthieu Lambert van Geen, was een telg uit een geslacht dat teruggaat tot in de 17e eeuw in het Belgische Gent. Voorvader Josephus Jacobus baron van Geen (1775-1846) had een glanzende carrière als militair en werd uiteindelijk generaal tit. Hij werd in 1831 in de Nederlandse adel verheven met de titel van baron bij eerstgeboorte, terwijl de overige nakomelingen het predicaat jonkheer/jonkvrouwe kregen. Zijn moeder, jonkvrouwe Constantia Jacoba van Holthe van Echten, stamde uit een Veluws geslacht van bestuurders, dat teruggaat tot in 1404. Door het huwelijk met de erfdochter uit het geslacht Van Echten werd deze naam toegevoegd. In 1816 werd een voorvader benoemd in de Ridderschap van Drenthe en sindsdien maakt de familie deel uit van de Nederlandse adel met het predicaat van jonkheer.
Hij was de jongste in het gezin met twee oudere zusjes en broertjes en groeide het eerste jaar op in Waardenburg, waarvan zijn vader burgemeester was, tot het gezin in 1927 na de benoeming van zijn vader tot burgemeester van Putten hierheen verhuisde. Hier werd vijf jaar later nog een zusje geboren. Het gezin woonde in Putten op huize Bijstijn. Zijn jeugdjaren werden overschaduwd door de oorlog: zijn vader werd in 1941 ontslagen door de bezettende macht en werd gevangen genomen. Na in het concentratiekamp Neuengamme te hebben gezeten, volgde een dodenmars van Hamburg naar Gardelegen. Onderweg ontsnapte hij met enkele lotgenoten en ontliep zo een vreselijke dood, want de anderen gevangenen werden in een schuur opgesloten, die daarna in brand werd gestoken.
De Amerikaanse commandant die dit bij de bevrijding hoorde, beval de verwoesting van de stad, maar burgemeester Van Geen overtuigde hem dit niet te doen: “Alleen Duitse officieren branden als vergelding steden en dorpen af en vermoorden hun tegenstanders. Zo doen Nederlandse en Amerikaanse officieren niet.” Hiermee verwees hij naar de dramatische gebeurtenissen die in Putten in oktober 1944 als vergelding hadden plaatsgevonden. In Gardelegen herinnert als dank tot op de dag van vandaag een foto met zijn naam in de kerk aan hem.
Bijna het hele gezin raakte bij het verzet betrokken, zijn zusjes als koeriersters en zo zat Mathieu Constant bij de verzetsgroep ‘De Stootgroep’, maar helaas werd één van zijn broers, jonkheer Hendrik Gerard van Geen, door de SD opgepakt en op 2 maart 1945 gefusilleerd. Zijn vader keerde verzwakt terug uit Duitsland en werd in zijn ambt hersteld. Vanwege zijn gezondheidstoestand werd het burgemeestersambt eerst voor hem waargenomen. In 1948 trad hij terug na 21 jaar burgemeester van Putten te zijn geweest. In de laatste gemeenteraadszitting waarin hij afscheid nam, was een groot aantal burgemeesters uit de omliggende gemeenten aanwezig om hem op deze wijze te eren. Ook de receptie na afloop werd zeer druk bezocht.
Mathieu Constant werd, na zijn opleiding voltooid te hebben, werkzaam als gemachtigde van Consultants Inc. in Amsterdam. In 1955 huwde hij Carla Alfrieda Arda van Hoogstraten. Zij stamde uit een familie in het blauwe boekje van het Nederland’s Patriciaat, dat door huwelijken met Nederlandse adel verbonden was. Haar vader was dominee en haar moeder een jonkvrouwe Von Steiger. Na hun huwelijk woonden zij eerst op Huize Bijstein in Putten. Nadat hij werkzaam was geworden voor Werkspoor N.V. woonden zij in Johannesburg in Zuid-Afrika. Hier werden, nadat zij al eerder een dochter hadden gekregen, hun twee zoons geboren. Na terugkeer in Nederland gingen zij in Bilthoven wonen en werd hij werkzaam voor Werkspoor N.V. in Utrecht tot hij directeur werd bij Grintverkoopkantoor B.V. en zij naar Nijmegen verhuisden. Hier bleven zij ook na zijn pensionering wonen en het was ook in Nijmegen dat zijn echtgenote in 2000 kwam te overlijden.
Op 4 april 2016 kwam hijzelf in Nijmegen te overlijden: “Verdrietig, maar dankbaar voor alles wat hij voor ons is, geven wij U kennis van het overlijden van onze allerliefste pappie, schoonvader en grootvader Jonkheer Mathieu Constant van Geen Ridder Johanniter Orde in Nederland.” Jonkheer Van Geen werd negenentachtig jaar en wordt diep betreurd door zijn dochter, zoons, schoondochters, vijf kleinkinderen en verdere familieleden. De crematie vond in besloten kring plaats.
Annonce van het overlijden met dank aan Netty op www.nobiliana.de.
Latere adres: Haarweg 40 - Haarweg 40 7938 PTNw. Balinge
-
https://www.kampamersfoort.nl/wp-content/uploads/2017/04/ARTIKEL_Henk_Henriet-2.pdf
Dijkman had zijn ondervragers ook verteld van de "bunker" die speciaal voor hem in het gehucht Drie was aangelegd. De SD legde daar op 13 december 1944 een hinderlaag. De broers Jannes, Kees en Sjaak Born werden op heterdaad betrapt. Zij wilden de bunker gebruiken als nieuwe zendlocatie. Jannes Born werd doodgeschoten, terwijl Kees zwaargewond raakte. Vervolgens werden een aantal mensen in en rondom het huis van de familie Born gearresteerd, waaronder de geheim agent Herman Leus en zijn assistent Corneille du Corbier. Du Corbier werd neergeschoten toen hij een ontsnappingspoging waagde. Hij overleed ruim twee maanden later aan zijn verwondingen. Leus werd op 8 maart 1945 geëxecuteerd bij de Woeste Hoeve. De koerierster Corry de Haan werd een dag later gearresteerd toen zij het huis bezocht dat nog steeds door de SD werd bezet.
https://nl.wikipedia.org/wiki/Berend_Dijkman
Check: 3x Huber: Anneke Huber uit Apeldoorn (77) & P.M. Huber-Kloos uit Twello (79) & Bep Huber-Van Zijt(d)veld in Garderen (67)
Mogelijk geen relatie met 77 en 79.
Kinderen: Marco, Robbie en een dochter. In Zeist.
Mama Nettie van Doorn - Bep was handwerklerares op middelbare school / MMS.
Gescheiden.
-
Bindert 1994: zoon Dhr. C.J.M. Huber
Wielingenstraat 24F
1078 KL Amsterdam
020-6762219
Bindert in 1994 contact gehad met zoon, geen uitnodiging gestuurd ivm emoties
Latere adres:
B. van Zijdveld
Oude Beulakerweg 16
8326 AG Sint Jansklooster
05274-6912
Geboren: 1 mei 1923
Overleden: 13 januari 1979
Karen heeft contact opgenomen vanwege huidkanker van haar moeder.
Zus Petra komt ook.
Familie van Reddy Notenboom-Klaassen (76)? uit Bergen op Zoom
---
Bindert:
Gehuwd met Eschauzier
Verhuisd naar Bussum:
Corverlaan 12
1405 AW Bussum
02159-43169
Gevlucht met 6: Gonnie van Goor, Adrie Kleekamp, Sophie Townsend en Lia van Geen + Tiny Bolhuis en Miny van der Saag .
Bindert: verhuisd in 1955 naar USA
---
Adres: Van Hasseltlaan 5, Apeldoorn
In december 1930 kwam het gezin van de in Amsterdam geboren handelaar in olie en vetten Paulus Adriaan Kleekamp (1890-1945) en zijn in Katwijk geboren vrouw Johanna Adriana Wassenaar (1898-1960). Ze hadden vijf kinderen. De oudste zoon Paulus Alfred (1919-1933) was organist in de Grote kerk en kwam door een ongeval op 13-jarige leeftijd om het leven.
Vader Paulus Adriaan en twee zonen; Cornelis Adriaan (1920-1945) en Maarten Conrad (1926-1945) hebben de oorlog niet overleefd, ze zaten in het verzet en werden vermoord in Kamp Sandbostel in Duitsland.
Naam: Adrie Kleekamp
Geboren:
Overleden:
Ouders: Moeder: Johanna Adriana Wassenaar "Tante Jo" . Wellicht is moeder wel vrijgelaten uit Apeldoorn'Tante Jo' Kleekamp-Wassenaar = moeder / 13 augustus 1898 te Katwijk / 23 oktober 1960 te Leiden / Haar ouders: Cornelis Wassenaar en Maartje Vooys
Vader? : (1e huwelijk) Paulus Adriaan Kleekamp (28 september 1890 - 1 mei 1945 te Sandbostel) / https://geneakatwijk.webtrees.net/tree/katwijk/individual/I44850/Paulus-Adriaan-Kleekamp
(2e huwelijk) Martin Heinrich Rugaart
Huwelijk:
Broers/zussen: 5 kinderen?
Paulus Alfred Kleekamp (1919- 3 april 1933 - ongeluk)
Cornelis (Kees) Adriaan Kleekamp (22 oktober 1920 te Apeldoorn - 6 mei 1945 te Sandbostel) - Kees? Verloofd op 18 mei 1942 net Greet J. Goede / https://geneakatwijk.webtrees.net/tree/katwijk/individual/I293556/Cornelis-Adriaan-Kleekamp
Maarten (Marten) Conrad Kleekamp (4 augustus 1926 te Apeldoorn - 15 april 1945 te Bergen Belsen) / https://geneakatwijk.webtrees.net/tree/katwijk/individual/I293554/Maarten-Conrad-Kleekamp
Adrie
Nog een zoon?
Oorlogsgegevens:
---\
Gevlucht met 6: Gonnie van Goor (25), Adrie Kleekamp (70), Sophie Townsend (42) en Lia van Geen + Tiny Bolhuis en Emmy Vroege
---
Johanna Adriana Wassenaar getrouwd met Paulus Adriaan Kleekamp (overleden 1 mei 1945 Sandbostel. 5 kinderen? Paulus Alfred Kleekamp ( Overleden 3 april 1933), Cornelis Adriaan Kleekamp ( Overleden 6 mei 1945, Sandbostel), Maarten Conrad Kleekamp ( Overleden 15 maart 1945, Bergen Belsen), 2 prive.
https://geneakatwijk.webtrees.net/family.php?famid=F27573&ged=katwijk
Later getrouwd met Martin Heinrich Rugaart
Overlijdensadvertentie: Adry en Chick Philips Kleekamp (Allschwil Zwitserland), Alfred en Kitty Kleekamp Nannings (Kalamazoo, USA)
https://geneakatwijk.webtrees.net/individual.php?pid=I96783&ged=katwijk
VAN HOUTUM. De talrijke arrestaties die de laatste weken in Apeldoorn hebben plaatsgevonden zouden door een Duitse provocateur zijn veroorzaakt. De familie Kleekamp uit Apeldoorn verbleef deze zomer in een hotel in Vierhouten. Daar was een Britse vlieger ondergedoken. Dit is al merkwaardig want onderduiken doe je niet in een hotel. De dochter uit het gezin raakt verliefd op de vlieger en ging later nog steeds op de fiets naar Vierhouten. Haar vader vond dit niet goed en was bereid de vlieger onderdak te verschaffen. Dit gebeurde en ging enige tijd goed tot dat de vlieger zich als een Gestapobeambte openbaarde. Het hele gezin is gearresteerd en naar Apeldoorn en later naar Duitsland overgebracht. Door verklaringen van deze gevangenen kwam de Gestapo joden, een geheime zender en enkele verzetsmannen op het spoor. Eén arrestatie werd een sneeuwbal. De dinsdag gearresteerde familie Van de Ham is op deze wijze verraden.
https://www.apeldoornendeoorlog.nl/bronnen/archivalia/oorlogskroniek-van-apeldoorn/1945-2/
https://monument.vriendenkringneuengamme.nl/person/402507/maarten-conrad-kleekamp
https://monument.vriendenkringneuengamme.nl/person/402505/paulus-adriaan-kleekamp
https://monument.vriendenkringneuengamme.nl/person/402506/cornelis-a-kleekamp
[1] Dagboek Cornelia van der Woerd - p37 - Trix was flauwgevallen tijdens appèl
Aantekeningen Bindert op namenlijst: psychisch in de war geraakt
--
Bron Bindert:
Zwager 0 A. Hilbrink - Sumatralaan 19 - 7314 CL Apeldoorn [[Australie?]
---
Bron: OCVG
Naam: Trijntje Krijger
Geboren: 23 januari 1923
Ouders: D.H. Krijger (Bestuurslid Idenburgfonds - Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken in Nederland)
Huwelijk: Ernst Jasper Tjark Burhoven Jaspers
Kinderen:
Zoon: Nico Daniel Burhoven Jaspers
Dochter: Greetje Tjarkeline Burhoven Jaspers
nog 3 andere kinderen?
----
Bindert: dochtetr Marianne Muller
323 Elizabeth Avenue
Clontarf 4019
Queensland
Australie
----
OCVG:
Oorlogsgegevens
Koerierster
Gearresteerd op 10 januari 1945 door de Apeldoornse SD in het huis van Cees (Cornelis) Meerhof aan Nijverheidsstraat 5 te Apeldoorn.
Onderscheiding: Verzetsherdenkingskruis
Verzetsherdenkingskruis voor Trijntje Krijger Burhoven Jaspers
https://www.tracesofwar.com/persons/65264/Burhoven-Jaspers-Krijger-Trijntje.htm
Het verzetsmonument 'Aambeeld met gebroken hamer' in Apeldoorn is opgericht ter nagedachtenis aan de smid en verzetsman Cees Meerhof die op 10 januari 1945 door de Sicherheitsdienst is opgepakt wegens wapenbezit en op transport is gesteld naar het concentratiekamp Neuengamme. Hier overleed hij tussen 15 maart en 3 mei 1945.
Cees (Cornelis) Meerhof woonde met zijn vrouw en jongste zoon Bertus (A.H. Meerhof) in een kleine woning aan de Nijverheidsstraat nr. 5. Aan de overkant, op nr. 7, woonde zijn oudste zoon Gerrit met vrouw en twee kinderen. Gerrit (zie ook de monumenten bij Kootwijk en Varsseveld) zat bij de LKP en opereerde een zendinstallatie. Hij had twee onderduikers in huis. Zijn woning was een belangrijk centrum voor de verzetsactiviteiten in de regio Apeldoorn.
Op 10 januari 1945 werd dit pand overvallen door de Apeldoornse SD. In een schuurtje werd ondergronds een kist handgranaten aangetroffen. Twaalf mensen werden aangehouden: Cees Meerhof, zijn vrouw Jintje Diphooren en hun jongste kind Bertus Meerhof (toen nog geen 15 jaar en jongste broer van Gerrit), Gerrit Meerhof en zijn vrouw Dina Oosterman, de twee onderduikers Fred Meyer (marconist) en Johannes Anema, Jaap Stel (marconist in het inlichtingenwerk en medewerker van Gerrit Meerhof), Zuster Wolf en A.C. v.d. Poll (beide buitenstaanders m.b.t. het verzet). Later op de middag werden de heren J. Pol en Adriaan Nagtegaal ("Jen") ook nog opgepakt. Nagtegaal werd bij een vluchtpoging ter plekke doodgeschoten, nadat hij een van zijn bewakers dodelijk getroffen had. De twee kinderen van Gerrit mochten met de moeder van zijn echtgenote mee naar huis. Ook de koerierster Trijntje Krijger werd gearresteerd.
Cees Meerhof werd in februari 1945 naar kamp Amersfoort overgebracht. Vervolgens werd hij op transport gesteld naar Neuengamme, alwaar hij is overleden tussen 15 maart en 3 mei 1945. Gerrit en Johannes zijn overgebracht naar het kamp De Kruisberg bij Doetinchem. Op 2 maart 1945 werden zij samen met 44 andere gevangenen als represaille door de bezetter gefusilleerd op een korenveld bij Varsseveld. Fred Meyer werd op 8 maart bij de Woeste Hoeve gefusilleerd. De echtgenotes van Cees en Gerrit werden 6 weken vastgehouden in de Willem III-kazerne en daarna vrijgelaten; zoon Bertus werd na 2 dagen vrijgelaten en kon bij een oudere zus in huis terecht. Trijntje Krijger is naar Westerbork afgevoerd en vrijgekomen na de oorlog. A.C. v.d. Poll is in Duitsland aan dysenterie overleden op 14 maart 1945.
https://www.nmpermelo.nl/ef/33.html
[1} Vrijgelaten 1 dag voor Visvliet met 12 vrouwen. P 55.
Ika: Met oma Nonny, Jacoba van der Kun en zus Mechteld vanuit Visvliet richting Zwolle gelopen.
---
Naam: Antonia Catharina (Kiek) Sandberg van Leuvenum
Titel: Vrouwe van Leuvenum en Bannink
Geboren: 23 april 1916 te Huize Colmschate te Diepenveen
Overleden: 3 december 2006 te Ermelo-Leuvenum.
Ouders: Cornelis Johan Jonkheer Sandberg van Leuvenum (1883 – 1945) en Ernestine Ferdinande de Beaufort ( 1886 – 1985)
Broers/zussen:
Anna Maria Ernestine Louise Sandberg van Leuvenum (1911-1991)
Mechteld Aleyda Johanna Sandberg van Leuvenum
Rudolp Antoni Peter Sandberg (1912-1945) - omgekomen in oorlog met vader
Huwelijk: ongehuwd
Kinderen: Nee
Oorlogsgegevens:
Januari 1945 inval in Huize Leuvenum. Onderduikers en hele gezin weggevoerd. Vader en broer Rudolph kwam niet terug uit Neuengamme en Sandbostel.
---
Anthonia Catharina Sandberg van Leuvenum
https://www.genealogieonline.nl/west-europese-adel/I76764.php
https://www.online-familieberichten.nl/zoeken.asp?command=show&id=489358
+Aduard vrij
Bindert:
Dochter Eva van der Woerd - De Steenkamp 36 - Voorthuizen - 03429-1449 = nu overleden
Achternichtje typte in 2011 "Dagboek van Cornelia van der Woerd-Moll" over.
Cornelia werd tijdens de verhoren ondervraagd over GERT = man? Haar dochters Francien, Eva en Marie brachten dagelijks informatie naar Gert.
Zie dagboek.
Logeerde met juffrouw Offringa bij Dominee Lindenboom. p55.
---
Foto LO/LKP Barnveld
Nummer:
GB00301
Foto
Beschrijving:
Een groepsfoto van de LO/LKP in Barneveld.
V.l.n.r. achterste rij: J. Eggink, Hennie Luttikhuisen-Klomp, Henk van der Woerd, mevr. Helder, Alie Peterkamp, mevr. Ten Ham-Romeijn, W. ten Ham.
Volgende rij: Kees van 't Land (Jan Zegers), mevr. Romeijn-van Boven, Tiny Beute, P. van Ginkel, Albert van Veldhuizen, meester W. Vos, Toos van der Woerd-ten Ham, Bertus van der Woerd, Roelie van Schuppen-Schoonsteeg, mevr. Vos, mevr. Beute, Romeijn, Bertus van der Woerd.
Volgende rij: mevr. Wildeboer, Mina Roelofsen, Kee van der Woerd, Bill Wildeboer, Jo van Ginkel, A. van den Broek.
Voorste rij: Wil Looijen op de knie bij Gert van Schuppen (commandant LO/LKP), Jo van der Woerd-Moll, dokter Helder, B. van der Woerd, H. Luttikhuizen.
Datering:
1/1/1940-1/1/1945
Collecties:
Fotocollectie Barneveld
Afmetingen:
14 cm, 9 cm
Opmerking auteursrechthouder:
Nota Bene: voorlopig reproductieverbod totdat rechten uitgezocht zijn.
Eigenaar:
A. van Velthuizen
--
Naam: Cornelia Moll
Geboren: 21 mei 1891 te Barneveld (ref dagboek)
Overleden: 29 maart 1979 te Bennekom (87 jaar)
Ouders:
Zus: Gerrie (p58 dagboek]
Getrouwd: Hendrik van der Woerd, geboren 7 maart 1893 te Barneveld + op 13 april 1921
Kinderen:
Willemine Johanna (Eva) van der Woerd, 19-5-1922 – 2016 x Arnoldus Iman Looijen, 1911 – 1983 (1 zoon, 2 dochters?)
[Van wie? Ze trouwde pas in 1950 met van der Linden en haar 1e man overleed in 1922...]
Gijsbertus Willem (Bertus) van der Woerd, 27-1-1924 (-?2001) > schuilnaam Kees Kiers en hulp van de commandant West Veluwe (Binnenlandse Strijdkrachten) - bron:dagboek
Francina (Francien) 5-10-1925 > GAF ORGINELE DAGBOEK VAN CORNELIA VAN DER WOERD-MOLL AAN WESTERBORK in 2007 > Een nichtje typte in 2011 dit orgineel over, in bezit
Maria 18-7-1927
Oorlogsgegevens: [bron: dagboek van Cornelia zelf]
Opgepakt 16 maart 1945 - kinderen zijn ontsnapt tijdens het oppakken door de SD.
ZUS = JOHANNA MOLL geb 21 mei 1893/1895 en overleden 13 mei 1968 > getrouwd met WILLEM van der Woerd
Huwelijk Johanna (zus Jo) : Willem van der Woerd (1896 – 1922) op 18 mei 1920 te Barneveld
2e huwelijk? Jan van der Linden (1884 – 1976) op 4 januari 1950 te Barneveld
Ook zoon Bertus
Stoer dat ze alleen in het verzet ging.
Beroep: Mevrouw Johanna van der Woerd-Moll was directeur kettingkastfabriek de Woerd.
"Jo van de Ketting"
Familiegeschiedenis kettingkastbedrijf Van der Woerd
http://rijwiel.net/de-woerd_n.htm#:~:text=Maar%20toen%20sloeg%20het%20noodlot,Bert)%20van%20anderhalf%20jaar%20achter.
Johanna Moll? En Willem van der Woerd? [ Ze heeft op p47 ook over ene Bertus]
https://www.genealogieonline.nl/brobol-genealogie/I43937.php
Een groepsfoto van de LO/LKP in Barneveld. V.l.n.r. achterste rij: J. Eggink, Hennie Luttikhuisen-Klomp, Henk van der Woerd, mevr. Helder, Alie Peterkamp, mevr. Ten Ham-Romeijn, W. ten Ham. Volgende rij: Kees van 't Land (Jan Zegers), mevr. Romeijn-van Boven, Tiny Beute, P. van Ginkel, Albert van Veldhuizen, meester W. Vos, Toos van der Woerd-ten Ham, Bertus van der Woerd, Roelie van Schuppen-Schoonsteeg, mevr. Vos, mevr. Beute, Romeijn, Bertus van der Woerd. Volgende rij: mevr. Wildeboer, Mina Roelofsen, Kee van der Woerd, Bill Wildeboer, Jo van Ginkel, A. van den Broek. Voorste rij: Wil Looijen op de knie bij Gert van Schuppen (commandant LO/LKP), Jo van der Woerd-Moll, dokter Helder, B. van der Woerd, H. Luttikhuizen.
Foto gemeentearchief Barneveld.
https://www.collectiegelderland.nl/organisaties/gemeentearchiefbarneveld/voorwerp-422869
Mevrouw Johanna
Mevrouw Johanna Moll, geboren 21 mei 1893 (in dagboek staat 21 mei 1891) te Barneveld, ontvangt uit handen van ZKH Prins Bernard de Bronzen Leeuw in verband met haar rol in het verzet. Mevrouw Van der Woerd-Moll was directeur van de kettingkastenfabriek De Woerd. Zij was gehuwd met Willem van der Woerd, die overleden is op 15 november 1922. Begin 1950 trouwde zij met J. van der Linden.
Foto gemeentearchief Barneveld
https://www.collectiegelderland.nl/organisaties/gemeentearchiefbarneveld/voorwerp-480981
https://gemeentearchief.barneveld.nl/nieuws/herinneringen-aan-barneveld-in-de-oorlog/
https://www.genealogieonline.nl/brobol-genealogie/I43932.php
https://wwiinetherlandsescapelines.files.wordpress.com/2012/05/w9.jpg
Relatie no 69? Margo Eschauzier-Klaassen (69) uit Amersfoort?
Bindert: getrouwd met Notenboom - Floraliastraat 23 - 5342 BG Oss - 04120-23406
--
Bevriend met Anneke Huber en Cornelia van der Woerd-Moll (p 36)
Contact:
Dimmen Smolders
Anneke Huber
kleindochter
dimmen.smolders@gmail.com
06-48356127
------
Koerierster voor Het Parool
Ook betrokken bij inlichtingenwerk (“R.R.”-groep, troepenbewegingen doorgeven)
Opgepakt door Grüne Polizei na betrapping met notitie
Check: 3x Huber: Anneke Huber uit Apeldoorn (77) & P.M. Huber-Kloos uit Twello (79) & Bep Huber-Van Zijtveld in Garderen (67)
Ouders, mijnheer en mevrouw Huber zaten ook gevangen in Willem III Kazerne maar zijn rond Pasen vrijgelaten (ref. Cornelia vd Woerd-Moll)
--
Bindert: getrouwd Huntelaar
Goorseweg 41
7241P PA Lochem
--
Man (getrouwd 1949) met Aricius Sybrandus Talma (overleden juli 1952, 14?)
Vader tandarts: H. C. U. J. (Kees) Huber
Moeder: Jannetje Vroon-van Gestel.
--
Adres: Van Rhemenslaan 9 in de oorlog.
De familie Huber werd opgevangen door de familie Hermanides op nummer 11 (van Rhemenslaan), die zelf kort daarvoor uit hun huis aan de Stationsstraat 11 waren gezet. Dochter Johanna Maria zat bij het verzet en is in haar eigen slaapkamer verhoord en daarna naar Westerbork vervoerd.
Na het overlijden van Kees in 1952 werd de praktijk verhuurd aan de tandarts Dirk van der Staal. De familie bleef boven wonen tot dochter Johanna Maria (ook tandarts) in 1957 de villa op nummer 1 kocht en daar praktijk hield. Moeder Jannetje verkocht dit huis aan tandarts Van der Staal en verhuisde ook mee naar nummer 1.
https://www.parkenbuurt.nl/stratenptmu/rhemenslaanmrv/rhemenslaan-11-1.html
--
Zoon Doederus Boëtius (Dees) Huber
24 juni 1950
Vossiusstraat 20, Amsterdam
Dochter Janneke
19 februari 1953 (vader net overleden) - Anneke woont weer op Rhemenslaan 9 in Apeldoorn
Weduwe Anneke kocht in 1957 Van Rhemenslaan 1 + ging er wonen met Dees en Janneke
https://www.parkenbuurt.nl/stratenptmu/rhemenslaanmrv/mr_-van-rhemenslaan-1.html
----
Dagboek Cornelia van der Woerd-Moll
] Anneke Huber (haar ouders ook opgepakt, moeder op zaal 27 = snel vrijgelaten) uit Apeldoorn, hadden meubelzaak - ze was koerierster - woonde naast de SD en was opgevallen toen er een eend door de heg was gekropen naar de Duitsers | raakte bevriend met Reddy Klaassen
VERSLAG door Anneke Huber:
Samenvatting: 10 mei 1940 - 5 mei 1945.
Anneke Huber schrijft haar herinneringen aan de oorlog op voor haar kleinkinderen. Ze beschrijft hoe zij de oorlog inging als vijftienjarig schoolmeisje en eruit kwam als volwassene. Volgens haar werd het leven van haar generatie voorgoed verdeeld in “voor de oorlog” en “na de oorlog”. Ze benadrukt vooral de ervaring van onvrijheid, angst, morele dilemma’s en de voortdurende druk van de bezetting.
In mei 1940 maakt Anneke als scholier in Apeldoorn de Duitse inval mee. De eerste oorlogsjaren verlopen ogenschijnlijk nog betrekkelijk normaal, maar stap voor stap nemen de beperkingen toe. Ze ziet hoe Joden worden uitgesloten, hoe het openbare leven verandert en hoe compromissen het dagelijks leven binnendringen. In 1942 doet zij eindexamen. Daarna gaat ze naar Utrecht om te studeren, maar in 1943 keert ze terug omdat studenten een loyaliteitsverklaring moeten tekenen. Zij tekent niet.
Terug in Apeldoorn helpt ze haar vader in de tandartspraktijk, neemt deel aan studiekringen en ziet van dichtbij hoe de oorlog verhardt. In september 1944, na Dolle Dinsdag en de mislukte Slag om Arnhem, vangt haar familie vluchtelingen op. Anneke werkt in een noodziekenhuis en daarna in het katholieke ziekenhuis, waar ze gewonde Engelse en Duitse soldaten verzorgt. Intussen wordt haar ouderlijk huis gevorderd door de SD en moet het gezin hals over kop verhuizen naar de buren.
Na de executies van geallieerde militairen en hun helpers in Apeldoorn besluit Anneke actief deel te nemen aan het verzet. Ze wordt koerierster voor Het Parool en brengt op de fiets berichten rond, meestal richting Garderen. Daarnaast helpt ze in een andere groep, “R.R.” genoemd, die Duitse troepenbewegingen en verblijfplaatsen van belangrijke Duitsers registreert en doorspeelt naar Engeland.
Begin maart 1945 wordt Anneke gearresteerd. Ze heeft geprobeerd informatie te verzamelen bij een huis van de Grüne Polizei, wordt later herkend en betrapt met een notitie. Na verhoor komt ze terecht in de Willem III-kazerne in Apeldoorn, die als gevangenis is ingericht. Daar verblijft ze op een grote vrouwenzaal met jonge en oudere gevangenen. Ze wordt opgevangen door onder anderen Marietje en Reddie. Kort daarna worden ook haar vader en moeder opgepakt. Haar moeder komt in een aparte zaal terecht, waar zij in contact komt met tante Nel Huber uit Twello. Ook Jonne en Olga, de vriendin van Jonne, zijn opgepakt. Annekes ouders en Olga worden na een week vrijgelaten; Jonne ontsnapt later tijdens transport naar Duitsland.
In de Willem III-kazerne beschrijft Anneke het leven als gespannen en onzeker. Er zijn verhoren, weinig eten, verboden zang en de constante dreiging van transport. Na ongeveer twee weken wordt zij samen met andere vrouwen per vrachtwagen naar Westerbork gebracht. Onderweg zingen zij het Wilhelmus. In Westerbork komt zij terecht in de afdeling voor vrouwelijke politieke gevangenen. Daar krijgt ze nummer 77, wordt haar haar kortgeknipt en moet ze een blauwe overall dragen. Het leven in het kamp is zwaar: kou, weinig eten, slapen onder een dun deken en werken in een batterijenfabriek. Anneke beschrijft de dagelijkse routine van appèl, werken, slechte hygiëne en vermoeidheid. Reddie slaapt bij haar, en tante Nel ligt onder hen. Ook in Westerbork blijft onderlinge steun belangrijk.
Wanneer de Canadezen dichterbij komen, krijgen de vrouwen plotseling bevel tot transport. Ze vrezen eerst een treintransport naar Duitsland, maar worden te voet noordwaarts gestuurd. Voor oudere vrouwen is er een kar; de jongere vrouwen lopen. Anneke beschrijft drie nachten en delen van dagen lopen, met overnachtingen in gevorderde schuren op stro. De oudere Wehrmachtsoldaten die hen begeleiden zijn volgens haar minder hard dan eerdere bewakers; ze geven soms eten en zelfs sigaretten. Tegelijkertijd merkt ze dat uitputting en spanning onder de vrouwen ook tot onderlinge irritaties en ruzies leiden.
Op 14 april 1945 komen ze in Visvliet aan. Daar horen de vrouwen onverwacht dat ze vrij zijn en mogen gaan. Anneke denkt dat de soldaten geen uitweg meer zagen en vooral van de vrouwen af wilden. Sommige vrouwen willen wachten of terug naar Westerbork, maar Anneke en Reddie besluiten direct zuidwaarts te vertrekken. Ze overnachten op een boerderij, horen in Roden dat de Duitsers weg zijn, worden gastvrij ontvangen en krijgen fietsen. Daarna krijgen ze lifts van Canadezen, overnachten onder meer in Raalte en Lochem, en bereiken uiteindelijk op 17 april om 11 uur ’s morgens Apeldoorn.
De thuiskomst is feestelijk maar ook verwarrend. Haar ouders herkennen haar eerst niet meteen. Kort daarna zitten huis en wachtkamer vol vrienden en Canadezen. Anneke beschrijft de eerste bevrijdingsdagen als onwezenlijk, vol vlaggen, feest en opluchting. Tegelijk blijkt dat het oude huis zwaar is vervuild en geplunderd, en dat niet iedereen begrijpt dat het gezin daar weer wil wonen. Anneke merkt dat de oorlog haar harder heeft gemaakt, maar ook dat die hardheid nodig was geweest om te overleven.
Aan het slot reflecteert ze op schuld, keuzes en de gevolgen van verzet. Ze zag dat keuzes in oorlogstijd altijd anderen meesleepten en dat de gevolgen groot konden zijn voor familie en gastgezinnen. Ze schrijft dat de oorlog haar blijvend heeft getekend, maar dat ze het verhaal toch wil vertellen. In een naschrift vermeldt ze dat zij later hoorde dat op 14 april een ordonnans op de Afsluitdijk was gedood met een bericht dat hun groep vrouwen gefusilleerd moest worden.
-----
Alles:
10 mei 1940 - 5 mei 1945.
Janneke en Dees heb ik veel verteld over de oorlog, en ik geloof dat ik hen ook een beetje duidelijk heb kunnen maken hoe het was, hoe het voelde en hoe het ingegrepen heeft in mijn leven, en daardoor ingegrift staat. Ik ging de oorlog in als ’kind’ van 15, ik kwam eruit als een volwassene. De 'onbezorgde jeugdjaren' zijn ons ontnomen, feestjes, reisjes, al of niet met school naar het buitenland, maar vooral door het moeten leven in onvrijheid, met de angst, de zorg, de problemen over principieel zijn, en verder leven met compromissen. De dagelijkse druk van de bezetting. Voor onze generatie werd het leven verdeeld in 'voor de oorlog’ en ‘na de oorlog'. Duits kon en kan ik niet goed meer horen, vooral als het luid en schreeuwerig klinkt. Reizen in Duitsland wilde ik liever niet meer. Dit is niet het koesteren van haat, noem het maar een oorlogstrauma. Als het niet hoeft, mijd ik het. Geen standpunt dat alle Duitsers slecht zijn, ik vind het ook goed dat anderen (vooral ook jongeren) wel met Duitsers omgaan, maar ik kan het niet meer. Vooral voor mijn kleinkinderen probeer ik mijn oorlogsverhaal onder woorden te brengen. Het is nu bijna vijftig jaar geleden, vergeten doe je het nooit. Het is een deel van jezelf geworden. Ik zie er ook tegenop, want er waren heel nare dingen, en die beleef je dan opnieuw. Toch wil ik die erg nare dingen ook vertellen. 10 mei 1940. Vijftien jaar oud, vierde gym. In september '39 hadden we al de mobilisatie meegemaakt; je wist dat er een oorlogsdreiging was. Maar- er werd gepraat in de zin van: "In de vorige oorlog zijn we ook neutraal gebleven, het valt wel mee." En: "We hebben de waterlinie; ze bezetten ons niet." Parachutisten maakten dat die waterlinie waardeloos was. Wat ik me van die tiende mei herinner is een gevoel van opwinding: "Gô, nu maken we echt een oorlog mee." Heel kinderlijk, maar zo was het. En -met Kees samenhet gevoel van: "Nu kunnen we eens laten zien hoe principieel we zijn." Ook heel kinderlijk. De ruiten moesten beplakt worden met bruine papieren stroken, dan braken ze niet zo gauw met bombardementen. Je had zo tenminste iets te doen. Verder steeds de radio aan om de gevechten te volgen. 1 Het duurde niet lang. Na het bombardement van Rotter- dam de capitulatie. Grote verslagenheid. De verhalen over Joden die zelfmoord hadden gepleegd. De eerste grauw-grijze Duitsers die langstrokken. Nooit zal ik de geluiden vergeten van duitse troepen die langs je huis trokken, toen en later. Het gestamp van hun laarzen. Het gezang van 'Heide Marie'. En het begin van de propaganda-leuzen (bijvoorbeeld: ze waren gekomen om ons te beschermen). Toch ging het leven dat eerste jaar vrij normaal door, de veranderingen gingen sluipend geleidelijk, Seyss Inguart werd de baas in Holland (hij had een residentie in Apeldoorn op de Loolaan, compleet met schuilkelder). Rauter was ook een belangrijk man. De veranderingen en de toenemende druk van de bezetting ging zo geleidelijk dat ik niet precies meer weet wanneer welke maatregelen door de bezetters afgekondigd werden. Al gauw moesten alle Joden zich melden en een gele ster dragen. Ik weet nog dat we dachten: nu moest eigenlijk iedereen een gele ster gaan dragen. Maar - iedereen was bang, dan zou je ook als Jood behandeld worden. Joden mochten niet meer in restaurants komen. Niet meer in een park komen. Overal de gehate bordjes: 'Voor Joden verboden’. Je zou solidair met hen moeten zijn, ook niet meer door het park lopen. Zo leerde je leven met de halfbakkenheid van het compromis: 'Je kunt hen beter helpen dan een principieel standpunt innemen.' De uiterste consequentie van een open en duidelijk principieel standpunt was doodgeschoten worden. In '41 vond de Februari-staking plaats (monument in Amsterdam van ’de dokwerker’), als protest tegen de anti-joodse maatregelen. Ik denk dat ook in 1941 de eerste verzetsgroepen (illegaliteit) gevormd werden. Er werden Joden en andere onderduikers geholpen aan adressen en bonkaarten. Dat brengt me op het feit dat Nederland leeggeroofd werd door de Duitsers, al gauw was alles 'gedistribueerd': je moest distributie-bonkaarten hebben voor van alles; levensmiddelen, textiel, brandstof enz. Dit gemis aan van alles werd op den duur steeds nijpender, vooral de 'hongerwinter' ('44/'45) was in het westen vreselijk. Maar daarover later. Tussendoor: wat mij altijd erg gehinderd heeft is, als er later (en ook toen) over de oorlog gepraat werd, er zoveel mensen waren die alleen maar over deze dingen praatten, over het gemis aan materiële zaken. En zo mijns inziens totaal voorbij gingen aan wat van wezenlijk belang was- de vrijheidsberoving, de gemeenheid tegenover de Joden, het naar Duitsland sturen van jonge mannen voor de ’Arbeitseinsatz', om in hun fabrieken te werken, de concentratiekampen (waarvan je niet alles wist, maar toch wel wat). Ik kan er nog slecht tegen als er alleen maar over noodkacheltjes gepraat wordt (in die laatste oorlogswinter), terwijl er zoveel ellende was. Intussen ging mijn schooltijd redelijk gewoon door, en ik deed in 1942 eindexamen. In dat jaar ging onze rector naar Arnhem, en er werd prompt een NSB-rector benoemd op onze school. Zo ging dat. Het is onze rector ook zeer kwalijk genomen dat hij Apeldoorn in de steek liet. Het ging ook zo met de burgemeesters (er werden er ook wel ontslagen om een NSB-burgemeester te benoеmen). De jongens die eindexamen deden moesten eerst in de Arbeidsdienst (ook een duitse instelling), voor ze mochten gaan studeren. Ik ging in september '42 naar Utrecht. Dit duurde maar een paar maanden, want in januari of februari '43 werd er van de studenten een loyaliteitsverklaring gevraagd; je moest je handtekening zetten dat je niets tegen de bezetters zou ondernemen. Intussen was er in Apeldoorn een grote groep studenten weer thuis, deels ondergedoken. Met elkaar bespraken we het probleem wel of niet tekenen. Het werd niet tekenen. Later bleek dat maar een klein percentage van alle studenten wel getekend had. Het etiket 'die heeft getekend' was na de oorlog niet een best etiket. Toen kwam voor de jongens-studenten nog een keus: wie niet getekend had, werd ingezet in de 'Arbeitseinsatz' (werken in Duitsland). Wel of niet gaan. Als je niet ging moest je onderduiken, bracht je je ouders in gevaar. Velen gingen. Velen kregen spijt. Kees was bij een groep die werkte om jongens die spijt kregen weer terug te halen, langs sluipweggetjes over de duitse grens. Kees was in '42 afgestudeerd en werkte op een advokatenkantoor in Enschede. Je moest als jongeman een baan hebben of een opleiding doen om een ’Ausweis' (legitimatie) te hebben om niet naar Duitsland gestuurd te worden om daar te werken. Ik wist niets van wat Kees deed; je vertelde elkaar daarover niets, hoe minder mensen iets wisten, hoe veiliger. Ik hoorde van Kees hierover pas na de oorlog. Studeren was er voor mij dus niet meer bij, de universiteiten waren open voor een handjevol ’tekenaars’. Leiden was al veel eerder gesloten. De toenmalige decaan van de juridische faculteit, Cleveringa, hield een vlammende toespraak tegen het besluit dat er geen Joden mochten studeren of werken. 26-11-1940. Hij werd gevangen genomen en in Scheveningen opgesloten. In '41 weer vrijgelaten, in ’44 weer gevangen gezet in Vught. Hij overleefde. Het wegvoeren (deportatie) van Joden begon voor zover ik me herinner ook heel geleidelijk, ik denk in ‘42. We begrepen wel dat ze naar kampen gingen, Westerbork was bekend. Je was wel bang dat wie zich meldde er niet levend af zou komen, maar de totale omvang ervan wisten we niet, en van de gaskamers hadden we nooit gehoord. Onze leraar frans was joods, toen hij zich melden moest 3 zich is hij wel, in het zij kanaal gesprongen. Zijn dochters meldden kwamen niet terug. toch Sinds iets februari met tandheelkunde '43 woonde ik dus weer thuis. Omdat ik beetje wou assisteerde ik zo'n bij mijn vader (hij werkte altijd zonder assis- tente, Met de ik groep had weinig studenten te doen en vond het niet zo leuk). studiekringen. in Apeldoorn begonnen we met Kees Ik deed mee aan de rechtenkring o.1.v. gaf franse (hij kwam de weekends thuis). Een studente frans een economiekring les, en we zongen franse liedjes. Er was ook was het met vele diepgaande discussies. Zo Ook leven zeer dragelijk en ook enigszins zinvol. de hockeyclub floreerde omdat zovelen niet konden studeren en weer thuis waren. Ik deed het wedstrijdse- cretariaat, zat in de ontspanningscommissie jeugdelftallen. en trainde illegaliteit In die tijd had ik al het gevoel dat ik iets in de moest doen. Ik durfde niet. Ik was zo vreselijk bang. Vond dat ze dan niets aan me hadden hadden (later hoorde je dat natuurlijk iedereen bang was). We een vriend die een grote boerderij had in Wiesel (bij Apeldoorn). Hij kwam vaak bij ons, we deden spelweekends letjes en bridgeten. Hij had enige rijpaarden die in de afgereden moesten worden. Hij vroeg Kees en mij vaak mee. Heerlijke dagen waren dat. Hij was een alleraardigste vent. Hij is omgekomen door een 'Ssilber- tanne-moord’. Zomaar, toen hij opendeed voor zijn eigen huisdeur doodgeschoten. Duitsers deden dit bij mensen die ze verdachten van illegale activiteiten (hij bleek later een grote groep onderduikers op zijn terrein verborgen te hebben). Dit was mijn eerste dichtbij- kennismaking met de dood, mijn eerste begrafenis Ik probeer me te herinneren hoe dat jaar '43 verder verliep. Je kon nog reizen per trein, maar de treinen werden wel beschoten (door de geallieerden). Hij stopte dan en de passagiers probeerden zich te redden achter de spoordijk of in een greppel. Je was het minst kwetsbaar vlak achter de locomotief. Ik had nog een fiets. We hadden nog banden in de kelder- die gingen erop en prompt werd hij gestolen. Teruggevonden in het bos zonder banden. Verder op houten banden (die op veren aan de velgen zaten). Ook waren er massieve rubberbanden. Ik vergat ook nog te vertellen dat alles verduisterd was, ik weet niet meer wanneer dat begon, maar vrij gauw. Overal waar geen luiken waren, waren zwarte papieren verduisteringsrolgordijnen. Geen straatlantaarns. Fiets- en autolampen (zolang er nog auto's reden) hadden om die lampen een zwarte kap met kleine spleetjes. Als zaklantaarn een 'knijpkat' (geen batterijen); een dynamolamp waarbij je met je hand een handel indrukte, een geraas, en even licht. Nu kom ik zo langzamerhand aan het jaar 1944, en vanaf 'dolle dinsdag’, 5 september, werd het leven zeer 4 roerig, af en toe heel naar, heel angstig en heel ingrijpend. Daarover ga ik een andere keer verder. Dat wordt het belangrijkste verhaal, van september '44 tot mei '45, en misschien straks als slot nog een vrolijk verhaal over de eerste tijd na de bevrijding, waar we zolang naar uitgekeken hadden. Je hield elkaar die lange jaren op de been met de gedachte dat het niet meer zolang zou duren. We volgden alle oorlogshandeling via Radio Oranje, we luisterden naar de muziek uit Engeland. Via 'Music while you work' waren we volledig op de hoogte van de nieuwe muziek. Ik viel 's avonds in slaap bij Vera Lynn. Dit alles zolang er nog legaal radio's waren, want die moesten ingeleverd worden. Iedereen leverde een oud lor in, en hield de goede verstopt ergens in een kast om toch nog een keer per dag stiekem nieuws uit Engeland te horen. Ook koper en tin moest ingeleverd worden voor de oorlogsindustrie. De meeste mensen begroeven dat in de tuin. Ook de illegale krantjes (ze waren heel klein) hielpen om de moed erin te houden. Ze brachten nieuws over de oorlog (de gewone kranten gaven alleen duits proраganda-nieuws). Ook berichten over de koninklijke familie waren zeer welkom, vooral over Juliana en kinderen; ook foto’s bereikten ons. Dolle dinsdag, 5 september '44 was een heel gekke dag. Via Radio Oranje was de dag ervoor een bericht uitgezonden dat Breda bevrijd was door de geallieerden. BBC herhaalde dit. Hoe dit bericht in Engeland is gekomen is altijd een raadsel gebleven, het was namelijk geenszins waar. Maar het resultaat was een lachertje: Duitsers in Nederland in paniek, vele NSB-ers vluchtten weg (en kwamen na een week met hangende pootjes terug). Voor Nederland even een vreugderoes, na de landing in Normandië duurde het al zo lang eer ze bij ons waren. Parijs, Brussel bevrijd; wij wilden ook! 4 En ze kwamen in Holland, de geallieerden, wel in september, Zuid-Nederland werd bevrijd, ze waren tenslotte vlak bij ons in Apeldoorn- toen kwam 17 september, de slag om Arnhem. Daar mislukte alles. Wij waren er zeer bij betrokken, zo dichtbij. Arnhem werd door de Duitsers geëvacueerd, de vluchtelingen uit Arnhem kwamen naar Apeldoorn, een droevige stoet. Velen liepen, sommigen op karren, een enkele auto. Wij kregen een vriendin van mijn moeder bij ons, vergezeld van haar rusthuis met oudjes. Ik denk zo’n twintig man/vrouw. Ons huis was groot, en met enige noodvoorzieningen konden we hen korte tijd opvangen. Ze kregen later een huis toegewezen in een andere plaats. Ook hadden we in die tijd nog familie uit Den Haag in huis, tante Mies met drie kinderen; Jeantje, Wim en Mary. Oom Jan was een neef van mijn vader. Oom Jan was als gijzelaar opgepakt en zat in Vught gevangen. Tante Mies woonde in de kuststrook in Den Haag. Die moest op bevel van de Duitsers ontruimd worden, ze waren toen nog bang voor een invasie in Nederland. Ik weet niet meer hoelang ze bij ons woonden, zeker een half jaar, misschien wel een jaar. We hadden het goed met elkaar, en ik vond het erg gezellig dat ze er waren. Nu verder over de vluchtelingen uit Arnhem. Er kwam een noodziekenhuis. Ik ging daar werken, met mij veel jonge meisjes, als keukenhulp, eten-uitdelers en schoonmaakhulp. Je kon tenminste iets doen. Het ziekenhuis kreeg al gauw een betere plek elders. Er bleek ook extra hulp nodig in het katholieke ziekenhuis (toen nog geleid door nonnen). Daar lagen vele gewonden van de slag om Arnhem; Duitsers en Engelsen. Ik werkte daar in de nachtdienst, als hulpje voor domme werkjes als plasflessen aangeven en legen, glaas- jes water geven. Het was geen rustig baantje, je was de hele nacht aan het rondlopen. De 'dienst' was van tien tot vijf uur, maar in die tijd mocht je tussen acht uur 's avonds en zes uur ’s morgens niet buiten zijn, dus je was er van acht tot zes uur. De nonnen waren heel aardig. De gewonden heel schokkend. Veel jonge zwaargewonde jongens. Ik hoor nog de Duitsers steeds roepen: 'Schwester, Spritze.’ Ze vroegen om morfineprikken, ik kon ze niet geven, en de verpleegsters hadden een schema; het kon niet te vaak. Kenneth Danton, een engelse jongen net zo oud als ik toen, 19 jaar, stierf waar ik bij was. Ook een oudere Duitser. Ik beloofde hem zijn vrouw te schrijven. Heb ik gedaan, nooit iets teruggehoord. Het was heel vreemd om je bevrijders in bezet gebied te leren kennen. En het was heel schokkend om de ellende van oorlogsgevechten van nabij mee te maken. Ik sliep dus van 's morgens zeven tot 's middags vijf uur. Op een dag (nog steeds september) maakte mijn vader mij om twaalf uur wakker: ’We moeten ons huis uit, we hebben twee uur de tijd. De S.D. (Sicherheitsdienst, de ergsten) had al langer ons buurhuis, een pension 'gevorderd’ (zo heette dat). Ze wilden uitbreiding, wilden ons huis erbij. Onze buren aan de andere kant, een artsengezin dat zelf uit een ander huis gezet was en sinds enkele maanden dit huis bewoonde, toonden zich ware vrienden. Onmiddellijk zeiden ze: “Kom maar bij ons." De wachtkamer werd onze zitkamer, de zoon verhuisde naar zolder, zodat mijn ouders een goede slaapkamer hadden, ik kreeg ook een zolderkamer, de patiënten wachtten in de gang. Een andere vriend kwam met 20 jongens van de luchtbescherming, die hielpen onze bezittingen over de schutting te gooien. 'Nur persönliche Sachen’ mochten we meenemen, en op ieder bed moesten twee dekens blijven liggen. Vooral voor mijn moeder was dit alles erg. Ze was zeer aan haar huis gehecht, raakte hierdoor vrijwel overspannen. Haar twee mooie blauwe dekens werden het symbool van haar verlies. Mijn vader had toen nog praktijk, veel kon hij toch niet meer doen, met nauwelijks materialen en geen 6 stroom af; meer. Hij werkte nog een paar patiënten per dag Het ging noodgevallen. Hij had nog een oude trapboormachine. moeder op eenn gewone stoel in onze zitkamer. Mijn en ik moesten dan in de koude keuken bivakkeren. toegewezen De familie was. uit Den Haag trok in het huis dat ons allen nooit Begin oktober gebeurden er vreselijke dingen die ik militairen zal vergeten. gevlucht, Na de slag om Arnhem waren engelse en ook ondergedoken in Apeldoorn. Of de er SD verraad ontdekte is geweest weet ik niet, ik denk het wel; toen vele van de onderduikadressen. Er zijn afschrikwekkend veel Engelsen en hun helpers doodgeschoten en als voorbeeld op hoeken van de straten 'terrorist' gelegd. Zij hadden een groot karton om hun nek, met erop. Toen ik om zes uur 's morgens vanuit het ziekenhuis naar huis liep, zag ik hen. Het was een vreselijke ervaring. maar dit Je wist dat er mensen doodgeschoten werden, zo dichtbij zien was heel erg. Dit was voor mij het moment om te besluiten: nu moet ik iets gaan doen in de illegaliteit. Nu kan niet meer zeggen: ik ben zo bang, nu moet ik meehelpen hiertegen degenen iets te doen. Wonderlijk genoeg was het geen haat tegen tot zo’n die dit gedaan hadden, eerder medelijden dat je vorm van onmenselijkheid kon komen. In die tijd was er ook een grote groep (een kleine honderd) van de illegaliteit 'opgerold' (ontdekt door de SD, ook al weer door verraad). Reden te meer dat anderen hen moesten vervangen. Wij woonden naast de SD, zagen vrienden en bekenden daar binnengebracht worden, waarschijnlijk voor verhoor. Men zei dat ze in de kelder opgesloten waren. Je denkt dan even: ik ken het huis; zou ik ze kunnen bevrijden via het kelderluik? Er was continu bewaking, ik heb het niet geprobeerd. Wat ook begin oktober gebeurde (als ik het me goed herinner wat de tijd betreft) was een razzia (klop- jacht). Voor dag en dauw reden er luidsprekerauto's rond met de mededeling dat alle mannen tussen de 18 en 60 jaar zich moesten melden, of anders uit huis gehaald zouden worden. Straten werden afgezet, het was een ellendig angstige toestand. Mijn vader was 52, ik probeerde of onze huisarts een ziektebriefje wou geven, het lukte niet. Er waren wel verstopplaatsen in huis, maar gelukkig kwamen ze niet bij ons. Als ik luidsprekerauto's hoor, krijg ik nog altijd hartkloppingen en een misselijk gevoel. Eén van de mensen die Engelsen verborgen hadden gehouden was de moeder van een vriendinnetje van mij, Ninette. Ze hadden wel hun huis verlaten en waren ondergedoken, maar Ninette moest weg uit Apeldoorn. Het was een ingewikkelde familie, haar vader was Duitser, haar moeder Nederlandse. Zij was voor de oorlog nog te jong om genaturaliseerd te worden (haar ouders waren allang gescheiden). Haar broer was omgekomen als duits vliegenier, haar zusje was getrouwd met een engelse piloot. Ninette kwam bij Christa, mijn beste vriendin- netje/buurmeisje vanaf ons derde en vierde jaar. Ze was heel bang om opgepakt te worden, droeg een pruik en een bril om niet herkend te worden. Ze zei (terecht denk ik): 'Als ik gepakt word en het blijkt dat ik Duitse ben word ik zeker gefusilleerd, en wie weet gemarteld. Ik weet niet of ik het dan kan volhouden om niets te zeggen. Ik wil graag een pil, zodat ik er zelf een eind aan kan maken als ik gepakt word. Ik ging naar de apotheker die ik kende, hij wou niets geven. Toen naar een huisarts, de vader van een vriendinnetje, hij kende Ninette en de situatie ook. Hij gaf het gelukkig wel, een hele geruststelling voor Ninette. Ze is tenslotte de volgende dag met een Rode Kruis-auto naar Beekbergen gebracht. Een neef van mij, Jonne, werkte bij het Rode Kruis; zo regelden we dat. Ze bleef daar ondergedoken. Weer even een tussendoortje: achteraf toch wel een hele verantwoordelijkheid, als 19-jarig meisje te zorgen dat een 20-jarig meisje een gifpil krijgt. En nog even tussendoor: mijn broer Kees, zwart-wit denker als hij toen was, vond dat je een Rode Kruisauto niet voor dit doel mocht gebruiken. Hij vond het indertijd ook fout dat ik gewonden uit Arnhem ging helpen, want de gewonde Duitsers werden weer opgelapt voor het front, en zo hielp je de vijand. Ik vond dit beide zeer starre standpunten, en ik vond het weinig menselijk. Nooit zal ik die nacht vergeten voordat Ninette vertrok. We lagen de hele nacht met ons drieën in een bed (ik bleef dus ook bij Christa logeren). We lagen te rillen van de spanning, elk moment bang dat ze toch gevolgd was. Je luisterde of je het grind niet hoorde knerpen, het huis was per slot twee huizen van de SD verwijderd, het was een angstige nacht. Wat was het heerlijk te horen dat ze veilig in Beekbergen was. Nu verder met mijn besluit om iets in de illegaliteit te doen. Niemand vertelde een ander wat hij of zij deed, maar je wist toch van mensen die je goed kende dat ze iets deden, het was denk ik aanvoelen. Ik vroeg dus aan het meisje dat franse les gaf in de studentenkring (ik kende haar goed van het gym), of ze iets voor mij te doen had. Ik werd koerierster voor 'Het Parool'. De latere krant 'Het Parool' is begonnen als illegaal krantje in de oorlog. Het betekende enige keren per week op de fiets berichten wegbrengen, een kilometer of 15 buiten Apeldoorn, meestal Garderen. Soms een oproep per telefoon, dan moest ik ineens weg. Ik verzon een smoes voor mijn ouders. Mijn vader begreep daar wel iets van. Mijn moeder vond dat ik maar bezig was voor anderen in plaats van voor hen, en voor mijn moeder was 'thuis' altijd het belangrijkste. niets vertellen, Ik wilde hen dat leverde voor hen extra gevaar op, en vooral voor mijn moeder maar ongerustheid. 8 ons Ongeveer in diezelfde tijd kwam Christa’s neef Marten vragen of wij wilden helpen in een andere groeр. van Het heette duitse R.R. (Rolls Royce). Het doel was bewegingen troepen te registreren, huizen waar belang- rijke Duitsers zaten te lokaliseren, en dit werd door- geseind naar Engeland. Ik weet niet of we het goed deden, of het zinvol was. Het was veel werk, en we deden ons best. Ik vroeg mijn vriendinnetje Emmy erbij. kwam. Marten haalde onze gegevens op en zorgde dat het verder culaapjeHij had een valse dokters-Ausweis, met een aes- op zijn fiets. Dit werk werd de aanleiding straks. voor het feit dat ik later opgepakt werd. Maar daarover Hoe het afliep met het werk in het ziekenhuis weet niet heen meer. gebracht Ik vermoed dat de gewonden ergens anders werden. dagelijkse Eerst wil ik nog wat meer vertellen over het gewone leven in de hongerwinter. Het leven was verre slechter. van gewoon, en in de loop van de winter steeds ik Er kwam een gaarkeuken waar je eten kon halen, later zuurgeklotst kwam er een kar rond met heel dunne erwtensoep die al was voor die bij ons aankwam. Je moest bij erop uit om nog wat eten te bemachtigen. Groente was tuinders langs het kanaal nog te koop. Aardappels nauwelijkstuintje; die gingen we zelf verbouwen op een volksboer, ook bruine bonen. Voor melk moest je naar een de fiets dat (op was heel weinig te krijgen. Ik ging vaak op houten banden) op voedseltocht. Op de Veluwe geven niet was weinig en de boeren waren niet aardig ('we aan bedelvolk’). Ik moest over de IJssel, fietste naar Holten of Lochem, kwam dan met wat rogge ken. of spek thuis, soms geruild voor zeep, thee of theedoe- Af en toe ging ik een paar dagen naar Enschede logeerde bij Kees. Hij kende daar iemand die ons bij boeren bracht die flink wat gaven. Onderweg van en naar Enschede en probeerde ik ook wat op te halen, kreeg melk, mocht soms met hen meeëten. Kwam dan belast en beladen thuis. Je moest ook nog duitse soldaten omzei- len; ze hielden je aan, en dan was je je lading en je fiets kwijt. Ik bracht later een deel van de lading naar Rotterdam, waar mijn vriend Bob woonde. Daar hadden ze echt honger (wij hadden alleen maar te wei- nig, daar hadden ze bijna niets). Ik fietste dan 120 km op sneeuw, een dag met zwaar beladen fiets. Soms door een laag soms spekglad met ijzel (en houten banden: zwaar !) schillen De verhalen over suikerbietenstroop, appelstroop van en roggepap van water zal ik jullie verder besparen. Geen centrale verwarming, geen kolen, geen stroom, zeer beperkt gas, of geen, dat weet ik niet meer. We kookten op piepkleine kacheltjes die je op de gewone kachel zette, en met houtjes stookte. Er werden veel bomen gekapt om brandstof te hebben. Het leven van elke dag draaide steeds meer om de vraag: "Hoe blijven we in acht Wij gingen met ons drieën elke avond tussen zeven en uur naar Christa en haar ouders. Zij hadden een stroom-zegel verbroken (de SD had natuurlijk wel stro- om, dus het was er in de straat). Dan luisterden wij daar bij een verduisterde schemerlamp naar het nieuws uit den Engeland. Om acht uur weer binnen, thuis. De avon- met weinig of nauwelijks licht waren niet zo leuk. Soms was er ineens carbid te koop, carbidlampen doken fiets op. Een in fel licht, weer eens lezen. Soms stond er een de kamer, om beurten trappen voor licht. Meestal zaten we bij een waxine-lichtje (kaarsen waren geen douche, er ook niet meer). Je ging maar vroeg naar bed, geen bad. De vorige jaren waren er ook nog wel leuke vrolijke dingen geweest. Schoolavonden de eerste jaren, en bijvoorbeeld het afstudeerfeest van Kees in '42. A1 zijn vrienden en vriendinnen, ook die uit Utrecht, waren gevraagd. We haalden hen van de trein in koets- jes, iedereen was in gala. We hadden een geweldig diner thuis, met op het menu een gans die we gekregen hadden van de vriend bij wie we gingen paardrijden. Er werd gedanst en het was heel vrolijk. Die eerste jaren waren er ook huisconcerten. In zalen kon dat niet meer, iedereen die wou optreden moest lid worden van de 'cultuurkamer’, weer zo’n duitse instelling. De meesten deden dat niet, konden alleen in besloten kring optre- den. Die laatste winter was er dus wel heel weinig over. Begin maart ’45 werd ik opgepakt. Een manier om te weten te komen wat voor Duitsers er in welk huis zaten was brutaal aanbellen, en beleefd vragen of zij wisten waar de vorige bewoners gebleven waren. Dit deed ik bij een huis waar Grüne Polizei in zat. Rotzakken, even erg als de SD. Een vriendelijk doende man praatte met me, stelde voor dat ik 's middags om vijf uur terug zou komen, dan kon hij me het hele huis laten zien. Hij vertrouwde mij duidelijk niet, ik hem niet, dus ik ging niet terug. Ik had het ongeluk hem een paar dagen later weer tegen te komen toen ik treinen aan het bekijken was. Ik had een mini-papiertje met een notitie in mijn hand, frommelde dat in mijn fietstas, hij vond het en het was mis. Ik had het moeten opeten, maar ik was een onervaren spion. Persoonsbewijs inleveren en mee. Hij złe heel leuk: 'We gaan eens bij je thuis kijken". Dat was dus de SD. Ik was niet eens bang. Na alle angst was het dan zover. Na verhoor werd ik naar de Willem III-kazerne gebracht, die ingericht was als gevangenis. Ik kwam op een grote slaapzaal terecht (een vroegere ziekenzaal) met torens stapelbedden, drie of vier boven elkaar, twee naast elkaar. Veel jonge meisjes, ook ouderen. Ik werd opgevangen door Marietje, de moeder van een tennis- en hockeyvriend. Ze was een geweldig mens, en wat je noemt 10 hebt. een natuurlijk leider, die je in zulke tijden nodig naast Reddie, Het was heerlijk iets niet alleen te zijn. Ik sliep hoeveel we waren ouder dan ik, bovenop een toren. Met moet ik schatten: 30, 40 ? Misschien 25, de gang ik weet van het zaken niet. Ik werd op de hoogte gebracht van lange daar, Reddie vertelde me (zij had ervaring, had eerder vastgezeten) wat ik het beste kon zeggen bij de verhoren. Een sentimenteel verhaal jongen waar ophangen hielp vaak. Iets over zo'n aardige doen voor je verliefd op werd; hij vroeg je wat te hem, en je wist natuurlijk geen naam. ook De volgende dag weer naar de SD. Mijn vader werd toen opgehaald. We zaten samen in onze vroegere huiska- mer, op rechte stoelen, gezicht naar de muur; konden naar elkaar knipogen via de weerspiegeling in de ruit- jes van ons buffet. Mijn moeder kwam een pakje brood brengen voor mijn vader, en ze zeiden meteen: "Blijf ook maar". Mijn moeder zei later: "Ik was blij, want alleen thuis zitten was niet uit te houden". Mijn vader kwam op de mannenafdeling terecht, een verdieping onder ons. De ervarenen van de meisjes wisten daar briefjes naar toe te smokkelen. 's Avonds werden de tonnen van de zalen geleegd, dat deden bij ons de mannen, zo was het contact met de benedenburen, en we konden elkaar vertellen dat we het goed maakten. Mijn moeder werd alleen opgesloten in een zaal naast de onze, we mochten natuurlijk niet met elkaar praten. Midden in de nacht was er bij haar ineens sleutelgerammel, daar werd in het donker iemand binnengebracht. "Ik ben mevrouw Huber, wie bent U?" "Ik ben ook mevrouw Huber !" Het was tante Nel uit Twello, de moeder van Jonne en Pettie. We zagen elkaar altijd geregeld. Mijn moeder en tante Nel kletsten de halve nacht. Mijn argeloze en naïeve moeder vertelde dat opgewekt de volgende ochtend aan de 'Aufseherin’. Ze mochten natuurlijk niet meer samen blijven; tante Nel werd apart gezet. Ze hadden het toch moeilijk met de Huber-familie uit elkaar te zetten. Ze zochten Pettie, die was koerierster. Die was op tijd ontsnapt toen ze haar zouden oppakken. Toen namen ze tante Nel maar mee, en Jonne en olga, toen nog Jonnes vriendin. Olga kwam bij ons mocht niet bij tante Nel. Mijn moeder en tante Nel dus ook elk apart. Ik geloof dat Jonne wel bij mijn vader zat. Ik vond het natuurlijk vreselijk dat mijn ouders ook vast zaten. Gelukkig zijn ze na een week vrijgelaten. Olga ook. Jonne is bij transport naar Duitsland ontsnapt. We hadden weinig te doen op die zaal, er was iets van naaiwerk, we deden er niet veel aan. We kletsten veel, zongen liedjes met de jonge meiden. Dat mocht natuurlijk niet, dan werd er in de lucht geschoten. Of als het avond was ging het licht uit, veel eerder dan de vastgestelde tijd. We hadden verder de indruk dat er een spion bij ons geplaatst was, een duitse vrouw. De grote spanning was wie er voor verhoor opgehaald zou worden. Dan rammelden de sleutelbossen 's morgens om zes uur. De namen afgeroepen. Per auto naar de SD. De verhoren duurden uren, je bleef de hele dag weg, kreeg geen eten en werd 's avonds weer teruggebracht. De anderen hadden dan wel wat van hun eten voor je bewaard, maar het was al heel weinig wat je kreeg. Bij mij verliepen de verhoren netjes, geen slaan of andere kwellingen. Ik kreeg zelfs een keer iets te eten. Mijn sentimentele verhaaltje werkte. En- ze hadden een deel van mijn papieren gevonden, de rest zat verstopt in de vloer onder een losse plank. Ze legden op tafel wat ze gevonden hadden, voor mij heel handig. Ze zeiden dan ook: "Je vertelt alleen alles wat we al weten." Je moest je hersens er wel bij houden, en je werd moe. Ik moest bijvoorbeeld uit een rijtje jongemannen die ze opgesteld hadden zeggen of degene erbij was die me gevraagd had voor dit werk. Nee natuurlijk, maar ze hoopten kennelijk op een fout. Ze zeiden ook: "Vertel het allemaal maar, want je ouders hebben alles bekend." Ik wist dat dit niet waar kon zijn, want ze wisten niets. Ze vroegen ook wie mijn vriendinnen waren. Ik noemde er een stuk of tien, ook Christa en Emmy, want ze kenden hen. Als ik er twee niet noemde, was het juist verdacht. Mijn vriend Bob zou de dag dat ik opgepakt werd bij ons komen. Hij kwam altijd al aan de achterkant binnen, niet de SD-kant, maar ze konden het huis toch in de gaten houden. Christa heeft toen haar zusje gevraagd hem buiten Apeldoorn op te wachten en te waarschuwen, hij kwam op de fiets. Dat is gelukkig goed gegaan. Ze wisten ook dat Bob mijn vriend was, ze vonden een brief van hem. Uiteraard niets over illegaal werk hierin, en hij deed iets heel anders, maar zij meenden verband te zien. Ze hebben toen wel Bobs vader opgepakt. Zo zie je hoe je anderen meesleept in wat je doet. Dit van Bobs vader hoorde ik pas na onze bevrijding, drie weken voordat het westen bevrijd werd. Nu ik hierover nadenk herinner ik me weer het schuldgevoel toen; wij vrij, daarvan genietend, Bobs vader nog gevangen, en ik niet-wetend hoe het met hem zou gaan. Gelukkig kwam hij er ook goed af, maar er zijn op het laatste moment nog heel wat mensen doodgeschoten. Ik bedenk me nu ook dat Bob en ik nooit gepraat hebben over wat we deden, ook na de bevrijding niet. Misschien konden we het toen nog niet. Of we begrepen elkaar niet. We maakten het ook kort na de oorlog uit, ik had toen het gevoel dat het een mislukking was geworden door de oorlog. Maar wie weet pasten we toch niet genoeg bij elkaar. We bleven wel ons leven lang vrienden. 12 Eén van de dreigingen in de Willem III-kazerne was 'transport'. Je wist dat mensen weggevoerd werden per vrachtauto, je wist niet waarheen en wat er zou gebeu- ren. Er gingen verhalen over Westerbork, je zou daar mogen wandelen, in de zon zitten, lezen, er was een biblio- theek. Droomverhalen! Toen ik twee weken in de kazerne zat was het zover: transport. En Westerbork. Een vrachtauto met linnen dak en open achterkant. Mijn ouders kwamen juist een pakje voor me brengen. Reddie had de tegenwoordigheid van geest om te schreeuwen: "We gaan naar Westerbork." We mochten in die auto allemaal een briefkaart naar huis schrijven, maar die verstuurden ze niet. Toen we wegreden zongen we met de meiden staand het Wilhelmus. Ik was het vergeten, maar een joodse vioolleraar die ook in die groep was, vertelde me later dat dat hem zo goed gedaan had. Er was ook een joodse vrouw, zij moest bij aankomst in Westerbork eruit bij de afdeling voor Joden. Ze heeft gevochten om bij de politieke gevangenen te blijven, maar het lukte niet. Zij wist wel dat de Joden nauwelijks een kans maakten om te overleven. In het kamp Westerbork was een kleine afdeling voor vrouwelijke politieke gevangenen, een kleine honderd. De eerste die ik zag in de barak was een vent die met een zware melkbus sjouwde. Overall aan, klompen. Ineens riep die vent: "Hoi, Anneke!" Het was geen vent, maar Margootje, met wie ik in hetzelfde huis had gewoond in Utrecht. Dat maakte de aankomst al minder zwaar. Haar haar was kortgeknipt, ze had een zwarte snoet en handen, de melkbus was gevuld met warm water voor de dagelijkse wasbeurten (een luxe in een concentratiekamp!). Ons werk was zwaar en vies, en ze probeerden waarachtig om het schoon te houden. Ons haar werd door een joodse kapper geknipt tot jongenskop. Voor de jonge meiden niet erg, voor de oudjes wel. Ik zie nog tante Nel, die lang haar had, ineens met zoʻn kort steil koppie. We kregen ook een overall, blauw met rode schouderstukken en een groot rood nummer op je rug; ik was 77. Blikken etensbakje en kroes. Twee stel ondergoed en een truitje mocht je houden, verder alles inleveren. Koud was het, ook 's nachts een katoenen paardedekentje, geen kachel. Reddie en ik sliepen weer samen bovenop een toren, tante Nel onder ons. We probeerden om met drie meisjes onder drie dekens te liggen; dat ging niet. Samen onder twee was nog erg koud, maar je was behoorlijk moe, dus je sliep toch. Tante Nel was een schat, bewaarde de helft van haar eten voor Reddie en mij, wij hadden meer nodig, vond zij. En het was toch al zo'n klein hapje. Wel goed, het werd gekookt in het joodse kamp, en bij ons gebracht. Zo kregen we ook radioberichten door; in het joodse kamp waren klandestiene radio’s. Zo hoorden we ook hoe ver de Canadezen optrokken, maar daarover later. Eerst over het kamp. Je liep dus in overall en op klompen (ik heb er knobbels van overgehouden). Om vijf uur op, appèl, rondjes lopen onder gezang (alleen liederen die goedgekeurd werden, anders werd er geroepen: "Mist Mist, alles Mist"). Om zes uur in de batterijenfabriek. Een barak met open ramen, met handbediende kraakmachines om batterijen te kraken. Je moest die dan uit elkaar peuteren en de grondstoffen sorteren. Er moest een bepaald aantal per dag gedaan worden, er waren twee 'Aufseherinnen' die geregeld controleerden. De ene heette Polly, als die eraan kwam zongen we als waarschuwing: "Polly wolly doodle all the day". Zij was de beste. De andere was een kreng. Er waren alle soorten batterijen, kleine maar ook hele grote, van twee deci- meter lengte. We probeerden vaak te traineren, werden dan weer opgejut tot werken. Vies, koud, zeer stoffig en heel vervelend. Toch ook wel weer gezellig met enkel jongeren. De ouderen werk- ten in de papierafdeling, zittend. De papier- en zil- verstrips die uit vliegtuigen radar in de war gegooid werden om de aluminium. Ik denk te brengen, scheiden in papier en wij hadden. Tante een nog iets vervelender werk dan Nel werkte daar. lijke Toen wij daar kwamen was daar ook weer een 'natuurmet haar leider’, een arts. Zij werd Ma genoemd, Marietje pasgeknipte koppie Pa, samen hadden ze de leiding. Ze werkten ook beiden bij de batterijen. die leiding. Iedereen accepteerde Tussen de middag zaten we vaak een half uurtje in een lange rij in de zon, op de grond op je klompen gezeten. De WC heette het eierenrek. Een loods met een eindeloos lange plank met aan weerskanten gaten om op te gaan zitten als je je behoeften moest doen. Dit gebeurde op vaste tijden! We aten, sliepen en woonden 's avonds in een barak met plastic ramen waar je niet doorheen kon kijken. Overdag was er een kachel aan. Om het kamp wachttorens, schrikdraad en veel prikkeldraad en honden. Toen kwam de tijd dat we hoorden dat de Canadezen steeds dichterbij kwamen. We hoorden ze schieten in de verte. Plotseling het bevel: transport. Dit keer lopend. We gingen naar de treinen- we vreesden nu transport naar Duitsland. Nee, we liepen erlangs. Er liepen geen treinen meer. Het was avond toen we vertrokken, we liepen naar het noorden. Voor de ouderen was er een kar, de jongeren liepen, met aan weerskanten oudere Wehrmachtsoldaten op de fiets. Dit waren niet de beroerdste, ze gaven ons redelijk te eten, zelfs een enkele sigaret. Ze hadden er ook al lang genoeg van, en zagen het einde van Duitsland naderen.'s Morgens werd er dan een schuur van een boerderij 'gevorderd' waar wij mochten slapen op stro. 14 Over die eerste nacht moet ik nog vertellen dat Reddie en ik van plan waren on te ontsnappen. We zouden ons in de hei laten vallen. Ineens ontdekten we gloel ende sigarettenpuntjes, overaieens ontdekten wbleek vo Duitsers te zitten. Later hadden we minder goede kan sen, en tenslotte was je zo moe en murw dat je het niet meer durfde Wat te wagen. me opviel was, dat toen de toestand spannender en vermoeiender werd,d, er onderlinge kifterijen kwamen. Gezeur en geruzie over de beste slaapplaatsen. Niet van iedereen gelukkig, maar ik weet nog hoe erg ik het vond dat je hier niet solidair met z'n allen doorheen kon. Zo liepen wij drie nachten, soms ook halve dagen, want als het schieten dichterbij kwam, werden we wakker gemaakt, en moesten weer noordwaarts. We waren natuurlijk liever naar het schietgebied toegelopen. We waren in Visvliet beland op 14 april, toen we plotseling van de soldaten hoorden: jullie zijn vrij om te gaan. We hadden de indruk dat ze afgesloten waren van berichten of opdrachten, het zelf niet meer zagen zitten, hun eigen vege lijf wilden redden, ons af wilden. en zo van We zagen branden in Groningen in de verte, daar werd dus gevochten. Sommigen gingen terug naar Westerbork. Dat leek ons erg onverstandig, de Duitsers konden zo een bom erop gooien, om de Joden gaven ze niets. De Joden waren daar zonder bewaking achtergebleven. Velen wilden wachten op vervoer, die zijn later naar Groningen gebracht, en vandaar veel later thuisgekomen dan wij. Reddie en ik besloten snel weg te gaan, zuidwaarts. Je wist ook nooit als je nog een nacht bleef, of die Duitsers ineens toch tot een ander besluit zouden komen. Weg wilden we, de algehele vrijheid tegemoet. We sliepen onderweg naar Roden in een boerderij bij heel aardige mensen. De volgende ochtend, ik geloof een zondag, liepen we door Roden. Daar zagen we mensen vlaggen ophangen. We vroegen:"Wat is hier?" "Weet U het dan niet, we zijn vrij! De Duitsers zijn weg en de Canadezen komen zo." We werden meegenomen naar het gemeentehuis, uit weckflessen werden onthaald, kregen een feestmaal uit de kelder, en kregen ieder een herenfiets de fiets die afgepakt was van een NSB-er. Wij dus op verder. Overal waar we kwamen in onze gevange- nisoveralls werden we feestelijk begroet, overal de eerste Canadezen. Twee van hen boden ons een lift aan, het was een truck, de fietsen konden erin. Ze namen ons mee naar hun kamp in Raalte, daar mochten we samen slapen in een leeg ziekenzaaltje. Ze mochten van hun commandant ons de volgende dag verder wegbrengen. We kwamen tot Lochem, daar was een zeer stugge fieldsecurity officer, die ons niet verder liet gaan. We kregen geen toestemming en we moesten maar overnachten in een vies luizenhok. Gelukkig was er een Lochemer, het hoofd van de KP (knokploeg, een illegale groep), die ons in zijn motor met zijspan meenam naar zijn huis. De Canadezen beloofden de volgende dag terug te komen om ons naarar Apeldoorn te brengen. De KP-man zei:'Als ze niet komen breng ik jullie op de motor. Maar ze kwamen, de lieverds. En nu kregen we wel de toestemming om naar Zutphen tet gaan. In Zutphen de IJssel over, en voor een brug moest je zeker een permit hebben. We namen geen risico en doken onder, achterin de auto onder een zeil. Wat heerlijk dat we die brug over waren! Daaraan denk ik nog altijd als ik over die brug rijd. En zo kwamen we 's morgens 17 april om 11 uur Apeldoorn binnen, terwijl er om zes uur 's morgens nog gevochten werd. Dat was dus de reden dat wij in Lochem verder mochten. niet We stonden rechtop op de vrachtwagen te roepen en te zwaaien naar mijn ouders, die buiten liepen om de Canadezen toe te wuiven. Mijn moeder dacht:"Hé, die jongen zwaait naar mij, ik zwaai maar terug." Mijn vader zag niets want hij was te druk bezig om water te halen voor de Canadezen. Wat een feestvreugde. In minder dan geen tijd zat onze zitkamer (nog steeds die wachtkamer bij de buren) vol met vrienden, en onze Canadezen bleven natuurlijk ook meevieren. En al gauw kwamen onbekenden vragen of wij wisten hoe het met anderen in Westerbork was. Wij konden de meesten niet helpen. Het was allemaal heel onwezenlijk, of je droomde. En die eerste dagen, wat wawas je blij. Iedereen liep met een oranje sjaal om. Iedereen vlagde, wekenlang. Je haalde de vlag, o schande, niet eens meer binnen 's nachts. Straatfeesten, je vrienden en vriendinnen weer zien. Kennis maken met de engelse fieldsecurity (waar- onder Hugh) die in ons huis zaten (ze namen de SD- huizen over) en later met de canadese (waaronder Bud). fieldsecurity We werden goede vrienden met hen. Ik stapte wel heel stoer naar de townmajor, de geallieerde gezagsdrager kerd geworden voor door de gemeente. Ik was zeer zelfverze- alles wat ik had meegemaakt, een houding van: en had laat me niet afschepen. ik moet die man zelf spreken, en ik Ik ging Dan lukt zoiets ook. Mijn vader vragen of we snel weer in ons huis konden. eigen en ik zijn ook nog samen naar onze gewone het duurde burgemeester gegaan. Ik weet niet meer hoe lang een paar eer we er weer in konden, ik denk toch wel maanden. vuil We vonden een grote puinhoop, in de keuken lag het en de rotzooi een meter hoog. Veel was ook wegge- haald. Er waren meer SD-huizen in Apeldoorn geweest, je kon bij anderen gaan kijken of jouw dingen daar waren. Zo vonden we nog wel wat terug. Een Apeldoornse vriend van mij nam het ons kwalijk dat we weer in dat huis wilden wonen waar zoveel ellen- de gebeurd was. Zijn vader en twee broers waren daar 16 verhoord, en zijn gefusilleerd. Hij zei: "Ik kom nooit meer bij je op bezoek." ons Ik huis. begreep In de dat oorlog wel van hem- voor ons bleef het toch was je verhard door alle vrese- lijke dingen om je heen. Ik merkte dat toen al wel, dat harder worden de enige manier was om te kunnen overle- ven. Ik was bang dat je dat na de oorlog niet meer zou kunnen kwijtraken. Wel Gelukkig wel. een teleurstelling dat niet alles 'beter en goed' werd, je had zo’n hoop op een nieuwe maatschappij met meer gemeenschapszin. Maar er bleven natuurlijk toch mensen die alleen aan zichzelf dachten. Studenten die niets kwijtgeraakt waren, niets nodig hadden, die prachtige Rode Kruis-jassen Anderen claimden. hadden, maar die nauwelijks iets van de oorlog gemerkt Engeland, als zich lieten uitzenden op reisjes naar begeleiders voor kinderen die dat nodig hadden. Velen hadden toch een betere wereld verwacht. meeslepen Nog een paar met opmerkingen: over schuld en anderen met Toen de keuze die je tenslotte maakt: mijn ouders ik terugkwam uit Westerbork schrok ik hoe oud in die tijd geworden waren. je Verder was de aardige doktersvrouw die ons onderdak had geboden toen we uit ons huis moesten, heel boos op mij. Ze vond dat je, als je bij anderen gastvrijheid genoot, hen niet in gevaar mocht brengen door illegaal werk te doen. In de oorlog was het maken van een keuze heel moei- lijk, en de gevolgen extra ingrijpend. Maar toch houd je dit in de rest van je leven. Een keuze maken en proberen het zo goed mogelijk te doen- en daarbij soms anderen kwetsen zonder dat je dit wilt of bedoelt. Anneke ue P.S. Later hoorde ik dat er die 14 e april een ordonnans op motorfiets op de afsluitdijk was beschoten en gedood. Hij had het bericht moeten brengen dat onze groep vrouwen gefusilleerd moest worden.
Bron: Dagboek Cornelia van der Woerd-Moll - [1] Mevrouw Jordens uit Twello - man [Hendrik Willem Jordens - gefussieerd 29 maart 1945] ook opgepakt, met huisgenoot dhr. Boers - vegetarier, deed aan gymnastiek.
(p38) Mevrouw Jordens kon niet op klompen lopen en liep dikwijls achteraan de sloffen.
---
Johanna Maria Cornelia Charlotte de Marees van Swinderen 1892-1947
Getrouwd met Marten van Wijhe, overleden in 1932
Getrouwd met Hendrik Willem Jordens op 8 mei 1935 te Amsterdam. 1894-1945.
https://oorlogsgravenstichting.nl/persoon/73113/hendrik-willem-jordens
Jordens ondersteunde het illegale De PLOEG; een tijdschrift "dat wil opwekken tot bezinning op onze na-oorlogse taak". Omstreeks 20 februari 1943 schreven de medische studenten Matthias Adrianus (Ad) Boers en H. Hommes, leiders van het 'waarschuwingssysteem' van de studenten te Groningen en na de razzia's op de studenten op de zesde van deze maand ondergedoken te Wilp, aan A.J. van der Leeuw, chem. cand., vertegenwoordiger van de Groninger studenten in de 'Raad van Negen' (het studentencontact) (zie ook nr. 918) een brief, waarin zij de noodzaak betoogden een illegaal blad te scheppen, waarin bezinning op naoorlogse problemen hoofdzaak zou zijn. Jordens was gastheer van M. A. Boers en beiden werden tegen het einde van de oorlog gesnapt en doodgeschoten. Pagina 212 / 213 (nr. 677) De Ondergrondse Pers
Het monument aan de Almelosestraat in Wierden is opgericht ter nagedachtenis aan de tien mannen die hier op 29 maart 1945 bij wijze van represaille door de bezetter zijn gefusilleerd.
De namen van de tien slachtoffers luiden: Hattias Boers, Berend Dijkman, Wietse Douwsma, Hendrik Jordens, Herman Kampman, Free Roskam, Jan Seckel, Johannes Verdriet, Lulof de Wilde en Pieter Wolfert.
In de nacht van 28 op 29 maart 1945 werd een aantal mannen geboeid de gevangenis van Almelo binnengebracht. Vier van hen kwamen uit cellen van een kazerne in Apeldoorn en elf uit een gevangenis in Zwolle. Nog vijf gevangenen, die al in Almelo waren, werden aan de groep toegevoegd. De meesten van hen waren verzetsmensen. Om halfzeven in de ochtend werd de groep in twee vrachtauto's geladen. Bij de fabriek van Ten Bos aan de Almelosestraat te Wierden stopten de wagens. Tien mannen moesten uitstappen en op een rij op het fietspad gaan staan. Het was de groep uit Apeldoorn, de vijf die al in Almelo aanwezig waren en één gevangene uit Zwolle. De mannen werden onder het oog van toevallige voorbijgangers en de tien overgebleven mannen uit Zwolle gefusilleerd.
Vervolgens vertrokken de vrachtauto's in de richting van Rijssen. Bij de 'Grimberg' aan de Rijssensestraat werd opnieuw gestopt. De overige tien gevangenen stapten uit en werden na een kort commando door de SD'ers doodgeschoten.
De namen van deze tien slachtoffers luiden: Jacob Albers, Hendrik Bannink, Adriaan Hendriks, Albertus Huiberts, William Jakma, Eduard Keilholtz, Johan Langkamp, Hendrik Maaskant, Jacob Roël en Sico Sietzema (Groep Hein? Relatie met Dries Klooster (man van no. 2)/Albert van Meerveld?)
Op bevel van de bezetter moesten de lichamen van de slachtoffers op beide plaatsen tot twaalf uur 's middags blijven liggen. Wat er na de fusillade gebeurde, is door Klaas van der Weerd (oud-politieman en leider van het verzet) als volgt omschreven:
'Op donderdag vóór Pasen, 29 maart 1945, fiets ik 's morgens omstreeks halfacht van mijn tijdelijke adres bij de familie Buitenweg in het Zuidbroek naar het bureau. Bij de fabriek van Ten Bos aan de Almelosestraat zie ik een oploop van mensen. Als ik dichterbij kom, hoor ik al van enige omstanders wat er daarvoor is gebeurd: tien mannen zijn door een Duits vuurpeloton doodgeschoten. Ik zie de lichamen van de tien op het fietspad liggen; sommigen zijn in een zgn. 'eenmansgat' gevallen, dat zijn smalle gaten, gegraven in de berm langs de weg, van waaruit een soldaat kan schieten als de vijand dichterbij komt. [...] Tegen twaalf uur 's middags komt de gemeente-opzichter Rutgers; samen overleggen we hoe de lichamen het best naar de EHBO-post in de oude openbare school kunnen worden gebracht. Rutgers gaat nu naar het gemeentehuis om te regelen dat er met spoed twintig houten kisten worden gemaakt. [...] Aan Schipper, die de leiding heeft, zeg ik dat alles wat gevonden is, schoenen, ringen, kleding, enz., in aparte, genummerde zakken moet worden gedaan; de kist met het lichaam van wie dat dan is, krijgt hetzelfde nummer. Dat moet gebeuren om later te kunnen vaststellen om welke personen het hier gaat, want van de meesten weten we niet wie het is. De nabestaanden van vier of vijf die we wél kunnen identificeren, krijgen onmiddellijk bericht.
Tot diep in de nacht wordt er op de post gewerkt. Op een gegeven moment komt de Wierdense NSB-commandant vertellen dat de SD bijzonder kwaad is dat de twintig nog niet in een massagraf begraven zijn, wat ze wel bevolen hebben. Vóór de volgende morgen zes uur, vóór zonsopgang, moet dat gebeuren. In alle vroegte vindt de begrafenis op het kerkhof plaats; bij elk graf wordt een paaltje met een nummer erop geplaatst.
Na de bevrijding wordt het speurwerk naar de identiteit van de overige slachtoffers voortgezet. Op één na kan van allen worden vastgesteld wie het zijn. Pas veel later komt een moeder met twee woons op mijn bureau; ze zijn op zoek naar hun vermiste zoon en broer. Hij is op 22 maart 1945 in Apeldoorn gearresteerd en met onbekende bestemming weggevoerd. Van een helderziende horen ze dat hij terecht is gekomen in een plaats met een 'A' als beginletter; in de omgeving van die plaats zou hij begraven zijn. Na veel zoeken komt de familie in Almelo terecht en daarna op het politiebureau in Wierden. Uit de overgebleven bezittingen en een stuk stof dat na de opgraving van het lichaam van een vest wordt geknipt, blijkt om wie het gaat. Het is inderdaad de gezochte Lulof de Wilde uit Apeldoorn.'
(1922-1945)
De naam van Matthias A. Boers komt voor op de herdenkingsplaquette van het Stedelijk Gymnasium Nijmegen en in het Academiegebouw van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij was de zoon van de wiskundeleraar J. Boers op de Gemeentelijke HBS in Nijmegen, en oud-leerling van het Stedelijk Gymnasium. Hij studeerde medicijnen in Groningen. Samen met zijn vriend Piet Oosterlee was hij actief in het verzet. Over zijn verzetsactiviteiten in Nijmegen is (nog) weinig bekend. In elk geval hielp hij met zijn Nijmeegse vrienden Piet Oosterlee en Ad van Haaften Engelse piloten via de Biesbosch op weg naar Lissabon, van waar ze naar Engeland konden terugkeren. Hij zou als lid van een inlichtingengroep in Apeldoorn zijn aangehouden. In februari 1943 nam hij samen met zijn collega-student H.Hommes in Groningen het initiatief tot de uitgave van een illegaal blad, dat in juli 1943 als De Ploeg - dat zich concentreerde op na-oorlogse vraagstukken - verscheen en dat in 1944 een oplage bereikte van 4.000 exemplaren. Het blad werd verspreid via een dertigtal contactpunten in het land. Mogelijk was Piet Oosterlee zijn Nijmeegse contactpunt. Boers was ook een van de leiders van het waarschuwingssysteem onder Groningse studenten voor razzia's. Tegen het einde van de oorlog werd Boers tezamen met zijn gastheer H.W. Jordens wegens spionage gearresteerd. Beiden werden eind maart 1945 gefusilleerd in Wierden. Boers en Jordens werden in Voorst in één graf begraven. Als slotuitgave van De Ploeg verscheen de in 1944 voornamelijk door Boers voorbereide publikatie De illegale pers over na-oorlogse problemen.
https://www.oorlogsdodennijmegen.nl/persoon/boers/0496a356-a6b4-4b70-acc7-4ee5e18e1b50
Check: 3x Huber: Anneke Huber uit Apeldoorn (77) & P.M. (Nel) Huber-Kloos uit Twello (79 = moeder van Pettie - niet gevangen) & Bep Huber-Van Zijtveld in Garderen (67)
Kinderen: Dochter Pettie van Nel werd gezocht, Nel was gijzelaar voor haar. Ook zoon Jonne opgepakt (vriendin/later vrouw Olga).
Anneke (77) = nichtje van Nel Huber-Kloos
Moeder van Anneke was wel opgepakt maar vrijgelaten.
OVCG: http://home.kpn.nl/aesch/wc05/wc05_336.htm
Mail: Edo Moll - edomoll@outlook.com
27 dec 2025
Beste Ika,
Bedankt voor het opsturen van het boek.
Ik antwoord even op het briefje wat erbij zat.
Ik ben geen familie (voor zover bekend) van Cornelia Van der Woerd-Moll.
Maar ik ben wel een kleinzoon van Petronella Maria Huber-Kloos, nummer 79 op de lijst. Zij was de moeder van mijn moeder. Mijn moeder was P.M. (Pettie) Huber. Later getrouwd en vanaf dat moment P.M. Moll-Huber.
Mijn moeder (die in 2023 is overleden) heeft mij meer dan eens verteld over de arrestatie van haar moeder. En vooral over de terugkomst en hereniging.
Dat verhaal heeft mij altijd diep ontroerd.
Ik heb het boek nog niet gelezen (ik ben er zelfs nog niet eens in begonnen) dus ik weet niet wat erin staat. Wat ik hierna zeg, staat misschien in het boek.
Mijn moeder, Petronella Maria 'Pettie' Huber, geboren in 1926, was in de loop van de oorlog koerierster geworden. Vrij kort voor het einde van de oorlog was er sprake van verraad. De persoon waar mijn moeder haar clandestiene briefjes naartoe bracht, was gearresteerd. Zij bracht haar briefjes naar de heer H.W. Iordens. De duitsers waren nog bezig in zijn huis toen mijn moeder daar aankwam. Mijn moeder wist uiteraard van niets. Zij kon gelukkig snel een smoes verzinnen en fietste zo hard als zij kon weg. Daarna is zij gaan onderduiken. De duitsers wisten dat P.M. Huber-Kloos de moeder was van 'Pettie' Huber. Zoals ik het begrepen heb, hebben de duitsers uit wraak omdat Pettie Huber ontkomen was, haar moeder, P.M. Huber-Kloos, gearresteerd. Ik geloof dat mijn moeder zich schuldig voelde, of verantwoordelijk, voor de arrestatie van haar moeder. Mijn moeder was een paar weken later uiteraard enorm opgelucht toen haar moeder levend en wel (maar wel ondervoed en vervuild) te voet terugkeerde in Twello (Gelderland).
H.W. Iordens en Ad Boers zijn in maart 1945 gefusilleerd. (https://posterenksbelang.nl/bevrijding-posterenk/)
Van een van mijn broers hoorde ik dat de duitsers niet alleen mijn oma hadden gearresteerd maar ook Barend. Hij woonde bij mijn oma in huis en hielp haar altijd met allerlei klusjes. Ook Barend is gelukkig heelhuids teruggekeerd.
Hartelijke groet,
Edo Moll
In dagboek Cornelia van der Woerd - p31
---
Geboren 19 november 1923, Laren
Bindert: Later adres:
President Roosenveldstraat 62
4695 GS St. Maartensdijk
Later Tholen in Zeeland?
https://krantenbankzeeland.nl/issue/een/1994-01-20/edition/null/page/2?query=Daams-Beversluis
-
Vader: Martien en Martinus Beversluis - betrokken bij NSB (blad?)
Moeder: Nellie Schuitemaker
https://www.geni.com/people/Martinus-Beversluis/6000000049927299862
Broer: Frits
Naam: Neeltje Storm
Bijnaam:
Geboren: 1903
Overleden: 1987
Ouders:
Broers en zussen:
Huwelijk: Adrianus Drop (20 september 1897 - 27 juli 1955) op 27 april 1932 te Vlaardingen
Beroep: Adrianus Drop was tegenwoordiger tabak/ verkoopleider bij Niemeyer
Kinderen/kleinkinderen:
Willem (Wim) Drop ( 6 juni 1929 te Vlaardingen - 21 juli 2018 te Amersfoort) - Netty Paul
Zoon: Arnout Drop
Dochter:
Jack Drop (17 juni 1934 te Amersfoort - 30 november 2000)
Zoon
Oorlogsgegevens:
Zwolle verzet: https://www.omniboek.nl/wp-content/uploads/2022/06/9789401905206_fragm.pdf
Aantekeningen Bindert op namenlijst: R Boxum heeft info over haar?
Mogelijk getrouwd met: Johannes Hendrik op de Weegh?
---
Een pagina in AD 05-05-20 v
Op foto: Rie op de Weegh, Jacqueline van Hasselt, Riek Dorgelo-Hendriks, Thera Smitt, Cor Kieft, B. van Dijk-van de Wetering, Corrie Polderman, M. Brouwer-de Boer, Janny Brouwer, G. Jakma-Liefferink, Wed. van Dijk, Griet van Veen
Gereageerd uitodiging Bindert.
Bron: Kort telef. verslag van nr. 84: mevr. Doorningk
--
Een pagina in AD 05-05-20 v
Op foto: Rie op de Weegh, Jacqueline van Hasselt, Riek Dorgelo-Hendriks, Thera Smitt, Cor Kieft, B. van Dijk-van de Wetering, Corrie Polderman, M. Brouwer-de Boer, Janny Brouwer, G. Jakma-Liefferink, Wed. van Dijk, Griet van Veen
---
Latere adres Aerdenhout, Ruys de Perezlaan 4.
Bindert gebeld door nichtje Jo Heeling-Meyboom - verpleegster op foto in PTT blaadje met donker haar?
Interview met Westerbork / Egbert Doosje:
Inventarisnummer: Standplaatsnummer:
Onderwerp : Politieke gevangenen Datum : 6-2-1996
Interview door : Egbert Doosje Interview met : mevr. v. Doorninck-v. Hasselt
Spreker Tekst trefwoord
Vertegenwoordigster van het verzet uit calvinistische overtuiging als zodanig tegenpool van mevr. Van der Molen (communiste).
Ze is door verraad in Zwolle gepakt en via de gevangenis in Zwolle in de nadagen van de oorlog in Westerbork beland.
Tijdens de tocht richting Grijpskerk ontvlucht zij. Ze beleeft de bevrijding in Grolloo en fietst terug naar Zwolle. Wordt onderweg opgepakt door de "Oranjebus". Bij de glorieuze intocht in Zwolle zit ze vooraan op het dak met gestrekte arm.
D Mevr. Van Doorninck, geeft u toestemming tot eventuele publicatie van (delen van) hetgeen u ons meedeelt?
vD Ik weet, hoe nodig dit is voor de jongere generatie. Dus doe ik dat gaarne.
D Mevrouw, op welke leeftijd, waar en hoe kwam u in het verzet?
vD In 't begin van de oorlog woonde ik bij mijn ouders in Amersfoort en daar kwam ik al met verzet in aanraking. Niet via een organisatie, maar in groepjes van ca. 10 mensen regelden we allerlei zaken, dat waren mensen van maatschappelijk werk. We probeerden o.a. meisjes uit handen van Duitse soldaten te houden. Dat was zo in het begin. En na het bombardement op Zeeland verzamelden we mantels en andere zaken om die mensen daar te helpen. Dat was wèl particulier.
D Dat was toch niet illegaal? Dat was toch wel toegestaan?
vD Jawel, dat was het wel, maar het was toch tegen de Duitsers gericht. Want die waren de veroorzakers van dat alles.
D U bedoelt het bombardement op Middelburg mei 1940?
vD Ja.
D Maar wat voor verband kunt u nu leggen met later illegaal werk?
vD Dat is zo goed geweest, omdat men elkaar vond. En je wist op wie je aankon. Later gingen we met een drietal dames Joodse families helpen. Ik meen later begrepen te hebben dat "Vrij Nederland" er achter zat.
Later kreeg ik een baan in Zwolle. Dat ging uit van de diaconieën van de confessionele protestantse kerken. Die organiseerde voor de oorlog kampen voor werkloze jongeren. Daar was nog geld van over, dat hebben ze meteen na de bezetting weten weg te werken uit het gegevens en dat hebben ze beschikbaar gesteld voor de gezinnen van de werklozen, die als eersten naar Duitsland werden gestuurd om te werken. Ik zat alleen als maatschappelijk werkster in Zwolle. In de grote steden zaten er twee.
D Tot zover was het nog legaal, toch?
vD Ja, min of meer. Later bleek het bestuur echter - allemaal - in illegaal werk te zitten. Dat heb ik pas na de bevrijding van ze gehoord.
Ik wist ook wel... ik vroeg ook nooit wat.
Ik bezocht de probleemgezinnen. In het ene was het een abnormaal kind waar ze eigenlijk niks mee konden. Maar ze wilde - die moeder - het kind koste wat het kost thuis houden. Daardoor kwam ik met anderen in contact.
Ik organiseerde ook naaicursussen voor de moeders van zulke gezinnen, waar ze van oude kleren nieuwe konden maken. Dat was een heel leuke groep. 't Waren de allerarmsten uit de crisisjaren. En...
D Wanneer ging u naar Zwolle?
vD 1943. 't Was dus eerder, dat ik met een vriendin al in Amersfoort bezig was. En toen ik één keer in Zwolle zat, gaf ze me iedere keer dingen mee, die ik dan af moest geven dààr weer aan de illegaliteit. Aan een verpleegster en aan de mevrouw op het huis IJsselstein.
D Wat waren dat voor dingen? Valse papieren, bonkaarten?
vD Ja, papieren en bonnen, en ook geld. Ik was dus koerierster. Ik legde het altijd in de trein, bovenin het rek en niet in mijn directe buurt. Ik wou het ook niet in de tas hebben.
D En na de spoorwegstaking?
vD Ja, voordien reisde ik haast elk weekend nog naar Amersfoort.
D Hoe bracht u die spullen naar 't station? Toch wèl in uw tas?
vD Ja, 't waren geen grote stukken. Ik vervoerde geen wapens.
Een keer... ik woonde bij een oud zeeofficier in huis. Bij hem kwamen oude marinevrinden. Eén vroeg hem, wie ik was en hoe het zat. En toen hoorde hij dat hij mij wel om hulp kon vragen, als het nodig was. En toen vroeg hij, of ik bereid was mee te werken aan het uitreiken van geld aan de gezinnen van zeevarenden. Dat was een leuke taak erbij en paste heel goed bij het werk van mij. Ik heb dat nooit aan het bestuur verteld. Maar toen kwam ik ook weer in contact met meneer Bouman, de buurman van het advocatenkantoor en Hogerzijl. Dat waren beiden mensen, die duidelijk in de illegaliteit zaten. En als ik dan wat nodig had, vroeg ik het daar. Mijn jongste broer, die in het studentenverzet zat, was gepakt en naar Duitsland gestuurd. In Hamburg tijdens een bombardement liep hij weg, kwam thuis en dook dààr onder, even. En toen belde hij ineens op en zei alleen maar: "Zo". En toen zei ik: "O, ik kom meteen, met de eerste trein". Hij wou toen onderdak, buiten Utrecht, waar hij studeerde. Daar heb ik toen een plaats voor hem gevonden. Maar toen moest ik bonkaarten enzo voor hem hebben. Toen ging ik naar de buurman - de advocaat. En die zei: "O, dan moet je gaan naar het hoofdbureau van politie en dan moet je zeggenaan de commissaris en hem gewoon uitleggen hoe de zaak ligt". En die zei: "O, dat is heel eenvoudig. U gaat naar een grote winkel en dan legt u uw persoonsbewijs naast uw tas zogenaamd en dan roept u: O, mijn persoonsbewijs is weg". Ik kreeg een ander, één voor mijn broer. Ik kreeg hierdoor weer een ander aanknopingspunt. Toen ben ik ook vaak 's avonds op het stadhuis geweest - ik weet niet meer, hoe het allemaal kwam - daar schreven we bonkaarten uit, ook voor mijn gezinnen. Die kon ik dan meteen meenemen. Er was een gezin, een leuke jonge vrouw met 3 jongetjes. Die woonden tegenover een school waar Duitsers in zaten. En de man was in Duitsland, die kwam om de 14 dagen thuis. De Duitsers brachten etensresten bij dat vrouwtje.
Je had in Zwolle altijd de voordeur los. Toen kwam er een Duitser vaak bij haar binnen - eerst om een knoop aan de jas te zetten. Mensen uit de buurt waarschuwden de dominee en die gaf het aan mij door.
Ik heb haar toen gezegd: Wat vindt uw man ervan? Ja, zei ze, die vindt dat niet leuk, maar je moet die jongens toch helpen.
Twee weken later kwamen ze samen op mijn bureau om me te bedanken. Ze liet de Duitsers niet meer binnen.
Een ander geval waar ds. Horeus de Haas me bij haalde... Dat was een links georiënteerde, heel warme man, waarvan men zei: "Hij geeft aan iedereen, hij geeft òòk aan NSB-ers". Hij hielp iedereen die moeilijkheden had. Die zei op een gegeven moment tegen mij: Wilt u gaan naar Bartjesstraat nummer zoveel. Een oud straatje, huizen met sanitair in de tuin. Daar zit een moedet met 2 ondergedoken jongens. Ze is heel bang. Daar moet wat gebeuren. U moet 3x bellen, anders doet ze niet open.
Zo ging het inderdaad. Ze was heel nerveus toen ze open deed. Toen ik zei, dat ik namens de dominee kwam, bracht ze me naar de eetkeuken. En uit een soort tussenkamertje kwamen de jongens. Die jongens waren grafici. Ze hadden in Duitsland in een munitiefabriek moeten werken. Dat wilden ze niet. Toen zijn ze gevlucht, terug naar huis. Onderweg werden ze door de politie gepakt en de kantonrechter veroordeelde hen tot uit het land zetten. Niet apart. Er is een boekje over geschreven, dat ligt in Zwolle in het gemeentehuis.
D Als ik het nu goed begrijp, is dat illegale werk van u met het legale verweven.
vD Dat illegale, daar wist niemand wat van.
D Hebben die jongens het overleefd?
vD Jazeker en ze zijn na de oorlog heel goed terecht gekomen. Vreselijk leuk.
D Uw bestuur was wel op de hoogte?
vD Ja, die zaten zèlf in de illegaliteit. Van mij wisten ze niks. Ik vertelde alleen de normale dingen. Wèl, dat ik de Duitsers uit dat huisje hield. Nièt, dat later de man bij me kwam en zei: "'t Is toch zó moeilijk, daar te wonen tegenover die Duitsers". Toen dook hij onder en ik kreeg het klaar hem een baantje te bezorgen bij de centrale keuken. Toen kreeg hij verlof in Nederland te blijven. Daarmee heb ik dat gezin kunnen redden.
D Op een gegeven moment is het toch voor u verkeerd afgelopen, anders was u niet als politieke gevangene in Westerbork terecht gekomen. Waardoor bent u gearresteerd?
vD Ja, er was spoorwegstaking. Ik hielp ook die gezinnen aan geld. Die moesten daarvoor tekenen. Sommige spoorwegmannen vroegen me hun aan werk te helpen. Ik had toen valse Ausweise, waarop stond dat ze aan de IJssellinie gingen werken. Maar dan gingen ze naar een boer.
D Hoe kwam u aan die Ausweise?
vD Ja, die kreeg ik van een groep, die is later opgerold. Daar hoorde die Commissaris van politie uit Zwolle ook bij. Die groep had in het RK Ziekenhuis een kamer, waar ze o.a. die Ausweise maakten. Dat is verraad geweest. De commissaris is doodgeschoten. De SD ging ook boerderijen bezoeken. Toen troffen ze mensen aan met een blauwe Ausweis, die eigenlijk aan de IJssel hadden moeten zitten. Dat was dus mis. Daar was een spoorwegman bij, die het van mij gekregen had, een jongen van een heel zielige, geestelijk wat gehandicapte moeder, haar beide jongens hadden ook op een blo school gezeten. Ze waren geestelijk niet helemaal in orde. En die jongen zei: "Dat heb ik van juffrouw Van Hasselt gekregen". En tòen hing ik. Ik woonde bij die oud-zeeofficier. En daar werd ik gearresteerd. Die moeder moest mij aanwijzen. Ik heb daar een hele nacht op een stoel gezeten. De volgende dag werd ik afgevoerd. Ik heb persoonsbewijzen gezien van mensen die ik ze had geleverd en die ze gepakt hadden.
In de gevangenis in Zwolle was een goede bewaker. We zaten met 6 man in een eenpersoonscel. Een stuk van de nacht kon je maar slapen. Heel primitief.
D Hoe verging het u verder?
vD Die goede bewaarder zei: "Er is voor u gebeden in de kerk". Die getekende verklaringen van de gezinnen had ik in een safe. De sleutel daarvan had ik in mijn kous. Die hebben ze niet gevonden. Die heb ik de bewaarder mee kunnen geven.
Het typemachientje, waarmee ik de Ausweise tikte, stond ergens. Ik kon hem zeggen waar en dat ze het moesten verdonkeremanen. Ze hebben me dan ook niet veroordeeld. Ze noemde me koerierster. Dat was ik niet. Die deden veel gevaarlijker werk dan ik. Op een avond gingen we op transport. In een bus.
D Alle 6 uit die cel waren mensen uit het verzet?
vD Nee, één niet. Maar die ging ook niet mee. Ik had een dieet, omdat ik een galafwijking had. Een dochter van Vroom kwam bij mij in de gevangenis en bracht mijn dieet in de gevangenis. In Westerbork was dat niet het geval. Ik viel in korte tijd enorm af.
D Nog even: U ging met de bus van Zwolle naar Westerbork. Met hoeveel?
vD Dat weet ik niet meer. Er was ook een Joodse mevrouw bij en vrouwen die in Einzelhaft hadden gezeten. Die Joodse mevrouw kwam in de Joodse afdeling, die uitgewisseld zouden worden. Wij kwamen in de strafbarakken. Bij mij was uit Zwolle meegegaan een Roemeense, Julka, wier man op zee was en in de Middellandse Zee is omgekomen.
Toen wij in Westerbork kwamen was er net een trein via Nieuweschans vertrokken.
In onze barak stonden bedden drie hoog. Er waren allemaal vrouwen. We werden gewaarschuwd door de anderen, die er al zaten voor nr. 25. "Pas op, die is niet goed". Die was geloof ik met de Apeldoornse groep meegekomen. Er waren ook vrouwen, die in Doetinchem hadden gezeten. Er zat dus één foute tussen. Later vertel ik daar meer over.
Niks vertellen dus, dat was het beste.
De volgende ochtend kreeg je met z'n 2en een kannetje lauw water. Er werd daar gegapt als de raven. Ik lag boven. Met een touwtje bond ik mezelf vast om niet te vallen.
We werkten en kregen elke dag een wasteil vol batterijen en met machines moest je die kloven. Eén uit Apeldoorn was zo teer en zwak, die kon die handle niet naar beneden krijgen. Wij namen haar portie over. 't Grappige is, dat ze nu nog leeft.
D U werkte in een andere barak uiteraard dan waar u sliep?
vD Ja, daar liepen we naar toe. Maar dat herinner ik me heel slecht. Ik weet niet meer hoe het lag.
D Ja, dat weten wij wel.
Zaten er in de strafbarakken ook nog Joodse strafgevallen?
vD Nee, dat weet ik niet.
D Door wie werd u bewaakt in de strafbarakken?
vD Door Duitse Aufseherinnen. Vreselijk. Die waren er al. Men vertelde, dat je met één bewaakster heel goed kon praten. Ze was pleegdochter van NSB-pleegouders en vond het verschrikkelijk. Ze was tegen haar zin bij de Hitler Jugend geweest en nu was ze als Aufseherin ingedeeld. Ze vond het verschrikkelijk. Sommigen beloofde haar haar bij de bevrijding te zullen helpen. Ik weet niet, wat er van terecht is gekomen.
De ouderen hadden een kachel. Wij gingen ons bij hen zo nu en dan eens warmen. Daar waren ook 2 directrices, zussen, van een kindertehuis. Die hadden veel Joodse kinderen gehad. Daar is een boekje over geschreven. Ik heb het boven liggen. 'k Zal 't u straks laten zien.
D Het transport uit Westerbork. Vertelt u dààr eens over.
vD Op een morgen kregen we onze kleren terug. We droegen daar overalls met een nummer en waren kaalgeschoren.
D Wanneer was 't transport?
vD Weet ik niet meer. 11 of 12 april.
D Ik denk een paar dagen eerder.
vD Ik weet het niet meer. Wel weet ik, dat een Joodse dokter voor ons zorgde als er mensen klachten hadden. Hart enzo.
D U verliet 's avonds Westerbork. Wie begeleidde u?
vD Een Oostenrijks peleton dat ze daar achter gelaten hadden. Ze hadden fietsen bij zich. Dat vrouwtje, dat in 't werk zo slecht was, is door het prikkeldraad achteruit gevlucht. Later heeft ze verteld dat dat heel gemakkelijk gegaan was. Er waren daar geen Duitsers meer. Wij wisten dat niet. Later heeft ze het pas verteld. Wij moesten lopen. Het laatste treintje was vertrokken met Duitsers en gillende varkens achterin. Die heb ik gehoord. Daar was die groep Aufseherinnen waarschijnlijk ook bij.
D Welke kleding droeg u?
vD Onze eigen kleding. Ouderen bleven soms zitten, konden geen stap verder. In een buurtschap hebben ze wagens en paarden gevorderd voor onze bagage. Daar waren ook onze overalls bij.
Met Julka Schnijder, de Roemeense, sprak ik af te zullen vluchten. We dachten achter coniferen een schuilplaats te hebben gevonden maar toen het vervoer geregeld was, vonden ze ons en moesten we mee. Aufstehen, schnell, schnell. Ze zochten ons met zaklantaarns.
Ik weet wel niet, hoever we gelopen hebben. Al lopend heb ik zelfs geslapen. Die Oostenrijkers wilden ook steeds met ons praten. Maar dan verstond ik geen Duits natuurlijk. Op een gegeven moment stopte iemand iets in mijn mond. Een pepermunt of zo. Ik heb het uitgespuwd.
Een eind verder konden mensen opnieuw niet meer. Er werden weer wagens gevorderd. Een boer vertelden we dat. Die zei: "Groot gelijk hebt u. Als het u hier lukt, dan niet daar en daar aanbellen om hulp, dààr wonen NSB-ers". De Oostenrijkers letten niet goed op. Ze gingen in een groepje sigaretten roken. Wij konden, Julka en ik, onder een hekje doorkruipen en ons achter een heg verbergen.
Later vertrok de groep, met lantaarns aan de fietsen, zagen we ze gaan.
Wij gingen verder, en kwamen bij de Amer en later in Amen, via de weg. Dat laatste vonden we wel griezelig. We zagen er vuil uit, zwarte randen om de ogen van 't werk in de batterijen. Zij droeg een grijze broek en laarzen van haar man en van een handdoek, de draadjes daarvan, had ze Roemeense symbolen op haar blouse gemaakt. 't Zag er niet uit.
't Werd ochtend. We wisten niet waar we zaten. Tot we een ouderwetse handwijzer zagen. Daar stond op: Ekehaar, Eleveld, Deurse. Wat zullen we gokken. We zagen een kerkspitsje. En we zeiden: "Laten we daar maar heengaan". We gingen over sloten en greppels. In 't dorp zochten we de pastorie op. 't Was ± 7 uur. Er kwam een oude mevrouw, doodzenuwachtig. We konden met haar geen contact krijgen. Doodzenuwachtig was ze. "Nee, nee ik kan u niet helpen," zei ze maar. We vroegen ook niet naar de dominee. Toen zeiden we: "Wat doen we nou?" Maar in de gevangenis moesten we wassen, met een zware borstel vieze gevangeniskleding. Daar had ik een infectie opgelopen. Aan mijn hand. Dat zag er lelijk uit. Dus ik zei: "Weet je wat, we zoeken een dokter op." We liepen het dorp in en daar zagen we inderdaad een dokter. In zijn wachtkamer zaten 3 mensen. Die dachten, wat zijn dàt voor rare types. Wij kwamen als laatsten bij de dokter binnen. We vertelden hem alles. "Gaat u dadelijk bij mijn vrouw lekker ontbijten," zei hij. We kregen weet ik wat voor lekkere dingen, eieren en zo. We hebben heerlijk zitten eten. Toen zei hij: "Heel vervelend is, dat de SD net hier in het dorp is gekomen en dat ik niet weet, of mijn patiënten hebben doorgegeven, dat hier zulke vreemde vrouwen binnenkwamen. En eh, daarom durf ik u hier niet in huis te houden en ik wou u raden naar het zuiden te lopen, richting Grolloo en dan bij de zoveelste zijweg rechts daar ligt een boerderij en daar willen ze u wel onderdak verschaffen, denk ik."
Nou ja, na een hele nacht lopen... maar gelukkig had zij perfettine bij zich. Dat schijnt... journalisten gebruikten dat om wakker te blijven toen. Dat had zij. Dat hadden ze toen bij haar niet gevonden. Daar heb ik ook een van genomen. En eh... ze zeiden, tegen 8 uur gaat een groep mensen hier uit de buurt - vrouwen - die gaan werken in een legerplaats hier in de buurt. En die zien er ook nogal slordig uit. Dus als u zich daarbij aansluit, dan laten ze u waarschijnlijk wel door. Nou, ja, niet leuk. Als je al zoveel achter de rug hebt en zij, Julka, kon er bijna niet meer tegen. Toen zei ze: "Nou heb ik zó lang al mijn leven in de waagschaal durven leggen en nu is er even zó iets kleins, die had er even zoveel moeite mee.
Ik gelukkig niet. Toevallig had ik 't lang niet zo zwaar gehad als zij.
Toen kwamen we langs een wachtpost, dat ging prachtig.
We kwamen bij de boerderij. We zeiden: de dokter heeft ons naar u toegestuurd. Hij zei: "Nou, kom er maar in. Ze gaan dadelijk eten". Zo laat was het intussen geworden. Wij mochten mee-eten. En daar stond een pan met heerlijke aardappels midden op de tafel met een kommetje met spekvet. Daar zat de hele familie om de tafel. Je pikte een aardappel in het kommetje en dan kon je die opeten. Zoveel aardappelen hadden we in geen weken gehad en zó verrukkelijk. Spekvet mocht ik eigenlijk helemaal niet hebben, maar goed...
Toen zei de boerin: Nou gaan we even familieraad houden, want u ziet het, er zitten hier 3 jongens aan tafel, mijn zoon en 2 onderduikers en als ze het in de gaten hebben, dat u hier is, dan gaan wij er allemaal aan. Nee, u er nog bij, we durven het niet aan".
Nou, dat waren heel moeilijke momenten en toch kon ik het wèl begrijpen, hoewel ik het ook héél moeilijk vond. Want we waren al zo lang op de been. Maar ik denk, die perfettine en het heerlijke gevoel van de bevrijding, die er bijna was. Bij Beilen en bij Groningen hoorden we het geschut.
De boer ploegde voort. Op het land was een boer nog bezig.
Bij de doker had ik al gekeken, of ik iemand zou tegenkomen in Assen die ik kende. Toen las ik de naam Sarfatius. En een meisje in Zwolle Sarphatius, die kende ik. Ik dacht, misschien is dat wel familie. Dat meisje kwam uit Grolloo. Dat had ik onthouden. En toen dacht ik: Ik zoek in Grolloo dat huis van Sarphatius.
D U keek dat bij de arts in de telefoongids na?
vD Ja en op de één of andere manier is het ons gelukt dat huis te vinden.
En toen kwam het grote wonder. Ik belde aan, de deur ging open en er stond een jong vrouwtje die zei: "Hoe kom jij hier?" En dat was de pleegdochter van mevr. Sarphatius, die in Amersfoort had gewoond - met haar moeder - en die ik had gekend. En zo als ik er uitzag, herkende ze me nog. 't Was een klasgenootje van een van mijn broers geweest.
Dat was ongelooflijk. We zijn daar enig ontvangen. Meneer Sarphatius was in Assen bij de rechterlijke macht. Ze hadden een logeerhuis in de tuin. Daar hebben we geslapen. Heerlijk.
Om 6 uur werden we opgetrommeld voor de warme maaltijd. Wij in onze oude kleren. Meneer Sarphatius was ook thuis gekomen en die was heel ernstig. Hij zei: "Ze moeten u hier niet vinden, dus vannacht moet u maar in ...
We hebben ook nog een vluchthol in de tuin, daar liggen wel matrassen in en dan moet u nóóit zeggen dat ik u dat gewezen heb, maar dat u zwervende was en toen ineens die tuin en dat hol vond."
Ik dacht nou ja, dat bed is heerlijk, maar dit zal ook wel gaan.
Toen zei Traudy, zo heette dat meisje: "Ik ga even het dorp in, want ik hoor wat vreemde geluiden. We moeten wat nieuws horen, we moeten weten hoe ver ze zijn." Zij ging weg en 5 minuten daarna kwam ze juichend terug. De Canadezen zijn er. De Canadezen zijn er. Mag ik er een paar komen halen om een glaasje wijn te drinken. Nou, dat mocht. 't Was heerlijk.
De volgende dag zijn we naar de ondergrondse in Rolde gegaan. We kregen van hen fietsen van gevluchte NSB-ers om mee naar Zwolle terug te kunnen.
In Assen zagen we een bevrijdingsoptocht - heel vrolijk. We hebben daar overnacht, later in Hoogeveen bij een bankdirecteur. De volgende morgen op de fiets verder. En onderweg was er ineens zo'n lawaai op de weg. Daar kwam een oranje bus aan. Waar 't was, weet ik niet meer.
D Men heeft mij verteld, bij Lichtmis.
vD Ja, ja, heel goed, bij Lichtmis was het. De bus hadden ze in Zwolle oranje gespoten en toen hadden ze de vrouwen uit Grijpskerk opgehaald. Op de terugweg zagen ze ons. Zijn jullie daar? riepen ze. Kom toch mee. Fietsen achter op de bus en wij mee Zwolle in.
D Ja, dàt is dus het verhaal. Hebt u nadien nog contacten gehad?
vD Ja, vooral met de Roemeense. Ik kwam eerst ook weer in dienst. De bestuursleden trof ik weer. Van mijn illegale werk hoorden de meesten nu pas. Ik heb in Zwolle "afgewerkt". De Stichting werd daarna opgeheven, nadat ik alles opgeruimd had.
Bij 't Militair Gezag zag ik een keer nr. 25. Die werkte daar als werkster. Toen heb ik onmiddellijk de commandant verteld wat ik wist. Ze is ontslagen, dat weet ik.
In Haarlem kreeg ik een functie bij het Rode Kruis. Bij het noodsanatorium voor oorlogsslachtoffers en bij het verdelen van levensmiddelen (vitamine B) onder de bevolking. Ik organiseerde voor de patiënten in het sanatorium die niet in hun oude werk terug konden een middenstandscursus, zodat ze een baan konden krijgen. Ik heb daar gewerkt tot ik trouwde in 1951.
D Toen hield het werk op. Zo ging dat toen.
vD Ja, zo ging dat toen.
Maar ik heb nog heel lang veel functies gehad. Tot ik 70 werd, toen mocht ik er uit.
D Hoe oud was u in de oorlogstijd?
vD In Zwolle kwam ik, toen ik 33 was.
D Dank u.
H. Dorgelo Hendriks, geboren 17 maart 1915 Amsterdam
--
Aantekeningen Bindert op namenlijst: R Boxum heeft info over haar?
---
Een pagina in AD 05-05-20
Op foto: Rie op de Weegh, Jacqueline van Hasselt, Riek Dorgelo-Hendriks, Thera Smitt, Cor Kieft, B. van Dijk-van de Wetering, Corrie Polderman, M. Brouwer-de Boer, Janny Brouwer, G. Jakma-Liefferink, Wed. van Dijk, Griet van Veen
Gereageerd op uitnodiging Bindert.
Adres toen - Terpelkwijkpark 28 - 8011 SH Zwolle
038-221855
--
Een pagina in AD 05-05-20 v
Op foto: Rie op de Weegh, Jacqueline van Hasselt, Riek Dorgelo-Hendriks, Thera Smitt, Cor Kieft, B. van Dijk-van de Wetering, Corrie Polderman, M. Brouwer-de Boer, Janny Brouwer, G. Jakma-Liefferink, Wed. van Dijk, Griet van Veen
Een pagina in AD 05-05-20
Op foto: Rie op de Weegh, Jacqueline van Hasselt, Riek Dorgelo-Hendriks, Thera Smitt, Cor Kieft, B. van Dijk-van de Wetering, Corrie Polderman, M. Brouwer-de Boer, Janny Brouwer, G. Jakma-Liefferink, Wed. van Dijk, Griet van Veen
---
Aantekeningen Bindert op namenlijst: R Boxum heef tinfo over haar?
-----
Stichting Collectie Zwolle 1940 -1945
0652 -1024 Documentatie over de koerierster Corrie Kieft uit Zwolle
Corrie Kieft was een van de koeriersters die overal heen fietste onde gevaarlijke omstandigheden , voor de verzetsgroep van Henk Beernink genaamd "De Groene". Ze vervoerde oa vervalste documenten, piloten, wapens ect. In maart 1945 werd ze gearresteerd door de beruchte SD agent Cieraad, en werd afgevoerd naar Westerbork. Ze heeft de oorlog overleefd. (foto uit het herinneringsboek van verzetsman Dick van der Velde)
--
https://www.backtonormandy.org/nederlands/3737-de-beul-van-zwolle.html - Dick Cieraad
Op 15 februari 1945 arresteert Dick Cieraad de verzetskoerierster Corrie Kieft. Het adres van Corrie werd gevonden in het notitieboekje van Henk Beernink. In het boekje staat “ Corry Kieft” Schellerallee B 240, 2 mud Cokes, het laatste wat benoemd wordt is de beloning die verzetskieroester in ontvangst kan krijgen voor haar werk.
Corrie word afgevoerd naar Westerbork. Op 11 april 1945 liepen 116 vrouwen waaronder Corrie vanuit Westerbork richting Groningen. Ze werden bewaakt door oudere Duitse militairen die in de eerste wereldoorlog gediend hebben. In de buurt van Grijpskerk laten de Duitse bewakers de vrouwen achter. Op 15 april word Corrie Kieft samen met de andere vrouwen in Grijpskerk bevrijd. In het herinneringsboek van Dick van der Velde beschrijft van der Velde wat voor soort persoon ze was. “Corrie Kieft was koerierster, maar niet dat alleen. Je kunt het niet gek genoeg bedenken ! Of ze deed het. Een grandioze meid!!.
https://www.backtonormandy.org/nederlands/3737-de-beul-van-zwolle.html
via Dick Cieraad opgepakt
Contact: Doris Steffan
Mail: 26 december 2025
Hoi Ika,
Ik zag het in een nieuwsbrief van de genealogen en had er nog nooit van gehoord.
Op jullie site herkende ik één van de deelnemers, mevrouw van Dijk- van de Wetering.
Zij was de zuster van de hoofdonderwijzer van mijn lagere school in de Amsterdamse Jordaan. Later kwam ik samen te werken met Gert van Dijk die een zoon van de zuster van de heer van de Wetering was. Toen zijn ouders al waren overleden is Gert de aan hen toegekende Yad Vashem prijs gaan ophalen in Israël. Die was hen toegekend op verzoek van Amerikaanse Joden die als kind bij de familie van Dijk zaten ondergedoken en de oorlog hadden overleefd. Gert was enig kind en inmiddels overleden, dus ik kan hem niet vragen of die onderduik de reden van internering van zijn moeder was.
Mooi initiatief die jaarlijkse tocht, helaas voor mij fysiek niet mogelijk, maar als ondersteuning zal ik een donatie doen😀.
Met vriendelijke groeten,
Doris Steffan
--
Aantekeningen Bindert op namenlijst: R Boxum heeft info over haar?
---
Schoonzus van Riek (Hendrica) van Dijk no 97.
Deze B.G. was de zus van Wilhelmus van Dijk, geexecuteerd op 31 maart. Zie Riek van Dijk.
--
Een pagina in AD 05-05-20 v
Op foto: Rie op de Weegh, Jacqueline van Hasselt, Riek Dorgelo-Hendriks, Thera Smitt, Cor Kieft, B. van Dijk-van de Wetering, Corrie Polderman, M. Brouwer-de Boer, Janny Brouwer, G. Jakma-Liefferink, Wed. van Dijk, Griet van Veen
Latere adres: Zwiepseweg 29 7241 GM Lochem -
FOTO: achterop de brommer bij verloofde Eugene van der Stel.
https://www.tracesofwar.com/persons/123391/Stel-van-der---Polderman-Cornelia-Adriana.htm
Bron: Memoires "Gedwongen Vierdaagsche"
--
Een pagina in AD 05-05-20 v
Op foto: Rie op de Weegh, Jacqueline van Hasselt, Riek Dorgelo-Hendriks, Thera Smitt, Cor Kieft, B. van Dijk-van de Wetering, Corrie Polderman, M. Brouwer-de Boer, Janny Brouwer, G. Jakma-Liefferink, Wed. van Dijk, Griet van Veen
---
Cornelia Adriana van der Stel Polderman
Op een foto bij een krantenartikel over een expositie in de Lochemse synagoge zag Corrie van der Stel-Polderman de overall die ze zelf tijdens haar gevangenschap in Kamp Westerbork gedragen had. De Lochemse editie van De Stentor vertelt het bijzondere verhaal.
Het is al bijna avond, die 18e april 1945, als de 23-jarige Corrie Polderman Zwolle binnenrijdt. Ze zit achterop het lichte motorfietsje waarmee haar verloofde Eugene van der Stel haar uit Grijpskerk heeft opgehaald. Samen met een dikke honderd andere vrouwelijke strafgevangenen uit kamp Westerbork was ze daar door de Duitsers heengevoerd. En achtergelaten, toen de grond het ‘Herrenvolk’ te heet onder de voeten werd. Bij haar thuiskomst draagt Corrie nog de overall die aan alle strafgevangenen in Westerbork werd uitgereikt. Met op de rug haar ‘eigen’ nummer: 89.
Lochem, 17 maart 2005
In de woning waar ze al meer dan een halve eeuw woont, slaat Corrie de krant open. Haar blik valt op een foto bij een artikel over een Westerbork-expositie in de Lochemse synagoge.
Hee, denkt ze, dat is mijn overall! Het Hebreeuws kent geen woord voor toeval. Immers: alles heeft een reden, toeval bestaat niet. Dus kan het geen toeval zijn, dat de overall die deel uitmaakt van een reizende expositie van herinneringscentrum Kamp Westerbork juist in de Lochemse synagoge terechtkomt. In de plaats van waaruit hij ooit, begin jaren zestig, naar Westerbork werd opgestuurd.Want Corrie van der Stel-Polderman heeft het kledingstuk na die aprildagen van ’45 weliswaar nooit meer gedragen, ze bewaarde het nog jaren lang. ‘Als een tastbare herinnering aan een periode in mijn leven die weliswaar kort was, maar altijd belangrijk bleef. Steeds belangrijker wordt zelfs, naarmate ik ouder word.’
Corrie van der Stel werkte in de oorlog als koerierster voor de KP (knokploeg) in noordwest-Overijssel en de Noordoostpolder. In maart 1945 werd de commandant van die groep, Wim Lindenborn (schuilnaam Pim), net buiten Zwolle door de SD opgepakt. Hij raakte gewond bij zijn arrestatie en overleed in de gevangenis. Kort daarna werd Corrie thuis opgehaald door de beruchte Zwolse SD’er Dick Cieraad en naar het Zwolse Huis van Bewaring gebracht. Ook haar verloofde Eugene kwam daar terecht. Hij was weliswaar niet aangesloten bij het verzet, maar verleende als jonge arts-assistent wel regelmatig medische hulp aan verzetsmensen en onderduikers.
Eugene werd door de Canadezen uit zijn cel bevrijd. Maar Corrie was inmiddels naar het nog niet bevrijde Kamp Westerbork overgebracht. Daar zat ze een paar weken, in zware omstandigheden. ‘Het was ijskoud, we hadden nauwelijks te eten en moesten keihard werken, van zes tot zes. Batterijen met onze vingers open wurmen en de koolstof er uit halen. Verschrikkelijk zwart werd je, van top tot teen. En in de barak stond voor ons allemaal samen een enkele emmer koud water.’
Anders dan al die joodse landgenoten die haar in het kamp voorgingen, overleefde ze Westerbork. Maar het was wel de zwaarste tijd van haar leven. ‘Na de oorlog heb ik nog twee jaar ziek in bed gelegen.’ Net voor de Canadezen Westerbork bereikten werden de vrouwelijke strafgevangenen door Duitse soldaten bijeengedreven en op transport gesteld. ‘Toen Eugene in het kamp arriveerde om me op te halen, zaten we al boven Grijpskerk. Hij kon het spoor van die groep van meer dan honderd vrouwen met hun bewakers vrij gemakkelijk volgen.’
Als Eugene zich in 1950 als huisarts vestigt in Lochem zijn ze al een jaar getrouwd, maar moet Corrie in Amsterdam blijven. Pas in 1954, afgestudeerd als arts/anesthesist, volgt ze haar echtgenoot naar de Achterhoek. Met in haar bagage de overall met het nummer 89. ‘Ik wilde er toen nog geen afstand van doen.’Die overall was een stukje van mijzelf.
https://www.joods.nl/2005/04/overall-nr-89/
Historisch Centrum Overijssel 1602 – 963
Schrijven over het werk van koeriersters in oorlogstijd door Corry Polderman uit Zwolle die zelf voor het verzet werkte.
--
Bron: Het nieuwe land/Zwolse Bladen 8-4-1995 - Corry van der Stel-Polderman
Huize Polderman was einde oorlog een bolwerk van veret. Het Parool werd er gedrukt, er zaten verzetsleiders ondergeodken. Corry was paar keer actief als koerierster. Opgepakt door onderduiker Wim Lindenborn, die ondermee wapendroppings in de Noordoostpolder coordineerde. Hij vertrouwde een verkeerder bewaker en liet de naam Corry los. "Eerst kwam ik in de Zwolse gevangenis. Op Tweede Paasdag [2 april] werden we met nog een stuk of zestien andere vrouwen opgehaald, ik dacht om ons te fussilleren. Toen we eenmaal in de bus zaten hoorden we dat we naar Westerbork werden gebracht. Westerbork dat was een opluchting.
Op 10 april werden we eens niet om 5 uur gewekt. Volgens de joods gevangenen was de SD gevlucht, maar die kwam 's avonds terug [nee, was Wehrmacht]. Toen hadden een paar vrouwen al de benen genomen. Ze dreigden anderen te executeren, als vergelding. Maar daar kwam het niet van. Uiteindelijk marcheerden we het kamp uit met ongeveer honderd bewakers. We wisten niet waarheen, we liepen en liepen maar. Ik was weer opgelucht. Zo van: we zijn er in ieder geval nog.
In de ochtend werden we opgesloten in een boerderij bij Assen. 's Avonds moesten we weer lopen. De derde nacht kwamen we terecht in Visvliet, gemeente Grijpskerk. Daar zei de commandant: "Sie sind frei, Sie können gehen." Nou, het was alsof de hemel neerdaalde, maar we waren te verbaasd. De hele compagnie van honderd man ging er als een haas vandoor.
In Grijpskerk werden we groots opgevangen. We kregen eten, konden in bad en ze gingen zelfs met de pet rond om ons zakgeld te geven. Na drie dagen kwam mijn verloofde me halen. Hij herkende me bijna niet in mijn kampovervall en met mijn kortgeknpte haren.
Thuis was iedereen blij dat ik er weer was, maar van uitbundigheid was geen sprake. We hadden veel mensen verloren en waren door het oog van de naald gekropen.
De eerste jaren van de oorlog vond ik er niets aan. De druk om zo goed mogelijk verder te gaan en tegelijkertijd de verwerking van de oorlog was heel zwaar. Pas veel later kreeg ik weer een beetje zin in het leven.
---
Interview met mevrouw V.d. Stel-Polderman (door Groningen archief?)
In de oorlog woonde ik in Zwolle; ik zat actief in het verzet. Op een slechte dag werd ik gearresteerd en door de Sicherheitsdienst naar het Huis van Bewaring in Zwolle vervoerd. Ik kwam terecht in een cel waar al zes vrouwen zaten. We zaten er dus met zeven en het was een heel benauwde bedoening. We hebben daar een dag of veertien gezeten en op 2e Paasdag werden we uit de cel gehaald en werd er gezegd dat wij vervoerd zouden worden naar Westerbork (dat hoorden we later in de bus).
Daar kwamen we midden in de nacht om 3 uur aan. Het was heel koud. Twee joodse vrouwen werden uit onze groep gehaald en naar een ander verblijf, blijkbaar, gebracht en wij werden naar de strafbarak van het Kamp Westerbork gebracht, waar al heel veel vrouwen lagen. We kregen verder geen instructies, behalve dat we maar op de bedden moesten gaan liggen. Verder niet.
We hebben dus geweldig veel kou geleden, tot de volgende morgen, toen we om 5 uur moesten opstaan. Alle mensen die daar gelegerd waren moesten toen aan het werk. Dat zeiden ze tegen ons. Ze zagen er in onze ogen heel eigenaardig uit, ze waren pikzwart. Overall aan en er was een klein beetje licht in de barak; wij zagen dat het overalls waren. Zij moesten op appèl staan en zij moesten aan het werk. Welk werk weten wij niet, dat konden wij in de gauwigheid niet te weten komen.
Wij werden toegesproken door de Oberaufseherin, die ons zei dat we vanaf dat moment geen mensen meer waren, maar nummers. Dat was een heel afschuwelijk idee. Verder moesten we naar een plaats aan het andere einde van de barak; daar moesten we alles afgeven en wij kregen ook een overall. We mochten alleen, omdat het erg koud was, het was begin april, een warme trui houden. Die had ik niet, dus ik kreeg van een andere gevangene een heel dun truitje te leen. Verder hadden we dus alleen de overall aan en klompen kregen wij ook nog.. Alle andere kleren werden op een hoop gegooid. Dat was het dan.
Maar later, wij wisten niet wat wij verder moesten doen, kwamen er twee kappers, die hebben onze haren afgeknipt. Het waren joodse kappers, uiteraard, want er waren geen andere mensen in het kamp, behalve misschien ook enkele zigeuners, maar dat weet ik niet. Die joden hebben onze haren afgeknipt. Dat moesten ze, dat was nu een keer zo.
De volgende dag moesten we evenals de anderen aan het werk in de batterijendestructiebarak. Dat werk waren we geen van allen gewend; we wisten niet wat wij moesten doen, maar het werd wel goed uitgelegd: er waren opzichters en die legden ons uit dat wij elke dag 20 kg batterijen uit elkaar moesten peuteren met de handen, d.w.z. aan een kant van de barak stonden ook een paar klauwmachines, want die dingen waren zo hard, die kon je niet met de handen uit elkaar krijgen, dus die werden eerst geklauwd, in tweeën en dan zag je dat er bruinkool, teer, van die metalen dingen en papier natuurlijk uit kwam en dat moesten we doen van 6 tot 12. Dan moesten we weer naar de woonbarak en daar kregen we een beetje waterige soep. Dan moesten wij weer op appèl staan. Van 1 tot 6 uur moesten wij dan opnieuw die batterijen uit elkaar halen. Toen zagen wij er al heel snel even zwart uit als de andere gevangenen die er al zaten. Het was heel ongezond werk, want de bruinkool stoof door de barak en de ramen moesten daarom open staan, dus het was ontzettend koud. Daar kon je niet gezond blijven, naar mijn idee.
In ieder geval, zo gebeurde dat.
In de nacht van 11 op 12 april hoefden wij niet op te staan om 5 uur om naar het werk te gaan. Wij dachten: ‘Nou gaat er iets gebeuren.’ Dat was in de vroege ochtend. We waren gespannen, natuurlijk, maar toch ook vrolijker, opgewekter. Er kwam geen bewaakster, we hoefden niet op appèl te staan dus dat was ook al een teken. We hoorden dat de SD gevlucht was. Wij deden niets meer totdat we ’s middags hoorden dat we op transport gesteld zouden worden, terwijl de joodse medegevangenen ons gezegd hadden dat we bevrijd zouden worden. Ze nodigden ons zelfs uit, want wij zaten in de strafbarak, om bij hen te komen eten. Daar is niets van gekomen, want even later hoorden wij dus dat we op transport gesteld zouden worden, wat een geweldige desillusie was. Ons werd bevolen om op de plaats waar onze kleding lag de jas uit te zoeken, zodat de overall bedekt zou zijn als we zouden gaan. Wij hebben onze jassen inderdaad opgehaald en daarna moesten we op appèl staan. Dat gebeurde altijd in rijen van twee à drie, vlak voor de barak, het was altijd dezelfde plek. Wij stonden nooit op de appèlplaats, want daar kwamen wij niet. Daar werd ons door de commandant van de Wehrmacht, dacht ik, meegedeeld dat we vervoerd zouden worden.
Daar stonden we dan. Er was een aantal mensen die de moed hadden om te ontsnappen. Naar mijn idee waren dat er een stuk of zeven, zoiets, maar later denk ik dat het er meer of minder zijn geweest; het getal weet ik niet meer zo goed. Wij bleven daar maar staan en staan, terwijl iedere keer de commandant kwam zeggen dat we weg zouden gaan, dat ging almaar door, tot ze hadden bemerkt dat er mensen weg waren, want wij werden altijd geteld. Ze merkten dus dat er een aantal ontbrak. Tegen tienen ’s avonds werden we geweldig geïntimideerd. Toen kwamen er ook meer soldaten, Wehrmachtsmensen met honden, die de mensen die er niet meer waren wilden vinden. Zij hebben ons geweldig bang gemaakt met die honden die op ons afgestuurd werden. Die blaften natuurlijk. Het was afschuwelijk. Het was ook donker, langzamerhand en overal zagen we in de verte lampen branden. Ik vond het een heel griezelig geheel, moet ik zeggen. Op dat moment heb ik de enige keer angst gehad over wat ze ons toen toeschreeuwden, die Wehrmachtmensen. Ze dreigden dat als de mensen niet gevonden zouden worden, er tien van ons… Dat was het angstigste moment dat ik heb meegemaakt.
We moesten toen niet in drie rijen gaan staan maar in een rij, zodat ze ons precies konden uitpikken, hebben we begrepen: een op de tien of een op de twintig enzovoort. Ik heb een keer geteld op welke plek ik stond.
Maar drie van de ontvluchte mensen hebben ze gevonden. Er is dus verder maar geen werk van gemaakt, dus of er drie mensen geweest zijn of nog meer, dat weet ik niet, maar drie zijn gevonden. Die hebben ze bij ons geplaatst en toen zijn we op pad gegaan, lopend. Er was een compagnie soldaten en een paar SD’ers die achtergebleven waren, liepen met ons mee. Toen zijn wij dus het kamp uit gelopen op weg naar het Noorden, naar de kant van Assen, uiteraard.
Daar hebben we de hele nacht gelopen. Met z’n vijven moesten we op een rij, dus het was toch nog wel een hele stoet, zeker van twintig rijen met aan weerskanten soldaten. We werden goed bewaakt.
Toen kwamen we aan het eind van de nacht (het ging nog dat lopen, toen, die eerste nacht) ten Noorden van Assen terecht in Peelo, geloof ik. Daar werden we in een boerderij gestationeerd, op de deel, met mitrailleurs om ons heen. Zo werden wij bewaakt. Wij moesten de hele dag zitten. De tweede avond om 6 uur gingen wij weer op pad.
Het viel een aantal mensen langzamerhand wel wat moeilijker. Vooral de mensen van boven de 60 jaar, die konden dat zo’n hele nacht niet meer volhouden, want overdag kon je natuurlijk ook niet zo lekker rusten met die mitrailleurs om je heen. Dat was niet zo geweldig bevrijdend. Dat merkten die bewakers wel; ik dacht dat toen de SD er niet meer bij was. Toen hebben ze voor de mensen die het echt niet meer konden volhouden een boerenwagen gerequireerd (trouwens, van veel boerderijen pikten ze een heleboel mee van etenswaren, want ze moesten onderweg toch ook iets eten, maar ik moet zeggen: ze deelden aan ons ook wel iets mee. De vrouwen die het absoluut niet meer konden volhouden, mochten op de kar gaan zitten. En wij, de rest, mocht ook de bagage erop leggen, want die hadden we ook mee moeten nemen: een etenspannetje en een lepel en een deken, zowaar. En zo ging dat verder naar het Noorden toe, totdat wij zo’n beetje ten zuiden van Groningen kwamen. Hoe dat plaatsje heette, weet ik niet meer, maar het was wel bij Groningen en daar werden we weer in een boerderij gezet, weer goed bewaakt en dat ging de nacht daaropvolgend weer precies zo.
Toen kwamen we door de wijken van Groningen en wij dachten: ‘Nou gaan we naar het Oosten.’ Dat gebeurde niet; wij gingen gelukkig naar het Westen en de commandant van de Wehrmacht die ons begeleidde, zei: ‘Nee, we gaan naar Leeuwarden en daar zetten we jullie af in de gevangenis in Leeuwarden.’ Wij waren blij dat het dat werd, maar we hebben het niet gehaald, want in Visvliet, dat ligt ongeveer op de grens tussen Groningen en Friesland, kwamen we ook weer in een boerderij en daar zijn we drie dagen geweest en moeten er dus ook geslapen hebben. De vierde nacht waren er zo veel vrouwen, er waren er ook die flauwvielen en achter moesten blijven. Toen zagen ze waarschijnlijk toch wel in dat ze ons moesten achterlaten en de commandant maakte voortdurend bewegingen naar het opperbevel en heeft waarschijnlijk gezegd: ‘Ik kan het niet verder meer volhouden met die vrouwen’ en dan waren er twee mogelijkheden: je kunt ze dood maken en dan ben je ze kwijt, of je kunt ze achterlaten en zelf op de vlucht gaan en God zij dank is dat laatste gebeurd. Wij werden weer op appèl gezet en op dat moment dachten wij: ‘Nou gaan wij eraan,’ maar hij had nog een andere mogelijkheid in zijn hoofd; misschien is hem gezegd dat hij dat mocht doen, maar zo vriendelijk waren ze niet. Wij dachten dus: ‘Nou gaan wij eraan’. Toen zei hij tegen onze arts (wij hadden een arts bij ons, een mevrouw Schreuder, die arts was in Amersfoort) dat wij vrijgelaten zouden worden; die dacht: ‘Ik weet niet wat ik hoor’ en tegen de groep die op appèl stond: ‘Sie sind frei, Sie können gehen.’ Dat was het einde van onze tocht.
Zesde opname:
In Visvliet zijn wij dus vrij gelaten en degene die met ons meegereden was vanwege de vrouwen die niet meer konden lopen, wilde graag terug naar zijn huis. Daar kon dus ook weer een aantal mensen op zitten, terug richting Grijpskerk. Daar hebben wij, omdat wij natuurlijk geen onderdak hadden, onderdak gekregen in een hele grote boerderij. De boer met zijn kar ging verder, naar huis en wij zijn daar allerhartelijkst ontvangen; geweldig was dat. Daar kregen we voor het eerst weer gewoon iets te eten en kregen daar een uitstekende slaapplaats op de hooizolder, warm en daar hebben wij de nacht doorgebracht. De volgende dag konden wij lopen en gaan waar wij wilden. Wij hadden de gevangenispakken nog aan. Verdere kleren hadden wij niet, behalve de mantels dan. Daar hebben wij de zaak een beetje verkend, in Grijpskerk en we hadden niets te doen; we waren daar, we zaten daar; het was mooi weer, we hadden niets te doen dus we liepen maar wat rond te kijken. Het heerlijke was: we kregen in de melkfabriek de gelegenheid om te baden; ze hadden daar een onbeschrijflijk groot bad. We waren zo zwart als nikkers en we mochten daar met z'n allen een bad nemen. Zo groot was dat bassin, het was heerlijk water en we kregen zeep. We werden daar uitstekend ontvangen, allerhartelijkst.
We zouden natuurlijk ook graag naar huis willen en de BS daar, die waarschijnlijk uit illegale mensen bestond, regelde dat er vervoer zou komen naar huis. Dat is ook gebeurd, maar de derde dag dat we op die boerderij zaten, kwam plotseling mijn verloofde om de hoek kijken, die mij niet herkende, uiteraard, want ik had natuurlijk een uiterlijk waar hij niet aan gewend was, geen lang haar meer (dat was in die tijd zo). Ik keek hem aan en hij keek mij aan en vroeg alleen: ‘Is hier ook misschien een Corrie Polderman?’ De anderen zeiden: ‘Dit zit daar’ en dat was de ontvangst van mijn verloofde. We waren natuurlijk dolblij want hij had al drie dagen gereden vanaf Zwolle op een klein brommertje. Hij heeft daar ook kunnen logeren, op die boerderij, een nacht. De volgende dag hebben we papieren gekregen van de BS en zijn op pad gegaan naar Zwolle. Dat was een hele tocht. We konden Zwolle niet bereiken; het was toch nog aardig ver op dat ding want dat ging niet zo hard. Met het papier dat ik bij me had kregen we ergens onderweg weer onderdak bij een boer. Daar mochten we ook weer op de hooizolder slapen.
In die nacht ben ik zo ziek geworden, ik denk dat ik wel veertig graden koorts had.
De volgende dag kregen we een broodje en koffie van de mensen die ons ontvangen hadden, heel aardig.
’s Middags kwamen we dan in Zwolle aan; dat was heel enerverend.
Mijn ouders waren erg blij en de buurt kwam ook eens kijken. Dat was dus een hele belevenis, die ontvangst. Toen was ik thuis.
Bron: Joods.nl - https://www.joods.nl/2005/04/overall-nr-89/
Op een foto bij een krantenartikel over een expositie in de Lochemse synagoge zag Corrie van der Stel-Polderman de overall die ze zelf tijdens haar gevangenschap in Kamp Westerbork gedragen had. De Lochemse editie van De Stentor vertelt het bijzondere verhaal.
Het is al bijna avond, die 18e april 1945, als de 23-jarige Corrie
Polderman Zwolle binnenrijdt. Ze zit achterop het lichte motorfietsje
waarmee haar verloofde Eugene van der Stel haar uit Grijpskerk heeft
opgehaald. Samen met een dikke honderd andere vrouwelijke
strafgevangenen uit kamp Westerbork was ze daar door de Duitsers
heengevoerd. En achtergelaten, toen de grond het ‘Herrenvolk’ te heet
onder de voeten werd. Bij haar thuiskomst draagt Corrie nog de overall
die aan alle strafgevangenen in Westerbork werd uitgereikt. Met op de
rug haar ‘eigen’ nummer: 89.
Lochem, 17 maart 2005. In de woning waar ze al meer dan een halve eeuw
woont, slaat Corrie de krant open. Haar blik valt op een foto bij een
artikel over een Westerbork-expositie in de Lochemse synagoge.
Hee, denkt ze, dat is mijn overall! Het Hebreeuws kent geen woord voor
toeval. Immers: alles heeft een reden, toeval bestaat niet. Dus kan het
geen toeval zijn, dat de overall die deel uitmaakt van een reizende
expositie van herinneringscentrum Kamp Westerbork juist in de Lochemse
synagoge terechtkomt. In de plaats van waaruit hij ooit, begin jaren
zestig, naar Westerbork werd opgestuurd.
Want Corrie van der Stel-Polderman heeft het kledingstuk na die
aprildagen van ’45 weliswaar nooit meer gedragen, ze bewaarde het nog
jaren lang. ‘Als een tastbare herinnering aan een periode in mijn leven
die weliswaar kort was, maar altijd belangrijk bleef. Steeds
belangrijker wordt zelfs, naarmate ik ouder word.’
Corrie van der Stel werkte in de oorlog als koerierster voor de KP
(knokploeg) in noordwest-Overijssel en de Noordoostpolder. In maart
1945 werd de commandant van die groep, Wim Lindenborn (schuilnaam Pim),
net buiten Zwolle door de SD opgepakt. Hij raakte gewond bij zijn
arrestatie en overleed in de gevangenis. Kort daarna werd Corrie thuis
opgehaald door de beruchte Zwolse SD’er Dick Cieraad en naar het Zwolse
Huis van Bewaring gebracht. Ook haar verloofde Eugene kwam daar
terecht. Hij was weliswaar niet aangesloten bij het verzet, maar
verleende als jonge arts-assistent wel regelmatig medische hulp aan
verzetsmensen en onderduikers.
Eugene werd door de Canadezen uit zijn cel bevrijd. Maar Corrie was
inmiddels naar het nog niet bevrijde Kamp Westerbork overgebracht. Daar
zat ze een paar weken, in zware omstandigheden. ‘Het was ijskoud, we
hadden nauwelijks te eten en moesten keihard werken, van zes tot zes.
Batterijen met onze vingers open wurmen en de koolstof er uit halen.
Verschrikkelijk zwart werd je, van top tot teen. En in de barak stond
voor ons allemaal samen een enkele emmer koud water.’
Anders dan al die joodse landgenoten die haar in het kamp voorgingen,
overleefde ze Westerbork. Maar het was wel de zwaarste tijd van haar
leven. ‘Na de oorlog heb ik nog twee jaar ziek in bed gelegen.’
Net voor de Canadezen Westerbork bereikten werden de vrouwelijke
strafgevangenen door Duitse soldaten bijeengedreven en op transport
gesteld. ‘Toen Eugene in het kamp arriveerde om me op te halen, zaten
we al boven Grijpskerk. Hij kon het spoor van die groep van meer dan
honderd vrouwen met hun bewakers vrij gemakkelijk volgen.’
Als Eugene zich in 1950 als huisarts vestigt in Lochem zijn ze al een
jaar getrouwd, maar moet Corrie in Amsterdam blijven. Pas in 1954,
afgestudeerd als arts/anesthesist, volgt ze haar echtgenoot naar de
Achterhoek. Met in haar bagage de overall met het nummer 89. ‘Ik wilde
er toen nog geen afstand van doen.’Die overall was een stukje van
mijzelf. Pas
Dit adres Assendorperstraat 174 nu bruidzaak www.headlinehairandbeauty.nl
Vroeger ijswinkel?
----
Een pagina in AD 05-05-20
Op foto: Rie op de Weegh, Jacqueline van Hasselt, Riek Dorgelo-Hendriks, Thera Smitt, Cor Kieft, B. van Dijk-van de Wetering, Corrie Polderman, M. Brouwer-de Boer, Janny Brouwer, G. Jakma-Liefferink, Wed. van Dijk, Griet van Veen
--
Ijswinkel? Familie van 93, Janny Sannes-Brouwer = schoonzussen?
https://www.delpher.nl/nl/kranten/view?coll=ddd&identifier=ddd:010314651:mpeg21:a0011&objectsearch=brouwer = H.J. Brouwer op dit adres
Getrouwd met verzetsman William Jakma
Opepakt in boekhandel Jakma op dit adres op 21 maart 1945 met betrokkenheid vasn Dick Ciraad
https://www.backtonormandy.org/nederlands/3737-de-beul-van-zwolle.html
---
https://opdatwenietvergeten.nl/mijn-tante/
De “tante” van Henk Meulebeld (loopt mee) - contact via LinkedIn Ika
Haar man William Jakma en de tegelijk opgepakte Anton Wisman werden kort voor de bevrijding gefusilleerd.
--
Een pagina in AD 05-05-20 v
Op foto: Rie op de Weegh, Jacqueline van Hasselt, Riek Dorgelo-Hendriks, Thera Smitt, Cor Kieft, B. van Dijk-van de Wetering, Corrie Polderman, M. Brouwer-de Boer, Janny Brouwer, G. Jakma-Liefferink, Wed. van Dijk, Griet van Veen
---
Gezina Liefferink getrouwd met William Jakma (29-03-1945 gefusilleerd te Wierden - 20 mannen tegelijk)
https://www.online-begraafplaatsen.nl/zerken.asp?command=showgraf&grafid=449997
https://issuu.com/deassendorper/docs/2012-april/5
https://issuu.com/deassendorper6/docs/assendorper_april2016_web-2
https://www.online-begraafplaatsen.nl/graf/449997/707440/William-Jakma-1910-1945
Bewogen jaren, Zwolle in de Tweede Wereldoorlog, Kees Ribbens
De vijftien executies, liquidaties aan de IJsseloever, april 1945, Wolter Noordman
https://www.marechausseecontact.nl/pdf/2015_mc_juni_wm.pdf
https://oorlogsgravenstichting.nl/persoon/107702/johannes-albertus-muller
--
https://www.backtonormandy.org/nederlands/3737-de-beul-van-zwolle.html - Dick Cieraad
Op maandag 26 februari 1945 werden Jan Muller, Berend IJzerman en Jager-Wolhoff gearresteerd door de SD. Verraden door Jacob Lijs. Jacob Lijs kreeg voor zijn verraad van SD Zwolle baas Joseph Rauch 300 gulden voor zijn inlichtingen. Maria Muller werd in haar huis zonder de aanwezigheid van haar man ondervraagd door twee SD-ers Bartels en Dick Cieraad. Beide SD-ers wilden graag weten waar de twee stafkaarten van Jan Muller en Jager-Wolhoff waren gebleven. Maria antwoordde dat ze nergens van wist. Dick werd ongeduldig en bedreigde dat ze haar op transport naar Duitsland zou sturen en dat hij een handgranaat in haar huis zou gooien. Maria weigerde te spreken en Cieraad's dreigementen bleven slechts woorden. Beiden mannen vertrekken met lege handen.
Geldrop (Valenstraat 5? 5662 EK)
Man: Tjerk Sannes (30-12-1925, Ooststellingwer) - https://weerderheemcollecties.nl/cgi-bin/rouwbrief.pl?ident=15211&search=VELD%20title%20%5Es&sort=0507&display=list&istart=1
IJswinkel? Famiie van 90.
--
Een pagina in AD 05-05-20 v
Op foto: Rie op de Weegh, Jacqueline van Hasselt, Riek Dorgelo-Hendriks, Thera Smitt, Cor Kieft, B. van Dijk-van de Wetering, Corrie Polderman, M. Brouwer-de Boer, Janny Brouwer, G. Jakma-Liefferink, Wed. van Dijk, Griet van Veen
Gevlucht met 6: Gonnie van Goor, Adrie Kleekamp, Sophie Townsend en Lia van Geen + Tiny Bolhuis en Emmy Vroege (naam gewijzigd? Reeser NSB familie)
Overlijden: 1 januari 1965
Plaats: Nijmegen
Leeftijd bij overlijden: 37 jaar
Beroep: verpleegster
Vader: Karel Cornelis Reeser
Moeder: Emilie Wolhoff
Dit betekent waarschijnlijk:
Geboorte ± 1927–1928.
Roemeense - zie Jacqueline van Doorninck-van Hasselt (84) - samen gevlucht bij Amen
Joodse mevrouw De Liever vanuit Kruisberg aankomst Goede vrijdag - aparte barak
Joodse mevrouw Wendelmoet vanuit Kruisberg aankomst Goede vrijdag - aparte barak
Op foto: Rie op de Weegh, Jacqueline van Hasselt, Riek Dorgelo-Hendriks, Thera Smitt, Cor Kieft, B. van Dijk-van de Wetering, Corrie Polderman, M. Brouwer-de Boer, Janny Brouwer, G. Jakma-Liefferink, Wed. van Dijk, Griet van Veen
Alias 'Weduwe van Dijk'
Opgepakt via Dick Cieraad, ging via Huis van Bewaring in Groningen naar Westerbork op 2 april 1945
Man: Wilhelmus Antonius Maria "Willem" van Dijk, opgepakt op 18 maart 1945 met vrouw Hendrica en zus Hendrica + Thijs Brouwer, die werd vrijgelaten, Wilhelmus doodgeschoten).
Hij is overleden op 31 maart 1945 in Zwolle, hij was toen 36 jaar oud.Bron 7
Hij is tijdens de laatste dagen van de oorlog geëxecuteerd aan de Meppelerstraatweg te Zwolle. Aldaar is een monument voor hem en de anderen opgericht. Jaarlijks wordt er een herdenking gehouden door een school uit Zwolle.
Het monument staat niet op de plaats van de executieplaats. Deze plaats is wat meer naar de stad, maar is op verzoek van nabestaanden verplaatst naar de huidige plaats..
Nabestaanden woonden nabij en hadden altijd zicht op het monument.
https://www.genealogieonline.nl/stamboom-te-wierike/I1678.php
Wilhelmus Antonius van Dijk, geboren op 10 november 1908 in Zwolle, was een actief lid van de verzetsgroep 'De Groene' tijdens de Tweede Wereldoorlog. Deze groep, geleid door Hendrikus Dirk Jan Beernink (bekend als 'De Groene'), hield zich bezig met diverse verzetsactiviteiten, waaronder hulp aan onderduikers en neergestorte piloten.
Op 31 maart 1945, kort voor de bevrijding van Zwolle, werd Van Dijk samen met vier andere verzetsleden geëxecuteerd aan de Meppelerstraatweg als represaille voor verzetsacties. De andere slachtoffers waren Hermanus Bosch, Johannes Albertus Muller, Willem Sebel en Berend Jan IJzerman.
Na de oorlog werd Van Dijk aanvankelijk begraven op de rooms-katholieke begraafplaats in Zwolle. In 2018, na 73 jaar, werd hij herbegraven op het Nationaal Ereveld in Loenen.
Ter nagedachtenis aan deze gebeurtenis is er een monument geplaatst aan de Meppelerstraatweg in Zwolle. Dit monument herinnert aan de moed en het offer van Van Dijk en zijn medeverzetsstrijders.
Voor meer gedetailleerde informatie over deze gebeurtenissen en de betrokken personen, kunt u de volgende bronnen raadplegen:
Hendrica is hertrouwd na dood man met Egbertus Manders.
https://www.backtonormandy.org/nederlands/3737-de-beul-van-zwolle.html
---
Aantekeningen Bindert op namenlijst: Paul Harmens heeft info over haar?
---
Een pagina in AD 05-05-20 v
Op foto: Rie op de Weegh, Jacqueline van Hasselt, Riek Dorgelo-Hendriks, Thera Smitt, Cor Kieft, B. van Dijk-van de Wetering, Corrie Polderman, M. Brouwer-de Boer, Janny Brouwer, G. Jakma-Liefferink, Wed. van Dijk, Griet van Veen
Een pagina in AD 05-05-20
Op foto: Rie op de Weegh, Jacqueline van Hasselt, Riek Dorgelo-Hendriks, Thera Smitt, Cor Kieft, B. van Dijk-van de Wetering, Corrie Polderman, M. Brouwer-de Boer, Janny Brouwer, G. Jakma-Liefferink, Wed. van Dijk, Griet van Veen
Gebeld door quilster uit haar koor: Dieta Olders.
Overleden rond 2022 (circa 1928 geboren).
Kort getrouwd geweest - weduwe - Eilbracht. Inodnesische man.
Is in verwachting geweest van een tweeling, is helaas misgegaan.
Geen kinderen.
Alleen neven/nichten in buitenland.
Ze heeft gewerkt, is accountant geworden.
--
Jonge meid, toen 17 jaar.
Uit Amsterdam, vader was kleermaker - met trein via Amersfoort naar Barneveld naar opa en oma om eten te halen.
Moest terug, maar trein ging niet, lopend naar Amersfoort met 2 zakken met eten.
Werd staande gehouden door Duitsers. Een Nederlander vertaalde voor een rauwe aardappel. Duitsers hebben getest of het waar was. Liep met een sisser af.
Ging ondanks gevaar nog een keer. Trein zwaaide bij Amersfoort af naar t noorden. Kwam een razzia. Vrouw tegenover had 2 kinderen om onder te brengen.
Werd gevangen gezet bij het ophalen van haar koffertje. Ze was claustrofobisch en gilde de boel bij elkaar. Duitsers werden gek van haar en hebben haar naar Westerbork gebracht.
Haar verhaal over Grijpskerk - bevrijd door Binnenlandse Strijdkrachten (BS).
Werd ondergebracht bij Fries gezin (Piet en Jantje), kreeg als eerste aardappelpuree met klontje boter.
Wilde niet naar reunie of Vrouwenmars.
Bij koor altijd vrolijk - feestnummer.
--- --- ---
[1] Cornelia van de Woerd - p 41/42. P53 - Eenmaal in Grijpskerk durfde ze niet vrij te zijn en ging verder met de Duitsers mee. Ze is later gepakt en in Zwolle in de gevangenis terrecht gekomen".
[1] Cornelia van der Woerd - "Er waren ook een paar spionnen, meisjes die wij niet vertrouwden. [...] No .30, 33 en 25 mochten mij nooit nieuws vertellen. Uit Groningen kwam een meisje voor wie ik direct gewaarschuwd werd: Hannie Sneijder, no. 99. Dochter van Riek van Dijk.
Aantekeningen Bindert op namenlijst: "Deugniet" volgens Cornelia van der Woerd.
3 dames in Grijpskerk, die de laatste nacht nog bij de Duitsers geslapen hadden, werden kaal geknipt. (p53)
Geertje van der Molen Nieuwe Kijk in ’t Jatstraat 22, Groningen
Later: Jan van Lennepstraat 119D - 1053 HS Amsterdam 020-6188775
Naam: Geertje van der Molen
Geboren: 20 maart 1919
Overleden: 2008.
Ouders:
Broers/zussen:
Evert van der Molen.
Huwelijk:
Kinderen:
Oorlogsgegevens:
In 1941 gearresteerd vanwege Noorderlicht. Direct na de Februaristaking. Gevangengezet in Oranjehotel, Schoorl en Ravensbruck.
Bronnen/contacten:
Interview Evert van der Molen op getuigenverhalen.nl
--
Geert van der Molen (1919-2008) is een schippersdochter uit Groningen, gereformeerd opgevoed en in haar jeugd communistisch geworden. Zij is direct na de februaristaking gearresteerd, gevangen gezet in het Oranjehotel, Schoorl en Ravensbrück, tijdens de oorlog vrijgelaten uit Ravensbrück, opnieuw in verzet gegaan en opnieuw gearresteerd.
Geerts oudste broer Evert is geïnterviewde 5 in dit project.
---
Verzetskaart
Boeken over communistisch verzet Ruud Weijdeveld
Interview met Geertje van der Molen en haar oudste broer Evert van der Molen.
http://getuigenverhalen.nl/interview/interview-04-deel-2
Bron Bindert: Klein artikel over Geertje van der Molen in het Dagblad van het Noorden.
---
Eén van hen was Geertje van der Molen. Ook haar verhaal is indrukwekkend. Ze was communist. En ze was al eens eerder opgepakt geweest door de Duitsers. Samen met vier andere communistische vrouwen kwam ze terecht in concentratiekamp Ravensbrück. Wonder boven wonder werd ze daar uit vrijgelaten. Eenmaal terug, ging ze opnieuw in het verzet, bij de verzetskrant Het Noorderlicht. Tot ze opnieuw werd opgepakt. En hier in het Huis van Bewaring belandde. Van daaruit naar Westerbork.
Maria Hubertina Johanna (Tiny) Stouten-De Wilde (1913-1990) | no. 101
Leeftijd in april 1945: 32 jaar
Woonplaats in de oorlog: Eindhoven, later Groningen
Eerder gevangenschap: Huis van Bewaring Groningen
Verzetsrol: NSF (Nationale Steun Fonds)
Tiny Stouten-De Wilde werd op 24 maart 1913 geboren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd ze actief in het verzet, waar ze als secretaresse van Iman Jacob van den Bosch betrokken raakte bij het NSF. Het NSF was een clandestiene organisatie die financiële middelen inzette om het verzet te ondersteunen, waaronder hulp aan onderduikers, joden en geallieerde piloten. Tiny speelde een essentiële rol in de coördinatie en administratie van deze fondsen.
In 1942 verhuisde ze van Eindhoven naar Groningen, waar ze verder werkte aan de verspreiding van financiële steun en inlichtingenactiviteiten. Ze werd ook actief in de hulp aan joodse onderduikers en werkte nauw samen met verschillende verzetsgroepen in het noorden van Nederland.
Op 18 oktober 1944 werd Tiny gearresteerd door de Sicherheitsdienst, samen met anderen, in een inval bij van Loon aan de Parklaan in Groningen. Ze werd gevangengezet in het beruchte Scholtenhuis en later overgebracht naar het Huis van Bewaring in Groningen. Vervolgens werd ze gedeporteerd naar Westerbork, waar ze de laatste maanden van de oorlog doorbracht. Tijdens haar gevangenschap werd ze onderworpen aan zware ondervragingen en mishandelingen.
Na de oorlog keerde ze terug naar haar familie en herstelde van de ontberingen die ze had doorgemaakt. Op 29 januari 1946 trouwde ze met Henk Stouten. Samen kregen ze drie of vier kinderen, waaronder Ankie Kramer-Stouten. Tiny ontving het Verzetsherdenkingskruis als erkenning voor haar moed en inzet tijdens de oorlog.
Bronnen:
https://nl.wikipedia.org/wiki/Iman_Jacob_van_den_Bosch#Verzetswerk
"Verzet van Groningen" van Bernhard.
De Inval - Karen van Loon (waar ze op 18 oktober 1944 gearresteerd zijn)
https://www.mensenlinq.nl/overlijdensberichten/geertruij-aleida-yspeert-van-der-munnik-3289981
Bindert 1994: contact met info Mevr Vegter-Hoogezand
Contact met achternicht Tiny de Wilde - 06-28190459
https://nl.wikipedia.org/wiki/Iman_Jacob_van_den_Bosch#Verzetswerk
Financiers van Verzet NSF
---
Naam: Maria Hubertina Johanna (Tini) de Wilde
Geboren: 24 maart 1913
Overleden: 1 januari 1990
Ouders:
Huwelijk: Henk Stouten, 29 januari 1946
Kinderen: 4 kinderen, waaronder Ankie Kramer-Stouten.
Oorlogsgegevens: Zij ging van Eindhoven naar Den Helder naar Groningen
Kwam in 1942 als secretaresse van Iman van den Bosch van Eindhoven naar Groningen en deed mee aan diens werk voor het NSF. Hulp aan joden. Inlichtingendienst.
Op 18 oktober 1944 samen met anderen door de SD gearresteerd bij van Loon aan de Parklaan. Gevangen gezeten in het Scholtenhuis, het politiebureau, op Borkum, in het Huis van Bewaring en Westerbork.
Onderscheiding: Verzetsherdenkingskruis
Relatie met Monumentment op het Esserveld.
Achternicht - Suzanne
Broer van Tiny is de opa van Suzanne (vader van haar vader).
De leiding van de organisatie werd gevormd door drie mannen, er was ondersteuning van een groot aantal mensen in heel Nederland.[1] Walraven van Hall nam het westen van Nederland onder zijn hoede. Hij werkte onder verschillende schuilnamen: Van Tuyl, Barends, oom Piet en zijn bekendste: de Olieman. Op 27 januari 1945 werd op het kantoor de voltallige vergadering van het L.W.C. door de Grüne Polizei opgepakt en gevangengezet, daaronder Van Hall. Als represaille voor de op een lid van de Feldgendarmerie gepleegde aanslag werd hij op 12 februari 1945 met enkele anderen in Haarlem-Noord gefusilleerd. Iman Jacob van den Bosch kreeg het noorden en oosten toebedeeld. Zijn schuilnaam was Pa van den Berg. Hij werd op 28 oktober 1944 in Kamp Westerbork gefusilleerd nadat hij enige dagen eerder in Groningen was opgepakt.[7] Als derde leidinggevende nam A.J. Gelderblom het zuiden van Nederland voor zijn rekening. Het verzetsnetwerk was grondig verstoord en het duurde weken voor de organisatie via andere kanalen kon worden voortgezet.
Bronnen:
De Inval - haar arrestatie
"Verzet van Groningen" van Bernhard.
Boek over NSF geldstromen, vooral aandacht voor overledenen?
---
Susanne, achternicht Tiny de Wilde = zus van Susanne opa (oudtante). Vader van Susanne is haar neef - moeder van Tiny is Ankie (hersenbeschadiging)
Deed DNA onderzoek, hele hoge match met Tiny's kleindochter. Gevonden op Facebook, op spoor van Tiny.
Tiny's man heeft boekje geschreven.
Tiny:
3 levende kinderen: ANkie, Peter + dochter.
Tiny's leven:
Opgegroeid op Kloosterdreef in Eindhoven tegenover de kerk. (geboren in 1913 in Roermond). Overleden 1990.
Haar ouders hadden porselien/kermamiek zaak.
Is als jong meisje gaan werken bij Philips, werd secretaresse van Iman (Jacob) van den Bosch, had een hoge positie.
Philips kwam in Duitse handen.
Iman en Tiny zorgden dat informatie op micro-chips van Philips gezet kon worden. Chips gingen naar Engeland via een spion. (zie film of boek).
Duitsers kwamen er achter dat er een mol was. Vroeg Iman daar achteraan te gaan, terwijl hij zelf dat werkt verrichte.
Dook kort onder in Noord-Holland, toen naar Groningen. Vroeg Tiny te komen. 1942 gegaan?
Iman zat bij verzetsgroep Tromp. Tiny wellicht ook? In ieder geval werkte ze voor Iman.
Philips fabrieken zijn in xx gebombardeerd, kantoren vernield.
In Groningen (op verzetskaart staat adres standplaats Praediniussingel 41 Groningen - ook gneomed: Emmalaan p/a Ritman Haren).
Tiny werkte voor NSF en verzetsgroep joden in dienst. Bracht geld rond.
Op 18 oktober 1944 werd Tiny gearresteerd door de SicherheitsPolizei nadat Duitsers een papierpropje hadden gevonden met details. Deze was er de avond ervoor al gaan posten. [samen met Iman van den Bosch (mede-oprichter, leiding NSF Noord-Nederland, Fré Legger (vanaf 1943 districtshoofd 1943), Hendrik Ridder, Truus van der Munnik] in een inval bij Van Loon [ Susanne heeft contact met kleindochter Karen van Loon] aan de Parklaan in Groningen. Hier werd vergaderd door NSF. Iman kreeg aanvankelijk een seintje van Tiny en liep door, maar werd geschoten. even later alsnog opgepakt in een winkel waar hij zich schuilhield.
Tiny werd gevangengezet in het beruchte Scholtenhuis en naar werkkamp Borkum gebracht waar ze met Truus van der Munnik werkte. Op 16 november weer overgebracht naar het Huis van Bewaring in Groningen en weer verhoord over NSF als kopstuk. Vervolgens werd ze gedeporteerd naar Westerbork, waar ze de laatste maanden van de oorlog doorbracht. Tijdens haar gevangenschap werd ze onderworpen aan zware ondervragingen en mishandelingen.
Boek "De Inval" over 18 oktober 1944 door Karen van Loon (waar ze zijn opgepakt).
Boek 'Verzet in Groningen".
Saillant detail: Eindhoven (dus Tiny's hele famile) was al bevrijd sinds september 1944.
-
Van den Bosch werd eerst verbonden in het ziekenhuis, toen met kogel in de schouder Scholtenhuis . De rest werd afzonderlijk verhoord op de Parklaan. Beul van Groningen Lehnhoff kwam meeverhoren. Schopte Ridder van de trap. Uren op de grond gelegen. Daarna naar de zolder op Scholtenhuis. Ene kant voor mannen, andere kant vrouwen. Tiny en Iman hebben elkaar daar nog gesproken.
Ankie heeft ook een namenkleed.
Iman werd naar Westerbork gebracht, daar neergeschoten. Meer politiek gevangen mannen. Staan vijf palen, net buiten het crematorium, met de namen uitgestanst. Ook Iman en Hendrik Ridder, Henri Rots (papierprop) - bron 'Het scholtenhuis - Monique Brinks. Nu verwaarloosd monument net buiten het kamp, bij commandant. Zeven mannen gefussilleerd op Westerbork.
Foto met prins Bernhard [foto]. Met bus naar Zwolle.
--
Naoorlogs tijd
Is na de oorlog getrouwd met Henk Stouten die ze kende uit het verzet. Had ook standplaat Prediniussingel (Tan Schetten ?).
Veel verzetsgroepen zoals Nul-groep. Na de oorlog betrokken bij bijzondere rechtsplegging. Transport distributie?
Was adjunct-directeur van gevangenis Bergveen , later directeur van gevangenis Veenhuizen waar Duitse krijgsgevangenen zaten (onder vreselijke omstandigheden). Directeur Tweede Klasse bevorderd in 1952
Kregen vier kinderen: In 1947 eerste Antonie (jong overleden), 1948 Ankie (zelfde jaar als vader van Susanne), 1949 Marianne (moeder van Marie - die zo matchte qua DNA met Susanne) en Peter 1952. Tiny deed veel vrijwilligerswerl, weer boekhouding en administratie. Overleed in 1990.
Lammechien Jantien
Dochter van Marten van Til (gewestelijk commandant van de ordedienst)
Latere adres: Wagenweg 27 - 8071 T?E Nunspeet
Aantekeningen Bindert op namenlijst: broer in Nunspeet - 03412-52278
Bron: Onderduikershol bij Anloo
Lammechien Jantien (Gine) van Til haalde en bracht opdrachten van het Hoofdkwartier te Amsterdam. Zij is in januari 1945 door de SD gearresteerd en heeft gevangen gezeten in het Huis van Bewaring te Groningen. Zij zou te Visvliet (mogelijk bij Balloo of bij Zuidhorn, het is niet bekend welke Visvliet wordt bedoeld) door Canadezen in april 1945 zijn bevrijd uit een gevangenentransport vanuit Westerbork.
Op 29 september 1944 werd de hut ontdekt door in het bos oefenende Duitse militairen. Op dat moment waren er mogelijk 8 onderduikers aanwezig:
• Harm Molenkamp
• Jacob Bruggema
• Gerard Catharinus Oosting
• Piet Schreuder
• Chine van Til
- Trui Hahn
• Marten van Til
Gepko Hahn (mogelijk)
Vader Wiebren Wijbrands, 36 jaar oud, schuitevaarder van beroep
Moeder Aaltje Vos
Kind (vrouwelijk) Harmke Wijbrands, geboren op 9 september 1916 te Musselkanaal gem. Onstwedde
Aantekeningen Bindert op namenlijst: info mevrouw Meijer-Woltjer (no. 107)"
Naam: Albertien Lunshof
Geboren: 27 november 1916, Assen
Overleden: Assen
Huwelijk: Albert Lunshof (politieman)
Kinderen:
Oorlogsgegevens: SDAP / verzetsgroep: GDN*
Ouders: Abel Lunshof en Willemtje Tent
Zus:
Adres op lijst: Celebesstraat 65a (gwcorrigeerd verzetskaart 22a?) Groningen
Latere adres: Oosterheem 47 - 9531 LB Borger
---------------------------------------
Foto's: https://www.beeldbankgroningen.nl/beelden/?q=Lunshof&mode=gallery&view=horizontal
--------------------------
De Geheime Dienst Nederland (GDN) was een grootschalige, vanuit Londen aangestuurde Nederlandse verzetsgroep (1943-1945) met circa 1200 medewerkers, gericht op het verzamelen van militaire en politieke inlichtingen. Onder leiding van kopstukken als Wim Schoemaker (schuilnaam Miki) speelde de GDN een belangrijke rol in het doorspelen van gegevens via radioverbindingen en koerierslijnen naar het Bureau Inlichtingen (BI) in Londen.
De verzetsgroep Groep Albrecht had een directe en nauwe relatie met het Nederlandse Bureau Inlichtingen (BI) in Londen, dat fungeerde als de geheime dienst van de Nederlandse regering in ballingschap. De groep werd in maart 1943 opgericht door Henk de Jonge, die als geheim agent door dit Bureau Inlichtingen was gedropt om een inlichtingennetwerk op te bouwen.
Oorlogsbronnen.nl +2
Relatie met Bureau Inlichtingen (Geheime Dienst):
Oprichting: Henk de Jonge, alias 'Albrecht', was een officier die in Londen was opgeleid tot geheim agent. Zijn opdracht was specifiek militaire en economische spionage voor de Nederlandse en geallieerde legerleiding.
Doel: De Groep Albrecht verzamelde spionagemateriaal (zoals troepenbewegingen, stellingen en economische data) en stuurde dit via geheime radioverbindingen naar het Bureau Inlichtingen in Londen.
Ondersteuning: Het netwerk werd gefinancierd en technisch ondersteund (met zenders en marconisten) vanuit Londen.
Werkwijze en Samenwerking:
Spionage: De Groep Albrecht was een van de grootste en belangrijkste inlichtingengroepen in Nederland, met een hechte organisatie die tot de bevrijding actief bleef.
Linecrossers: In de laatste fase van de oorlog (november 1944 - mei 1945) werkten leden van Groep Albrecht nauw samen met de zogenaamde 'Linecrossers' in de Biesbosch om inlichtingen, piloten en medicijnen veilig over de frontlinie te smokkelen.
Verbindingen: De informatie werd niet alleen via de radio, maar ook via koerierslijnen (naar Zwitserland en Spanje) doorgegeven aan de geallieerden.
Hoewel de term 'Geheime Dienst Nederland' soms in algemene zin wordt gebruikt voor inlichtingengroepen, was de Groep Albrecht specifiek de organisatie die in de praktijk de taken van het Bureau Inlichtingen in bezet Nederland uitvoerde.
----------------------------
Albertien Lunshof-Lunshof (1916-2006), uit Assen en Groningen,
nr 104
Albertien Lunshof – roepnaam Aja - woont in Assen als de oorlog
uitbreekt. Ze komt uit een gezin met zes kinderen. Haar ouders zijn
overtuigd socialist en dag en nacht actief voor de SDAP en vakbeweging.
Alle kinderen zitten bij de AJC (de jeugdbeweging van de SDAP) en elke
jaar viert het gezin viert op 1 mei uitbundig de dag van de arbeid.
Als in de jaren dertig Joodse vluchtelingen aan de deur komen, vangt de
familie ze op, geeft ze te eten en drinken, en als nodig geld. Op haar
zestiende krijgt haar moeder een ernstig ongeluk. Ze stopt met de MULO
en neemt het huishouden over. In 1940, ze is dan 24 jaar, trouwt ze met
Albert Lunshof. Hij wordt politieagent in Groningen, de reden dat het stel
daarnaartoe verhuist.
De zus van Aja zit in het verzet. Haar zus wordt opgepakt, naar Duitsland
vervoerd maar weet te ontsnappen. Zo nu en dan vraagt ze Aja wat
brieven te bezorgen en dat doet ze. Tot Aja waarschijnlijk wordt verraden.
Zij en haar man worden in 1945 naar het Huis van Bewaring in Groningen
gebracht. Daar worden ze gescheiden. ,,Ik zat daar in de zogeheten
Advocatenkamer met 22 vrouwen. Er waren strozakken om op te slapen
en om op te zitten. Het eten werd gebracht. Op een gegeven moment was
er een etensblik waarop gekrast stond: ‘Kop op, Aja.’ Zo wist ik dat mijn
man nog in leven was.’’
Albert en Aja hebben dan twee kinderen (na de oorlog krijgen ze nog
twee/red). ,,Mijn zuster stuurde een keer schoon ondergoed en daarin had
ze geborduurd: ‘KOHB’. Dat betekende ‘Kinderen Oosterhoogebrug’. Zo
wist ik dat de kinderen bij mijn neef waren.’’
Op 5 april 1945 wordt ze met andere vrouwen in een geblindeerde bus
naar Westerbork gebracht. Ze moeten al hun spullen, ook hun kleding,
inleveren en krijgen er een overall voor terug. Aja krijgt eentje met
nummer 104 op de rug. Ze heeft een ontsteking aan haar arm en hoeft
niet in de batterijensloperij te werken. Wel moet ze zilverpapier uit stapels
sigarettendozen halen. Ze doet dat in haar eentje en komt haar barak niet
uit.
Het eten dat ze krijgt, noemt ze goed. ,,Het werd gekookt door Joodse
mensen. Als ze het brachten, hadden we soms even contact. Zo hoorden
we ‘dat de Canadezen al aardig dichtbij waren’.’’
Een week later moet ze ’s avonds met andere vrouwen mee op mars. ,,De
bewakers die meegingen, waren heel bang. Als een Engels vliegtuig
overvloog, sprongen ze in sloten om daar te schuilen.’’ ’s Nachts is het –
spertijd - pikkedonker. Drie nachten loopt ze. Het gaat haar goed af. ,,Ik
was 28 jaar. Ik was in goede conditie.’’
Op een motor rijdt een Duitse commandant af en aan. ,,Hij wist zich geen
raad met ons.’’ In Pieterzijl moeten alle vrouwen aantreden. ,,We dachten:
nu gaat het gebeuren. We worden doodgeschoten. Maar Gemmeker
(commandant van Kamp Westerbork/red) sprak ons toe en zei: ‘Ik laat
jullie vrij, maar op eigen risico’. We hadden toen geen bescherming meer.
Dus als een Duitse soldaat ons dood zou schieten, was het onze eigen
schuld.’’
Aja weet dat Groningen nog niet is bevrijd en gaat naar het dichtbij
gelegen Grijpskerk. ,,Daar kregen we eten en drinken en we konden ons
wassen in de melkfabriek… het was geweldig.’’
Op 17 april rijdt ze, in een oude auto, mee naar Groningen. ,,Bij de
Friesestraatweg in Groningen ben ik uitgestapt. Ik leende daar een fiets
zonder banden en reed door het Noorderplantsoen, op weg naar huis. Op
de Korreweg zag ik mijn man aankomen. Ik kon geen geluid uitbrengen.
Hij herkende me niet met dat korte haar en in overall. We fietsten langs
elkaar heen.’’ Ze wijst naar een voorbijganger: houdt die man tegen,
houdt hem tegen. ,,Toen stapte hij af en zag hij het. ‘Ik heb d’r weer! Ik
heb d’r weer!’, riep mijn man. Het was ongelooflijk.’’
Albert krijgt in juni na de oorlog een ernstig auto-ongeluk. Hij heeft een
schedelbasisfractuur en ligt weken in het Academisch Ziekenhuis.
Uiteindelijk kan hij weer als politieagent aan het werk. ,,Daarna gaf ik
hem veel vrijheid om zijn stenenverzameling en zijn muziek te doen. Ik
ben veel alleen geweest met mijn kinderen.’’
(Bron: Interview door Guido Abuys in 2005. Albertien is dan 88 jaar.)
------------------------------
Transcriptie historisch interview met Guido Abuys van Herinneringscentrum Kamp Westerbork
Interview met
achternaam Lunshof
voornamen Albertine
geboortedatum 27 november 1916
geboorteplaats Assen
huidige adres Oosterheem 47
postcode en woonplaats 9531 LB Borger
telefoon
Geïnterviewd door
naam Guido Abuys
functie Conservator
Plaats en datum interview Borger, 8 juni 2005
Eventuele beperkingen op
de toegankelijkheid van
deze bron
Voorgeschiedenis van
het interview
(in welk kader;
hoofdonderwerp)
2
Transcriptie historisch interview (volgblad)
Toevoegingen/opmerkingen
door de geïnterviewde
achteraf
Waardering gesprek
(beoordeling van de
waarde van het interview
als mogelijke bron
Hierbij verklaren ondergetekenden dat deze transcriptie een getrouwe weergave is van het
interview. Tevens wordt akkoord gegaan met het gebruik door het Herinneringscentrum
Kamp Westerbork van zowel de originele geluidsdrager, als de transcriptie. Dit kan zijn voor
(wissel-)exposities; als educatief materiaal; voor publicaties of voor het anderszins openbaar
maken en verveelvoudigen
Aldus in tweevoud opgemaakt,
Hooghalen, 22:24
……………………………………………. …………………………………………….
Herinneringscentrum Kamp Westerbork Geïnterviewde
3
Transcriptie historisch interview
Spreker Tekst
GAb Het is vandaag 8 juni. Tegenover mij zit mevrouw Lunshof. Wij hebben elkaar ontmoet tijdens
de herdenking 21 april bij het verzetsgraf en toen kwam het verhaal dat u een van de politieke
vrouwen was die uiteindelijk via Westerbork lopend bij Visvliet terecht kwamen en uiteindelijk
in Grijpskerk nog een paar dagen in een boerderij zijn ondergebracht, maar eigenlijk in die
omgeving uiteindelijk pas de bevrijding meemaakten. Wij hebben niet zoveel verhalen tot nu
toe van de politieke gevangenen vastgelegd, dus vandaar ook dat ik u de vraag ook gelijk
gesteld heb. Het is een niet al te warme dag in juni, wij zitten in Borger. Dan moet ik even het
adres, Oosterheem is het geloof ik, Oosterheem 47. Ook de twee dochters zijn aanwezig, maar
die zullen, als het goed is, niet al te veel zeggen. Mevrouw Lunshof, u heeft mij bij onze vorige
ontmoeting, 21 april, heeft u mij wat documentatie meegegeven onder eh, nummer 104 staat u
op de lijst als ‘A. Lunshof’. Waar staat de ‘A’ voor?
A L Albertine.
GAb Albertine. En Lunshof dat is uw meisjesnaam?
A L Dat is mijn meisjesnaam en mijn mans naam. Ik heet Lunshof – Lunshof.
GAb Lunshof – Lunshof. En dan zie ik als adres staan: Celebesstraat 65a. Dan kom ik zelf uit de
stad Groningen, al ruim twintig jaar woonachtig, dus dat komt in ieder geval bekend voor. Dat
is uw laatste woonadres geweest?
A L Nee, dat was het woonadres tijdens de oorlog.
GAb Dat was het woonadres tijdens de oorlog. Misschien is het dan even verstandig om gewoon
eens even te kijken naar zeg maar de periode voor de oorlog.
U heeft ook in Groningen uw jeugd doorgebracht?
A L Nee, ik kom uit Assen.
GAb Uit Assen. Kunt u zeg maar het gezin waar u uit kwam, kunt u dat beschrijven?
A L Ja, dat kan ik beschrijven. Dat was een gezin, vader, moeder en zes kinderen, drie jongens en
drie meisjes. Ik ben de derde.
GAb U was de derde.
A L Ik ben de oudste van de meisjes. Mijn vader en mijn moeder waren alle twee overtuigde
socialisten en hebben zich het lazarus gewerkt in de partij, in de vakbeweging, in alles.
GAb Wat was het adres waar u ..?
A L Toentertijd, wat ik dus heel bewust heb meegemaakt, was toen in Assen in de Venestraat, maar
daar is allemaal niets meer van, dat is allemaal al weg.
GAb Wat deed uw vader?
A L Mijn vader was timmerman, maar had zo een prachtige zangstem, dus ze wilden hebben dat hij
bij opera’s kwam en zo. Maar daar is niets van terecht gekomen op gegeven moment, maar hij
zat wel bij twee zangkoren. Hij had een ongelofelijke stem. Een bas.
GAb Ja, dus in zijn vrije tijd
A L In zijn weinige vrije tijd. Als mijn vader een avond thuis was, zeiden wij: “Ouwe, vergis jij je
niet? Ben jij thuis?” Mijn vader was nooit thuis, was altijd bezig voor de partij en vooral voor
de vakbeweging. Hij was voor de vakbeweging, het hoofdbestuur in Amsterdam, in de Raad
voor arbeidsonlusten hier in Groningen, hij zat overal in.
GAb Vond u dat erg, dat u hem bijna nooit zag?
A L Nou, het was een gewenning. Want ik heb later een man getrouwd, die was net zo. Alleen op
een heel ander gebied. Die was ook nooit thuis.
GAb Maar ik kan mij voorstellen dat je als kind toch op bepaalde momenten behoefte hebt om
A L Ja maar kijk, op zondag was hij er wel. En dan was hij er wel en dat werd er ook veel met de
kinderen gedaan.
GAb Een socialistisch milieu. Gingen jullie ook naar de kerk of was dat uit den boze?
A L Nee, mijn vader en moeder die hebben, die zijn allebei gedoopt, maar die hebben de Kerk toen
ze een jaar of achttien, negentien waren vaarwel gezegd, met het oog op de Kerk die te veel aan
de kant van het Kapitaal stond, laat ik het maar zo zeggen. En toen zijn ze alle twee lid
geworden van de SDAP van vroeger dus en hebben hun hele leven daar voor gevochten.
GAb Dus het geloof speelde zeg maar in uw opvoeding nauwelijks een rol.
4
A L Geen rol. Geen rol, hoewel ik mijn eigen kinderen allemaal naar de zondagsschool en
geprobeerd heb naar de kinderkerk te krijgen. Ik zeg: “Het geloof speelt zo een grote rol in de
levens van mensen. Ik wil dat jullie weten wat er in de christelijke wereld leeft. En wie weet
waar je nog eens een keer mee thuis komt.” Want dat heb ik ook geweten.
GAb Maar zeg maar de, de doorsnee school, de dagelijkse school, was dat een openbare of een
christelijke?
A L Openbare. Een openbare school.
GAb Wat was de naam ervan?
A L Nou, de school in de Venesstraat.
GAb Ja, maar dat bestaat allemaal niet meer.
A L O nee, dat is allemaal weg, dat is allemaal weg.
GAb Ehm, broertjes, zusjes. Welke rol had u daarbinnen?
A L Wij waren met drie broers en drie meiden.
GAb Ja. Had u bepaalde taken?
A L Eh ja, het was een groot gezin, ik was de oudste van de meisjes en ik was nogal een opruimerig
type, dus ik was vaak bezig met spulletjes op te ruimen enzovoort, enzovoort, enzovoort, want
er was altijd in zo een groot gezin zonder wasmachine, zonder alle, alle, alle attributen van nou,
was er altijd een heleboel te doen. Daar kwam nog bij dat mijn moeder regelmatig weg was,
want die zat ook helemaal in het coöperatieve leven, de coöperaties, de winkels enzovoort
enzovoort, dus die had daar ook altijd een hoop voor te doen. Ging ’s avonds, twee avonden in
de week ging ze naar mevrouw Brok, dat was een socialiste, meneer Brok was gedeputeerde
van Drenthe, waren dus kennissen ook al door de partij natuurlijk, en daar werden ze
bijgestoomd in het Sociaal-Democratische en ook hoe de wereld in elkaar zat. Dus die was
altijd bezig zich te ontwikkelen in de maatschappij.
GAb Ja. Dat betekent dat u een vrij verantwoordelijke rol had binnen zeg maar het gezin.
A L Ik was heel veel verantwoordelijk voor de kinderen, vooral de drie onder mij natuurlijk.
GAb Ja, en ze luisterden ook naar u?
A L Ha ha, als ik het nou hoor heb ik het nooit goed gedaan hoor. (lacht)
GAb Dan hebben ze waarschijnlijk wel geluisterd.
Deed u zelf zeg maar naast school, je had, tenminste wat ik dan, veel van die verhalen uit
Amsterdam, je had zo een AJC geloof ik, zo een socialistische
A L Juist. Wij waren allemaal bij de AJC allemaal, en vooral mijn oudste broer met zijn vriendin
waar hij later mee getrouwd is, die waren heel erg bezig met dinges … Nou ja, omdat ik een
meisje was, had ik ook taken in huis. Ik ging er regelmatig heen, ik had mijn vaste avonden
enzovoort, en dat vond ik altijd hartstikke leuk en gezellig. En vooral de 1 mei-optocht, ik was
trommelaarster, ik liep voor in de grote stoet en dat was een feest altijd, toen.
GAb Ja. En dat was eigenlijk het enige wat u naast school en het huishouden buitenshuis
A L Ik had dus de Arbeiders Jeugd Centrale en ik was dus bij gymnastiek en dus daar ging ik ook
een avond in de week heen, dus wat dat betreft. Ach, en we hadden de buurt, allemaal mensen.
En meisjes.
GAb Het waren allemaal mensen van dezelfde politieke
A L Nee, nee nee nee, maar goed, daar merkte je als kind natuurlijk verder niets van.
GAb En dat vonden uw ouders ook niet bezwaarlijk, dat u kinderen van totaal andere
A L Nee, mijn ouders waren van het begin af aan humanisten en ik bedoel, vanaf mijn achttiende
jaar ben ik lid van de Humanistische partij, dus ik bedoel maar. Mijn ouders hadden vrienden
onder zowel katholieken als onder gereformeerden en andere partijgenoten natuurlijk, maar die
hadden een heel uitgebreide vriendenkring onder alle geloven. Zij hebben ons nooit verboden
naar een katholieke winkel toe te gaan of naar een gereformeerde winkel, omdat je daar ergens
anders naar toe moest, want dat deed je dus niet. Dat hebben ze nooit gedaan.
GAb Maar je had natuurlijk wel die verzuiling hè in Nederland destijds
A L Ja, maar dat was, als kind gaat dat aan je voorbij. Dat gaat aan je voorbij.
GAb B
U zei dat binnen het gezin staat ook het wereldgebeuren staat vrij centraal. Om dat een beetje
in te kunnen kaderen, mag ik weten wanneer u geboren bent?
A L 27 – 11 – 16.
GAb 27 – 11 – 1916. Tot welke leeftijd bent u thuis gebleven?
A L Totdat ik trouwde. En toen was ik 23, eh 24.
GAb 23, 24. Dus
5
A L ik ben in ’40 getrouwd
GAb kort voor het uitbreken van de oorlog.
A L Ja, maar toen hadden wij al een heleboel meegemaakt thuis, van de Duitse Joden
GAb Daar kom ik zo meteen wel even op. Ik probeer het gewoon even een beetje in te kaderen. Eh,
timmerman was uw vader. De crisistijd
A L Een vakman bij de gratie
GAb Wat voor gevolgen had de crisistijd voor
A L Mijn vader is nooit zonder werk geweest en mijn vader die had ... ja, mijn vader die had, alles
wat zijn ogen zagen dat maakten zijn handen. Hij heeft bijvoorbeeld voor het ziekenhuis, wat
er nu nog staat, en hij is morgen 53 jaar dood, staat nog de tafel die hij voor de bestuurskamer
heeft gemaakt. Die staat er dus nog.
[0:10:18]
GAb Dus hij was eigenlijk ook een soort meubelmaker.
A L Mijn vader kon alles maken. Die maakte de mooiste dingen. Die maakte de mooiste dingen.
GAb Daarom kon hij ook zeg maar in de crisistijd kon hij zich ook een beetje doorheen laveren
misschien.
A L Ja. Ja, maar hij is nooit zonder werk geweest, want in de crisistijd waren er jongeren, net als
nou, die geen werk hadden en dan werd hij leider van een hele groep jongeren en die gingen
werken in Smilde of in Rolde. Ik lach nou al, want dan kwam hij thuis en dan zegt hij: “Ik heb
nou toch een stel kereltjes aan het werk. Ik hoef maar te zeggen van: ‘Jongens, rust!’ en ze
rusten. En als ik zeg van: ‘Nou gaan we weer aan het werk’, duurt het geen half uur of er komt
alweer beweging in.” Dus ik bedoel maar te zeggen: er is niets veranderd met vroeger.
GAb Ja.
A L Er is niets veranderd.
GAb Wat heeft u na de lagere school gedaan?
A L Na de lagere school ben ik naar de MULO geweest.
GAb Was dat apart voor meisjes, of gemengd?
A L Nee, gemengd, ja, ja.
GAb Wat had u, had u toen al een beeld van wat u later zou willen worden?
A L Nee, daar had ik geen beeld van. Het leven was heel druk voor jonge mensen. Je was met alles
bezig, maar nog niet met de toekomst. Ook het wereldgebeuren om je heen werd veranderd.
Dat was bij ons thuis het punt wat altijd besproken werd.
GAb Dus de crisisjaren, want toen was u al nou een tiener zeg maar, dus bent u daar dan ook bij
betrokken, bij dat soort discussies?
A L Nou, daar werd je niet bij betrokken, maar je zat er wel bij. Je hoorde van alles natuurlijk en
dan later werd er thuis wel over gesproken. Kijk, je mocht je natuurlijk niet in de grote-
mensen-gesprekken mengen.
GAb Ja. Terwijl we dus eigenlijk nog midden in de crisistijd zitten, gebeurt er natuurlijk in het
buurland Duitsland ook het een en ander. Was dat ook een gespreksonderwerp? Of was dat een
ver-van-mijn-bed-show?
A L Dat was een heel groot, want midden in de nacht dan ging de bel en dan stonden er weer Duitse
Joden voor de deur. Die moesten hulp hebben. Of andere mensen van de partij, die gezocht
werden, stonden voor de deur. En zo was het wel een heel groot rayon van mensen waar ze
allemaal langs gingen voor eten, voor geld, voor hulp enzovoort, enzovoort.
GAb En dat was dus binnen de socialistische beweging werd dat allemaal geregeld.
A L De partij en de vakbeweging ook volgens mij ook hoor. Maar dat ben ik allemaal
GAb Maar dat betekent niet dat de mensen spontaan bij u aanbelden, maar dat werd min of meer
gestuurd.
A L Dat werd van een bepaald punt uit natuurlijk gestuurd. ‘Dat is een adres en dat is een, zonder
dat jullie bang hoeft te zijn dat je je daar kunt vervoegen.’
GAb Ja. Wat hield dat in de praktijk voor jullie in, als er zeg maar vluchtelingen aan de deur
belden?
A L Ja, dat werd gewoon geaccepteerd. Ze komen binnen en ze krijgen als ze eten willen, dan
krijgen ze eten en ze krijgen geld als ze weer weg gaan.
GAb En ook slapen?
A L Dat kan ik mij niet herinneren. Wij waren met zes kinderen hè, dus het huis was al aardig vol.
Dat weet ik dus niet. Maar wij waren dus een adres, mijn vader kon doorgeven het volgende
adres waar zij terecht kwamen. En misschien dat zij daar wel sliepen, ik weet het niet. Ik kan
6
mij niet herinneren dat ze bij ons geslapen hebben.
GAb Hoe sliep u zelf als kind? Had u een eigen kamer, of deelde u dat met de zusjes?
A L Dat moest je delen. Wij hadden een huis, mijn vader en moeder hadden een eigen huis, daar
waren boven twee slaapkamers, een voor mijn ouders en een eerst voor mijn twee zusjes. Ik
ben dus de oudste van de meisjes. Mijn jongste zusje die leeft alleen nog, zij is 9 april tachtig
geworden, ik wordt 89 als ik het haal, ik ben acht en een half jaar ouder als zij, dus daar zaten
nog twee tussen. Dus de jongens sliepen op de zolder, er was een grote zolder bij, daar sliepen
de jongens op, twee in een bed en een apart, en nou ja, voor de rest rommelde je maar wat aan.
GAb Zagen jullie het ook als een bedreiging, die ontwikkelingen in Duitsland?
A L Ja zeker. Maar ook de armoe. Elke vrijdagavond dan had mijn vader zitting en dan werd er
blikken soep uitgedeeld, dan werd er dinges, of dat kon je kopen voor elf cent, dat weet ik nog,
heerlijke tomatensoep, een groot blik voor elf cent kon je dat kopen. En dan werd dus, net als
nu weer, werden er levensmiddelen uitgedeeld. En zaterdagavonds was er altijd van zes tot acht
dan werd de werkloosheiduitkering werd door mijn vader uitgedeeld. Wat ik of mijn moeder
van tevoren van de bank, de dag van tevoren van de bank met duizenden guldens op straat liep,
van de bank moesten halen. Dat
GAb Zeg maar die Joodse vluchtelingen hè, die bij u aan de deur aanklopten, dat waren ook mensen
met een socialistische achtergrond?
A L Dat weet ik helemaal niet.
GAb Ik stel deze vraag gewoon even om te achterhalen hè, werden deze mensen vanwege hun
politieke overtuiging geholpen of vanwege hun Jood-zijn geholpen.
A L Ja, ik denk om alle twee. Want er kwamen dus ook niet-Joodse mensen aan de deur, hè die op
de nominatie stonden om gearresteerd te worden in Duitsland en die gevlucht zijn en die bij
hun vak-, nee vakgenoten wilde ik zeggen, bij mensen in Nederland, gemoedsbroeders zeg
maar met elkaar, onderdak zochten en hulp zochten. Dat waren niet alleen Joden hoor in die
tijd van de pogroms in Duitsland.
GAb Weet u nog wanneer u uw diploma heeft gehaald op de MULO?
A L Nee, want dat heb ik niet gehaald.
GAb U heeft het niet gehaald?
A L Nee. Mijn moeder die heeft toen ik zestien jaar was heeft mijn moeder een vreselijk auto-
ongeluk gehad in Groningen. En ik was de oudste. Ik was zestien jaar en ik moest het gezin
runnen. En zij heeft in het ziekenhuis gelegen vanaf 18 november is dat ongeluk gebeurd en zij
heeft tot ver in maart in het ziekenhuis in Groningen gelegen, want het is in Groningen
gebeurd. Dus, toen was ik van school af, ik wou niet meer.
GAb U bezocht uw moeder dan ook regelmatig? Dat was toen natuurlijk een behoorlijke reis.
A L Er reed geen bus, je kon alleen maar met de trein. Mijn vader ging drie maal in de week er naar
toe. Dus wat betekent dat: hij kwam thuis, als de duvel ervoor zorgen dat het eten klaar was
voor hem enzovoort. Dan moest hij lopen naar het station, wij woonden een eindje van het
station af, en dan moest hij met de trein en dan kwam hij in Groningen aan en mijn moeder lag
in het katholieke ziekenhuis, nou ik hoef u niets de vertellen, die hele lange, die hele weg
aflopen, er reden geen trams en, allemaal niet. Dus daar ging verschrikkelijk veel tijd in zitten.
GAb Vond u het spijtig dat u de school moest verlaten?
A L Ik weet niet of ik dat op dat moment zo gevoeld heb. Er was zoveel verdriet in huis.
GAb En u was ook nog niet echt met uw eigen toekomst bezig.
A L Welnee, ik was zestien jaar.
GAb Dat betekent dus, hè, we hadden het net al over die crisisjaren. Dan bent u dus gewoon thuis.
Hoe leert u uw man uiteindelijk kennen?
A L Nou, wij hebben dezelfde naam en omdat we alle twee uit Assen kwamen.
GAb Wat zegt u?
A L We komen alle twee uit Assen. Mijn man komt ook uit Assen.
GAb Hoe heeft u hem leren kennen dan?
A L Och gewoon, van jonge mensen met elkaar. Op straat en hoe heet dat. Nou ik wil zeggen een
avondje uit, maar dat deden we niet. Ik was 21 jaar toen ben ik voor het eerst in een kroeg
geweest, met mijn man, toekomstige man toen. Ik was nooit eerder in een kroeg geweest. Het
leven van nu is niet te vergelijken met het leven wat wij hadden.
GAb Wat was de achtergrond van uw man?
A L Eh, zijn vader was beroepsmilitair, heeft in de oorlog ’14-’18 de ziekte waar iedereen aan stierf
opgelopen maar hij ging er niet dood aan, maar is wel op zijn 39e al overleden.
7
GAb Over welke ziekte heeft u het dan?
A L De Spaanse griep. En hij heeft daar altijd naweeën van ondervonden en is op 39-jarige leeftijd
overleden.
GAb Hij kwam ook uit een groot gezin?
A L Nee. Ik zeg nee, ja zij hadden vijf kinderen.
dochter Papa niet.
A L Papa niet. Uit twee. Ja, hij had nog een zuster, die was zes jaar jonger dan hij. Zes jaar jonger.
GAb Dat werd ook goedgekeurd door uw ouders, de omgang met deze jongen?
A L Assen was toen natuurlijk heel klein, en iedereen kende iedereen, ze wisten waar hij vandaan
kwam. Dat was helemaal de familie helemaal VVD-kant, maar dat kon ons allemaal niets
schelen. Dat, nou ja, je had soms hele discussies, maar dat was wel leuk.
GAb Was het gelijk de ware?
A L Nou ik heb wel meer vriendjes gehad hoor.
GAb Toch wel?
A L (lacht) Jawel, jawel.
GAb Maar op gegeven komt het
A L Ja, dit leek wel wat. Dit leek wel wat.
GAb Wat is uw, had uw man toen al een beroep?
A L Mijn man was toen bij de militaire politie gezien de achtergrond van zijn vader. Hij had de
HBS gehad, kon geen werk krijgen, en toen heeft zijn moeder gezorgd, want die had dus nog
connecties in de kringen van de militairen, gezorgd dat hij bij de militaire politie kwam.
[0:20:07]
GAb Dat was een goede partij?
A L Nou, als ik met mijn kinderen daarover praat, dan is er niets aan de hand hè. In ieder geval in
die tijd was het vastheid, laat ik het zo zeggen.
GAb In die tijd zie je het toch als een soort middenstand hè.
A L Ja.
GAb Of de middenklasse zeg maar.
A L Ja, ja, ja. Dat heb ik zelf nooit zo gevoeld. Ik heb mij ook nooit minderwaardig gevoeld als
arbeiderskind zeg maar, laat ik maar zeggen, helemaal niet. Mijn vader
GAb Daar was u mondig genoeg voor.
A L Dat niet alleen. Mijn vader werd op handen gedragen in Assen. De burgemeester is bij mijn
huwelijk geweest. Toen ik trouwde, toen is de burgemeester gekomen op de receptie,
enzovoort, enzovoort. Zulke goede banden hadden zij met de mensen die het voor het zeggen
hadden. Laat ik het zo zeggen.
GAb Ja. Uw vader was een heel sociaal voelend persoon?
A L Ja, ja.
GAb Hij stond voor iedereen klaar?
A L Altijd, dag en nacht. Dag en nacht. Ja.
GAb Ging dat niet soms ten koste van het gezin?
A L Natuurlijk gaat dat ten koste van het gezin. Dat is in mijn eigen gezin ook gegaan met mijn
man. Dat gaat ten koste van het gezin. Dat is logisch. Dus je moet, misschien niet helemaal je
aard, maar je moet wel eens doorbijten. Dat is logisch. Ik heb ook vier kinderen.
GAb In welk jaar bent u getrouwd uiteindelijk?
A L Ik ben getrouwd in 1940.
GAb 1940. Nog in de winter of ..?
A L 9 januari. Afgelopen 9 januari was ik 65 jaar getrouwd.
GAb Oké, januari ’40. Het ziet er dan a wat dreigender uit in Europa. In september het jaar daarvoor
A L Dat was ook de reden dat mijn wilde trouwen, want hij zegt, want zij hadden dus ook maar,
wat hadden soldaten vroeger voor inkomen. Praktisch dus niks. Dus hij kreeg dan een volledig
salaris als wij trouwden dus. Hij zegt: “Als er met mij wat gebeurt, als dit fout loopt, met het
ook op oorlogsdreiging enzovoort, dan heb jij in ieder geval een inkomen.”
GAb Ja, dan had u een pensioen gekregen.
A L Dan had ik een pensioen gekregen. Daar heb ik nu trouwens altijd nog een pensioen van.
GAb Ehm, hij werd op gegeven moment ook gemobiliseerd?
A L Hij werd gemobiliseerd en hij ging naar de Afsluitdijk.
GAb En wanneer vindt dat plaats die mobilisatie? Weet u dat nog?
A L Nou, ik geloof in maart of zo is die mobilisatie geloof ik al gekomen. Of in april.
8
GAb En hij kwam in de weekends thuis, of ..?
A L Hij kwam regelmatig thuis, maar ook vaak onverwacht, dat hij zegt: “Wij hebben oefening” of
“wij hebben dit” of “er dreigt wat”. En de baas van hem dat was ook iemand uit Assen en dat
was een oude buurman van hem, en die zegt: “Ga maar naar je vrouw toe. Nou kan het nog, ik
weet niet hoe het over het weekend wordt.” Dus dan kwam hij onverwachts. Dan kwam hij een
avondje, een nachtje thuis en de volgende dag weer vroeg weg.
GAb Hoe wist u dat de oorlog uitbrak?
A L Mijn man was er natuurlijk niet. Wij woonden aan de Vaart, ik weet niet of u Assen kent, waar
vroeger de Witterbrug was daar had mijn man van zijn ouders een eigen huis. Daar woonden
wij.
GAb U woonde bij uw schoonouders in.
A L Nee, mijn schoonouders heb ik helemaal niet gekend. Die waren al lang en lang dood. Mijn
schoonmoeder is ook heel jong overleden. Nee, daar woonde ik alleen op dat moment. Ik was
zwanger en toen werd er gebeld op gegeven moment en daar stond mijn vader voor de deur.
Hij zegt: “Aja,” – Aja heette ik dan, mijn huisnaam – “kom maar mee. Het is oorlog.” Die was
op weg geweest naar Smilde, naar de jongens en daar hadden ze gezegd: “Hé Lunshof, waar ga
je heen?” “Ja, ik moet naar mijn knaapjes toe” zei hij. “Nou, je knaapjes komen vast niet, want
het is oorlog.” Die wist er nog niets van. Die kwam altijd bij mij langs met de fiets, dus hij
belde aan en hij zegt: “Kleed je maar aan en neem maar wat mee en kom maar bij ons.” Dus
toen ben ik naar huis gegaan en toen heeft mijn vader later de ramen allemaal met plastic
gemaakt, het hele huis met hoe heet dat, dat hele dunne hout
dochter waaibomenhout. triplex
A L met triplex, want alle ramen waren stuk door de bombardementen. Assen was gebombardeerd
GAb De kazerne?
A L Daar zijn ze mee bezig geweest. Dat is ook gebombardeerd. Maar de Witterbrug ook, die lag er
helemaal uit.
GAb Maar door wie is die gebombardeerd? De Duitsers?
A L Door de Duitsers, ja. En dus al mijn ruiten waren er uit en ze hadden overnacht, wij hadden een
prieel naast het huis staan, daar hadden ze in geslapen, de Duitsers ook. Ik had daar allemaal
niets van gemerkt, ik was blijkbaar een hele gezonde meid nog die goed kon slapen. Helemaal
niets van gemerkt.
GAb Dat was dus de eerste nacht.
A L Dat was de eerste dag van de Duitsers dat ze Assen binnenvielen. Ja, ja. Ja. Dat was een hele
gewaarwording.
GAb Maar langzamerhand gaat er natuurlijk wel wat door u heen.
A L Ja.
GAb Was dat het einde van de wereld voor u? Hoe pakt u zoiets op?
A L Nee, nee. Luister, je bent jong en je denkt niet aan het einde van de wereld. Je denkt aan
iedereen die er komt enzovoort. In Assen zagen we lijsten van de jongens die omgekomen
waren. Mijn man kwam dus wel weer.
GAb Was u gewaar dat op gegeven moment bij de Afsluitdijk zwaar gevochten werd?
A L Dat had ik gehoord, ja, ja. Via de radio ging, ik weet niet of de Duitsers toen alles al in handen
hadden, dat weet ik niet meer hoor, maar dat wist ik wel dus.
GAb Dus dubbele zorgen: èn zwanger, èn niet weten wat er met uw man aan de hand is.
A L Ja, ja. Maar het zijn wel een paar hele spannende dagen geweest. Ja.
GAb En hij kwam op gegeven moment weer thuis?
A L Op gegeven moment stond hij weer voor de deur. Ja, en toen was de oorlog voor hem over.
GAb Hij is nooit in krijgsgevangenschap gegaan?
A L Hij moest tekenen, en dat heeft hij dus niet gedaan en hij is van daaruit naar de politie in
Groningen gegaan. En daar heeft hij ook zijn pensioen gehaald.
GAb Dus formeel uit het leger.
A L Helemaal uit het leger en naar de politie toe.
GAb En?
A L En naar de politie.
GAb Hij is politieagent geworden?
A L Ja.
GAb In de stad Groningen?
A L In de stad Groningen, ja, ja. Daar hebben wij ook altijd gewoond. Daar zijn wij 17 augustus ’40
9
naar toe verhuisd
GAb En dat is die Celebesstraat?
A L Nee, nee, nee, dat was de IJsselstraat. Daar zijn wij begonnen, in de IJsselstraat zijn wij
begonnen. Met mijn schoonzuster, de vrouw, toen nog vriendin van mijn jongste broer op de
fiets naar Groningen gegaan vanaf Assen met emmers en een ragebol en veger om het huis
schoon te maken. Ik was toen ziek en 17 augustus zijn wij verhuisd, toen zijn wij er
ingetrokken, de IJsselstraat.
GAb Maar toen kwam het eerste kind er ook al bijna.
A L Nee, die kwam 8 januari. De dag voordat wij een jaar getrouwd waren is mijn zoon geboren.
Die wordt dus in januari 65 nou.
GAb Eh ja, kijk u gaat natuurlijk naar een andere woonplaats, een andere omgeving, dus zeg maar
het sociale netwerk verliest u dan een beetje. Dat is dus een verandering. Bracht die oorlog zelf
voor u ook nog een verandering in het dagelijks leven persoonlijk?
A L Ja, ik bedoel er was elke dag wat nieuws. Dan kwam dat op de bon, dan stond dat te gebeuren
enzovoort. En mijn man had heel onregelmatige diensten en zij hadden een, een hoofd van de
politie dat was Blank, nou ja die was zo fout als hij maar fout kon zijn.
GAb Improviseren dus.
A L Ja weet je, je moest overal achteraan. De dag dat ik opgepakt ben moest ik, was onze buurt aan
de beurt om vlees te halen bij de slager, dat beetje dat je dan kreeg. En dat moest je halen in de
Gelkingestraat, terwijl ik in de Celebesstraat woonde.
GAb Dus van de Celebesstraat naar de Gelkingestraat.
A L Ja, en daar moest je dus lopend naar toe.
GAb Dat is een behoorlijk eind, ja.
A L Ja. Dus daar kon je vlees halen. En dan was je aan de beurt en dan was het op, was er niets
over. Ik ben dus opgepakt en ben gelijk naar kennissen gegaan en daar hebben ze dat
GAb Daar komen we straks nog op terug. Nog niet gelijk, maar op gegeven moment krijg je dus die
maatregelen tegen de Joden in de stad Groningen. Kwam u daar wel eens in de buurt, waar zeg
maar vooral de Groninger Joden woonden? Nieuwstad, Folkingestraat?
A L Ja, daar moest je ook heen boodschappen doen in bepaalde winkels waar je dat alleen maar kon
krijgen. Natuurlijk kwam je er wel.
GAb Sprak u wel eens met ze over de maatregelen?
A L Ik heb bij Joodse mensen gewerkt en ik kende veel Joodse mensen. En mijn man had, dat was
nog bij mij thuis, toen werd er gebeld, stonden er twee dames voor de deur. “Wij komen onze
vorken en lepels ophalen.” Die hadden ze mijn man opeen avond in zijn hand gedrukt. “Wil je
die voor ons opbergen. Als wij terug komen, komen wij ze halen.” Nou, stonden ze voor de
deur. Dus dat was ook allemaal gebeurd.
[0:30:08]
GAb Het gevaar was een beetje dachten ze, van het is weer even voorbij en
A L Toen de oorlog voorbij was kwamen ze het terughalen
GAb O, na de oorlog.
A L Na de oorlog!
GAb Ja, ja. O, ik dacht nog tijdens
A L Nee nee nee, na de oorlog kwamen ze het terughalen.
GAb Ehm, ... dat is op zich, ja politieagent, en op gegeven moment, hè vanaf het begint natuurlijk 10
juli 1942, dat is de beruchte transporten vanuit de stad Groningen naar zeg maar de Joodse
werkkampen, in hoeverre was uw man daarbij betrokken?
A L Ik heb van hem daarover heel weinig gehoord en ik heb niet de indruk, want mijn man was een
hele aparte. De hoofdcommissaris kwam over de vloer, waarom? Omdat die man een hele
stenenverzameling had, uit de oudheid, trilobieten enzovoort. Mijn man deed vreselijk veel aan
muziek en aan cabaret. En jongens, officieren van de politie enzovoort, die zaten ook bij
datzelfde cabaret, kwamen ook bij ons over de vloer, en noem maar op. Mijn man heeft altijd
een aparte positie gehad.
GAb Maar was dat geen gespreksonderwerp dan? Juist als de zeg maar wat hogere
A L Natuurlijk! Maar of hij er dus zo nauw bij betrokken was dat hij mee moest doen aan die
transporten, dat heb ik nooit geweten en ik geloof nooit dat hij mee geweest is.
GAb Nee. En zeg maar uitgaande van de indeling toen, goede of foute agenten, werd daar ook intern
over gesproken?
A L Ja, daar werd wel natuurlijk over gesproken. Die was fout en die was fout, ja daar werd wel
10
over gesproken. Ja, ja. Maar goed, wij zijn dus alle twee opgepakt, maar ons huis is ook niet
leeggehaald. Ze hadden twee agenten, of twee Duitsers, nee SD-ers aan de overkant een kamer
gecharterd en daar hebben ze altijd gezeten in de tijd dat wij opgepakt waren en daar hebben ze
gekeken wie of er aan de deur zouden komen. En ons huis is ook, Blank wou niet hebben dat
zij ons huis leeghaalden. Dus toen wij terug kwamen stond alles nog in huis.
GAb Maar het werd wel geobserveerd.
A L Het werd geobserveerd vanaf de overkant, ja.
GAb Ja, nu maar eens even, u wordt op gegeven moment opgepakt. U vertelde net al, u was
A L in het Hoogstraatje
GAb vlees aan het halen in de Gelkingestraat
A L Ja, en het was 12 januari, mijn broer in Assen was jarig, en een vriendin van ons was jarig en
die woonde aan de Oosterhamrikkade en ik moest vlees halen. Ik had een brief van mijn zus en
zwager, aanstaande zwager, en die moest ik naar het Hoogstraatje brengen en dat heb ik dus
gedaan. En toen ik daar kwam, ik stond voor de deur en toen belde ik en toen stond er direct
iemand achter mij en de deur ging open, er kwam iemand van de trap, het was een
bovenwoning, beneden was een winkeltje en daar boven woonden de mensen, en die kwam de
trap af en zei: “Hallo mevrouw, kom binnen.” Ik denk: o jeetje! Nou, dus ik mee naar boven.
Toen vonden ze die brief. “Gaat u zitten. Wilt u thee? Wilt u wat anders?” “Nee, ik hoef
helemaal niets. Ik hoef helemaal niets.” Nou, gepraat enzovoort, maar helemaal niet over
datgene wat ik bij mij had of iets dergelijks. Tot goed acht uur, het was een uur of vijf, goed
acht uur hoor ik een neus snuiten. Ik denk: o jeetje, daar komt mijn man aan. Dus die hadden ze
ook. En toen hebben ze ons ’s avonds nog naar het Huis van Bewaring gebracht in Groningen.
Dus vandaar. Vanaf 12 januari ben ik daar geweest totdat wij naar Westerbork gingen.
GAb U werd verhoord?
A L Ja, door twee Amsterdamse rechercheurs.
GAb Waren ze hardhandig?
A L Niet ten opzichte van mij. Ik heb vreselijke dingen gezien, maar niet ten opzichte van mij. Ik
zeg nog weer: ik ben natuurlijk in een bepaalde positie, ik weet het niet. Ik moet er ook nog bij
zeggen: een broer van mijn vader was hoofd van de gevangenis in Groningen, eh van het Huis
van Bewaring in Groningen. Die woonde vlak bij in die huisjes daar zo. Dus daar waren
Nederlandse bewaaksters ook bij en die zeiden: “Lunshof? Lunshof?” Ik zeg: “Ja, mijn oom is
hier zo het hoofd van die afdeling” weet ik veel. En dat was toch een andere invalshoek, laat ik
het zo zeggen, een andere invalshoek. Maar goed, ik werd opgesloten in de cel. Er kwam bij
mij een mevrouw, ouder als ik was, ja wel wat, en die was zo doof als een kwartel. Dat was
achteraf een van onze bekende schrijfsters, maar ik ben de naam nu kwijt. En die ging zo
vreselijk te keer, dat de Duitsers dus die op wacht stonden, de deur open deden en zij het voor
elkaar kreeg dat de hele nacht de deur open bleef. Dat zij voor de deur stonden. En de volgende
dag zijn wij gewoon naar andere cellen gebracht. Ik heb haar ook nooit weer gezien.
GAb Waar was u opgesloten? In de Mesdag?
A L Hè?
GAb Waar was u opgesloten?
A L In Groningen, in het Huis van Bewaring?
GAb Het Huis van Bewaring. Aan de Verlengde Hereweg.
A L Ja, bij het Helperdiepje.
GAb Bent u ook nog in het Scholtenshuis geweest?
A L Ik ben niet in het Scholtenshuis geweest.
GAb Dus de verhoren vonden ook plaats
A L daar in het
GAb aan de Verlengde Hereweg.
A L Ja, dat klopt, ja. Moest je soms tussen een paar honden door lopen
GAb Ja, en u deelde de cel alleen met die ene mevrouw.
A L Nee, nee, maar een nacht. Ik ben toen ook op de zogenaamde advocatenkamer terecht
gekomen. Daar zaten we op het laatst met 22 vrouwen. Allemaal strozakken langs de kant. Die
moest je dan ’s avonds naar voren trekken, waarop je dan kon slapen. Op de dag kon je er op
zitten. Nee, dat was de zogenaamde advocatenkamer. Met ongeveer 22 vrouwen zijn wij daar
geweest.
GAb Had u nog contact met uw man?
A L Haha, mijn man zat dus ook in het Huis van Bewaring en een keer zei iemand, ze krasten wel
11
eens op de etensblikken, en toen ineens zegt zij: “Hier staat: ‘kop op, Aja.’” Ik zeg: “Ha, dat is
voor mij!” Want dat is mijn man. Hij heeft het moeten bekopen met drie dagen in eenzame
opsluiting. Want ze hadden gezien dat hij dat deed. Maar goed, ik wist dus dat hij er nog was.
Verder had ik helemaal geen contact.
GAb Nog even, u had op dat moment nog steeds één kind?
A L Ik had nog steeds een kind.
GAb En
A L O wacht even, nee, ik had er twee. Ik had er twee in die tijd. Onze Wil was anderhalf.
dochter Wij zijn van na de oorlog.
GAb Ja, maar door wie werden die op dat moment verzorgd?
A L Nou, mijn man is dus weggegaan, want het kwam allemaal weer zo typisch uit, een neef van
ons bij de Hoge Brug , zijn moeder en mijn moeder waren zusters, die speelde banjo en mijn
man had een viool, die speelde, en om de avondjes te rekken gingen ze beneden bij de buurman
gingen ze orkestje en spelen en … Hartstikke gezellig altijd, ja de mensen moesten wat hè. Die
was er, want die zou bij ons eten, want ik had uit Assen van de boerenfamilie had ik
aardappelen gekregen en boerenkool gekregen en noem allemaal maar op. En die hadden ook
geslacht, dus die hadden er wat worst bij gedaan en toen zei ik tegen Bé, Berend heette die,
“Kom wat eerder, dan kom jij vandaag bij ons eten en dan kunnen jullie muziek maken en
blijven slapen – we hadden in de Celebesstraat een redelijk groot huis – je kunt hier blijven
slapen en dan vroeg van hier naar je werk.” Dus dat is gebeurd, dus mijn man zegt: “Ja, zij is
niet teruggekomen, ik ga even heen want ik weet waar zij heen is.” Nou, die kwam ook niet
weer terug. Dus die heeft de volgende morgen om zes uur, was de spertijd afgelopen, de
kinderwagen ingepakt met een hoop luiers en een hoop kleding van de kinderen en die is met
die rijdende kinderwagen is hij naar zijn moeder gegaan en naar zijn broer die op de
Oosterhogebrug woonden. En daar zijn mijn kinderen zolang geweest. Want ik heb een keer
schoon ondergoed gekregen van mijn zuster en daar had zij boven in geborduurd ‘KOHB’,
kinderen Oosterhogebrug. Dus dat wist ik.
GAb Had u angst in de gevangenis?
A L Ja. Ik ben daar ook, wij hadden, wij gingen luchten en ik voelde mij die morgen niet helemaal
goed en het was een heel klein binnenplaatsje en je was met 22 vrouwen. Dan ging de helft
altijd op een bankje zitten en wat niet zitten kon dat stond er achter. En toen, ik voelde dus al ’s
morgens dat ik niet heel lekker was, ik ben van die bank af gevallen, voorover, maar met mijn
armen en mijn benen helemaal gespreid, en die konden ze niet bij elkaar krijgen, helemaal
verkrampt. Helemaal verkrampt. Dat vertelden ze later dat ze mij zo de deuren in gekregen en
naar ons onderkomen gebracht. Daar hebben ze twee doktoren van het katholiek ziekenhuis dat
daar vlak bij was, twee doktoren opgehaald en die hebben mij injecties gegeven dat mijn
verkramping over ging. Aan beide kanten van mijn bed stond een Duitse, een Duitse vrouw
dus, want ze mochten absoluut niet met mij praten. Ik mocht ook niets zeggen. Nou goed, een
van die doktoren streek met zijn hand over mijn hoofd en mompelde: “Het komt allemaal goed,
het komt allemaal goed.” Met andere woorden: wees maar niet bang, het komt allemaal goed
met jou. Maar wat het geweest is, weet ik niet. Het was een totale verkramping.
[0:40:42]
GAb Ja, maar ik bedoelde met de vraag eigenlijk: angst van, ehm het feit: u zit in de gevangenis
A L Ja natuurlijk, je hebt je kop bij de kinderen. Mijn zuster in Assen was opgepakt en naar
Duitsland gevoerd, mijn broer in Assen was opgepakt en ... Het ging allemaal om mijn zuster.
Mijn zuster was liggend bovenop een trein, liggend van Duitsland, die zat met een Haagse
ingenieur in Duitsland, liggend op de trein terug gekomen. Werd gearresteerd op het station,
moest mee naar het Scholtenshuis. Heeft net zo lang, en nu zeg ik een vies raar woord, tegen
die Duitsers zitten te lullen dat ze haar vrij lieten met de belofte dat ze ’s morgens om acht uur
terug zou komen.
GAb En wat deed uw zus in Duitsland?
A L Die was voor hun groep, en dat was waar het allemaal om draaide, dat was de NID, de
Nederlandse Inlichtingen Dienst, vanuit Amsterdam en die waren van daar uitgezonden met
een Haagse ingenieur. Ze heeft van mij, ik had dus mooie lepels en vorken, vorken en messen
meegenomen en alle dingen die ze daar gebruiken moest, dat kwam ze allemaal bij mij halen.
Dat is natuurlijk nooit weer boven water gekomen, dat is natuurlijk zonde, maar dat geeft niets.
Die hebben mijn latere zwager opgebeld en die is met de fiets uit Zwolle gekomen, alle
grenzen waren bewaakt, maar het is hem toch gelukt om haar naar Zwolle te brengen en
12
hebben ze vanaf die tijd tot na de oorlog naast de SD in Zwolle gewoond. Daar hadden ze een
kamer.
GAb Wat voor, voor eh idee had u toen u in de gevangenis zat? Van: ik word elk ogenblik weer
vrijgelaten, of van de oorlog is zo afgelopen?
A L Doordat er dus ook een Hollandse bewaakster bij was die wist dat ik familie was van hun baas,
laat ik het maar zo zeggen, zeiden ze nog wel eens wat. Nou, die-en-die is doodgeschoten en
nou, potverdikkie het wordt wat hier. Maar ja, weet je, er gebeurt zo veel. Er gebeurt zo veel.
Je zit voor elk kruimeltje brood zit je van je bordje af te halen, want je kreeg dan een plakje
brood, daar moest je het mee doen. En ik bedoel maar, er was zo veel. Er werden spelletjes
gedaan, er werden raadseltjes opgegeven om de dag maar te doden en er was zo veel te praten
met andere vrouwen. En er was een hele jonge vrouw nog met een kindje die woonde in
Harendermolen en die hadden een bloemkwekerij met grote vijvers en de hele santemekraam.
Die was doods- en doods- en doodsbang. Daar onder waren er een paar die waren jonger nog
en de rest was allemaal veel ouder. Ik was 28. Dus daar heb ik heel veel mee gepraat, heel veel
mee gepraat. En je hield elkaar dan toch inderdaad ... Maar ja, toen kwam er iemand binnen die
zat onder de luizen, dus wij moesten allemaal beluisd worden. Dan was het de hele dag van:
‘Laat mij eens kijken bij jou.’ ‘Heb jij ze al?’ ‘Heb jij ze al?’ Dus ik bedoel maar, er was altijd
wel wat.
GAb Jullie hadden wel veel steun aan elkaar.
A L Ja, wel de groep die uiteindelijk overbleef, want er zaten vrouwen bij die zeiden van ‘Wij
hadden zoveel spek in huis, dat hebben wij maar onder het matras gelegd. En dat hebben ze
niet gevonden toen ze kwamen huiszoeking doen.’ En al die dingen meer. Zwarthandelaren.
Van alles zat er tussen. Van alles zat er tussen. Later is dat allemaal op gegeven moment er
weer uit gegaan en dus ... Lang niet alles is mee naar Westerbork gegaan hoor.
GAb Hoe veel uiteindelijk?
A L Zestien.
GAb Zestien van ..?
A L Van de groep. Ik weet niet, het kan ook zijn dat op dat moment er 28 waren, ik weet het niet
meer. Maar het waren dus ook heel veel
GAb Hoe wist u dat het er zestien waren uiteindelijk?
A L Nou, omdat wij met nummer 100 begonnen. Omdat wij allemaal een nummer kregen. Ja. En
trouwens, wij zaten met zestien in de bus.
GAb Ja. Kunt u dat beschrijven, vanaf het moment ..? U staat op ’s morgens en krijgt dan te horen:
“U gaat naar Westerbork.”?
A L Nee nee nee, dat was in de loop van, tegen de avond. Toen kwam een bewaakster binnen, een
Hollandse ook, en die zei van: “Ik ga namen opnoemen, en die moeten hun spulletjes bij elkaar
pakken, want die gaan hier weg.” Maar ze zei dus niet waarheen. Dat wist zij misschien ook
niet hoor. Dus zij begon alfabetisch. En de ‘L’ ging voorbij. Ik denk: o, ik dus niet. Dus ik denk
al. En toen zei zij, ze had alles al afgelezen, zegt ze: “Lunshof, jij ook.” Ik denk: nou, pech.
Want we wisten niet waar het heen ging. De een zegt: naar Leeuwarden, naar de gevangenis, of
naar Delfzijl, of weet je wat. Want wij moesten niet die kant uit, want daar waren de
Canadezen al betrekkelijk dicht bij. Van die kant kwamen ze.
GAb Over welke datum praten we nu?
A L Wij praten over de datum van, ik denk 5 juli, eh, 5 april.
GAb 5 April?
A L 5 April zijn wij volgens mij ’s avonds weg gegaan. In ’45 natuurlijk.
GAb Dat was inderdaad kort voor de bevrijding.
A L Kort voor de bevrijding. Wij hebben maar een paar dagen daar gezeten.
GAb Met z’n allen in een bus?
A L met z’n allen in een bus
GAb Bewaking?
A L en de ramen van de bus waren geblindeerd. Dus wij konden ook niet zien welke richting wij uit
gingen.
GAb En in de bus waren bewakers?
A L En in de bus waren bewakers.
GAb Waren dat Nederlanders? Duitsers?
A L Het waren Duitsers, Duitse vrouwen die mee waren en er waren Duitse soldaten.
GAb Die waren bewapend?
13
A L Pfft, daar vraag je me wat. Het zal wel, maar ik weet niet.
GAb Met andere woorden, u kon de hele route kon u niets zien.
A L Wij wisten absoluut niet welke kant wij uitgingen. Absoluut niet.
GAb En op gegeven moment de bus uit stappen.
A L Nou ja, toen kwam je van: vlug, vlug, vlug, in de barakken een beetje, een beetje dinges ... We
hebben niets gezien van de hele omgeving.
GAb Was het overdag of ’s avonds? ’s Avonds hè.
A L ’s Nachts.
GAb Was het verlicht bij het uitstappen?
A L Nee, het was allemaal hartstikke donker.
GAb Het was pikke-, pikkedonker?
A L Ja.
GAb U werd bijgeschenen met zaklantaarns?
A L Ja, ergens hebben ze dus wat lampen aan gedaan, maar voor mijn gevoel waren de ramen ook
geblindeerd en er scheen niets naar buiten. Maar daar stonden allemaal stapelbedden en nou, je
moest maar een bed opzoeken. Klaar, af. En dat was alles. En de volgende morgen om zes uur
was het opstaan en weg wezen.
GAb Maar even hè, u komt dus zo een barak binnen. Waren er ook anderen in die barak op dat
moment?
A L Niet in deze barak.
GAb Weet u het nummer nog van de barak?
A L Nee, daar weet ik niets van.
GAb Dus jullie waren als enigen, stapten jullie ..?
A L Maar dat staat wel in dat artikel van die daders, die weten het
GAb Maar jullie kwamen dus als enigen in die barak?
A L Ja, maar daar waren dus al een heleboel. Die waren ergens anders.
GAb Precies, die zaten in andere barakken.
A L Ja. Ja.
GAb Ehm, wist u op dat moment waar u was? Of nog steeds niet?
A L Nou, ik geloof dat er een goochemerd was die zegt van: “Volgens mij zitten wij in
Westerbork.”
GAb En hoe kwam die persoon daar op?
A L Nou, het was natuurlijk voor ons als niet-Joodse mensen, wat moeten wij in Westerbork? Dus
wij zeiden al van: “Wij zullen dezelfde weg gaan, met de trein”, want dat wist je in de loop der
jaren wist je dat dus allemaal van die treinen. Dan staat het er voor ons niet best voor. Maar
goed, ik bedoel
GAb Maar hoe kwam die persoon nou überhaupt aan Westerbork, aan de gedachte dat u in
Westerbork was?
A L Ja, dat weet ik dus niet. Dat weet ik niet.
GAb Het moment dus dat u, u had uw gewone kleren, uw eigen kleren aan van Groningen naar de
barak?
A L Ja.
GAb Wanneer is het moment dat u een overall aan moet?
A L De volgende dag. Toe werd ons haar geknipt, allemaal een kort kuifje zo, en kregen wij een
overall aan. En onze kleren werden opgeborgen.
GAb En hoe kom je dan, u kreeg uiteindelijk het nummer 104.
A L Ik kreeg 104. Dat stond al op die overall.
GAb Die stond al op de overall?
A L Die zat vast op de overall.
GAb Precies. Op basis daarvan staat u op de lijst.
A L Sta ik op de lijst. Ja, ja.
GAb Hoe moet ik dat voorstellen? U lag in bed ’s morgens
A L Ik lag driehoog.
GAb U lag driehoog. Waarom driehoog?
A L Er lagen drie
GAb Waarom driehoog? Deed u dat bewust?
A L Ja, want ik denk: dan heb ik een beetje meer lucht.
GAb Oké. Dan werd u ’s morgens gewekt?
14
A L Nou met veel bravoure en charme was het niet hoor.
GAb Wat zegt u?
A L Ik zeg: het was niet met veel bravoure en charme, dat wakker maken hoor.
GAb Nee, maar hoe moet ik mij dat voorstellen. Meerdere mensen komen de barak binnen?
Mannen, vrouwen?
A L Ja, en dan moest je opstaan.
GAb Ja.
A L Dan moest je opstaan. Alleen vrouwen hè. Wij hebben nooit een man gezien.
GAb
[0:50:04] Dat waren alleen vrouwen? Maar waren dat Nederlanders, waren dat Duitsers? Waren dat
Joden?
A L Dat waren Duitse vrouwen.
GAb Duitse vrouwen.
A L Nee, ik heb nooit één Joodse vrouw gezien.
GAb Die ook met de bus waren meegegaan?
A L Die ook met de bus meegegaan waren.
GAb En die wekten u de volgende dag.
A L Ja, ja.
GAb Die gaven jullie een overall?
A L En die gaven ons een overall, daar kregen wij brood van, een stukje brood en een kop drinken
kregen we daarvan en wij moesten verder al onze bezittingen inleveren. En mijn man die heel
veel met muziek ging, die ging ook uit spelen enzovoort enzovoort, hij had een heleboel
recensies, die had hij in zijn zak, en die heeft hij toen wij in de auto zaten op weg naar het Huis
van Bewaring, heeft hij dat bij mij in de zak gestopt want hij denkt: ‘ze laten jou wel lopen en
dan ben ik alleen, want ik wil die dingen graag bewaren.’ Nou goed, die hebben ze zo, voor de
ogen van mij en (...), hebben ze die stuk voor stuk stukgescheurd.
GAb Pesterij.
A L Ja, pesterij. Maar dat gaf allemaal niks.
GAb En wat moesten jullie toen doen, toen je eenmaal die overall had aangetrokken?
A L Nou,
GAb Dat ging over je normale kloffie aan?
A L Nee, de kleren moesten wij inleveren. Moesten wij inleveren. Eh, ze hadden, ze wisten dus dat
ik ziek was, ik had zo een kluit hier hangen want ik had dus een infectie opgelopen, en toen
liep ik dus bij die Duitse arts, terecht gekomen die mij
GAb Vertelt u daar eens wat over
A L Ja, eh...
GAb U ging naar de arts, of de arts kwam bij u?
A L Waar hij vandaan kwam weet ik niet, maar op gegeven moment was hij in een apart gedeelte
van die barak en daar moest ik heen.
GAb Maar in de barak waar u op dat moment zat?
A L Ja, ja.
GAb Had u ook op dat moment de buitenkant van de barak al gezien, of was u nog steeds alleen
maar in de barak geweest?
A L Alleen maar in de barak geweest.
GAb En op basis van dat gezwel, van die infectie kwam dus die arts naar u toe.
A L Ja. Ja. Ja. En daar kreeg ik medicijnen van.
GAb Dat was een Joodse arts?
A L En dat was een Joodse arts
GAb Hij stelde zich voor?
A L Hij stelde zich voor, maar de naam was ik kwijt, maar ik hoorde van u dat hij Wolf heette, dat
dat hem moet zijn.
GAb Wat was het voor een arts dan?
A L Een hele lieve en vriendelijke man.
GAb Ik bedoel niet als persoon, maar specialisatie.
A L Een kinderarts. Wat ik weet hoor. Het was een kinderarts.
GAb En hij onderzocht u?
A L En hij keek dus naar mijn gezwel enzovoort enzovoort, en die gaf mij daarna alleen, kreeg ik
medicijnen. Die waren daar schijnbaar nog heel goed in voorraad. Ja.
15
GAb En dat hielp?
A L Ja inderdaad. Dat gezwel was al heel goed weg. Maar goed, ik mocht dus daardoor niet in de
afdeling van de batterijen, hè want dat was allemaal vuil, vuil, vuil, en ik moest dus
sigarettendozen, waar zilverpapier in zat, moest ik dat eruit halen. Vandaar dat ik dus de hele
dag geen contact had met de andere vrouwen.
GAb Dat wat u moest doen, dat was in de barak zelf, of ging u naar een andere barak?
A L Ook in de barak, nee ook in de barak. Ja.
GAb Dus er werd een hele partij van die sigarettendozen
A L O, een berg! Een berg!
GAb Hoe werd dat aangevoerd? Door mensen
A L Nou ja, dat lag er. Dat lag er.
GAb En hoe wist u uiteindelijk dat andere, met die batterijen, smerig werk was?
A L Die kwamen ’s avonds terug om op hun strozak te kruipen.
GAb Ja, en?
A L Pikzwart.
GAb En pikzwart.
A L Pikzwart.
GAb En er was geen mogelijkheid om te wassen?
A L Er was geen water. Er was geen water voorhanden. Voorhanden niet. Dat hebben we
afgespoeld allemaal in Grijpskerk, in de badkuip van de melkfabriek.
GAb U was daar alleen werkzaam in die fabriek, of in de barak sorry, zilverpapier
A L Na twee dagen of zo is er nog een heel oude dame bij mij geweest, die kon ook niet meer, die
was af, die was op.
GAb Was er altijd iemand bij u?
A L Eh, er zat wel altijd iemand bij ons, ja.
GAb Ja, u kon dus niet even stiekem de barak uit en om de hoek kijken.
A L Nee, nee, nee. O nee hoor.
GAb Dus u heeft al die dagen ook geen daglicht gezien.
A L Ik heb al die dagen ook geen daglicht gezien, nee.
GAb Hoe was het eten?
A L Goed. Goed. Dat werd door de Joden gekookt en in grote gamellen gebracht en dat werd dan
voor de deur gezet en dan hadden de vrouwen die dus de gamellen bij de deur weghaalden wel
eens even contact met die mensen hè. Dan hoorde je nog eens wat van: jongens, ze zijn vlakbij
en dit en dat.
GAb En zo hoorde u ook dat u in Westerbork zat.
A L En toen wist ik dus dat ik in Westerbork zat.
GAb Maar die vrouwen die dat brachten, dat waren Joodse vrouwen
A L Mannen.
GAb Mannen, die waarschijnlijk uit de centrale keuken
A L Ja. Uit de centrale keuken brachten die. En dat was allemaal in grote gamellen en die werden
voor de deur gezet.
GAb U had een etensbak?
A L Wij hadden een etensbak, ja.
GAb Die had u ook gekregen met de overall?
A L Ja, ja.
GAb Dus eigenlijk elk moment als die mannen dan het eten kwamen brengen, werd u dus ook,
werden jullie dus als het ware dus ook op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen.
A L Ja, ja, als zij de moed hadden om dat te vertellen en er stond dus geen hogere bij zeg maar, dat
gauw wat aan die vrouwen die de gamellen bij de deur weghaalden dan wat vertelden van hoe
de toestand was. En toen bleek dus twee dagen later dat er al zoveel mensen weg waren uit
Westerbork en dat er eigenlijk al haast geen leiding meer was
GAb Hoe was de stemming onder die ..?
A L Nou, de stemming werd vrolijker, toen wij hoorden dat
GAb Door dit soort berichten.
A L Ja, natuurlijk.
GAb Dus dat oorspronkelijke idee van: wij worden mogelijk doorgestuurd, dat ook verdween?
A L Nee dat niet, want die angst zat altijd nog op de achtergrond wat ze met ons van plan waren.
Maar ze zaten hartstikke met ons in hun maag natuurlijk, vandaar dat eindeloze geloop en
16
gesjouw enzovoort enzovoort. Want alles wat, wat oorlog voerde dat kwam allemaal heel dicht
bij Westerbork. Want wij zijn dus de twaalfde of de dertiende daar weggegaan en de volgende
dag stonden de Canadezen, die zaten al in Westerbork
GAb Hadden jullie het gevoel dat jullie de enige politieke gevangenen waren op dat moment?
A L Ik heb nooit geweten dat er veel meer vrouwen zaten.
GAb Wanneer kwam u daar achter?
A L Toen wij, toen wij in de rij moesten gaan staan. En we geteld moesten worden iedere keer.
GAb Wanneer speelde zich dat af?
A L Nou, ’s avonds tegen een uur of negen.
GAb Het was donker?
A L Ja, smerig zeg maar. Wij zijn pas gaan lopen toen het donker was.
GAb Dus het was schemer. Dan komt er iemand uw barak binnen en die vertelt
A L Die vertelt dat wij de spullen bij elkaar, niet te veel, maar wel een deken mee moesten nemen
en nog wat, dat weet ik al niet meer, o ja, een etensbak.
GAb Overall aanhouden
A L En overall gewoon aanhouden en de rest moesten we allemaal maar laten liggen. Hebben we
niet gedaan natuurlijk, maar we hadden niet zo veel.
GAb Toen moesten jullie verzamelen.
A L En dan moesten wij verzamelen, in een lange rij gaan staan, werden we steeds geteld en misten
er weer twee
GAb Had u op dat moment oog voor de omgeving?
A L Nee.
GAb Kon u de omgeving zien?
A L Nee.
GAb Maar u schrok van het aantal vrouwen?
A L Ja, op gegeven moment zie je dat er veel meer vrouwen zijn dan jij alleen met je zestienen. Ja,
ja.
GAb Wat werd er toen tegen jullie gezegd, toen jullie eenmaal in de rij stonden?
A L Dat wij op pad gingen, niet waar wij naar toe gebracht zouden worden.
GAb Wat voor schoenen had u?
A L Nou, ik denk een beetje makkelijke schoenen, want anders had ik het niet volgehouden.
GAb Die u waarschijnlijk ook al aanhad toen u
A L Die had ik al aan en die heb ik al die maanden gehad
GAb in Westerbork aankwam.
A L Ja, maar ook voor ik het Huis van Bewaring binnenkwam.
GAb Oké, maar die heeft u dus niet hoeven afstaan.
A L Nee. Nee, we moesten wel klompen daar dragen.
GAb Tijdens het werk.
A L Die vrouwen in de, ik geloof niet dat ik klompen aan heb gehad.
GAb Zeg maar al die dagen tot aan dat appèl hè, alle vrouwen werden verzameld, heeft u hetzelfde
werk gedaan?
A L Ik heb niets anders gedaan als zilverpapier verzamelen.
GAb Al die dagen is ook de dokter, of zeg maar de kinderarts langs geweest?
A L Ja. Of hij elke dag geweest is, de laatste twee dagen niet meer omdat ik zo veel beter was, dat
weet ik eigenlijk zo niet meer. Ik geloof dat hij, in ieder geval heb ik hem drie, vier keer
gezien.
GAb Maar in ieder geval, het moment van appèl is de eerste keer dat u überhaupt de barak uit gaat.
A L Ja.
GAb Dan worden de vrouwen geteld
A L Ja, dan ontbreken een paar, die hebben zich verstopt en dan zeggen ze: “Als jullie niet gauw
komen, dan gaat elke tiende vrouw van deze rij, die schieten we dood.” Nou, je hoopte dat je
niet de tiende was. (lacht)
GAb Jullie stonden in groepjes.
A L Wij stonden in een hele lange rij.
GAb Maar een-een
A L Een lange rij.
GAb Dus naast elkaar alleen
A L Ja, ja, ja. Maar goed, die twee vrouwen die weg waren, die hebben zich ook weer gemeld, die
17
kwamen weer voor de dag, en toen zijn we dus op pad gegaan, allemaal in groepjes van een
man of negen met allemaal Duitse mannen rondom.
GAb Wat waren dat voor mannen?
A L Oude mannen. Die de oorlog zat waren
GAb Dus die straalden weinig gezag en
A L helemaal niets. En doodsbang. Doodsbang. Want die eerste nacht liepen wij dus helemaal tot
voorbij Assen. Daar zijn wij in een boerderij gekomen en nou, daar moesten wij slapen, met
een hele kring van Duitse soldaten erom toe, en daar moest voor eten gezorgd worden, daar
moesten we aardappelen schillen enzovoort, en daar werd voor ons gekookt allemaal. Maar
omdat die Canadezen allemaal al zo dicht bij waren, zijn wij de volgende dag dus weer, alleen
’s avonds en ’s nachts hebben ze al boerenkarren gehuurd voor de alleroudsten die niet meer
konden lopen, en die hebben ze in de loop van de middag al weggebracht
[1:00:43]
GAb Maar hoorden jullie dat de Canadezen dicht bij waren?
A L Ja, dat hoorde je. Maar als je het niet hoorde, iedereen had het er over. Iedereen had het er over.
GAb Kwam u ook mensen onderweg tegen? Want jullie liepen midden in de nacht liepen jullie in
feite.
A L Ja, maar niemand wist wie wij waren. Zij dachten allemaal dat het NSB-vrouwen waren, die op
weg waren naar veiliger oorden.
GAb En op basis waarvan dachten ze dat dan?
dochter kaalgeschoren hoofden
A L Omdat ze helemaal geen idee hadden dat er zo veel vrouwen in Westerbork hadden gezeten. Of
in de gevangenis hadden gezeten.
GAb Ja. maar
A L Dat wist de doorsnee
GAb NSB-vrouwen onder Duitse bewaking is niet helemaal logisch
A L Nou, NSB-vrouwen, nou de bewaking was zo: ten eerste allemaal oude mannen en ten tweede,
die liepen dus bij ons, want die, ja die moesten bewaken, maar ook gevluchte Duitsers, ze
vluchtten! Want die Canadezen kwamen er aan, het waren allemaal vluchtelingen!
GAb Ja, op die manier. Maar ja, ze zagen toch dat jullie allemaal overalls aan hadden.
A L Ja, maar wat zegt ze dat? Wat zegt ze dat?
GAb Die boerderij, dat was een, wat was dat voor boerderij waar jullie ..?
A L Dat was een NSB-boer. Een hele grote schuur, waar we dus in waren
GAb Jullie sliepen op de grond?
A L Wij sliepen gewoon op de grond. Hij had stro neergelegd en daar sliepen wij allemaal op.
GAb Er was geen vee in de schuur?
A L Wat zegt u?
GAb Er was geen vee in de schuur?
A L Nee, nee, nee, hij heeft de schuur helemaal moeten ontruimen. Plaats moeten maken voor die
vrouwen plus een heleboel militairen.
GAb U heeft al die tijd moeten wachten tot de schuur klaar was?
A L Dat was al gebeurd toen wij onderweg waren. Toen wij kwamen was het klaar. Daar heeft hij
dus opdracht toe gekregen om dat ... Maar ik heb nog eventjes van iemand van het personeel
dat op de boerderij rondliep gevraagd of hij ook potlood en papier of zo voor mij had, want ik
was voorbij familie van mijn vader gekomen. De woonde daar ook. Ik heb een briefje kunnen
schrijven en dat heeft hij inderdaad bij de familie Vos bezorgd. En na twee dagen wisten mijn
ouders het. Ik ben ook voorbij het huis van mijn broer gekomen, die in de Groningerstraat
woonde in Assen. Daar ben ik ook langs gekomen, al lopende dus.
GAb Maar die sliepen toen nog.
A L Die sliepen, het was hartstikke nacht. En toen wisten mijn ouders dus, want mijn moeder had
zolang als ik opgepakt was, had zij twee Duitse soldaten in huis. Waar zij heen ging,
boodschappen halen, een brood halen bij de bakker, gingen ze mee. Dus maar goed, dat
familielid van mijn vader dan, die heeft dus dat briefje daar bezorgd en wisten ze dus dat ik er
nog was en dat ik onderweg was, op weg naar Groningen. Want wij dachten, waar wij heen
gaan weten wij niet, misschien weer naar het Huis van Bewaring, ja weet je veel. Dat wij over
de Afsluitdijk zouden gaan moeten, dat was, dat kwam in ons niet op.
GAb Jullie dachten meer richting Duitsland?
A L Ja. Ja.
18
GAb Hoe ging het na Assen? Ook lopen? De volgende dag zeg maar. Want jullie hebben ’s nachts
gelopen
A L Daar zijn wij in de loop van de middag weer weggegaan, ja.
GAb Ja, en dus overdag sliepen jullie daar.
A L Ja, en toen op gegeven moment, ik denk dat het een uur of vier was, toen werd bevel gegeven
dat wij op moesten staan en dat wij de spullen bij elkaar moesten pakken, want dat wij nu al
onderweg waren. Maar toen hoorde ik dat Westerbork al bevrijd was. Zo dicht zaten ze ons op
de hielen.
GAb Waren er ook mensen die de benen hadden genomen?
A L Er waren ook vrouwen die de benen hadden genomen, ja. En toen liepen wij overdag, met
vliegtuigen van de Engelsen boven ons. Nou dan moest je eens kijken hoe bang of die Duitsers
waren en die schoten de slootkant in! En wij moesten zogenaamd blijven zitten daar of blijven
staan. Maar wij schoten ook die slootkant in. Dat is logisch natuurlijk. Maar dat is allemaal
goed gegaan, daar is niets mee gebeurd.
GAb Jullie zijn geen enkel moment beschoten?
A L Nee, nee.
GAb Kunt u de route beschrijven naar Assen? Weet u dat nog, welke plaatsen zijn aangedaan?
A L Het was stikdonkere nacht! Het was hartstikke donker! We hadden ook geen verlichting, want
er brandden geen lantaarnpalen. Er brandde toch helemaal niets, in de oorlogstijd niet.
GAb Zelfs het naambordje was niet te lezen.
A L Was niet te lezen, was niet te lezen. Je moest ook maar zien, want je liep in een lange rij, dat je
de andere niet op de hielen trapte en je moest maar zien dat je je voeten goed neer kon zetten.
Ik bedoel maar, het was helemaal geen gedachte die bij je opkwam om in de omgeving te
kijken, want het was hartstikke donker. En wij hadden toch nooit verlichting! Als mijn man en
ik ’s avonds weggingen, dan moest de zaklantaarn mee.
GAb Hoe wisten de bewakers de weg dan?
A L Ja, ik denk dat die de weg al vaker gelopen hadden.
GAb Maar die hadden licht bij zich?
A L Dat weet ik niet.
GAb Maar zeg maar als je die hele stoet hebt hè, waar liep u ongeveer? In het midden? Achter?
A L Ik liep in het laatste, ja vrij het laatste gedeelte liep ik.
GAb En dat werd afgesloten door een aantal bewakers, die stoet.
A L Ja. Maar die liepen ook tussen ons in allemaal. Het was zo een beetje groepsvorming hè. En die
hadden dus opdracht om te zorgen dat die negen vrouwen meekwamen hè. Groepjes van negen
was het ongeveer. Die moesten zorgen dat die vrouwen, die negen vrouwen overal als ze weer
geteld werden, dat ze er waren. Die waren verantwoordelijk gesteld voor het weglopen, als wij
weg zouden willen lopen, want ik heb het nog
GAb Hoe komt u nou aan negen?
A L Nou dat is allemaal groepsvorming
GAb Het kunnen er ook tien geweest zijn?
A L Het kunnen er ook tien geweest zijn, dat weet ik dus niet. Ik geloof dat het er een stuk of negen
waren.
GAb Op gegeven moment komen jullie in de buurt van de stad Groningen
A L Ja, ja. En daar was het zo stil, zo verschrikkelijk stil in die stad.
GAb Dat was ook midden in de nacht?
A L Ja. Terwijl dus natuurlijk de stad vol zat met Duitsers
GAb Maar toen jullie dus vertrokken uit, bij die boerderij in de buurt van Assen, toen zijn jullie in
één ruk doorgegaan naar Groningen?
A L Ja, toen hebben we eerst in Vries hebben wij gerust ja, ook daar konden wij plassen, en dat
moest bij bewoners, die allemaal de rug naar ons toekeren, die wilden niets van ons weten,
want die dachten ook dat wij allemaal NSB-vrouwen waren. Totdat op gegeven moment hun
werd verteld wat of er was, toen was het een grote vreugde. En daar dus hebben wij dus gerust
en ook wat gegeten. En toen zijn wij dus verder door gegaan.
GAb Dat was een behoorlijke afstand.
A L Ja. Een heel eind. Een heel eind.
GAb Maar ik begrijp, er waren al karren voor slecht ter been zijnde
A L Voor de slechte lopers. Zij charterden boerenkarren en met paarden er voor, en daar waren hoe
langer hoe meer vrouwen, er waren een heleboel vrouwen bij die al in de zeventig waren, en
19
noem maar op hoor. En die al veel langer in Westerbork hadden gezeten
GAb Maar, toen gingen jullie vervolgens niet naar het oosten, maar het westen. Was dat een
opluchting?
A L Toen gingen we naar Hoogkerk
GAb Was dat een opluchting?
A L En toen zeiden wij ook: “Waar komen we nou uit?” Dus kijken en verder lopen en toen
hoorden we dat we over de Afsluitdijk zouden gaan.
GAb Dat was voor u natuurlijk een relatief bekende omgeving
A L Ja, ja. En wij liepen verder ook overdag. Maar die commandant op de motor, die vloog van de
ene commandant naar de ander, maar die was al weg, en die is naar Groningen geweest, en die
is naar Leeuwarden geweest om te vragen wat hij nou in godsnaam met die vrouwen aan
moest. Daar wist hij geen raad mee.
GAb Dat was de enige mobiele persoon zeg maar.
A L Ja, die was op de motor, die reed dus van ons naar Groningen, naar een hogere zeg maar, en
naar Leeuwarden. Maar toen bleek dat ze gevlucht waren, van de leidinggevenden zeg maar.
Dus, maar die man wist zich geen raad met ons.
GAb En jullie liepen maar naar het westen en het westen en het westen. En je dacht: ik moet straks
de Afsluitdijk over
A L Ja, dat was de bedoeling, maar ja, toen hoorden wij
GAb U dacht dat u dat zou redden? Als u dat had moeten doen? Over de Afsluitdijk?
A L Lopende? Jawel, ik was 28 en ik was in een redelijk goede conditie.
GAb Jawel, maar u had wel een zware ontsteking achter de rug.
A L Ja, maar acht, daar prakkezeer je helemaal niet over. Mijn lichaam denkt, kijk als je geest het
wil, wil je lichaam wel met je mee.
GAb Kunt u het moment van de bevrijding beschrijven?
A L (lacht) Wij moesten allemaal aantreden ’s morgens. Ik denk: o jezus, nou gaat het gebeuren. En
wij stonden daar allemaal en toen vertelde die ene, ik geloof dat hij Gemmeker heette, ik weet
het niet meer, die zei dat wij vrijgelaten werden.
GAb Wat dachten jullie eigenlijk oorspronkelijk, toen jullie je daar allemaal moesten opstellen?
Gingen er andere gedachten door je hoofd?
A L Nou, nou gaat het gebeuren. Wat ze dus van plan waren. Want omdat wij witte banden erom
hadden bleek dus dat de bedoeling was dat wij doodgeschoten zouden worden. Dat was de
bedoeling.
[1:10:04]
GAb Maar daarvoor ging het gerucht dat jullie naar de Afsluitdijk gingen.
A L Ja, over de afsluitdijk en naar het westen zouden we gaan.
GAb Om vervolgens doodgeschoten te worden?
A L Dat was de bedoeling. Wat wij dus hoorden.
GAb Dat gerucht ging.
A L Ja, ja. Maar goed, zij konden ons daar nooit meer krijgen want vanuit
GAb De Canadezen zaten jullie op de hielen.
A L Die sloten ons helemaal in. Dus zij zijn hals over kop allemaal gevlucht.
GAb Ja, jullie waren eigenlijk een blok aan het been.
A L Natuurlijk. Die vrouwen werden dood- en doodmoe en ze waren oud. Ik bedoel, het was een
verschrikkelijke stoet langzamerhand. Een verschrikkelijke stoet.
GAb Dus, kunt u dat nog even herhalen? U moest dus verzamelen, en toen?
A L Wij moesten verzamelen en daar werden wij toegesproken en zei hij dus uiteindelijk dat hij ons
vrij zou laten op eigen risico. Dus als er een Duitse soldaat aankwam die denkt: hé, ik weet
niet, ik schiet haar maar dood, dan was het onze eigen schuld.
GAb Ja.
A L Dan kon hij daar niets aan doen, want ze hadden geen controle meer over ons en wij hadden
daardoor ook geen bescherming meer.
GAb Ja. En wat besloot u toen vervolgens om te gaan doen?
A L Nou, ik wist dat Groningen nog niet bevrijd was, dus wij zijn terug gegaan naar Grijpskerk en
daar zijn wij ongelofelijk onthaald door de bevolking, met lekkere hapjes en eten en drinken en
noem allemaal maar op. Het was ongelofelijk. Dat was de zaterdag. En de zondagmorgen, we
hadden allemaal weer in een grote boerenschuur geslapen en met ontbijt ’s morgens,
ongelofelijk,
20
GAb U sliep in schuren, of ..?
A L Ook weer in schuren, ja. Waar moesten ze met al die vrouwen naar toe?
GAb Ja, ja.
A L Een paar waren al weg. Eentje bijvoorbeeld die in Zuidhorn woonde, dus die was vlakbij en
ging naar huis. Er waren ook een paar naar Groningen toe op oude fietsen geleend. Maar ik ben
dus dinsdags naar Groningen gegaan, toen was Groningen bevrijd. Dat wist ik. In een auto met
achterop een stookinrichting voor hout. Een prachtige bus was het, en die werd gestookt met
hout. Daar hebben wij, ben ik onder andere, met nog meer vrouwen die die kant uit gingen, met
die bus. En die hebben ons aan de Friesestraatweg uitgeladen. Daar woonde een meisje die ook
bij mij in het Huis van Bewaring had gezeten en daar heb ik een fiets geleend, zonder banden,
dus in mijn overall, met mijn plunje zakje, met een zakje met rotzooi. En toen ben ik door het
plantsoen gefietst. Daar lag een dode Duitser, en daar lag een dode Duitser, en ik maar fietsen.
GAb Welke dag was dat? Welke datum? Was dat 16, 17 april?
A L Dat was 17 april.
GAb Dus de dag na de bevrijding van de stad.
A L De dag na de bevrijding de stad, ja, ja. En toen ben ik dus door het plantsoen gegaan. Wij
woonden toen in de Celebesstraat, en daar ben ik de Korreweg op gefietst en daar zag ik mijn
man aankomen.
GAb Die was dus al vrijgelaten.
A L Die had al die tijd in Spijk gezeten, hoorde ik achteraf. En die was al voordat Groningen
beschoten werd, was hij al vrijgelaten, hadden zij die jongens allemaal al vrijgelaten.
GAb Maar ook een soort mars als het ware heeft hij door moeten maken.
A L O ja, van waar zat hij
GAb Het Huis van Bewaring
A L Ja. En toen zag ik mijn man aankomen. Nou goed, ik had helemaal geen stem, ik kon geen
geluid uitbrengen, dus hij fietste mij zo voorbij in mijn overall met een plukje haar hier zo,
enzovoort enzovoort. En toen stapte ik dus af en daar reed er een man, die kwam aangefietst,
en ik wees: “die, die, die”. Dus die trapte op zijn fiets zonder banden, die had natuurlijk geen
voorstelling hoe wij de oorlog doorgekomen zijn, en die tikt hem op zijn schouder dat hij
geroepen werd. En toen stapte hij af en draaide zich om. Deed ik zo en daar kwam hij weer
aan. Want hij had net met twee collega’s staan te praten en toen zei hij: “Ik heb haar weer, ik
heb haar weer, ik heb haar weer.” Het was ongelofelijk. Ongelofelijk!
GAb Op dat moment. Dat was uw bevrijding.
A L Dat was onze bevrijding. Maar ook hij, want hij was op weg naar het Huis van Bewaring om te
vragen waar die vrouwen naar toe gebracht waren. Want alles uit het Huis van Bewaring was
vrijgelaten, maar ik kwam niet. En toen is hij naar het Huis van Bewaring gegaan om te kijken
of zij wisten waar wij naar toe gebracht waren. Maar toen kwam ik er zelf al aan, en hij zegt:
“Ik heb haar weer, ik heb haar weer, ik heb haar weer.” Ik heb dat later nog zo vaak van die
collega’s gehoord: “Ik heb haar weer, ik heb haar weer, ik heb haar weer.” Maar goed, ...
GAb In Grijpskerk is er ook nog iets anders gebeurd. Tenminste, u bent die mevrouw die vrolijk op
die foto staat, al kletsend met prins Bernhard. Kunt u dat moment nog even beschrijven?
A L Nou, ik ben het niet mee eens, dat ik het ben.
GAb U bent niet mee eens dat u het bent?
A L Nee.
GAb Het is dus waarschijnlijk een ander?
A L Ja. Dat is waarschijnlijk een ander, want ik heb
GAb Maar dat moment kunt u zich nog herinneren?
A L O ja, natuurlijk.
GAb Wat doet die Bernhard daar?
A L Bernhard die kwam ons opzoeken. (bladert door oude foto’s) Kijk op deze foto kan ik mijzelf
wel vinden. Dat is die foto van alle vrouwen na het bad. Nadat wij daar in bad zijn geweest,
hebben ze deze foto gemaakt.
GAb Dat is dus direct na de bevrijding, zijn jullie in bad geweest.
A L Nou, dat was ’s zondags.
GAb Ja.
A L ’s Zondags zijn wij in bad geweest.
GAb Gewoon bij de boer
A L Nee, nee, nee. In de fabriek. Waar de grote melkbussen schoongemaakt werden, dat hebben ze
21
vol met warm water en zijn we met elkaar ingedoken.
GAb Een grote bak.
A L Een hele grote cementen bak.
GAb Ja.
A L En die schijnt in de melkfabriek te zijn, waar ze die bussen allemaal schoonmaken.
GAb Dus die vrouwen die nog zwart waren van de batterijen
A L die zijn daar geschoond. Die zijn daar geschoond. Ja.
GAb En toen werd die grote groepsfoto gemaakt daarna.
A L Ja, die kregen wij allemaal toegestuurd.
GAb Door wie werd dat gemaakt? Door een bewoner van Grijpskerk?
A L Ik denk het. Een bewoner van Grijpskerk, een fotograaf of iets dergelijks.
GAb En deze foto van die ontmoeting met Bernhard, die is ook op die zondag gemaakt?
A L Dat weet ik niet, wie dat gemaakt heeft. Vermoedelijk ook een fotograaf.
GAb Maar die vond ook op die zondag plaats?
A L Op die zondag plaats, want toen was Bernhard bij ons. En u zegt: dat is fout geweest, want wij
wisten niet anders of hij was in Westerbork geweest, dat vertelde u de vorige keer
GAb ja, tenminste bij het NIOD dachten ze dat deze foto in Westerbork is gemaakt, maar dat is dus
Grijpskerk.
A L Nee, dat is in Grijpskerk. Ja, ja, ja.
GAb Maar u bent waarschijnlijk niet die mevrouw, die vrolijke mevrouw die daar
A L Nee. Nee. Nee. Zij heeft zo een stralende lach en die had ik dus niet.
GAb Wat heeft dat allemaal voor gevolgen gehad, deze ervaringen, voor uzelf. Kon u makkelijk de
draad weer oppakken?
A L Nee, het is een hele moeilijke tijd voor ons beiden geweest, voor mijn man en voor mij, een
hele moeilijke tijd, en daar kwam nog bij dat hij in het begin van die junimaand een vreselijk
auto-ongeluk heeft gehad. Dat ik op gegeven moment tegen de dokter, onze huisarts zei, een
politiearts ook, dat ik zei: “Hij de deur uit of ik de deur uit”, want hij donderde, hij was de hele
nacht aan het spoken, hij had een schedelbasisfractuur en een hersenschudding, was er
helemaal tussenuit. Was er he-le-maal tussenuit. En toen is hij opgenomen geweest in het
Academisch Ziekenhuis, de psychiatrische afdeling, ik was met mijn twee kinderen naar Assen
toe gegaan, naar mijn ouders, en ik ging drie keer in de week met een auto, een open
vrachtauto naar Groningen om hem te bezoeken en dan verzamelde ik alles wat los en vast zat
aan eten. En dat bracht ik hem dan. Hij heeft er drie weken gelegen en is onder protest van de
heren doktoren en met het gezegde dat hij nooit weer in het Academisch opgenomen mocht
worden, is hij, heb ik hem eruit gehaald. Het was geen doen meer. Allerhande beloftes mee
gedaan, nou een wasblok vol, een wasblok vol met allemaal beloftes, ‘ik zal niet dit, ik zal niet
dat, ik zal op bed blijven, ik zal niet dit ...’ O god, het was allemaal wat. Maar goed, ik heb van
twee collega’s van hem, twee hoge superieuren ongelofelijk veel steun gehad. Ze hebben met
mij een bed van boven gehaald, in de woonkamer, in de voorkamer gezet, het waren twee grote
kamers aan de Celebesstraat, en daar hebben we hem geïnstalleerd en daar heeft hij tot begin
september op bed gelegen met alle ellende van dien. Want een man die zo weer er tegen aan
wou, die nooit op bed kon liggen maar altijd bezig was, enzovoort enzovoort, dat viel niet mee.
Maar goed, wij hebben het overleefd.
GAb Het is uiteindelijk ook weer goed gekomen, hij heeft zijn oude beroep weer gewoon kunnen ..?
A L Hij is, ja alleen hij is toen bij de motordienst gekomen. Dat wilde hij zo graag. Ik moet er ook
bij zeggen dat hij, en dat is ook meer mijn toegevendheid geweest, u zei zo straks van: “Doet
dat het gezin niet tekort?” Ja, natuurlijk dat doet het gezin tekort. Ik heb hem heel veel vrijheid
gegeven om zijn liefhebberijen te doen. En dat was muziek en stenen zoeken. Ik heb hem heel
veel vrijheid gegeven daarin. Ik moet ook zeggen, als ik zei van: “Ik wil dat graag geverfd
hebben” dat was ik nog niet uitgesproken of hij begon er al aan. Want hij moest mij altijd te
vriend houden dat wat ik ook graag wilde dat gebeurde, dat dat ook gebeurde. Maar verder is
hij, ben ik heel veel alleen geweest met de kinderen en ... ja, totdat hij ziek werd. Dood ging.
En dat is.
---
Zus: Lunshof, Geessien Henderica
2183Systeemkaarten van verzetsbetrokkenen (OVCG)
Bestandnaam:
LuG03444.jpg
Naam:
Lunshof, Geessien Henderica
Schuilnamen:
Tiny
Verzetsgroep:
ID
Gebeurtenis:
Meerdere keren gearresteerd
Standplaats:
Assen, Venestraat 69
Verzetsactiviteiten:
GDN Koerierster, later secretaresse van Wim Schoenmaker op het hoofdkantoor te Amsterdam. In Duitsland contraspionage bij ir Wuite Berlijn. Verloofde, later echtgenote van Wim Dibbits. Kreeg Bronzen Leeuw uit handen van prins Bernhard, 10-10-1963
Onderscheiding:
Bronzen Leeuw; VHK
Ideologie:
SDAP
Geboren:
06-03-1923
Overleden:
07-09-1970
Contactpersonen:
Lode, F.; Dibbits, W.A.; Joustra, J.
----
2183Systeemkaarten van verzetsbetrokkenen (OVCG)
Lunshof, Albert
Bestandnaam:
LuA03443.jpg
Naam:
Lunshof, Albert
Schuilnamen:
Ab
Verzetsgroep:
ID
Verzetsactiviteiten:
GDN foto nº 21
Standplaats:
Groningen, Celebesstraat 22ª
Beroep:
Politieman
Ideologie:
SDAP
Geboren:
-
Contactpersonen:
Lode, Fré; Dibbits, Wim; Joustra, Jopie
Bijzonderheden:
Kaart maakt melding van overlijden maar geeft geen datum
---
2183Systeemkaarten van verzetsbetrokkenen (OVCG)
Dibbits, Willem Abraham
Bestandnaam:
DiW01132.jpg
Naam:
Dibbits, Willem Abraham
Schuilnamen:
van Heuvel; Nol
Verzetsgroep:
LO; KP
Standplaats:
Groningen, Celebesstraat 22ª
Verzetsactiviteiten:
NID bureauhouder, daarna Fré Lode. KP 1e categorie, groep Kroon. Chef van de [Noord] Route, bracht gegevens van Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel en Gelderland naar Amsterdam, van 12-03-1944 tot het eind van de oorlog. Onderbrengen krijgsgevangenen. Voorbereiding overvallen en aanslagen, zoals de mislukte aanslag op het bevolkingsbureau in de Agricolastraat. Onder andere samengewerkt met groep Piet v.d. Berg [=Gernaat]. 'GDN foto nº 14' Was ook bureauhouder van de GDN, N 103, zie het boek De Geheime Dienst Nederland blz 345, onder de naam Nol
Onderscheiding:
VHK; Bronzen Leeuw
Beroep:
Rijksverkeersinspectie, chef sectie autobussen
Ideologie:
Liberaal
Geboren:
31-05-1918 te Groningen
Overleden:
01-08-2007
Contactpersonen:
Lode, Fré; Joustra, Jopie; Dijkema, Reint; Dijkema, Piet; Steen, Jan Thomas; Lunshof (latere echtgenote), Geessien; Nol; Berend
BS-Rapport:
AM-H 3
Latere adres: Van Gooyen?straat 27 - 6165 VT Geleen
Vader Klaas Hoving
J.T. Hoving (Kootje)
Koerierster voor groep Roelof Heidema
1944-12-11 gearresteerd door de SD
Naam: Hoving
Geboren:
Overleden:
Ouders: Klaas Hoving (25-05-1896 – 18-07-1974) en Nijsien Looze (08-07-1900 - )
Broers/zussen:
Huwelijk:
Kinderen:
Oorlogsgegevens:
Koerierster voor groep Heidema.
Huis van ouders was contact- en vergaderadres groep Roelof Heidema. Vanaf 1943 herbergen van onderduikers en illegale werkers.
Op 12 november 1944 gearresteerd door de SD.
Aantekeningen Bindert op namenlijst: Mr. Yspeert heeft info over haar?
https://www.mensenlinq.nl/overlijdensberichten/geertruij-aleida-yspeert-van-der-munnik-3289981
Naam: Trijntje Biesheuvel
Geboren: 17 december 1893
Overleden: 1948
Ouders:
Huwelijk: Hendrik Arie van der Munnik
Kinderen:
Geertruy Aleida Yspeert van der Munnik (23-05-1922 – 26 februari 2011)
Jannetje (Janny) Hillegonda van der Munnik ( 2 november 1923 – 4 november 2018)
Oorlogsgegevens:
Schuilnaam: “Majesteit”
30 of 31 januari 1945 gearresteerd samen met haar dochter Janny. Mishandeld na haar arrestatie. Gevangen gezeten in Huis van Bewaring Groningen. Westerbork.
---
[1] Cornelia van der Woerd- p 42 - Zij was "Gereformeerd Bezwaard" en had een brillenzaak in Groningen. ze heeft mijn bril nog gemaakt.
Trijntje van der Munnik-Biesheuvel en haar echtgenoot Hendrik Arie van der Munnik hadden drie dochters:
Geertruij Aleida (Truus) van der Munnik: Geboren op 23 mei 1922. Truus was actief in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog en werkte als koerierster. Ze werd gearresteerd en gedeporteerd naar een werkkamp in Duitsland. Na de oorlog trouwde ze met de heer Yspeert en stond bekend als Geertruij Aleida Yspeert-van der Munnik. Ze overleed op 26 februari 2011 op 88-jarige leeftijd. Haar overlijdensbericht
Jannetje Hillegonda (Janny) van der Munnik: Geboren op 2 november 1923. Janny werd samen met haar moeder Trijntje op 30 of 31 januari 1945 gearresteerd. Hoewel Trijntje naar Kamp Westerbork werd overgebracht en deelnam aan de Vrouwenmars, is er geen concrete informatie gevonden die bevestigt dat Janny ook naar Westerbork is gestuurd. Verdere details over haar lot tijdens en na de oorlog zijn beperkt.
Derde dochter: Er zijn geen specifieke gegevens beschikbaar over een derde dochter van Trijntje en Hendrik Arie van der Munnik.
Het gezin woonde aan de Brugstraat 27 in Groningen. Trijntje was opticien en had een brillenzaak in de stad. Ze stond in het verzet bekend onder de schuilnaam "Majesteit" en was betrokken bij de hulp aan onderduikers. Na haar arrestatie werd ze gevangengezet in het Huis van Bewaring in Groningen en later overgebracht naar Kamp Westerbork. In april 1945 nam ze deel aan de Vrouwenmars en werd op 14 april 1945 nabij Visvliet bevrijd. Trijntje overleed in 1948.
Bronnen:
Mensenlinq – Overlijdensbericht Geertruij Aleida Yspeert-van der Munnik
Waarom Truus een held is (maar dat wel met de dood moest bekopen)
Kunnegiena Harmanna Woltjer 26 juni 1921
Moeder: M. (Marchien?) Woltjer Jager
Broer: Jacob Willem Woltjer
Latere adres: Eenlustpassage 5 - Veendam
Vrouwen van Trouw
--
Dochter Elly Woltjer, Seringenlaan 38, 9663EJ, Tel: (0597) 645584
https://nieuwe-pekela.protestantsekerk.net/samenstelling 2025
---
Kunny Woltjer (26 juni 1921) was een verzetsvrouw uit Winschoten. Ze verspreidde de illegale Trouw vanaf de eerste druk in 1943. Ook koerierde ze voor de groep van Jan Kamminga (later gefusilleerd), die actief was voor de Centrale Inlichtingen Dienst en zich bezighield met spionage. Ze werd bij een huiszoeking opgepakt en naar het Scholtenshuis in Groningen gebracht. Ze belandde in Westerbork, waar ze aan het eind van de oorlog onderdeel was van de ‘vrouwenmars’ richting Visvliet. Daar werden de vrouwen vrijgelaten op 14 april 1945.
https://nieuwe-pekela.protestantsekerk.net/uploads/klant284/Sjaloom_Mrt_2020.pdf
Elly Woltjer:
Een kleine anekdote van de bevrijding van Nieuwe Pekela. De Polen waren in aantocht. Mijn moeder (Kunny Woltjer) stond erbij en droeg zo’n oranje band om haar bovenarm. Waarop een Poolse soldaat vroeg of hij die mocht ruilen! Mijn moeder vond dat best en zij kreeg een Jeepje (speldje) die hij zelf gemaakt had. Dat speldje is een ,,leuke” herinnering van de oorlog! Oftewel; een bevrijdingsspeldje!
De naam Woltjer wordt ergens genoemd als verzetsman. Nummer 107 van de vrouwen was Kunnegiena Harmanna Woltjer. Misschien is daarmee nog een link te vinden.
Moeder: M. (Marchien?) Woltjer-Jager Ook gevangen genomen en tegen betaling van fl. 5000,- weer vrij Erik de Jager (Stichting Reis van de Razzia)
Broer: Jacob Willem Woltjer
Achternicht heeft contact gezocht op ons maildres: Tessa Kaptein
Naam: Hendrika Douwina Jongenelen-van der Leest
Bijnaam: Riek
Nummer: 108
Geboren: 12 juni 1923, Delfzijl
Overleden: 28 oktober 1986, Delft
Adres 1945: Landstraat 67, Delfzijl - https://www.beeldbankgroningen.nl/beelden/detail/6a18946a-b742-4dc6-185f-2160cf5d1412
Vader: Gerrit van der Leest, accountant
Huwelijk: Henricus Jacobus Jongenelen (22 april 1916 te Delft - 18 juli 1988 te Delft, botenbouwer) op 24 januari 1975 te Delft. ( Zijn 2e huwelijk)
Oorlogsgegevens:
Inlichtingendienst Packard, typiste en koerierster.
Op 2 maart 1945 gearresteerd door de SD voor het kantoor van Factoor, waar ze net vandaan kwam. Factoor was toen al aangehouden.
Contactpersonen: Houwen; Folkerts; Iemel Doornbos (https://www.groningerarchieven.nl/archieven?q=Palm&offset=50&mivast=5&mizig=210&miadt=5&miaet=1&micode=2183&minr=1140290&miview=inv2&milang=nl)
Onderscheiding: Verzetsherdenkingskruis
Systeemkaart Groninger Archieven: https://www.groningerarchieven.nl/archieven?mivast=5&mizig=210&miadt=5&miaet=1&micode=2183&minr=1153459&miview=inv2&milang=nl
Over Groep Packard:
https://nl.wikipedia.org/wiki/Groep_Packard
In het verzetsmuseum is een archief over Groep Packard:
https://collectie.verzetsmuseum.org/ais6/Details/collect/2734
Mogelijk famlie nu:
Guus van der Leest - https://www.linkedin.com/in/guus-van-der-leest-133776b2/?originalSubdomain=nl
Aantekeningen Bindert op namenlijst: wist in 1985 nog iets over Tiny de Wilde uit Eindhoven. Ook: H. Vegter - 050-254314
---
Naam: Afie Vegter
Geboren:
Overleden:
Ouders:
Hendrik Vegter (19 mei 1989 Nieuwe Pekela-7 okt 1977))
Roelfina Harkema (22 nov 1891-14 maart 1991) https://www.oorlogsbronnen.nl/tijdlijn/a8fd5f96-7e36-42a3-a309-172339fa511a
Broers/zussen:
Gebbina (Bien) Vegter. Geboren 23 december 1917 Groningen , overleden 9 maart 2012 - zat met jeugdvriend Fre Legger bij NSF, overleden 9 maart 2012
https://www.oorlogsbronnen.nl/tijdlijn/33b8400c-86ee-4118-8853-1aba0f3cac2f
Huwelijk: Bindert: Hoogezand?
Kinderen:
Oorlogsgegevens:
Als gijzelaars voor zus Bien en jeugdvriend Fre Legger. Huis van Vegter was postadres voor NSF (financiers verzet).
Samen met haar moeder gearresteerd door de SD bij de familie Brunsting aan de Paterswoldseweg 170a. Waarschijnlijk op 13 november 1944. Gevangen gezeten in Scholtenshuis, Huis van Bewaring en Westerbork.
Bron: research Groninger Archief - tekst ook op expositie-banner gemaakt in 2022
Aaf woonde tijdens de oorlog met haar familie in Groningen. Haar oudere zus Bien was samen met een jeugdvriend, Fre Legger, actief bij het Nationaal Steunfonds. Ze regelden financiële steun voor het verzet, waarbij het huis van de familie Vegter werd gebruikt als postadres. In oktober 1944 werd Fre tijdens een vergadering opgepakt en dook Bien meteen onder met de hele administratie van het NSF.
In hun fanatieke zoektocht naar Bien richtte de Sicherheitsdienst zich op haar familie.
Vader werd gearresteerd, terwijl Aaf en haar moeder uit huis werden gezet. In februari 1945 werden ook zij alsnog gearresteerd en verhoord in het beruchte Scholtenhuis.
Na gevangenschap in het Huis van Bewaring ging moeder naar een werkkamp in Duitsland en Aaf als politiek gevangene naar Westerbork.v Ze kwam terecht in de strafbarak en moest werken in de batterijensloperij. Ze kreeg een blauw kampuniform met nummer 109.
Op 11 april 1945 werd Aaf met meer dan 100 andere vrouwen lopend op transport gezet naar het noorden. Onderweg probeerde ze nog een klein briefje naar kennissen te smokkelen.
“Ik ben van HvB naar Westerbork en vandaar naar Groningen en nu Leeuwarden.
Verder weten we niet, hopelijk niet verder. Alles goed met mij. Aaf”
Aan de onzekerheid kwam op 14 april een eind, toen de bewakers de groep bij Visvliet achterlieten. Na een aantal dagen kon Aaf terugkeren naar Groningen. Het huis was leeggeroofd, maar de rest van de familie keerde levend terug. Later bleek Fre te zijn doodgeschoten door de Duitsers.
Naam: Albertje Aaltje (Alie) Bonninga-Dijkstra
Geboren: 08 februari 1912, Oldemarkt (OV)
Overleden: 13 september 1985, Groningen?
Ouders:
Huwelijk: Jannes Kornelis Bonninga - kapitein Coaster (kaart)
Kinderen:
Adres in oorlog: Bilderdijkstraat 2, Groningen
Oorlogsgegevens:
Gearresteerd op 12 november 1944 door de SD te bij slager De Vries te Stroobos. Samen met haar beide kinderen en verzetsman Roelof Heidema. Alie was zijn rechterhand.
Boek: “De Oorlogsjaren 1940-1945” geschreven door Fam. Bonninga
--
Verzetskaart: https://www.groningerarchieven.nl/archieven?mivast=5&mizig=210&miadt=5&micode=2183&milang=nl&mizk_alle=ovcg&miview=inv2
Naam: Bonninga-Dijkstra, Albertje Aaltje (Alie)
Schuilnamen: Alie
Verzetsgroep: ID
Gebeurtenis:
Op 12 november '44 gearresteerd door de SD te Stroobos (slager de Vries), samen met Roelof en haar beide kinderen. Gevangen gezeten in het Scholtenshuis (zolder) en vervolgens 2 maanden Westerbork òf eerst in het Huis van Bewaring en vervolgens 4 maanden Westerbork. Uiteindelijk op 14 of 15 april 1945 door de Duitsers vrijgelaten uit een gevangenentransport bij Visvliet en lopend naar Groningen gegaan
Verzetsactiviteiten:
Koerierster, rechterhand van Roelof Heidema. In kelder onder de kelder onderduikcentrum, ook Bob Houwen heeft daar gezeten
Standplaats: Groningen, Bilderdijkstraat 2
Onderscheiding: VHK
Ideologie: NH
Geboren: 08-02-1912
Overleden: 13-09-1985
Contactpersonen: Heidema, Roelof; Houwen, Bob; Folkerts, Bart
BS-Rapport: AM-H 8; BS 472 ev
Bijzonderheden:
De familie Bonninga heeft een boek geschreven (1945) over hun verzetsactiviteiten. Zie exemplaarnummer 64 in de bibliotheek OVCG
---
Alie Bonninga
Zat twee maanden met beide kinderen (zoontje en dochtertje) ondergedoken bij een slager in Stroobos.
Op 12 november 1944 ’s ochtends vroeg gearresteerd door de S.D.
Kwamen om half 10 aan bij het Scholtenshuis in Groningen.
Geslagen door Knorr.
Na enkele dagen overgebracht naar het Huis van Bewaring.
p. 15 noemt ze Bep ( zuster van Hoogewaarden(Roelof Heidema?)) en Kootje een koerierster.
? 6 weken later op transport naar Westerbork.
Nog ongeveer 1000 joden in het kamp.
In plaats van S.D. bewaakt door gewone Duitse militairen.
---
Latere adres: Eiberhof 54 - Zuidhorn
Vader: Jan Hindriks Sennema (28 juni 1873, Noordhorn-17 mei 1961, Zuidhorn)
Boers/zussen van Sietze Hindriks (vrouw: Feikje Jacobs de Jong) , Elze Hindriks Sennema; Sietze Sennema (1 jaar geworden); Itje Hindriks Sennema and Jan Hindriks Sennema
Eerst getrouwd met Jeltje de Jong (overleed in 1902, bij geboorte Hendrik?) - Kinderen Ijmke/Ymkje Sennema; Grietje Sennema (12 jaar); Hendrik Sennema (werd 1,5); Jacoba Sennema (10 mnd) and Hendrik Sennema (7 mnd) Bron: https://www.geni.com/people/Hendrik-Sennema/6000000191259326821
Moeder: Trientje Hoving
Kinderen: Anke, Hendrika (Riek), Levenloos, Hendrik, Grietje, Geert [wie is Emmy dan?]
https://www.wkregister.nl/personen/hendrika-sennema/
---
Geboren 07-07-1907, overleden 5 juni 2003.
Oorlogsgegevens:
Koerierster voor groep Roelof Heidema.
Gearresteerd 1944-11-14. Gevangen gezeten in Huis van Bewaring, Vught (?) en Westerbork.
05-06-2003 overleden. Begraven zuidhorn Klinckemalaan
https://www.genealogieonline.nl/stamboom-van-spijk/I37789.php
http://www.thegreywanderers.nl/blog/historie/hoofdstraat-25/familie-sennema/
---
https://www.wkregister.nl/personen/hendrika-sennema/
Het leven en verzet van Riek Sennema
Door Harm Veldman, Jan Sennema en Hilde Sennema
Hendrika (Riek) Sennema uit Zuidhorn werkte als koerierster voor het Groningse verzet. Ze werd opgepakt en gevangengehouden in het Scholtenhuis in Stad, waarna ze in 1945 naar het bijna lege kamp Westerbork werd vervoerd. Ze was één van de 116 vrouwelijke gevangenen die tussen 12 en 14 april 1945 onder begeleiding van Duitse soldaten te voet naar Grijpskerk ging, niet wetende of ze de tocht zou overleven. In dit artikel schrijven historicus Harm Veldman en familieleden Jan en Hilde Sennema over haar leven en rol in het Westerkwartier tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Jeugd
Op 7 juli 1907 werd Riek geboren als Hendrika Sennema in Zuidhorn, als derde dochter in een gereformeerd gezin aan de Molenstraat. Vader Jan runde een slagerij en zat van 1927-1941 voor de ARP in de gemeenteraad. Riek was het tweede kind in zijn tweede huwelijk. Met Jeltje de Vries had hij vier kinderen, waarvan er maar één – oudste dochter Ymkje – de kindertijd overleefde. Na het overlijden van Jeltje in 1902 trouwde hij met Trijntje Hoving, met wie hij naast Riek nog zes kinderen kreeg.
Omdat Riek op jonge leeftijd tuberculose kreeg bleef haar gezondheid precair. Daarom volgde ze geen opleiding en ging ze ook niet buitenshuis aan het werk. Terwijl haar twee broers en drie zussen trouwden of een opleiding volgden (haar jongere broer Hendrik nam de slagerij over, haar jongste zus Itje ging naar de kweekschool), bleef Riek bij haar ouders aan de Molenstraat wonen en werken.
Oorlog
Op 10 mei 1940 werd het land door Duitse troepen binnengevallen. Na 5 dagen capituleerde Nederland. Toen in 1941 de gemeenteraden werden ontbonden, werd Nederland een dictatuur in plaats van democratie. Voor Riek was dat niet te accepteren. Het verzet groeide, wat in het gezin Sennema gevoed werd door een christelijke levensinstelling. Riek had voornamelijk een grote afkeer van de NSB, die hulpdiensten verrichtte voor de Duitse bezetter. Als het gezin naar Radio Oranje luisterde, luisterde een buurtbewoner die lid is van de NSB mee.
Vanaf 1942 zette de Centrale Inlichtingendienst (CID) Riek in bij het antifascistisch verzet in Noord-Nederland. Ze was koerierster van het blad Trouw, dat illegaal was. Ook smokkelde ze wapens naar Buitenpost en Grijpskerk. Op cushionbanden reed ze het hele Westerkwartier door. Meer dan eens werd ze aangehouden door NSB’ers en Duitsers, maar Riek, rap van tong, wist zich er altijd uit te praten.
Tot 14 november 1944. Ze werd gearresteerd door een NSB-politieagent en twee Duitse militairen, die haar naar het beruchte Scholtenhuis brachten: het hoofdkwartier van de Duitse SD in Groningen. Riek werd 19 dagen vastgehouden en op hardhandige wijze verhoord. Ze bleef zwijgen. Hierna werd ze naar het Huis van Bewaring gebracht. Wederom werd ze zwaar verhoord, zo zwaar dat Riek er bijna onder bezweek. Naar verluidt raakte haar geheugen van slag, waardoor de Duitsers toch iets te weten wisten te komen.
Westerbork
In het vroege voorjaar van 1945 werd Riek overgebracht naar het concentratiekamp Westerbork, als politiek gevangene. Samen met nog 115 vrouwen uit andere kampen en gevangenissen bezette ze de barakken die na de jodentransporten nu nagenoeg leeg waren. Ze droegen genummerde overalls. Riek koos voor nummer 111: het ultieme gekkengetal. De gevangenen moesten kapotte batterijen uit elkaar halen; bij het niet halen van de vereiste 20 kg per dag kregen ze geen eten. De gevangenen moesten honger, vernederingen en verkrachtingen doorstaan. Riek was voor dat laatste – naar eigen zeggen – te kwaad en te oud.
Vanaf zondag 8 april was er opeens voldoende eten. Op 11 april werd duidelijk waarom: de Duitsers wisten dat Franse en Canadese geallieerden oprukten naar Drenthe. De 116 vrouwen in het concentratiekamp moesten zich verzamelen voor een lange voettocht naar het nog door Duitsers bezette noorden. De vrouwen liepen ’s nachts en rustten overdag. Op 13 april kwamen ze via de stad Groningen – waar heftig werd gevochten – bij het Hooihuis aan de Friesestraatweg aan. Door een knecht een pakje tabak te beloven smokkelde Riek een briefje – het “Melkbriefje” – naar haar vader in Zuidhorn. Deze fietste naar de boerderij en begon, verkleed als arbeider, in de stal te werken. Ze spraken met elkaar totdat een Duitse wacht haar terugstuurde naar de andere gevangenen.
’s Avonds moesten de vrouwen weer verder naar het westen: via Zuidhorn, Noordhorn en Grijpskerk kwamen ze in Visvliet. Daar aangekomen bleek dat de Canadese geallieerden in aantocht waren. Er brak paniek uit onder de Duitse soldaten. Ze dreigden de vrouwen dood te schieten, maar een commandant die net uit de Stad was teruggekeerd verhinderde dat. De oorlog stond op het punt van aflopen; het nodeloos doden van gevangenen was een oorlogsmisdaad. De vrouwen waren vrij. Riek leende een fiets en reed naar Zuidhorn, naar huis.
Na de oorlog
Na de bevrijding bleef Riek bij haar ouders wonen. Volgens haar neven en nichten lag ze vlak na de oorlog vaak op bed omdat ze last had van haar hart. Haar zwakke gezondheid van voor de oorlog zal meegespeeld hebben, maar ze werd ook aangewezen als oorlogsinvalide. De zware verhoren zullen ongetwijfeld hun tol hebben geëist. Tot aan haar dood had ze nachtmerries over de Duitse honden, die waren getraind om de vrouwen in hun borsten te bijten.
Toch was Riek een actieve vrouw. Dat is te horen op een opname van het Meertens Instituut, dat in 1971 onderzoek deed naar Nederlandse dialecten. Hierin vertelt ze dat ze er als jong meisje vaak ’s avonds op uit trok om vrienden te ontmoeten. Daarnaast had ze een duidelijke mening over wat er in het dorp gebeurde. Ze zorgde voor haar moeder Trientje, die in 1973 op 99-jarige leeftijd overleed. Ze was geliefd bij haar vele (achter-)neven en nichten, en werd zelfs door niet-familieleden liefkozend “tante Riek” genoemd.
Haar oorlogsactiviteiten bleven lang onbesproken, totdat ze op 12 december 1985 het Verzetsherdenkingskruis uitgereikt kreeg door burgmeester A. Dees. Riek Sennema overleed op 5 juni 2003, als laatste van haar broers en zussen. Het verhaal over de Vrouwenmars leeft sinds 2020 voort in de organisatie van de Vrouwenmars. In hetzelfde jaar organiseerde het Oorlogs- en Verzetscentrum een tentoonstelling over de tocht. Begin 2023 besloot het College van de nieuwe gemeente Westerkwartier om de nieuw brug over het Van Starkenborghkanaal – die Riek Sennema in 1945 met haar medegevangenen was overgelopen – naar haar te vernoemen.
Over de auteurs
Dr. Harm Veldman, historicus, schreef Van bezetting tot bevrijding, Zuidhorn 1940-1945.
Jan Sennema is voormalig slager in Zuidhorn en de zoon van Hendrik, een jongere broer van Riek.
Hilde Sennema is de dochter van Jan, en woont en werkt als historicus in Rotterdam. Ze schreef over haar oudtante Riek in een opiniestuk in het Dagblad van het Noorden.
Verder lezen
Hilde Sennema, “Vernoem Meer Straatnamen naar Vrouwen”, Dagblad van het Noorden, 12 april 2020, https://dvhn.nl/meningen/Opinie/Vernoem-meer-straten-naar-heldinnen-25551921.html
Harm Veldman (red.), Van bezetting tot bevrijding, Zuidhorn 1940-1945. Bedum: Profiel. 2010.
Organisatie van de jaarlijkse wandeltocht tussen Westerbork en Groningen/Grijpskerk: https://www.vrouwenmars1945.nl
De tentoonstelling over de Vrouwenmars bij het OVCG: https://www.ovcg.nl/agenda/opening-tentoonstelling-de-vrouwenmars-van-westerbork-onder-voorbehoud/
Bijbehorende podcast van het OVCG: https://soundcloud.com/user-390234215/de-vrouwenmars-podcast
Vrouwen van Trouw
Feikje Sennema-De Jong (29-4-1878 tot 17-5-1945) was een Groningse verzetsvrouw. Haar huis aan de Prinsesseweg 33 was een toevluchtsoord voor mensen die betrokken waren bij Trouw, een van de grootste illegale kranten in de Tweede Wereldoorlog. De krant werd er opgeslagen, er verbleven onderduikers, koeriersters bleven slapen en er werd door de verzetsgroep vergaderd. Feikje Sennema-De Jong werd na de oorlog opgenomen in een psychiatrische inrichting. Volgens haar familie mede vanwege de spanningen in de oorlog. Ze overleed daar op 67-jarige leeftijd.
Dochters van Feikje Sennema-De Jong & Sietze Sennema?
Emmy Sennema (3-2-1909 tot 26-4-1991) was een gereformeerde onderwijzeres uit Zuidhorn, Groningen. Sennema verloor in mei 1940 haar man en woonde daarom bij haar moeder en zus in huis. Haar man was een neef van Wim Speelman, een belangrijk figuur binnen de illegale krant Trouw. Via hem werd hun huis een ‘komen en gaan van Trouw-mensen’, zoals Emmy in de jaren tachtig beschreef op een enquêteformulier dat als onderzoeksmateriaal diende voor de doctoraalscriptie van Lidwien Marcus en Bob de Graaff (Kinderwagens en korsetten). Ook gaven ze in hun huis onderdak aan verzetsmensen.
Greetje/Grietje Jacoba Sennema (21-3-1910, Zuidhorn tot 28-2-1999, Arnhem) uit Zuidhorn was een Nederlandse verzetsvrouw, actief voor de illegale krant Trouw. Ze raakte via de neef van haar zwager Wim Speelman, een van de oprichters van Trouw, betrokken bij het werk van de krant. Ze hielp de krant te verspreiden en haalde geld op. Samen met haar moeder Feikje Sennema-de Jong gaf ze onderdak aan de verzetsmensen van Trouw in hun huis aan de Prinsesseweg 33.
Dochter van Trientje Hoving en Jan Sennema:
Riek Sennema (7-7-1907 tot 5-6-2003) uit Zuidhorn was als koerierster actief in de Tweede Wereldoorlog. Ze vervoerde onder andere wapens, bonnen en de illegale krant Trouw. Ze zat gevangen in het Scholtenhuis in Groningen en in Kamp Westerbork. Vlak voor de bevrijding moest Sennema met 115 andere vrouwen ’s nachts op tocht om uiteindelijk te worden geëxecuteerd, de zogeheten vrouwenmars die uiteindelijk op vrijlating uitdraaide bij Grijpskerk. Sennema ontving in 1985 het Verzetsherdenkingskruis en in Zuidhorn is er een brug naar haar vernoemd.
Samenvatting video interview Riek Sennema door Bindert Helder:
Riek werkte als koerierster ongeveer drie jaar bij de groep van Roelof Heidema uit Groningen. Ze zorgde voor het transport van wapens, bonkaarten en het illegale blad Trouw. Op 14 november 1944 werd ze, 37 jaar oud, door de plaatselijke politieman en twee Duitsers uit haar huis gehaald en overgebracht naar het beruchte Scholtenshuis in Groningen. Bijna drie weken lang werd ze dag in dag uit en ook ’s nachts, aan een kruisverhoor onderworpen, en niet bepaald zachtzinnig. Een verzoek van de Duitsers om tegen brood en beleg hun sokken te stoppen had ze geweigerd met de woorden: ‘Ik stop geen sokken voor mijn vijanden’.
In het begin van 1945 werd ze overgebracht naar het Huis van Bewaring in Groningen. Haar ouders hadden, met een persoonlijk bezoek, gevraagd om haar vrijlating. Het antwoord loog er niet om: ‘Vrij?? Vergeet het maar, wij zijn blij dat die felle bliksem achter slot en grendel zit!’
In het voorjaar van 1945 werd Riek met vijftien vrouwen uit het Huis van Bewaring aan de Hereweg overgebracht naar het Kamp Westerbork. In totaal bevonden zich daar toen 116 vrouwen: koeriersters en politieke gevangenen uit het hele land. De ramen van de barak waren wit geverfd zodat ze niet naar buiten konden kijken. Ze kregen blauwe overalls die eerder door joden waren gedragen. Op de rug kregen ze rode nummers. Toen nummer 111 uitgereikt zou worden had Riek gezegd: ‘Geef mij dat nummer maar, want het is hier toch een gekkenbende en dit is zelfs dubbel gek.’ Zij en enkele anderen kregen ook een witte band om de linker arm. Betekenis: ten dode opgeschreven! Ze was altijd fel in haar uitspraken tegenover de Duitsers, maar ze ging er vanuit dat ‘een grote mond een kerel van ’t lijf houdt’. Achteraf vindt Riek Sennema zelf dat die grote mond haar het leven had kunnen kosten.
Hun werk bestond uit het sorteren van materiaal uit door de Duitsers kapot gemaakte batterijen en het scheiden van zilverpapier van gewoon papier. Wilden ze in aanmerking komen voor eten, dan moest er per persoon per dag 20 kg verwerkt worden. Lukte dat niet, dan kreeg men één week geen eten. De gewoonte was dan dat iedere kamerbewoonster een lepel vol eten aan de gestrafte afstond.
Zo verstreken weken van ellende, wanhoop en onzekerheid. Echter, op zondag 8 april gebeurde er iets vreemds. Ze kregen eten zoveel als ze wilden en dit herhaalde zich op 9 en 10 april. Ze hadden er geen idee van wat daarvan de oorzaak kon zijn.
Op 11 april 1945 kwamen er enige honderden Duitsers in het kamp. De vrouwen moesten zich reisklaar maken. ’s Nachts gingen ze, onder zware bewaking, op weg richting Assen. Ze liepen in groepen van 3×3 omringd door Duitsers. Ze hadden hen Partizanen-vrouwen, die doodgeschoten zouden worden, genoemd. Het werd een verschrikkelijke tocht. De groep bestond uit vrouwen van alle rangen en standen en ook de leeftijd varieerde van jong tot oud. Zelfs hoogzwangere vrouwen waren erbij. Ze trokken langs Assen en hoorden dat daar behoorlijk werd geschoten. Het maakte grote indruk op hen. In de buurt van Loon werd tegen de ochtend halt gehouden. Ze werden ondergebracht in een boerderij van een NSB’er. Daar werd de dag doorgebracht met weinig eten. Bij het invallen van de duisternis ging men weer op stap richting Groningen. Tegen de morgen van vrijdag 13 april bereikten ze Het Hooihuis aan de Friesestraatweg, even voorbij Groningen.
Een deel van de Duitsers die de groep vrouwen begeleidde werd ingezet voor de verdediging van Groningen. Hoeveel dat er waren is Riek niet bekend. Want als ze maar even buiten de rij gingen lopen of omkeken werden ze direct in de rij teruggeschopt. Waarnemingen waren uitgesloten. Wel werd hen bekend dat de commandant van de Duitsers een koerier naar Groningen had gestuurd met het verzoek om eventuele vrijlating van de vrouwen. Blijkbaar waren ze een blok aan het been van de terugtrekkende Duitsers. Dit verzoek was zeer beslist afgewezen.
Riek Sennema sprak met de knecht van Het Hooihuis (eigenaar Dijkstra) en vroeg hem een pakje shag bij haar ouders in Zuidhorn te gaan halen. Ze schreef haar verzoek op een melkbriefje en gaf dat aan de knecht mee. Haar vader ging mee terug en verkleedde zich als boer bij de overbuurman van Het Hooihuis, de familie Poel, en ging daarna het achterdeel van Het Hooihuis (waar de koeien stonden) aanvegen, om zo in contact met zijn dochter te komen. Er vond een zeer geëmotioneerd gesprek plaats tussen vader en dochter. Immers Riek Sennema had haar vader te vertellen dat ze voor altijd afscheid van elkaar moesten nemen. Het gesprek werd abrupt beëindigd door een Duitser die haar schoppend naar de andere vrouwen terugjoeg.
’s Avonds moesten ze weer verder. De Duitsers hadden een wipkar gevorderd waarop de bagage lag en de meest uitgeputte vrouwen konden meerijden. Gelaten sleepten de anderen zich moeizaam voort; bij korte rustpauzes gingen ze zelfs op straat zitten of liggen! Zo trokken ze via Zuidhorn, waar Riek nog een glimp van haar ouders opving, Noordhorn, Niezijl en Grijpskerk richting Friesland.
Bij het krieken van de dag kwamen ze bij boerderij De Nie van de familie De Vries aan de Pieterzijlsterweg; hun derde tijdelijke verblijfplaats. Toen ze boer Menno de Vries vroegen hoe de stand van zaken was, zei hij: ‘Niet best, jullie worden allemaal doodgeschoten!’ Het laatste greintje hoop was daarmee verdwenen. Een aantal deed de gehate overall uit en trok de door hen uit Westerbork meegenomen burgerkleren aan. Zo gingen eindeloos lijkende uren voorbij.
In de loop van zaterdagmorgen kwam eindelijk het door allen verwachte moment: de Duitsers, met de geweren in de aanslag, schreeuwden dat ze moesten aantreden. Enkele vrouwen vroegen de commandant het kort te maken. Wie kan beschrijven wat er op dat moment door hen heenging? Nadat iedereen zijn plaats had ingenomen deelde de commandant de verbijsterde vrouwen mee: ‘Sie sind entlassen.’ (‘U bent ontslagen’: VRIJ dus!).
Een onbeschrijflijk tumult barstte los. Gehuil, gelach, zelfs een rondedans werd ingezet waarbij enkele Duitsers mee in de kring werden gesleurd.
Maria Jantje (Mieke) Korteweg-Bolhuis (no. 112)
Geboren: 31 december 1924 Amsterdam
Adres bij arrestatie: Savornin Lohmanlaan 42, Groningen
Overleden: 8 november 1991 Den Haag
Beroep: arts
Partner Henri Guillaume Antoine (Hans) Korteweg getrouwd op op 30 aug 1955 (26 juni 1920 Smilde - 7 sept 1997 Beilen)
Woonden later in Wassenaar/Den Haag.
Geen kinderen.
Mieke's vader: Pieter Bolhuis (1893-3 aug 1969)
Mieke's moeder: Maria Susanna Allegonda (Johanna) Langman (overl 3 dec 1977)
Broer: Pieter Hendrik Herman Bolhuis (Rotterdam)
Broer: Hendrik Jan Bolhuis (Groningen, later Yde), getrouwd met M.A. Mulder
Broer: Joan Bolhuis (Loosdrecht) getrouwd met N. M. Duyf
Broer: R.H. Bolhuis, getrouwd met R. Busman (Amsterdam)
Schoonfamilie Korteweg heeft in Smilde een landgoed "De Haegenaarskamp", ook wel Landgoed Korteweg aan wat nu de Elzenlaan heet. In de oorlog had het de bijnaam Huize Zandvoort (voor evacués uit die plaats) https://historischeroutedesmildes.nl/route-01/bord-12/
Het werd ooit gekocht door vader Simon Cornelis sr. "Kees" getrouwd met Everdina Johanna Leignes Bakhoven - ze kregen 2 kinderen Simon Cornelis jr. en Hans. https://historischeroutedesmildes.nl/geschiedenis-familie-korteweg/
Wellicht zijn de nazaten Korteweg nog te achterhalen die "Landgoed Korteweg" in Smilde nog lijken te bezitten. Hans en Mieke kwamen hier bjna elka weekend vanuit hun woonplaats Den Haag/Wassenaar. Zij hebben zelf geen kinderen gekregen.
https://www.eindjeomindrenthe.nl/assets/kortewegsebos-2017.pdf
Familie Jan Bolhuis?
In de nadagen van de oorlog werden in Noord-Nederland nog enkele tientallen verzetsmensen door de Duitsers opgepakt bij grootschalige razzia's. Zij werden vastgezet in het Scholtenshuis en het Huis van Bewaring te Groningen. Op 8 en 10 april 1945 werden vandaar uit drie groepen gevangenen op transport gezet naar Norg, Bakkeveen en Anloo en daar in de bossen geëxecuteerd. Hieronder wordt de executie van tien gevangenen nabij Anloo behandeld. Op basis van het procesverbaal van opperwachtmeester der marechaussee Everhardus Bos te Eext, gemeente Anloo, kan het volgende chronologische verhaal worden opgesteld: De 10 verzetsmensen werden in de vroege ochtend (+/- 6 uur) van 8 april met een Duitse overvalwagen, mogelijk voorzien van een rood kruis, naar de uiteindelijke executieplek in het Evertsbos gebracht. Voorafgaand aan de executie zijn ze mishandeld. De volgende mensen zijn om het leven gebracht door fusillade:
ONDERDUIKERS BELICHT. 24 • Jan Bolhuis Groningen • Cornelis Gerrit Wiegers Finsterwolde • Wilhelm Adriaan van der berg Delfzijl • Theodoor Hendrik Bouwman Uithuizen • Jan Driegen Nieuweschans • Pieter Meindert Schreuder Groningen • Allert Elema Usquert • Johannes Helmig Groningen • Berend Klaas Bosma Nieuwolda • Jannes Jan Walvius Groningen
Geboren 22-06-1923 Ulrum (GR)
Overleden: minstens 90? https://freewave-nostalgie.nl/kunst-in-kostverloren/
Vader: Maarten Meertens Heidema (30-04-1891, Een - 7/1/1982 Groningen) - wagenmaker
Moeder: Hiltje Oostinga (achternaam moeder: Benink - uit Rhoden) - overleden 28 maart 1982, Groningen)
Ouders getrouwd 3 mei 1919
Oorlog: Koerierster
Latere adres: Elzenoord 8 - 8172 AZ Vaassen
Mogelijk werkzaam in Ziekenhuis Bethesda te Yogyakarta, 1966-67
Geboren: 24 maart 1920, Leek
Laatste adres: Gerard Doustraat 85, Groningen
Gevangen gezet: 11 december 1944 in het Scholtenshuis
Weggevoerd naar Neuengamme: 16 januari 1945
Vermoord: 10 maart 1945, Neuengamme
Roelof Heidema is geboren op 24 maart 1920 in Leek. Hij is een zoon van Maarten Heidema en Hiltje Oostinga. Roelof heeft twee zussen en twee broers, hij is het oudste kind. Roelof is van beroep bouwkundige. In zijn vrije tijd speelt hij bij de voetbalvereniging G.R.C in Groningen. Roelof is verloofd met Jannie Weering, een meisje uit Emmer-Compascuum. Op 31 juli 1939 redt Roelof een kind in Emmer-Compascuum van de verdrinkingsdood. Hij krijgt hiervoor een onderscheiding van het Carnegie Heldenfonds.
Voor de oorlog zit Roelof bij de marechaussee. Begin 1942 zit hij bij de Verzetsgroep Vermeulen, die werk verricht op het gebied van inlichtingen en spionage. Zijn groep staat in verbinding met de Packardgroep. Dit is een Nederlandse inlichtingengroep die contacten onderhoudt met de regering in Londen. Later is hij ook leider van de Blauwe Rinus groep en maakt hij deel uit van de Belgisch-Nederlandse inlichtingengroep Wim.
Roelof verblijft in die jaren op verschillende adressen om zijn familie niet in gevaar te brengen. Hij gebruikt schuilnamen, o.a. Roelof Hogewaarden of Roelof Haeck. De zus van Roelof, Alberta Heidema (Bep) zit ook in zijn verzetsgroep, zij is koerierster.
Op 12 november 1944 is er een razzia in de gemeente Stroobos op de grens met Friesland. Ze arresteren Roelof Heidema. Bij fouillering vinden ze een visitekaartje met een valse naam. Een identiek visitekaartje is gevonden bij een huiszoeking in Groningen. Wat volgt is een verscherpt verhoor op het Scholtenhuis waarna Roelof op transport wordt gezet richting Duitsland.
Roelof Heidema is vermoord te Neuengamme op 10 maart 1945, hij is vierentwintig jaar oud geworden.
Ter nagedachtenis heeft de voetbalvereniging G.R.C. Groningen een plaquette geplaatst met leden die in de oorlog omkwamen, waaronder Roelof Heidema.
Het herdenkingsmonument in Leek, waarop ook Roelof Heidema herdacht wordt, waarschuwt tegen fascisme en discriminatie.
Zie onder info link G.R.C.
https://www.online-begraafplaatsen.nl/graf/989984/1410190/Hans-van-Hessen
https://www.online-begraafplaatsen.nl/zerken.asp?bgp=2343&g=986414&command=showgrafp
Postuum worden aan Roelof Heidema op 27 september 1954 door de Belgische en Nederlandse overheid in de Ridderzaal te Den Haag vier medailles uitgereikt. De Medaille met het kruis van Ridder in de orde van Leopold 2de, het Oorlogskruis 1940 met de palm, de Medaille van Weerstand en de Herinneringsmedaille aan de oorlog 1940-1945.
Zijn zus Alberta (Bep) Heidema is ook opgepakt. Zij wordt in april 1945 naar Kamp Westerbork gebracht en met een groep van vrouwelijke politieke gevangenen opgesloten. Met de bevrijding in zicht worden 116 vrouwen in de nacht van elf op twaalf april op mars gestuurd, bewaakt door Duitse soldaten. De vrouwen lopen drie nachten via Assen richting Groningen en vanuit daar richting Visvliet. Daar zijn ze op veertien april 1945 bevrijd.
https://www.groningen4045.nl/75-verhalen/gem-westerkwartier-eindpunt-vrouwenmars
Aaltje Hendrika Bakker van Weerden, middelste dochter van ouders met een manufacturenzaak in Grijpskerk, was koerierster bij de verzetsgroep Heidema. Toen de groep Heidema werd opgerold, werd ook zij gezocht, maar door voor te wenden dat zij een evacué was, werd zij niet gevonden en kon ze onderduiken.
Naam: Cornelia Elisabeth Crouwel
Geboren: 01 mei 1902
Overleden: 01 september 1997 (jongere zus leeft nog?]
Huwelijk: Jo Deul
Kinderen: geen
Beroep: Directrice in onderwijs
Oorlogsgegevens:
Jodenhulp, studentenhulp, koerierster, stencilwerk. Via Joodse Raad pakjes verzonden.
Werkte bij Lammert (Louis) Weenink, behoorde bij KP-LO.
Op 1 november 1944 gearresteerd door Lehnhoff, vanwege jodenhulp en (niet aanwezig) wapenbezit.
Veertien dagen in Scholtenhuis gezeten. Daarna Huis van Bewaring. Tenslotte enkele dagen Westerbork vanaf 6 april.
Onderscheiding: Verzetsherdenkingskruis
---
Nel schreef in 1946 een dagboek over Westerborktijd en de bevrijding tussen 6-18 april 1945.
==
https://collectiegroningen.nl/bladeren/?type=&cg%5Boid%5D=690&cHash=41df62fa5ae667c3fdd7fdbd1a0fc989
==
Aantekeningen Bindert op namenlijst: R. Boxum heeft info over haar?
---
Interview door Ika van Doorn met haar oud-collega Koen Crouwel 16 maart 2023 per telefoon:
Nel (1902-1997) - Geboren: 01-05-1902 te 's Gravenhage, Overleden: 01-09-1997
Nel Crouwel is de jonste van 3, ze heeft 2 oudere broers. Bij het uitbreken van de oorlog zijn ze veertigers. Nel zat in het Groningse verzet, was ondermeer betrokken bij de uitgave van een verzetskrant. Haar oudste broer (opa van Koen) was getrouwd met een Duitste en had 3 puber kinderen in Groningen als hij in 1943 wordt opgeroepen in Duitsland te gaan werk voor Siemens.
jongste: Annie van Eden-Crouwel - nog in leven, woonde 40 jaar in Donderen, Meulenkampseweg (mijn jeugddorp!) en nu vlakbij Haren
Koen's vader (naam?) - 91 geworden, overleden 2021/2022, was 12-16 jaar in de oorlog
oudste: Wim Crouwel (bekend graficus die ondermeer het nieuwe alfabet ontwierp en postzegels ) - overleden 2019
Op weg naar het werkkamp ontsnapt hij omdat hij weet hoe de route loopt. Pas 1,5 jaar na de oorlog komt hij - via Zweden - terug naar Nederland waar hij al die tijd ondergedoken heeft gezeten. Zijn gezin hier weet lange tijd niet waar hij is, of hij nog leeft. In Duitsland krijgt hij een tijdelijk een andere vriendin. Bij terugkeer in Nederland moet hij de gevangenis in vanwege 'verraad, maar Nel zet zich in om hem vrij te houden.Opa Crouwel schreef zijn verhaal van die Duitse tijd op!
Verzetsgroep: JH
Gebeurtenis:
Gearresteerd door Lehnhoff vanwege jodenhulp en (niet aanwezig) wapenbezit op 01-11-1944. Veertien dagen Scholtenshuis, daarna Huis van Bewaring en tenslotte enkele dagen Westerbork. Vrijgelaten tijdens een mars van vrouwelijke gevangenen van Westerbork naar Visvliet
Standplaats: Groningen, Graalstraat 52
Verzetsactiviteiten: Jodenhulp, studentenhulp, koerierster, stencilwerk, alles in die tijd nog als Nel Crouwel, na de oorlog Deul-Crouwel. Via Joodse Raad pakjes verzonden. Lammert (schuilnaam Louis) Weenink, bij wie ze werkte, hoorde tot de KP-LO. Lammert overleed op 4 februari 1945 door ophanging in Neuengamme (waar opa en Jan van Doorn ook zaten in die tijd). Zijn echtgenote: Wemelina Engelina Martha (WWME) Imelman. Florisplein 14
Onderscheiding: VHK
Beroep: Directrice onderwijs
Ideologie: Evangelisch Luthers
BS-Rapport: Verzetsrapport St. '40-'45
Verslag: Groninger Archief
Na de oorlog is lang secretaris van de Groninger afdeling van Expogé geweest.
https://www.genealogieonline.nl/stamboom-van-everdingen-en-wegman/I1204539169.php
N. Torenbeek Steentilstraat 49 Groningen
---
Later getrouwd met "Van der Meer"
Een artikel in het Nieuwsblad van het Noorden (Noorder Rondblik - 17 april 1981) over mevr. Van der Meer nr. 116
Ontsnapt in Glimmen?
----
Naam: Nora van Everdingen
Schuilnaam: Dity
Geboren: 16 februari 1914
Overleden: 1987
Ouders: Ewoud van Everdingen en Neeltje Stolker.
Broers/zussen:
Max van Everdingen, 1917 te Schoten – 1994 te Bussum. Getrouwd met Maria Josepha Bernadina Lobach. 3 kinderen?
Huwelijk:
(1e huwelijk) Ruurt Geert Torenbeek in december 1940 (1914 - 1944)
(2e huwelijk)
Kinderen:
Oorlogsgegevens:
Ruurt Geert Torenbeek:
Sabotage en droppingploeg. Had alle wapen van de KP onder leiding van Pim Calcar in huis. Vanaf 1943 Trouw. 8 December 1944 gefusilleerd te Marum
Nora Torenbeek van Everdingen:
Op 22 november 1944 gearresteerd. Twee dagen in Scholtenhuis gezeten. Daarna Huis van Bewaring. Op 6 april 1945 naar Westerbork
Broer Max van Everdingen ook actief in verzet.
https://www.genealogieonline.nl/stamboom-van-everdingen-en-wegman/I1204539169.php
N. Torenbeek Steentilstraat 49 Groningen
---
Later getrouwd met "Van der Meer"
Een artikel in het Nieuwsblad van het Noorden (Noorder Rondblik - 17 april 1981) over mevr. Van der Meer nr. 116
NOORDER RONDBLIK Door SD gevangen vrouwen ook in kamp Westerbork
Over het kamp Westerbork, dat voor meer dan honderdduizend joden doorgangshuis is geweest naar een gruwelijke dood, vertelde ik U op 1 april j.l. aan de hand van een reeks foto's, die Meent W. van der Sluis uit Assen mij leende. Het is evenwel aan slechts weinigen bekend, dat aan het eind van de oorlog, korte tijd voor de bevrijding, in dit kamp ook nog een honderdtal politieke gevangenen, vrouwen en meisjes, die vanwege hun illegale activiteiten in handen van de SD waren gevallen, hebben gezeten. Dit op zich zelf belangrijke facet van de doorgaans trieste geschiedenis van het beruchte kamp Westerbork, is merkwaardig genoeg in de naoorlogse beschrijvingen buiten beschouwing gebleven. Mevrouw N. van der Meer uit Groningen attendeerde mij hierop. Zij heeft zelf als gevangene van de SD vlak voor de bevrijding in dit kamp gezeten. Zij maakte deel uit van een groep van 22 oudere en jongere vrouwen en meisjes uit deze streek, allen betrokken in uiteenlopende functies in de illegaliteit, die via het beruchte SD-hoofdkwartier in Groningen, het Scholtenshuis, in het Huis van Bewaring aan de Hereweg in Groningen gevangen zaten. .'Mevrouw Van der Meer verzocht mij uitdrukkelijk namen van betrokkenen (en derhalve ook haar meisjesnaam en persoonlijke gegevens) ..buiten beschouwing te laten. Het ging haar er uitsluitend om dit facet van het kamp Westerbork vlak voor de bevrijding toe telichten.
„De beul van het Scholtenshuis, Lehnhoff en enkele van zijn trawanten hadden in november 1944 een inval gedaan in haar huis in de stad Groningen. Haar man werd gearresteerd (hij werd op 8 december 1944 in Marum gefusilleerd), haar huis in beslag genomen en leeggehaald en zij werd op het Scholtenshuis vastgehouden voor verhoor en vervolgens op 24 november 1944 opgesloten in het Huis van Bewaring. Daar zaten veel meer vrouwen en rneisjes van uiteenlopende leeftijd, allemaal gevangenen van de SD, die op ongeregelde tijden door SD'ers werden verhoord. Op 6 april 1945, kort voor de bevrijding, werden 22 vrouwen en meisjes uit de groep gehaald en in een'geblindeerde bus gestopt en weggereden. Ze wisten niet wat hen te wachten stond en sommigen vreesden het ergste, want de SD'ers executeerden naar willekeur illegale werkers. Ze werden echter naar het kamp Westerbork gereden, waar ze midden in de nacht in een barak werden gestopt en zich in. het donker een bed moesten zoeken. Daar bleken al 94 vrouwen te zitten, afkomstig uit diverse plaatsen in het land, als Zwolle, Apeldoorn en Putten, i De volgende morgen, 7 april, moesten de nieuw aangekomenen aantreden. Ze werden geregistreerd (Mevrouw Van der Meer werd de laatst geregistreerde en kreeg no 116), moesten een blauwe overall aantrekken en zagen zich door Duitse bewaaksters (zgn „grijze muizen") de haren kort geknipt. Ze moesten in werkkleding en met klompen aan in een werkplaats accu's en batterijen uit elkaar peuteren, een bijzonder vies werk, waar ze erg smerig van werden. Ze kregen eten van de nog in het kamp zittende joden. Uit alles voelde men dat de bevrijding naderde. De Duitse vrouwelijke bewakers vertrokken de een na de ander. Kampcommandant A. K. Gemmeker bleef achter met een honderdtal Duitse bewakers in uniform.
Op woensdag 11 april, tegen 6 uur in de namiddag, moesten de gevangen vrouwen, 116 in totaal, aantreden. Bij de controle bleken er drie te ontbreken. Die hadden zich verstopt. De order was, dat zij snel te voorschijn moesten komen, anders zou elke tiende vrouw van de rij worden doodgeschoten. Het drietal kwam te voorschijn en kort daama ging de groep op mars. De bedoeling van de Duitsers* was met de groep vrouwen naar de vesting Holland te gaan, door Friesland en over de Afsluitdijk. Het bleek al gauw dat verschillende vrouwen niet in staat waren om te lopen en daarom werd de eerste nacht al bij een boerderij een paard met wipkar in beslag genomen, waarop diegenen, die niet konden lopen, konden zitten. Die nacht liep de groep tot Peeloo, waar men overdag in een boerderij bivakkeerde. Donderdagmiddag, . 12 april, omstreeks 3 uur ging het transport verder. Het aantal uitvallers was al groter en daarom waren er al weer meer wipkarren met paarden gevorderd. De situatie was bijzonder gespannen, de bevrijding naderde en er scheerden regelmatig vliegtuigen laag over. De Duitsers kropen dan weg in de berm, maar de vrouwen moesten gewoon op de karren blijven zitten. In Vries werd een sanitaire stop gemaakt. Dat moest, onder bewaking, bij burgers geschieden en het was een ieder verboden om te spreken. Niettemin lukte het verschillende vrouwen aan de mensen duidelijk te maken wie ze waren. Bij de brug over het Noord- Willemskanaal werd weer gestopt. Daar stond het inmiddels vol militairen en militaire voertuigen., In de nacht van donderdag op vrijdag trok de merkwaardige stoet door Helpman, over de Herebrug en door het stadscentrum van Groningen. Het was doodstil. Je kon een speld horen vallen en toch was de stad volgepropt met Duitse soldaten, in afwachting van wat er ging gebeuren. Ter hoogte van de melkfabriek De Ommelanden werd gestopt en werden de vrouwen ondergebracht in een grote boerderij. Daar bleken ook allerlei Duitsers met fietsen en NSB-vrouwen op de vlucht te zijn. Op vrijdag, 13 april, tegen de avond (de belegering van de stad Groningen door de geallieerden was toen inmiddels begonnen) zette de colonne van door Duitsers bewaakte gevangen vrouwen zich weer in beweging. Er waren toen slechts weinigen meer die konden lopen. Verwaarloosd, moe en uitgeput zaten de meesten op karren. Zo kwam de stoet door Zuidhorn en door Grijpskerk in de nacht van vrijdag 13 op zaterdag 14 april. Tegen half vier in de vroege ochtend kwamen ze bij een boerderij, waar ze uitgeput neervielen in een grote vlasschuur. Kampcommandant Gemmeker hield de colonne in de gaten, rijdend op een motor met zijspan. Hij was tussentijds naar Groningen geweest, kennelijk om met de SD te overleggen wat hij met zijn gevangenen moest doen. Maar de SD-ers waren al uit Groningen 'gevlucht, richting Leeuwarden. Gemmeker ging toen naar Leeuwarden, waar hij de SD-kopstukken niet meer trof, want die waren inmiddels overgestoken naar Schiermonnikoog. Gemmeker liet toen in de boerderij nabij Gripskerk de gevangen vrouwen aantreden. Niemand durfde naar voren te komen, want men vreesde executie. Gemmeker zag er evenwel kennelijk geen gat meer in en liet de uitgeputte vrouwen vrij. Hij zei tot ieders verrassing: ,,Sie sind entlassen". De meesten liepen terug naar Grijpskerk. Daar was inmiddels bekend geworden wie deze vrouwen waren en de. ontvangst was allerhartelijkst. Op zondag-* morgen, 15 april, konden de voormalige gevangenen een douche nemen in de Boterfabriek; ze kregen pannekoekjes te eten en andere lekkernijen en ze werden ondergebracht bij de ingezetenen van Grijpskerk. Daags daarna, op maandag 16 april, waren de Canadezen in Grijpskerk. Zo snel mogelijk probeerde elkeen thuis te komen, naar of via de stad Groningen, door een binnenstad, die grotendeels in puin lag. Ook het gehate Scholtenshuis was een ruFne en dat was dan een (schrale) troost.
Het gehate SD-hoofdkwartier, het Scholtenshuis, kort na de bevrijding als ruïne:
.De registratie-barak in het kamp Westerbork, op een foto van Meent W. van der Sluis uit Assen. 11 '
----
Naam: Nora van Everdingen
Schuilnaam: Dity
Geboren: 16 februari 1914
Overleden: 1987
Ouders: Ewoud van Everdingen en Neeltje Stolker.
Broers/zussen:
Max van Everdingen, 1917 te Schoten – 1994 te Bussum. Getrouwd met Maria Josepha Bernadina Lobach. 3 kinderen?
Huwelijk:
(1e huwelijk) Ruurt Geert Torenbeek in december 1940 (1914 - 1944)
(2e huwelijk)
Kinderen:
Oorlogsgegevens:
Ruurt Geert Torenbeek:
Sabotage en droppingploeg. Had alle wapen van de KP onder leiding van Pim Calcar in huis. Vanaf 1943 Trouw. 8 December 1944 gefusilleerd te Marum
Nora Torenbeek van Everdingen:
Op 22 november 1944 gearresteerd. Twee dagen in Scholtenhuis gezeten. Daarna Huis van Bewaring. Op 6 april 1945 naar Westerbork
Broer Max van Everdingen ook actief in verzet.
-
Stichting Oorlogs- en Verzetscentrum Groningen
In memoriam - verzetsman Ruurd Torenbeek (14 mei 1914 – 8 december 1944)
“Beste vrouw en kinderen, ik zit op het ogenblik in het Huis van Bewaring. Het feit waarvoor ik gepakt ben wordt me nogal zwaar aangerekend. Ik heb er geen flauw benul van wat er met jullie gebeurd is. Wees voorzichtig met Danhof. Die is mij erg tegengevallen. Houdt moed. – Ru."
Dit bericht wist Ruurd Torenbeek tijdens zijn opsluiting in het Huis van Bewaring in Groningen naar zijn vrouw en kinderen te sturen. Maar waarom zat hij hier opgesloten?
Ruurd Geert Torenbeek woonde in Groningen aan de Steenstilstraat 49 waar hij een schoenenzaak had. Vanaf zijn 12e levensjaar was hij leerling schoenmaker bij zijn vader en op 17-jarige leeftijd behaalde hij het diploma voor schoenhersteller. Twee jaar later werd hij als militair gemobiliseerd in Haarlem-Noord. Vanaf 10 mei 1940 leefde hij in krijgsgevangenschap, waarna hij ontslagen werd uit militaire dienst. Op 2 december 1940 trouwde hij met Nora van Everdingen en samen krijgen ze twee kinderen.
In de latere jaren van de oorlog kwamen er steeds meer verzetsactiviteiten op gang. Ook Ruurd voelde zich aangetrokken tot het verzetswerk. Eerst werkte hij voor het illegale blad Trouw en later sloot hij zich aan bij een groep die beoogde tallozen te helpen die om welke reden dan ook door de Duitse bezetter vervolgd werden. Een ieder die hulp nodig had kon bij Ruurd terecht en velen hebben bij hem in de Steenstilstraat 49 een tijdelijk veilig onderdak gevonden.
Voor de knokploeg (KP) zocht men betrouwbare verzetsmensen die wapens en munitie in huis konden opslaan op een plek waar de ontdekking ervan bijna onmogelijk was. Ruurd had een niet meer gebruikte wc in huis. Deze werd dicht gemetseld en de zoldering werd voorzien van een luik die verbinding gaf met de gang op de eerste etage.
De SD had inmiddels al lucht gekregen van de verhoogde activiteiten van de ondergrondse beweging en was er in geslaagd iemand van het verzet in handen te krijgen. Al gauw volgden er arrestaties van verschillende verzetsmensen, zoals die van Caspar Naber, waardoor velen tijdelijke onderduikadressen zochten. Ruurd bleef echter thuis, omdat maar weinig mensen op de hoogte waren van het geheime wapendepot in zijn huis.
Maar op zondag 12 november 1944 zou het noodlot toch toeslaan. Twee voor Ruurd onbekende mannen belden aan bij de zijdeur van zijn pand. Een van hun hield een revolver vast. Ruurd wou hen de doortocht beletten, maar hij kon ze niet tegenhouden. Eenmaal binnen werden Ruurd en zijn vrouw verhoord. Beide beseften ze maar al te goed waarvoor de twee mannen langs waren gekomen. Het gehele huis werd grondig doorzocht. Er werd op de muren geklopt om holle ruimten te zoeken. Uiteindelijk werd het luik naar de geheime bergplaats gevonden en daarmee was Ruurds lot bezegeld. Ontkennen had geen zin meer. Hij werd met een auto naar de Grote Markt gebracht. Bij het Scholtenhuis stapten ze uit. Hier werd hij opgesloten op de pikkedonkere zolder.
Ruurd was eerst bang, maar hij werd rustiger toen hij doorkreeg dat er meerdere verzetsleden vastzaten op de zolder. Hier heeft hij ook enige woorden gewisseld met andere gevangenen. De volgende dagen werd Ruurd verhoord door de SD. Deze was al op de hoogte van talrijke feiten en het had voor Ruurd geen zin meer om alles te ontkennen. Ruurd moest bepaalde dingen toegeven en bevestigen. Na het verhoor werd hij overgebracht naar het Huis van Bewaring waar hij werd opgesloten.
Maar Ruurd zou niet lang in het Huis van Bewaring blijven. Op 8 december 1944 wordt hij samen met vier andere gevangen verzetsmannen uit het Huis van Bewaring gehaald en naar Marum gebracht. Hier werden ze gefusilleerd en moesten hun lichamen ter afschrikking blijven liggen. De fusillade was een represaille-actie van de SD na een aanslag van het verzet op een stoomtram nabij Marum. Vorige maand, op 23 november, hebben we op Facebook dit voorval al verder toegelicht. Postuum is Ruurd het Verzetsherdenkingskruis verleend.
Maar hoe was de SD aan Ruurds adres gekomen?
Dit kwam door het verraad van Johanna Spiegelberg-Saarloos. Dit verraad had een groot aantal arrestaties van verzetsleden als gevolg. Spiegelberg-Saarloos woonde samen met haar man als evacué in Ten Post, maar hun huis werd opgeëist door de bezetter. Daarom kregen ze in oktober 1944 een nieuw onderdak in het huis van verzetsman Pieter Roelfsema aan de Goeman Borgesiuslaan 11. Dit huis stond leeg omdat het gezin Roelfsema was ondergedoken uit vrees voor een arrestatie.
Na een maand in dit huis gewoond te hebben ging Spiegelberg-Saarloos naar het Scholtenhuis. Ze vroeg om een gesprek met SD’er Robert Lehnhoff. Hier was welkom omdat ze als pro-Duits bekend stond. Tijdens dit gesprek vroeg Spiegel-Saarloos of ze haar woning in Ten Post terug kon krijgen. ’s Nachts slopen er namelijk mensen om het huis van Pieter Roelfsema, waar ze momenteel woonde. Hier werd ze erg nerveus van. Ook had ze bezoek gehad van een koerierster van de Raad van Verzet uit Amsterdam. Deze had een brief voor de heer Roelfsema bij zich. Spiegelberg-Saarloos bracht de koerierster naar Roelfsema’s kantoor aan de Trompstraat 15.
Nadat Lehnhoff dit gehoord had beval hij het huis en het kantoor van Pieter Roelfsema te bezetten.
Hierbij werden er in de tuin van het kantoor verschillende papieren gevonden. Deze bevatte onder andere een lijst van de Groninger KP. Een van de namen die op deze lijst stond was die van Ruurd.
Na de oorlog is Johanna Spiegelberg-Saarloos berecht voor haar verraad. Hierbij heeft de rechter echter beslist dat er geen opzet in het spel was bij het verraad, maar dat Spiegelberg-Saarloos wel schuldig was. Daarom kreeg ze niet de zwaarste straf, maar een levenslange gevangenisstraf