Wat heb je nodig?
Je spellingskaart rood.
Hoe maak je de oefeningen?
Je leraar of lerares zegt je met welke week je moet starten.
Je neemt je spellingskaart rood.
Je kijkt op de spellingskaart rood wat je gaat oefenen met je dictee.
Voorbeeld
Je moet week 3 dictee 4 maken.
De titel van het dictee is dictee 4 (r4)
Het nummer tussen () is vier.
Zoek 4 op de spellingskaart rood
Wat oefen je? Je oefent woorden met -nk
Woorden schrijven
Woorden schrijven